HR, 07-03-2003, nr. C01/079HR
ECLI:NL:HR:2003:AF1881
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
07-03-2003
- Zaaknummer
C01/079HR
- Conclusie
Mr L. Strikwerda
- LJN
AF1881
- Roepnaam
Cikam/Siemon
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2003:AF1881, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑03‑2003
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF1881
ECLI:NL:HR:2003:AF1881, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 07‑03‑2003; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF1881
- Wetingang
art. 47 Faillissementswet
- Vindplaatsen
TvI 2003, p. 98 met annotatie van F.P. van Koppen
JOR 2003/102
Conclusie 07‑03‑2003
Mr L. Strikwerda
Partij(en)
Rolnr. C01/079HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 13 dec. 2002
conclusie inzake
Cikam B.V.
tegen
- K.
Siemon q.q.
Edelhoogachtbaar College,
1.
In HR 24 oktober 1997, NJ 1999, 316 nt. ThMdB, JOR 1997, 146 nt. H.L.E. Verhagen (Gustafsen q.q./Mosk) is beslist dat naar Nederlands internationaal privaatrecht een faillissementspauliana slechts kan slagen indien zowel aan de eisen van het op het faillissement toepasselijke recht (de "lex concursus") als aan die van het op de aangevochten rechtshandeling toepasselijke recht (de "lex causae") is voldaan. In deze zaak gaat het om de vraag of een door de curator in een Duits faillissement ingestelde faillissementspauliana niet alleen voldoet aan de eisen van het Duitse recht, de lex concursus, maar ook aan die van de lex causae, in casu het Nederlandse recht.
2.
Voor zover thans in cassatie van belang, liggen de feiten als volgt (zie r.o. 3.1 en 3.2 van het tussenarrest van het Hof d.d. 8 februari 2000 in verbinding met r.o. 1.1 t/m 1.4 van het tussenvonnis van de Rechtbank d.d. 28 april 1998).
- (i)
Op 1 mei 1996 is door de Rechtbank te Mönchengladbach, BRD, het faillissement uitgesproken van de vennootschap naar Duits recht Cikam GmbH met benoeming van thans verweerder in cassatie tot curator.
- (ii)
Thans eiseres tot cassatie, hierna: Cikam BV, is een zusteronderneming van Cikam GmbH. Beider aandelen worden gehouden door Houdstermaatschappij Cikam BV te Almere.
- (iii)
Op 9 februari 1996 betaalde Cikam GmbH aan Cikam BV DM 100.000,-, op 13 februari 1996 DM 20.000,-.
- (iv)
Cikam GmbH heeft haar eigen faillissement aangevraagd op 26 maart 1996 met opgave van een tweetal redenen: (a) een veroordeling van de Rechtbank te Mönchengladbach van 9 februari 1996 tot betaling door Cikam GmbH aan haar ex-werknemer [betrokkene 3] van een bedrag van DM 73.337,87 exclusief rente, welk vonnis berustte op verschuldigdheid door Cikam GmbH van achterstallige tantièmes, en (b) afwijzing door de Duitse belastingdienst van een vordering van Cikam GmbH tot teruggave van plm. DM 140.000,-; in plaats van een vordering op de belastingdienst bleek bij Cikam GmbH sprake van een schuld aan de belastingdienst van DM 134.337,64.
- (v)
Zakelijk leider (Geschäftsführer) van Cikam GmbH was [betrokkene 1]. Hij is tevens directeur van Cikam BV. Feitelijk bedrijfsleider van Cikam GmbH was [betrokkene 2]. Hij is tevens adjunct-directeur en beperkt gevolmachtigde van Cikam BV.
- (vi)
Bij aan Cikam BV gerichte brief van 15 april 1997 is namens de curator de nietigheid van de op 9 en 13 februari 1996 door Cikam GmbH aan Cikam BV gedane betalingen van DM 100.000,- resp. DM 20.000,- ingeroepen op de grond dat het hier onverplicht verrichte rechtshandelingen betrof waardoor de schuldeisers van Cikam GmbH zijn benadeeld, en Cikam BV zulks wist althans behoorde te weten. Tevens werd bij die brief aanspraak gemaakt op betaling van rente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.
De curator heeft bij exploot van 28 april 1997 Cikam BV gedagvaard voor de Rechtbank te Zwolle en onder meer gevorderd, kort gezegd, een verklaring voor recht dat de op 9 en 13 februari 1996 door Cikam GmbH aan Cikam BV gedane betalingen van DM 100.000,- resp. DM 20.000,- nietig zijn, althans onverschuldigd zijn verricht, met veroordeling van Cikam BV om deze bedragen terug te betalen, met rente en kosten. De curator houdt de betalingen voor paulianeus, zowel naar Duits als naar Nederlands recht, en heeft daartoe gesteld dat de beide betalingen onverplicht zijn verricht en dat Cikam BV middels [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op de hoogte was van de benadeling van de schuldeisers die daarvan het gevolg was. De Curator heeft, subsidiair, betwist dat van werkelijke leveringen door Cikam BV sprake is geweest.
4.
Cikam BV heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Zij heeft de juistheid van de stellingen van de curator bestreden en gesteld dat zij de belangrijkste leverancier is van Cikam GmbH en dat zij op het moment van de aangevochten betalingen wegens leveringen van goederen en diensten DM 540.125,94 opeisbaar van Cikam GmbH te vorderen had.
5.
Bij tussenvonnis van 29 april 1998 (JOR 1998, 114 nt. H.L.E. Verhagen) heeft de Rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld hun stellingen aan te passen en toe te spitsen in verband met de toepasselijkheid van Duits recht.
6.
Nadat partijen van deze gelegenheid gebruik hadden gemaakt, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 9 december 1998 Cikam BV veroordeeld om aan de curator DM 120.000,- vermeerderd met rente en kosten te betalen. Zij was van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat Cikam BV helemaal geen vordering op Cikam GmbH had ten tijde van de faillietverklaring en dat de vordering van de curator daarom reeds kan worden toegewezen op grond van onverschuldigde betaling (par. 812 BGB).
7.
Cikam BV is van beide vonnissen van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem.
8.
Bij tussenarrest van 8 februari 2000 heeft het Hof de grieven van Cikam BV tegen het oordeel van de Rechtbank dat het ervoor moet worden gehouden dat Cikam BV ten tijde van de faillietverklaring helemaal geen vordering op Cikam GmbH had, gegrond geoordeeld (r.o. 4.8). Het Hof heeft vervolgens onderzocht of de vorderingen van de curator op de daaraan primair meegegeven grondslag kunnen worden toegewezen. Kort samengevat heeft het Hof in dat kader het volgende overwogen.
- -
Op de overeenkomsten tussen Cikam BV en Cikam GmbH terzake van het leveren van artikelen en het verrichten van diensten is Nederlands recht toepasselijk (r.o. 4.9).
- -
Op de door de curator ingestelde faillissementspauliana zijn de bepalingen van de (destijds geldende) Duitse Konkursordnung (KO) primair - als "lex concursus" - van toepassing (r.o. 4.10).
- -
Volgens par. 31 KO zijn in de eerste plaats vernietigbaar: rechtshandelingen van de schuldenaar welke worden verricht met het aan de wederpartij bekende doel om zijn crediteuren te benadelen. In de tweede plaats kunnen worden aangetast: de in het laatste jaar voorafgaande aan de faillietverklaring gesloten "entgeltlichen Verträge" (waaronder blijkens rechtspraak van het BGH begrepen "reine Erfüllungsgeschäfte") van de schuldenaar met onder meer zijn echtgenoot en verwanten voor zover door het sluiten daarvan de crediteuren van de schuldenaar worden benadeeld en de wederpartij niet bewijst dat hem op het tijdstip van het sluiten van het contract een bedoeling van de schuldenaar om zijn crediteuren te benadelen niet bekend was (r.o. 4.12).
- -
Aan het vereiste dat de crediteuren van Cikam GmbH door de bewuste betalingen zijn benadeeld, is voldaan (r.o. 4.13).
- -
Er bestaan voldoende feitelijke aanwijzingen om vooralsnog aan te nemen dat de betalingen aan Cikam BV door Cikam GmbH werden gedaan met het doel haar andere crediteuren te benadelen. De financiële situatie van Cikam GmbH was immers begin 1996, naar aan het management bekend was, zeer slecht (r.o. 4.14).
- -
Voorshands kan er eveneens van worden uitgegaan dat de wetenschap welke aan de zijde van Cikam GmbH aanwezig was, ook bij Cikam BV bestond omdat de bedrijfsvoering in dezelfde handen lag, namelijk in de handen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (r.o. 4.15).
- -
Cikam BV zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het bestaande vermoeden dat zowel bij haar als bij Cikam GmbH de bedoeling heeft voorgezeten dat zij door de omstreden betalingen ten nadele van de andere schuldeisers van Cikam GmbH zou worden bevoordeeld (r.o. 4.16).
- -
Naar Nederlands recht, als de "lex causae" van de desbetreffende transacties tussen Cikam BV en Cikam GmbH, worden aan de toewijsbaarheid van de hier aan de orde zijnde vordering van de curator geen strengere eisen gesteld dan naar Duits recht. Het in art. 47 Fw gebruikte begrip "overleg" moet aldus worden verstaan dat sprake is van samenspanning, dat wil zeggen dat niet alleen bij de schuldeiser maar ook bij de schuldenaar de bedoeling heeft voorgezeten door de gewraakte betaling deze schuldeiser boven anderen te begunstigen. Gegeven de onder r.o. 4.13 tot en met 4.15 beschreven omstandigheden zou Cikam BV naar Nederlands recht dan ook evengoed tot voormeld tegenbewijs moeten worden toegelaten (r.o. 4.17).
Vervolgens heeft het Hof onder aanhouding van iedere verdere beslissing Cikam BV toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat bij haar en Cikam GmbH niet de bedoeling heeft voorgezeten dat Cikam BV door de aan haar op 9 en 13 februari 1996 gedane betalingen van totaal DM 120.000,- ten nadele van andere schuldeisers van Cikam GmbH zou worden bevoordeeld.
9.
Nadat het getuigenverhoor had plaatsgevonden, waarbij Cikam BV één getuige ([getuige 1]) heeft doen horen, terwijl de curator geen getuigen in tegenverhoor voorbracht, heeft het Hof bij eindarrest van 5 december 2000 Cikam BV niet geslaagd geoordeeld in het haar opgedragen bewijs en het eindvonnis van de Rechtbank bekrachtigd ten aanzien van de daarin neergelegde toewijzing van DM 120.000,-.
10.
Cikam BV is tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel. De curator is in cassatie niet verschenen.
11.
Onderdeel 1 van het middel komt met een rechtsklacht en, subsidiair, een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het Hof, in r.o. 4.17 van het tussenarrest, dat naar Nederlands recht aan de toewijsbaarheid van de hier aan de orde zijnde vorderingen van de curator geen strengere eisen worden gesteld dan naar Duits recht. Het onderdeel betoogt dat, blijkens de weergave door het Hof in r.o. 4.12 van het tussenarrest van par. 31 KO, op grond van deze bepaling reeds de enkele benadeling van de overige schuldeisers tot omkering van de bewijslast leidt en is bovendien slechts vereist dat bij de schuldenaar de bedoeling voorzat de andere crediteuren te benadelen en dat de ontvanger dat wist. Aangezien ingevolge art. 47 Fw de curator, ook indien vaststaat dat de overige crediteuren door de betaling zijn benadeeld, de curator de bewijslast draagt van de door deze bepaling vereiste samenspanning en van de daaruit resulterende bedoeling, zowel bij de betaler als de ontvanger, om laatstgenoemde ten nadele van de overige crediteuren te bevoordelen, heeft het Hof met zijn oordeel dat het Nederlandse recht geen strengere eisen stelt dan het Duitse recht, ofwel een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan par. 31 KO, ofwel de eisen van art. 47 Fw miskend, aldus het onderdeel.
12.
Het komt mij voor dat het onderdeel berust op een verkeerde lezing van 's Hofs tussenarrest en daarom reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag moet falen. Het Hof heeft niet beslist dat par. 31 KO en art. 47 Fw ten aanzien van de aan de faillissementspauliana te stellen eisen gelijkluidend zijn, doch heeft slechts beslist dat, gegeven de in r.o. 4.13 t/m 4.15 van 's Hofs tussenarrest beschreven omstandigheden, toepassing van beide bepalingen in het onderhavige geval tot dezelfde bewijslastverdeling moet leiden: het is zowel onder par. 31 KO als onder art. 47 Fw aan Cikam BV om te bewijzen dat bij haar en Cikam GmbH niet de bedoeling heeft voorgezeten dat Cikam BV door de aangevochten betalingen ten nadele van andere schuldeisers van Cikam GmbH zou worden bevoordeeld. Wat art. 47 Fw betreft, is het Hof tot dit oordeel gekomen op grond van de - in cassatie terecht niet bestreden (vgl. HR 20 november 1998, NJ 1999, 611 nt. S.C.J.J. Kortmann) - overweging dat het in dat artikel gebruikte begrip "overleg" aldus moet worden verstaan dat sprake is van samenspanning, dat wil zeggen dat niet alleen bij de schuldeiser maar ook bij de schuldenaar de bedoeling heeft voorgezeten door de gewraakte betaling deze schuldeiser boven anderen te begunstigen. Dat het Hof voorshands heeft aangenomen dat hiervan in het onderhavige geval sprake was en dat het daarom aan Cikam BV is om tegenbewijs te leveren is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting inzake de bewijslastverdeling bij een beroep op art. 47 Fw en is ook niet onbegrijpelijk. Waar het Hof als vaststaand heeft aangenomen dat de crediteuren van Cikam GmbH door de bewuste betalingen zijn benadeeld (r.o. 4.13 van het tussenarrest), voorts heeft geoordeeld dat er voldoende feitelijke aanwijzingen zijn om vooralsnog aan te nemen dat de betalingen aan Cikam BV door Cikam GmbH werden gedaan met het doel haar andere crediteuren te benadelen (r.o. 4.14) en dat de wetenschap daarvan aan de zijde van zowel Cikam GmbH als Cikam BV aanwezig was omdat de bedrijfsvoering in dezelfde handen lag (r.o. 4.15), is niet onbegrijpelijk dat het Hof bij wege van - voor tegenbewijs vatbaar - feitelijk vermoeden heeft aangenomen dat sprake is geweest van "overleg" als bedoeld in art. 47 Fw. Daarbij heeft het Hof kennelijk in aanmerking genomen dat, nu de bedrijfsvoering van Cikam GmbH en Cikam BV in de personen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in dezelfde handen lag, aan het vereiste van "overleg" met het doel om de andere schuldeisers te benadelen is voldaan, indien bij de bedrijfsvoerders de bedoeling om de andere schuldeisers te benadelen aanwezig is. Dat is niet onbegrijpelijk: in een zodanig geval lost het samenspanningsvereiste zich als het ware op in de vraag of bij de gemeenschappelijke bedrijfsleiding de toeleg aanwezig was om de betaling ontvangende vennootschap boven andere schuldeisers van de betalende vennootschap te begunstigen. Vgl. Hof Arnhem 9 januari 1996, JOR 1996, 26 met instemmende noot van S.C.J.J. Kortmann. Zie voorts Rb Amsterdam 14 mei 1997, JOR 1997, 87 nt. N.E.D. Faber.
13.
Onderdeel 2 van het middel neemt in drie subonderdelen stelling tegen 's Hofs oordeel, in r.o. 4.14 van het tussenarrest, dat er voldoende feitelijke aanwijzingen bestaan om vooralsnog aan te nemen dat de betalingen aan Cikam BV door Cikam GmbH werden gedaan met het doel haar andere crediteuren te benadelen.
14.
Subonderdeel 2.a strekt ten betoge dat het Hof, door op grond van de in r.o. 4.13 t/m 4.15 beschreven omstandigheden, te weten
- -
dat door de bewuste betalingen de crediteuren van Cikam GmbH zijn benadeeld,
- -
dat de financiële situatie van Cikam GmbH begin 1996, naar aan het management bekend was, zeer slecht was, en
- -
dat de wetenschap die aan de zijde van Cikam GmbH aanwezig was, ook bestond bij Cikam BV, omdat de bedrijfsleiding in dezelfde handen lag,
een vermoeden aan te nemen dat zowel bij Cikam BV als bij Cikam GmbH de bedoeling heeft voorgezeten dat Cikam BV door de betalingen ten nadele van de andere schuldeisers van Cikam GmbH zou worden bevoordeeld, heeft miskend dat art. 47 Fw samenspanning tussen schuldeiser en schuldenaar vereist.
15.
Het betoog faalt m.i. Zoals reeds werd aangetekend bij onderdeel 1 van het middel, heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in een geval als het onderhavige, dat hierdoor wordt gekenmerkt dat de bedrijfsleiding van schuldeiser (Cikam BV) en schuldenaar (Cikam GmbH) in dezelfde handen lag, aan het samenspanningsvereiste van art. 47 Fw is voldaan, indien bij die gemeenschappelijke bedrijfsleiding de bedoeling heeft voorgezeten om Cikam BV ten nadele van de andere schuldeisers van Cikam GmbH te bevoordelen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
16.
Subsidiair voert subonderdeel 2.b aan dat in ieder geval zonder nadere motivering niet begrijpelijk is dat reeds die benadeling en die wetenschap voldoende aanwijzingen opleveren om vooralsnog aan te nemen dat de betalingen werden gedaan met het doel Cikam BV boven de andere crediteuren van Cikam GmbH te bevoordelen.
17.
Ook deze klacht komt mij niet aannemelijk voor. 's Hofs oordeel berust op een aan hem, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden waardering van feitelijke aard. In het licht van de door het Hof in r.o. 4.14 van zijn tussenarrest beschreven omstandigheden, die erop neerkomen dat de financiële situatie van Cikam GmbH ten tijde van de gewraakte betalingen aan Cikam BV zeer slecht was en dat de gemeenschappelijke bedrijfsleiding van Cikam GmbH en Cikam BV hiervan op de hoogte was, is het oordeel van het Hof, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. De door het subonderdeel onder i t/m iii) genoemde omstandigheden behoefden het Hof niet van zijn oordeel te weerhouden: dat de betalingen dienden ter delging van een schuld die berustte op reële transacties en dat de betalingen van Cikam GmbH aan Cikam BV periodiek, aan het begin van elk jaar, in ronde bedragen plachten plaats te vinden, staat niet in de weg aan het oordeel dat de betalingen begin 1996, gelet op de toen, aan de gemeenschappelijke bedrijfsleiding van Cikam BV en Cikam GmbH kenbare, zeer slechte financiële situatie van Cikam GmbH, het feitelijk vermoeden wettigen dat zij werden gedaan met het doel de andere crediteuren van Cikam GmbH te benadelen.
18.
Subonderdeel 2.c, dat de klacht van subonderdeel 2.b herhaalt, thans toegespitst op het onder par. 31 KO geldende vereiste van toeleg om te benadelen, strandt op dezelfde gronden als subonderdeel 2.b.
19.
Onderdeel 3 van het middel keert zich in twee subonderdelen tegen het oordeel van het Hof, in r.o. 2.4 en 2.5 van het eindarrest, dat de enkele getuigenis van [getuige 1] onvoldoende is om het vermoeden dat aan beide zijden de bedoeling aanwezig was om Cikam BV ten nadele van de andere schuldeisers van Cikam GmbH te bevoordelen, te ontzenuwen, en dat de nodige positieve indicaties ontbreken welke duiden op de afwezigheid van die bedoeling.
20.
Subonderdeel 3.a bouwt voort op onderdeel 2 en moet het lot daarvan delen.
21.
Subonderdeel 3.b verwijt het Hof bij de beoordeling van de getuigenverklaring van [getuige 1] niet in aanmerking te hebben genomen dat deze getuige de in subonderdeel 2.b onder i) t/m iii) genoemde omstandigheden heeft bevestigd.
22.
Waar de bedoelde omstandigheden, zoals hierboven werd aangetekend bij subonderdeel 2.b, niet in de weg staan aan het oordeel dat de betalingen begin 1996, gelet op de toen, aan de gemeenschappelijke bedrijfsleiding van Cikam BV en Cikam GmbH kenbare, zeer slechte financiële situatie van Cikam GmbH, werden gedaan met het doel de andere crediteuren van Cikam GmbH te benadelen, is, ook zonder nadere motivering, 's Hofs oordeel dat Cikam BV niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel faalt derhalve.
23.
Onderdeel 4 van het middel bouwt voort op de eerder voorgestelde middelonderdelen en moet het lot daarvan delen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak 07‑03‑2003
Inhoudsindicatie
-
Partij(en)
7 maart 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/079HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
CIKAM B.V., gevestigd te Almere-Haven, gemeente Almere,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek,
t e g e n
Klaus SIEMON, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap naar Duits recht CIKAM GmbH,
kantoorhoudende te Düsseldorf, Bondsrepubliek Duitsland,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploit van 28 april 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Cikam B.V. - gedagvaard voor de Rechtbank te Zwolle en - na wijziging van eis bij conclusie van repliek - gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1.
primair:
uit te spreken dat de op 9 februari 1996 en de op 13 februari 1996 door Cikam GmbH aan Cikam B.V. gedane betalingen van DM 100.000,-- en DM 20.000,-- nietig zijn en Cikam B.V. uit dien hoofde te veroordelen om deze bedragen inclusief de wettelijke rente tot en met 22 april 1997, in totaal DM 128.219,79,--, vermeerderd met de wettelijke rente over DM 120.000,-- vanaf 22 april 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, terug te betalen aan de curator;
subsidiair:
Cikam B.V. wegens onverschuldigde betaling te veroordelen om deze bedragen inclusief wettelijke rente tot en met 22 april 1997, in totaal DM 128.219,79, vermeerderd met de wettelijke rente over DM 120.000,-- vanaf 22 april 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen aan de curator;
meer subsidiair:
voor het geval Duits recht van toepassing is, uit te spreken dat de op 9 februari 1996 en de op 13 februari 1996 door Cikam GmbH aan Cikam B.V. gedane betalingen van DM 100.000,-- en DM 20.000,-- nietig zijn, dan wel deze betalingen nietig te verklaren, en Cikam B.V. te veroordelen om deze bedragen inclusief de wettelijke rente tot en met 22 april 1997, in totaal DM 128.219,79, vermeerderd met de wettelijke rente over DM 120.000,-- vanaf 22 april 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen aan de curator;
2. Cikam te veroordelen om de koopprijs van de Mercedes inclusief de wettelijke rente tot en met 22 april 1997, in totaal DM 58.108,12, vermeerderd met de wettelijke rente over DM 54.652,-- vanaf 22 april 1997 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen aan de curator.
- 3.
Cikam B.V. te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten van DM 9.749,--.
Cikam B.V. heeft de vorderingen bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 29 april 1998 partijen in de gelegenheid gesteld hun stellingen aan te passen en toe te spitsen in verband met de toepasselijkheid van Duits recht.
Na dit tussenvonnis heeft de curator zijn eis gewijzigd en gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met name wegens het feit dat te dezen door de Rechtbank is bepaald dat Duits recht van toepassing is,:
- 1.
te verklaren voor recht dat nietig zijn, dan wel te vernietigen, de op 9 februari 1996 en op 13 februari 1996 door Cikam GmbH aan Cikam B.V. gedane betaling van DM 100.000,-- respectievelijk DM 20.000,-- dan wel nietig te verklaren of te vernietigen de rechtshandelingen die aan deze betalingen ten grondslag liggen en Cikam B.V. uit dien hoofde, dan wel op andere aan Duits recht te ontlenen gronden, Cikam B.V. te veroordelen om deze bedragen terug te betalen aan de curator, te vermeerderen met de Duitse rente over deze bedragen van DM 12.062,69 respectievelijk DM 2.400,56 tot en met 10 juni 1998, in totaal derhalve DM 152.303,25, en te vermeerderen met de Duitse rente over DM 120.000,-- vanaf 10 juni 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;
- 2.
Cikam B.V. te veroordelen om de koopprijs van de Mercedes inclusief de Duitse rente tot en met 10 juni 1998, in totaal DM 61.048.34, te vermeerderen met de Duitse rente over DM 54.652,-- vanaf 10 juni 1998 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen aan de curator;
- 3.
Cikam B.V. te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten berekend volgens het tarief van de Nederlandse Orde van advocaten van DM 10.615,34, welk bedrag is berekend over de som genoemd in punt 2 van deze akte van DM 215.511,59.
Bij eindvonnis van 9 december 1998 heeft de Rechtbank:
- 1.
Cikam B.V. veroordeeld om aan de curator DM 120.000,-- te betalen, vermeerderd met de naar Duits recht geldende wettelijke rente over dat bedrag van in totaal DM 14.463,25 vanaf 9 februari 1996 respectievelijk 13 februari 1996 en te vermeerderen met de Duitse wettelijke rente over het bedrag van DM 120.000,-- vanaf 10 juni 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;
- 2.
Cikam B.V. veroordeeld om aan de curator de koopprijs van de litigieuze Mercedes inclusief de naar Duits recht geldende wettelijke rente tot en met 10 juni 1998 te betalen, zijnde in totaal DM 61.048,34, met diezelfde wettelijke rente over DM 54.652,-- vanaf 10 juni 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;
- 3.
Cikam B.V. veroordeeld om aan de curator de buitengerechtelijke kosten ad DM 10.615,34 te betalen, en
- 4.
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen beide vonnissen heeft Cikam B.V. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij tussenarrest van 8 februari 2000 heeft het Hof Cikam B.V. tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft het Hof bij eindarrest van 5 december 2000:
- 1.
bekrachtigd het tussen partijen gewezen eindvonnis van de Rechtbank te Zwolle van 9 december 1998 ten aanzien van de daarin onder 1 neergelegde toewijzing van DM 120.000,-- en rentebedragen alsmede de uitvoerbaarverklaring bij voorraad hiervan;
- 2.
voormeld vonnis voor het overige vernietigd, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- 3.
de vordering van de curator tot betaling van DM 54.652,-- met rente alsnog geheel afgewezen;
- 4.
Cikam B.V. veroordeeld om aan de curator ter zake van buitengerechtelijke kosten DM 8.194,-- te betalen;
- 5.
de onder 4 en 5 vermelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en
- 6.
hetgeen meer of anders door de curator is gevorderd afgewezen.
Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
- 2.
Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het Hof heeft Cikam B.V. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen curator is verstek verleend.
Cikam B.V. heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat en mr. F.E. Vermeulen, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- (i)
Op 9 februari 1996 heeft de vennootschap naar Duits recht Cikam GmbH aan Cikam B.V. een bedrag van DM 100.000,-- betaald, op 13 februari 1996 een bedrag van DM 20.000,--, in totaal dus DM 120.000,--, zulks ter voldoening van een deel van de vordering die Cikam B.V. op Cikam GmbH had.
- (ii)
Op 1 mei 1996 is door de Rechtbank te Mönchengladbach het faillissement uitgesproken van Cikam GmbH met benoeming van verweerder in cassatie tot curator.
- (iii)
Cikam B.V. is een zusteronderneming van Cikam GmbH. Beider aandelen worden gehouden door Houdstermaatschappij Cikam B.V. te Almere.
- (iv)
Zakelijk leider (Geschäftsführer) van Cikam GmbH was [betrokkene 1], wonende te [woonplaats]. Hij is tevens directeur van Cikam B.V.. Feitelijk bedrijfsleider van Cikam GmbH was [betrokkene 2]. Hij is tevens adjunct-directeur en beperkt gevolmachtigde van Cikam B.V..
3.2.1
In de onderhavige procedure vordert de curator, voorzover in cassatie van belang, terugbetaling van het bedrag van DM 120.000,-- op de grond dat de betaling van dat bedrag paulianeus was.
De Rechtbank heeft de vordering op thans niet meer ter zake doende gronden toegewezen. Het Hof heeft deze toewijzing bekrachtigd, zulks, samengevat en voorzover in cassatie van belang, op de volgende gronden.
3.2.2
In zijn tussenarrest oordeelde het Hof allereerst dat de curator ingevolge het op het faillissement van Cikam GmbH toepasselijke Duitse recht bevoegd is om de onderhavige vordering, gegrond op nietigheid van de op 9 en 13 februari 1996 aan Cikam B.V. gedane betalingen, in te stellen.(rov. 4.2)
Van de omstreden betalingen is, aldus het Hof, door de curator de nietigheid ingeroepen op grond van diverse bepalingen van de (destijds geldende) Duitse Konkurs-ordnung (hierna: KO). Die bepalingen zijn inderdaad primair - als "lex concursus" - op de onderwerpelijke vordering van toepassing. (rov. 4.10) In cassatie is hiervan nog slechts het beroep op par. 31 KO van belang. Na in rov. 4.12 een beschrijving van de door die bepaling gestelde vereisten te hebben gegeven, kwam het Hof in de volgende rechtsoverwegingen tot het oordeel dat voorshands moet worden geoordeeld dat aan die vereisten is voldaan, doch dat aan Cikam B.V. wel de gelegenheid moest worden geboden om tegenbewijs te leveren. Op grond van een aantal in rov. 4.13 en 4.14 vastgestelde feiten kwam het Hof namelijk tot het oordeel dat aan het vereiste dat de crediteuren van Cikam GmbH door de bewuste betalingen zijn benadeeld, is voldaan en dat er voldoende feitelijke aanwijzingen zijn om vooralsnog aan te nemen dat de betalingen aan Cikam B.V. door Cikam GmbH werden gedaan met het doel haar andere crediteuren te benadelen. Omdat de bedrijfsvoering in dezelfde handen lag, kan er voorshands eveneens van worden uitgegaan dat de wetenschap welke aan de zijde van Cikam GmbH aanwezig was, ook bij Cikam B.V. bestond (rov. 4.15). Cikam B.V. zal, aldus nog steeds het Hof, in het licht van het voorgaande worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het in de genoemde omstandigheden bestaande vermoeden dat zowel bij haar als bij Cikam GmbH de bedoeling heeft voorgezeten dat zij door de omstreden betalingen ten nadele van de andere schuldeisers van Cikam GmbH zou worden bevoordeeld (rov. 4.16).
Kennelijk in aansluiting bij het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1997, nr. 16394, NJ 1999, 316, toetste het Hof vervolgens in rov. 4.17 de vordering eveneens aan het recht dat de aangevochten rechtshandelingen beheerst (de "lex causae"). Te dien aanzien overwoog het Hof dat naar Nederlands recht - welk recht als "lex causae" toepasselijk is op de desbetreffende transacties tussen Cikam B.V. en Cikam GmbH en als zodanig ook de nakoming beheerst - aan de toewijsbaarheid van de hier aan de orde zijnde vordering van de curator geen strengere eisen worden gesteld dan naar Duits recht. Volgens het Nederlandse recht recht zou, aldus het Hof, art. 47F. toepasselijk zijn, waarbij het daar gebruikte begrip "overleg" aldus moet worden verstaan dat sprake is van samenspanning, d.w.z. dat niet alleen bij de schuldeiser maar ook bij de schuldenaar de bedoeling heeft voorgezeten door de gewraakte betaling deze schuldeiser boven anderen te begunstigen (vgl. onder meer HR 20 november 1998, NJ 1999, 611). Gegeven de in rov. 4.13 tot en met 4.15 beschreven omstandigheden zou Cikam B.V. naar Nederlands recht dan ook evengoed tot voormeld tegenbewijs moeten worden toegelaten.
3.2.3
Nadat Cikam B.V. vervolgens één getuige had doen horen, kwam het Hof in zijn eindarrest tot het oordeel dat de enkele verklaring van deze getuige onvoldoende is om het vermoeden dat de bedoeling tot benadeling van de andere crediteuren van Cikam GmbH wel degelijk aan beide zijden aanwezig was, te ontzenuwen. Aangezien derhalve Cikam B.V. niet was geslaagd in het leveren van het bewijs waartoe zij was toegelaten, bekrachtigde het Hof het eindvonnis van de Rechtbank ten aanzien van de toewijzing van DM 120.000,-- met rente.
3.3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het Hof met zijn oordeel in rov. 4.17 van het tussenarrest, dat het Nederlandse recht - voor wat betreft de hier aan de orde zijnde verplichte rechtshandelingen - geen strengere eisen aan de vernietigbaarheid stelt dan het Duitse recht, ofwel een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan par. 31 KO, ofwel de eisen die art. 47 F. aan vernietigbaarheid van dergelijke rechtshandelingen stelt, heeft miskend, danwel zijn oordeel te dien aanzien onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Onderdeel 2.a werkt de rechtsklacht met betrekking tot art. 47 F. verder uit met een klacht, inhoudend dat het Hof heeft miskend dat art. 47 F. samenspanning tussen schuldeiser en schuldenaar vereist, resp. dat de betaling (wat zowel de schuldeiser als de schuldenaar betreft) tot doel heeft deze schuldeiser boven de andere schuldeisers te bevoordelen, door op grond van de in rov. 4.13-4.15 vastgestelde omstandigheden een vermoeden aan te nemen dat zowel bij Cikam B.V. als bij Cikam GmbH de bedoeling heeft voorgezeten dat Cikam B.V. door de betalingen ten nadele van de andere schuldeisers van Cikam GmbH zou worden bevoordeeld. Die omstandigheden houden immers, aldus het onderdeel, kort gezegd, niet meer in dan dat
- -
door de bewuste betalingen de crediteuren van Cikam GmbH zijn benadeeld (rov. 4.13);
- -
de financiële situatie van Cikam GmbH begin 1996, naar aan het management bekend was, zeer slecht was (rov. 4.14);
- -
de wetenschap die aan de zijde van Cikam GmbH aanwezig was, ook bij Cikam B.V. bestond, omdat de bedrijfsvoering in dezelfde handen lag (rov. 4.15).
3.3.2
Beide onderdelen zijn tevergeefs voorgesteld.
In het midden kan blijven of in zijn algemeenheid gezegd kan worden dat art. 47 F. geen strengere eisen voor de vernietigbaarheid stelt dan par. 31 KO, nu het Hof kennelijk slechts het oog heeft gehad op de feitelijke grondslag die het in het onderhavige geval nodig achtte om op grond van par. 31 KO tot nietigheid van de betalingen te kunnen concluderen. Slechts hierop slaat 's Hofs oordeel dat art. 47 F. geen strengere eisen stelt. Voorzover onderdeel 1 van een andere lezing van de bestreden overweging uitgaat, mist het derhalve feitelijke grondslag.
Voorzover het onderdeel zich richt tegen het oordeel dat de door het Hof voorshands - behoudens tegenbewijs - als vaststaand aangemerkte feiten vernietiging van de betalingen op grond van art. 47 F. rechtvaardigden, faalt het eveneens, evenals onderdeel 2.a.
Het Hof is terecht uitgegaan van de door de Hoge Raad in onder meer zijn arrest van 20 november 1998, nr. 16670, NJ 1999, 611, aanvaarde maatstaf.
Het Hof heeft ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uit de bedoelde omstandigheden af te leiden dat voorshands, behoudens tegenbewijs, kan worden aangenomen dat zowel bij Cikam GmbH als bij Cikam B.V. de bedoeling heeft voorgezeten dat Cikam B.V. door de betalingen aan haar ten nadele van andere schuldeisers van Cikam GmbH zou worden bevoordeeld. Anders dan het onderdeel kennelijk tot uitgangspunt neemt, behoefde het Hof zich van dit oordeel niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat het bestaan van die bedoeling niet door rechtstreeks daarop gerichte bewijsmiddelen was bewezen. Het oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, verder niet op juistheid worden getoetst.
3.4
De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Cikam B.V. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 7 maart 2003.