NJ 1970, 146
HR, 17-10-1969
HR 17-10-1969, ECLI:NL:HR:1969:AC4958, m.nt. G.J. Scholten
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
17 oktober 1969
- Magistraten
De Jong, Dubbink, De Meijere, Minkenhof, Drion
- Zaaknummer
[1969-10-17/NJ_52548]
- Noot
G.J. Scholten
- LJN
AC4958
- JCDI
JCDI:ADS116781:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1969:AC4958, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 17‑10‑1969
- Wetingang
BW art. 1373; Rv (oud) art. 56
Samenvatting
Een beding in een overeenkomst, waarbij de ene partij in geval van wanprestatie verplicht wordt een bepaalde vergoeding te betalen aan de wederpartij voor gerechtelijke of buitengerechtelijke kosten, is — ook als dat beding is vervat in door laatstgenoemde partij opgestelde ‘algemene voorwaarden’ — niet op grond van het enkele feit, dat de volgens het beding verschuldigde vergoeding in bepaalde gevallen het bedrag van de hoofdsom belangrijk zou kunnen overschrijden, in strijd met de goede zeden. *
Zie noot onder het arrest. (Red.).
Uitspraak
VOORDRACHT EN VORDERING TOT CASSATIE IN HET BELANG DER WET
(Adv.-Gen. Mr. van Oosten) ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.