HR, 07-04-1967
ECLI:NL:PHR:1967:AB9715
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
07-04-1967
- Zaaknummer
[1967-04-07/NJ_51346]
- LJN
AB9715
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1967:AB9715, Uitspraak, Hoge Raad, 07‑04‑1967; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1967:AB9715
ECLI:NL:PHR:1967:AB9715, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑04‑1967
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1967:AB9715
- Vindplaatsen
Uitspraak 07‑04‑1967
Inhoudsindicatie
Rechtspositie van legitimarissen die een beroep doen op hun wettelijk erfdeel. Bepaling der waarde van nagelaten en door de testamentaire universele erfgename des erflaters te eigen bate vervreemde onroerende goederen, welke in aanmerking moet worden genomen bij de scheiding en deling van de nalatenschap tussen de testamentaire erfgenamen (weduwe van de erflater) en uit haar huwelijk met de erflater geboren kinderen, die zich op hun legitieme hebben beroepen.
7 april 1967
Br.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak nr. 10.054 van
1. [eiser], wonende te [woonplaats] ,
2. [eiseres], echtgenote van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisers tot cassatie van een door het Gerechtshof te Leeuwarden tussen partijen gewezen arrest van 8 juni 1966, kosteloos procederende ingevolge beschikking van de Hoge Raad van 30 september 1966, vertegenwoordigd door Mr. J. W. Lely, advocaat bij de Hoge Raad,
tegen
1. [verweerder 1], wonende te [woonplaats] , .
2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats] ,
3a. [verweerder 3a], wonende te [woonplaats] ,
3b. [verweerder 3b], wonende te [woonplaats] ,
4. [verweerder 4], wonende te [woonplaats] , verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J. J. Koeleman, mede advocaat bij de Hoge Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord de Advocaat-Generaal Minkenhof, namens de Procureur-Generaal, concluderend tot verwerping van het beroep met veroordeling van de eisers in de op de cassatie gevallen kosten;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest en de gedingstukken blijkt:
dat op 30 maart 1936 is overleden [erflater], verder ook aan te duiden als de erflater;
dat de erflater in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd met [betrokkene 1], en als erfgenamen volgens de wet naliet zijn echtgenote en de vier uit het huwelijk met haar geboren kinderen [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 3a] en [betrokkene 2], doch bij testament zijn echtgenote tot enig erfgename had benoemd ;
dat de verweerders in cassatie [verweerder 1] , [verweerder 2] alsmede de drie erfgenamen van de inmiddels overleden [betrokkene 2] , zijnde [verweerder 3a], [verweerder 3b] en [verweerder 4] , allen tezamen verder aan te duiden als [verweerders], bij dagvaarding van 14 juni 1961 de weduwe van de erflater, [betrokkene 1], en diens zoon [eiser] hebben gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Groningen, en, stellende dat zij, onderscheidenlijk hun rechtsvoorgangster [betrokkene 2] , een beroep hebben gedaan op hun wettelijk erfdeel, hebben gevorderd veroordeling van [betrokkene 1] en [eiser] om met hen over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van erflater;
dat deze vordering bij vonnis van 24 november 1961 is toegewezen;
dat bij de scheiding en deling zwarigheden zijn gerezen, waarvan door notaris [notaris] te Winschoten bij akte van 5 september 1963 een proces-verbaal is opgemaakt;
dat deze zwarigheden betrekking hadden op twee huizen gelegen te [plaats] (Duitse Bondsrepubliek), die deel uitgemaakt hadden van de tussen de erflater en [betrokkene 1] bestaan hebbende huwelijksgemeenschap en die [betrokkene 1] in 1956 had verkocht aan haar zoon [eiser] zonder medewerking of toestemming van de andere kinderen;
dat voor zover thans nog van belang [verweerders] blijkens het proces-verbaal stelden dat zij als erfgenamen deelgerechtigd waren in deze huizen en, nu [betrokkene 1] deze had verkocht, recht hadden op hun aandeel in de ten tijde van de scheiding en deling geldende waarde ervan, waartegen [betrokkene 1] aanvoerde dat zij als legitimarissen slechts recht hadden op hun aandeel in de ten sterfdage van de erflater geldende waarde der toen aanwezige goederen verminderd met de schulden;
dat vervolgens [betrokkene 1] bij dagvaarding van 22 april 1964 [verweerders] alsmede [eiser] heeft gedaagd voor de Arrondissements-Rechtbank te Groningen en heeft gevorderd, kort samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, dat de Rechtbank de door [verweerders] opgeworpen zwarigheden zal verwerpen, subsidiair zal verklaren, dat aan [verweerders] hun aandeel in de nalatenschap zal worden toegescheiden in een geldsbedrag en dat het zuivere batig saldo der nalatenschap overeenkomstig de door [betrokkene 1] op de grondslag van het door haar ingenomen standpunt gemaakte berekening moet worden gesteld op f 2.499,49;
dat de Rechtbank te Groningen deze vorderingen, nadat [verweerders] daartegen verweer hadden gevoerd en [eiser] had verklaard daarin te acquiesceren, bij vonnis van 20 november 1964 heeft toegewezen;
dat [verweerders], met dagvaarding van [eiser] en van de gezamenlijke erfgenamen van de in- middels overleden [betrokkene 1], van dat vonnis in hoger beroep zijn gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden; dat het Hof bij het bestreden arrest het vonnis der Rechtbank heeft vernietigd en alsnog aan de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1] de door [betrokkene 1] ingestelde vorderingen heeft ontzegd, daarbij voor zover in cassatie nog van belang overwegende:
"dat de drie aangevoerde grieven neerkomen op het volgende:
de eerste: ten onrechte overweegt de Rechtbank, dat waar [verweerders] de goederen van de nalatenschap van de dag van het overlijden van de erflater af aan wijlen [betrokkene 1] hebben overgelaten, die er over heeft beschikt en [verweerders] slechts hun aandeel in geld wensen te ontvangen, de goederen sinds het overlijden van de erflater voor risico van [betrokkene 1] waren en dan ook naar die dag behoren te worden gewaardeerd;
de tweede: ten onrechte overweegt de Rechtbank, dat, nu, blijkens de memorie van aangifte voor het recht van successie het zuiver batig saldo van de nalatenschap bedroeg f 2.499,49, op die basis het aandeel van ieder der legitimarissen behoort te worden berekend;
de derde: ten onrechte overweegt de Rechtbank, dat artikel 1123 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, nu de goederen niet meer aanwezig zijn;
"ten aanzien van de eerste grief:
"dat de Rechtbank, waar zij zegt, dat de bewuste goederen onder de door de Rechtbank bedoelde omstandigheden voor risico van [betrokkene 1] waren, kennelijk bedoelt, dat veranderingen in de waarde van de bewuste goederen sinds het overlijden van de erflater ingetreden ten gunste of ten laste van [betrokkene 1] kwamen; "dat echter, bijgeval [betrokkene 1] bedoelde goederen niet had vervreemd en die goederen zich dus thans nog in de nalatenschap zouden hebben bevonden, voor de berekening van het aan ieder der deelgenoten bij de scheiding toekomende bedrag beslissend zou zijn de waarde dier goederen op dat tijdstip en de hoegrootheid van die waarde ten tijde van het openvallen der nalatenschap van geen belang zou zijn;
"dat dit niet anders zou worden indien één of meer der erfgenamen geen goederen in natura zou wensen doch een uitkering in geld;
"dat geen rechtsgrond valt aan te wijzen welke tot een andere beslissing zou moeten leiden, bijgeval - zoals in casu - de mede-erfgenamen van [betrokkene 1] haar het beheer van de goederen hebben overgelaten en zij - zonder toestemming van die mede-erfgenamen - die goederen heeft vervreemd;
"dat dan ook de Rechtbank ten onrechte besliste, dat - voor de berekening van de waarde der te verdelen nalatenschap - beslissend is de waarde, die de vervreemde goederen ten tijde van het openvallen der nalatenschap hadden;
"dat derhalve de besproken grief gegrond is;
"dat hieruit ook de gegrondheid van de tweede grief volgt;
"ten aanzien van de derde grief :
"dat het in de grief genoemde artikel 1123 van het Burgerlijk Wetboek slechts op het oog heeft het geval, dat er geschil is over bij de verdeling in de nalatenschap aanwezige goederen; dat echter - naar 's Hofs oordeel - grond is voor analogische toepassing van bedoelde bepaling, voor het zich hier voordoende geval, waarin één der deelgenoten zonder toestemming van de overige deelgenoten tot de nalatenschap behorende goederen heeft vervreemd ;
"dat uit dit alles volgt, dat - met vernietiging van het aangevallen vonnis - de primaire vordering van [betrokkene 1] van de hand moet worden gewezen";
Overwegende dat [eiser] voornoemd, alsmede [eiseres] , echtgenote van deze, als enige erfgenamen van [betrokkene 1] krachtens door haar gemaakte testament, tegen 's Hofs arrest beroep in cassatie hebben ingesteld en voordragen de volgende middelen van cassatie:
"I. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht met name van de artikelen 968, 969, 970, 971, 972, 973 van het Burgerlijk Wetboek, 48 en 59 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte, omdat het Hof, nadat door de Rechtbank was vastgesteld en vervolgens in hoger beroep vaststond, dat [verweerders] een beroep hebben gedaan op het hun toekomende wettelijk erfdeel en zij blijkens het proces-verbaal van zwarigheden hebben verklaard, dat zij evenals de andere deelgenoten voor een aandeel gerechtigd zijn in de onverdeelde boedel en mitsdien ook in de daartoe behorende onroerende goederen en derhalve recht hebben op hun aandeel in de ten dage van de scheiding en deling geldende waarde dier goederen, alsmede dat zij deze onroerende goederen zelf niet opeisen doch slechts de ten dage van de scheiding en deling geldende waarde dier goederen in verdeling wensen gebracht te zien en tevens willen dat de sedert het overlijden van de erflater ontvangen huur wordt verrekend, en nadat door de Rechtbank voorts was vastgesteld en eveneens in hoger beroep vaststond, dat partijen slechts verschillen over de vraag naar welk moment de waarde der ten processe bedoelde onroerende goederen moet worden vastgesteld (het moment van overlijden dan wel het moment van scheiding en deling), door te overwegen, althans er van uit te gaan, dat beslissend is de waarde van de goederen ten tijde van de scheiding en deling,
1) heeft miskend, dat de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel en/of van het deel van de nalatenschap waarop legitimarissen aanspraak kunnen maken wordt bepaald door de waarde van de goederen ten tijde van het overlijden van de erflater, terwijl, ook indien [betrokkene 1] bedoelde goederen niet had vervreemd en die goederen zich dus thans nog in de nalatenschap hadden bevonden, voor de berekening van het aan [verweerders] als legitimarissen toekomende bedrag beslissend zou zijn de waarde van die goederen ten tijde van het openvallen der nalatenschap, en het Hof door van een ander standpunt uit te gaan een voor zijn beslissing onjuist criterium heeft gebezigd, en legitimarissen niet gerechtigd zijn om goederen in natura uit de nalatenschap te eisen, terwijl, ook al zou zulks anders zijn, zulks in casu niet van belang is aangezien [verweerders] geen goederen in natura wensen doch een uitkering in geld, en overigens, zelfs al zouden wederom legitimarissen goederen in natura kunnen eisen uit de nalatenschap, zulks geenszins met zich brengt dat voor de bepaling van het hun toekomende beslissend is de waarde van de nalatenschap ten tijde van de scheiding en deling en niet ten tijde van het overlijden;
2) hebbende het Hof voorts ten onrechte beslist, althans door het Hof ten onrechte er van is uitgegaan, dat [verweerders] zijn erfgenamen en als mede-erfgenamen van [betrokkene 1] zijn aan te merken, aangezien door de erflater als enige erfgenaam was benoemd zijn echtgenote [betrokkene 1] en het inroepen door [verweerders] van hun legitieme niet met zich bracht en/of kon brengen, dat zij de positie van erfgenamen verwierven, althans en in ieder geval het inroepen van de legitieme niet met zich bracht en/of kon brengen dat zij voor wat betreft de tussen het tijdstip van overlijden en van scheiding en deling opgetreden waardevermeerdering dezelfde rechten konden doen gelden als testamentaire erfgenamen of erfgenamen bij versterf;
3) terwijl verder het Hof ten onrechte heeft beslist althans er van is uitgegaan, dat [verweerders] zijn aan te merken als deelgenoten ter gelegenheid van de scheiding der nalatenschap, aangezien het inroepen door [verweerders] van hun legitieme niet met zich bracht en/of kon brengen, dat zij tezamen met de testamentaire erfgename deelgenoten werden bij de scheiding en deling, en het inroepen van de legitieme slechts met zich brengt dat de legitimaris een vordering althans een vordering tot uitkering van het hem toekomende verkrijgt, en in ieder geval, ook al zou zulks anders zijn, zulks niet met zich brengt dat hij deelgenoot is, althans niet op dezelfde voet is als zulks het geval is bij de testamentaire erfgenaam en/of de erfgenaam bij versterf, terwijl, indien en voor zover de legitimaris, gelijk aangevoerd bij onderdeel 2 van dit middel, niet is erfgenaam, zulks op zich reeds inhoudt en met zich brengt dat hij niet is deelgenoot bij de scheiding en deling;
4) en voorts heeft miskend, dat de vraag welke waarde aan goederen moet worden toegekend in verband met een scheiding en deling van een nalatenschap slechts aan de orde kan komen ten aanzien van goederen die alsdan, te weten ten tijde der scheiding en deling, tot de nalatenschap en/of onverdeelde boedel behoren en aldus deel kunnen uitmaken van de scheiding en deling, terwijl in casu eerder bedoelde onroerende goederen ten tijde van de scheiding en deling niet meer tot de nalatenschap en/of onverdeelde boedel behoorden en aldus ook geen deel konden uitmaken van de scheiding en deling, en in ieder geval een waardebepaling van goederen naar het tijdstip van scheiding en deling en/of in verband met scheiding en deling van een nalatenschap niet in aanmerking kan komen ten aanzien van goederen die alsdan niet meer tot de nalatenschap en/of de onverdeelde boedel behoren en aldus ook geen deel van de scheiding en deling kunnen uitmaken, zijnde althans onduidelijk en onbegrijpelijk hoe het Hof beslissend heeft kunnen achten de waarde van de onroerende goederen ten tijde van de scheiding en deling, nu deze goederen alstoen niet meer behoorden tot de nalatenschap en/of onverdeelde boedel en 's Hofs arrest aldus reeds in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed;
5) terwijl 's Hofs arrest, ook afgezien van het zo even sub onderdeel 4 in fine aangevoerde, is niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aangezien onduidelijk en onbegrijpelijk is, hoe het Hof heeft kunnen oordelen althans er van uit heeft kunnen gaan, dat legitimarissen gerechtigd zijn tot de waarde van de goederen ten tijde van de scheiding en deling respectievelijk dat legitimarissen erfgenamen zijn casu quo als deelgenoten moeten worden aangemerkt.
II. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen aangehaald onder middel I alsmede van artikel 2000 en 2002 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte, omdat het Hof, door te overwegen en/of er van uit te gaan dat de mede-erfgenamen van [betrokkene 1] haar het beheer van de goederen hebben overgelaten en zij - zonder toestemming van die mede-erfgenamen - die goederen heeft vervreemd,
1) heeft miskend dat de, zogenoemde, mede-erfgenamen van [betrokkene 1] geen aanspraken meer konden maken op deze goederen ten tijde dat [betrokkene 1] deze goederen vervreemdde en laatstgenoemde voor deze vervreemding ook niet hun toestemming van node had, aangezien bij memorie van antwoord in hoger beroep onweersproken is gesteld, zonder dat zulks onjuist, ongegrond of niet ter zake is geoordeeld, dat [betrokkene 1] ten tijde van de verkoop van bedoelde goederen, in het jaar 1957, meer dan twintig jaar als eigenares de nalatenschap van wijlen [verweerder 1] te goeder trouw en uit kracht van een wettige titel, voortdurend en onafgebroken, ongestoord openbaar en niet dubbelzinnig had bezeten, op grond waarvan bij memorie van antwoord een beroep op (verkrijgende) verjaring door [betrokkene 1] ten aanzien van bedoelde goederen is gedaan, en verkrijging door verjaring in 1957 door [betrokkene 1] uitsluit, dat door de mede-erfgenamen nog aanspraken zouden kunnen worden geldend gemaakt ter zake van de waarde dezer goederen ten tijde der scheiding en deling, zijnde het tijdstip van de scheiding en deling gelegen na het jaar 1957;
2) en het Hof voorts zijn arrest ten deze niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, aangezien onduidelijk en onbegrijpelijk is hoe het Hof heeft kunnen oordelen en/of van belang heeft kunnen achten, dat de mede-erfgenamen van [betrokkene 1] haar het beheer van de goederen hebben overgelaten en zij - zonder toestemming van die mede-erfgenamen - die goederen heeft vervreemd, zijnde bij memorie van antwoord, in voege als hierboven besproken, een beroep op verjaring gedaan, hebbende het Hof in ieder geval in strijd met de wet nagelaten naar aanleiding van het beroep op verjaring te beslissen;
" omtrent het eerste middel:
Overwegende dat de erflater, [verweerder 1] Sr., in gemeenschap van goederen gehuwd was met [betrokkene 1] en bij testament haar tot enig erfgename had benoemd; dat dientengevolge bij zijn overlijden op 30 maart 1936 het vermogen waaruit de huwelijksgemeenschap toen bestond kwam toe te behoren aan zijn echtgenote, voor de helft krachtens de huwelijksgemeenschap en voor de helft krachtens het testament;
dat evenwel blijkens het vonnis der Rechtbank in de onderhavige zaak, waartegen op dit punt niet is opgekomen, in juli 1937 de vier kinderen uit het huwelijk van de erflater met [betrokkene 1] een beroep hebben gedaan op hun wettelijk erfdeel;
dat zij daardoor erfgenamen zijn geworden van de erflater, hetgeen tot gevolg had dat zij mede-eigenaren werden van de nalatenschap en daarmede tevens van het gehele vermogen der toen nog ongedeelde huwelijksgemeenschap, bestaan hebbend tussen de erflater en [betrokkene 1];
dat dit vermogen, hetwelk [betrokkene 1] toen onder zich had, verder onverdeeld onder haar beheer is gebleven;
dat [betrokkene 1], toen zij in 1956 zonder medewerking of goedkeuring van de mede-eigenaren de litigieuze, tot dit vermogen behorende onroerende goederen te eigen bate verkocht, deswege vergoeding is schuldig geworden aan die mede-eigenaren;
dat het Hof, aannemend dat die goederen, indien zij niet verkocht waren, bij de scheiding en deling nog in de boedel aanwezig zouden zijn geweest, heeft beslist dat zij bij de scheiding en deling in aanmerking moeten worden genomen voor hun waarde op dat ogenblik;
dat het Hof dit terecht heeft beslist aangezien het niet anders inhoudt dan dat [betrokkene 1] deze waarde aan de boedel moet vergoeden, terwijl ten processe niet in geschil was dat, zo [betrokkene 1] te dezer zake tot vergoeding gehouden was, deze aldus moest worden berekend;
Overwegende dat uit het vorenoverwogene volgt dat de onderdelen 2) en 3) van het middel ongegrond zijn, aangezien zij ten onrechte er van uitgaan, dat de legitimaris die beroep doet op zijn legitieme portie niet de positie van een erfgenaam zou krijgen;
Overwegende dat om dezelfde reden ook onderdeel 1) faalt, hetwelk bovendien met elkander verwart de vraag welke waarden moeten worden in aanmerking genomen bij de berekening van het wettelijk erfdeel en bij de beoordeling of inbreuk daarop is gemaakt, en de vraag welke waarden bij de scheiding en deling moeten gelden;
Overwegende dat onderdeel 4) evenmin doel treft; dat toch de beslissing van het Hof niet inhoudt dat in het algemeen als waarde van ten tijde van de scheiding en deling niet meer aanwezige goederen de waarde op dat tijdstip moet worden aangenomen;
dat het Hof heeft beslist - en, blijkens het voren- overwogene, terecht - dat in het gegeven geval [betrokkene 1] die tot de nalatenschap behorende goederen te eigen bate had vervreemd, deswege moest verantwoorden de waarde die deze goederen ten tijde der scheiding en deling hadden;
Overwegende dat de in het slot van onderdeel 4) en de in onderdeel 5) voorkomende klachten, waarin niets anders beweerd wordt dan dat onduidelijk en onbegrijpelijk is, hoe het Hof het daar omschrevene beslissend heeft kunnen achten, onderscheidenlijk het daar omschrevene heeft kunnen oordelen, onderscheidenlijk van het daar omschrevene is kunnen uitgaan, geen voor behandeling in cassatie in aanmerking komende grief bevatten;
Overwegende omtrent het tweede middel: dat dit reeds daarom faalt, omdat de rechter in het onderhavige geding slechts heeft te oordelen over die zwarigheden die zich volgens het daarvan opgemaakte proces- verbaal bij de scheiding en deling hebben voorgedaan en dit proces-verbaal niet als zwarigheid vermeldt een geschil over de vraag of [betrokkene 1] door verjaring eigenares van de door haar vervreemde goederen der nalatenschap was geworden; dat het Hof daaromtrent derhalve geen oordeel had te geven;
Overwegende dat dus geen der middelen tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt eisers tot cassatie in de op het beroep gevallen kosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerders in cassatie begroot op f 50, -- aan verschotten en f 1.000, -- voor salaris.
Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice- President, Houwing, Hülsmann, Loeff en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zevende april 1900 zeven en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Minkenhof.
Conclusie 07‑04‑1967
Inhoudsindicatie
Rechtspositie van legitimarissen die een beroep doen op hun wettelijk erfdeel. Bepaling der waarde van nagelaten en door de testamentaire universele erfgename des erflaters te eigen bate vervreemde onroerende goederen, welke in aanmerking moet worden genomen bij de scheiding en deling van de nalatenschap tussen de testamentaire erfgenamen (weduwe van de erflater) en uit haar huwelijk met de erflater geboren kinderen, die zich op hun legitieme hebben beroepen.
L.
No.10.054
Zitting 24 februari 1967.
Mr. Minkenhof.
Conclusie inzake:
[eiser] en [eiseres] / [verweerders]
Edelhoogachtbare Heren,
De in 1936 overleden [erflater] , in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1] , had zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd. De vier kinderen deden een beroep op hun wettelijk erfdeel. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 24 november 1961 veroordeelde de Rechtbank Groningen op vordering van thans verweerders [betrokkene 1] - sedertdien overleden - en thans eiser [eiser] over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van voornoemde [erflater] . Er volgde een proces-verbaal van zwarigheden, waaruit blijkt dat tot de huwelijksgemeenschap en de daarin begrepen nalatenschap in 1936 behoorden twee huizen, gelegen in [plaats] (Duitsland), welke huizen de echtgenote van de erflater, [betrokkene 1] , in 1956 onder beding van kost en inwoning en nog enkele tegenprestaties had verkocht aan haar zoon [eiser] , thans eiser in cassatie. De andere kinderen stelden dat zij, evenals de andere deelgenoten, voor een aandeel gerechtigd waren in de onverdeelde boedel en mitsdien ook in de genoemde onroerende goederen, te taxeren naar hun waarde ten dage van de scheiding en deling. De zoon [eiser] , die tevens zijn moeder [betrokkene 1] vertegenwoordigde, huldigde daarentegen het standpunt, dat de legitimarissen slechts recht hebben op hun aandeel in de ten sterfdage geldende waarde der toen aanwezige baten, verminderd met de schulden. Zij waren dus van mening, dat de onroerende goederen dienden te worden gewaardeerd naar de waarde die zij ten tijde van het overlijden van vader [erflater] , dus in 1936 hadden. Voorts stelden zij, dat de deelgenoten de moeder, [betrokkene 1] , in het feitelijk genot van de onverdeelde boedel hadden gelaten.
In de hierop gevolgde zwarighedenprocedure, aangespannen op initiatief van [betrokkene 1] als meest gerede partij, oordeelde het Hof, dat indien [betrokkene 1] de onroerende goederen niet had vervreemd en deze zich nog in de nalatenschap hadden bevonden, voor de berekening van het aan ieder der deelgenoten toekomende de waarde van die goederen ten tijde van de scheiding beslissend zou zijn en dat dit niet anders zou worden indien een of meer der erfgenamen geen goederen in natura zou wensen, doch een uitkering in geld. Volgens het Hof viel geen rechtsgrond aan te wijzen welke tot een andere beslissing zou moeten leiden bijgeval, zoals hier was gebeurd, de mede-erfgenamen van [betrokkene 1] haar het beheer van de goederen hebben overgelaten en zij, zonder toestemming van die mede-erfgenamen, die goederen heeft vervreemd. Van oordeel, dat de bepaling van art. 1123 B.W. analogisch diende te worden toegepast op het onderhavige geval, waarin een van de deelgenoten zonder toestemming van de overige de tot de nalatenschap behorende goederen heeft vervreemd, overwoog het Hof, dat thans verweerders zich terecht op het standpunt stellen dat de goederen moeten worden gewaardeerd naar hun waarde ten tijde van de boedelscheiding en ontzegde het Hof de vordering van de rechtsopvolgers van de inmiddels overleden [betrokkene 1] .
Het vijfdelige eerste middel bestrijdt de hierboven weergegeven mening van het Hof betreffende de voor de boedelscheiding aan te nemen waarde der niet meer aanwezige goederen. Het tweede middel waarvan ik de behandeling zou willen laten voorafgaan, betreft een geheel ander onderwerp, nl. een beroep - gedaan bij memorie van antwoord in appel - op verkrijgende verjaring van de bedoelde onroerende goederen door [betrokkene 1] in 1957.
Naar ik meen moet dit middel reeds hierop afstuiten, dat het gaat buiten de zwarigheden zoals deze in het proces-verbaal van de notaris zijn omschreven. Van een beroep op verjaring is daar geen sprake; integendeel, thans eiser [eiser] , die tevens zijn moeder vertegenwoordigde, verklaarde dat de deelgenoten [betrokkene 1] in het feitelijk genot van de onverdeelde boedel hebben gelaten. De rechter mag dit punt dus niet in zijn beoordeling betrekken; hem kan geen verwijt er van gemaakt worden dat hij er over zwijgt. Ik moge verwijzen naar Uw arrest van 4 maart 1966 N.J. 1966 no. 220. Overigens merk ik op, dat de verkoop van de goederen aan [eiser] volgens het proces-verbaal van zwarigheden plaats vond in 1956 en niet, zoals het middel stelt in 1957. Voorts is naar ik meen geen sprake van ondubbelzinnig bezit, wanneer zoals in casu een weduwe met kinderen in het genot van goederen van de gemeenschap, tevens nalatenschap blijft. Dit is immers een zeer gebruikelijke situatie en wijst in het algemeen volstrekt niet op bezit als eigenaar van de weduwe, maar eenvoudig op uitstel van de boedel- scheiding en op piëteit van de kinderen. Het tweede middel acht ik derhalve niet gegrond.
In het eerste middel komt het rechtskarakter van de legitieme portie ter sprake. In het bijzonder door een beroep te doen op art. 968 B.W. betogen de eisers, dat het wettelijk erfdeel het resultaat is van een berekening, waarvoor art. 968 de elementen aangeeft en waar slechts een geldsbedrag de uitkomst van kan zijn. Nu moet worden toegegeven dat de berekening van art. 968 moeilijk anders gemaakt kan worden dan door de goederen der nalatenschap, evenals de andere in de bepaling genoemde goederen te schatten en dat daarvoor de waarde ten tijde van het overlijden van de erflater zal moeten worden aangehouden. Daarmede is echter het rechtskarakter van de legitieme nog niet bepaald. Reeds art: 960 B.W. , de legitieme portie definiërende als een gedeelte der goederen, hetwelk aan de bij de wet geroepen erfgenamen in de rechte lijn wordt toegekend en waarover de overledene niet heeft mogen beschikken wijst er m.i. duidelijk op dat de legitimaris erfgenaam is en dat hij recht heeft op goederen uit de boedel. Heeft de legitimaris zich eenmaal op zijn wettelijk erfdeel beroepen, dan is over dat gedeelte van de nalatenschap niet geldig beschikt en verkrijgt de legitimaris dit als erfgenaam bij versterf. Ook de artt. 971, 972 (teruggave van de onroerende goederen in natura), 973, 976 en 1002 leveren krachtige argumenten voor dit standpunt, dat dan ook in litteratuur en jurisprudentie heersend is. Ik moge verwijzen naar Asser-Meyers-Van der Ploeg blz. 158, Meyers in W.P.N.R. 3635: De invloed der waardeverandering van boedelbestanddelen op de rechten der deelgenoten, in het bijzonder het slot, Diephuis VIII 131, Land III 99 en 105, Klaassen- Eggens- Polak 286; H.R. 17 februari 1944 N.J. 1944 no. 254; anders Suyling-Dubois blz. 455 e.v .. De hier vermelde argumenten komen mij doorslaggevend voor en art. 968 is dunkt mij geen voldoende reden voor een andere beschouwing. Daargelaten dat ik mij voor de berekening van het wettelijk erfdeel ter beantwoording van de vraag of de legitimaris is tekort gedaan moeilijk een andere methode kan denken ligt het voor de hand, dat de wetgever niet aan waardeverandering in de tijd tussen het openvallen der nalatenschap en de boedelscheiding heeft gedacht. De door de erflater uitgesloten legitimaris, die een beroep op zijn legitieme heeft gedaan (zie evengenoemd arrest van 1944) wordt als erfgenaam deelgerechtigd in de goederen der nalatenschap. De gedachte van de steller van het middel, dat het recht van de onterfde legitimaris zou zijn gefixeerd naar de datum van het openvallen der nalatenschap acht ik niet te aanvaarden. De onaanvaardbaarheid van dit standpunt blijkt al heel duidelijk, wanneer men zich voorstelt dat de waarde van de goederen tussen de sterfdatum en de dag der boedelscheiding zou zijn achteruitgegaan; dan zou de onterfde legitimaris een groter gedeelte van de nalatenschap toevallen ten nadele van de overige erfgenamen. Dat wordt dan een "ware loterij met nieten en prijzen" (Meyers W.P.N. R. 3635).
Dat ten aanzien van de onterfde legitimaris de goederen der nalatenschap moeten worden gewaardeerd naar het tijdstip van het openvallen der nalatenschap (onderdeel 1), dat hij geen erfgenaam is (onderdeel 2) en evenmin deelgenoot bij de scheiding en deling (onderdeel 3) is dus naar mijn mening niet juist. Bovendien gaat de stelling van onderdeel 2 (thans verweerders zijn geen erfgenamen) evenals het tweede middel buiten het proces-verbaal van zwarigheden, waar onder "comparanten gaven vooraf te kennen" wordt vermeld voor welke fracties [betrokkene 1] en de kinderen en kleinkinderen [erflater] in de nalatenschap van vader [erflater] zijn gerechtigd. De stelling dat de kinderen [erflater] geen deelgenoten zijn is m.i. in strijd met het tussen partijen onherroepelijk geworden vonnis tot boedelscheiding.
In de eerste drie onderdelen is de omstandigheid dat de goederen ten tijde van de boedelscheiding niet meer in de boedel aanwezig waren buiten beschouwing gelaten. Met dit aspect houden de eisers zich in het vierde onderdeel bezig. Als ik het goed begrijp dan bedoelen de eisers niet, dat het feit dat de goederen niet meer in de boedel zijn zonder meer tengevolge heeft dat zij bij een boedelscheiding niet meer in aanmerking komen; "waar niet is verliest de keizer zijn recht". Zij gaan er blijkbaar van uit - ik leid dit vooral af uit de mondelinge toelichting - en dit lijkt mij ook de bedoeling van het Hof, dat voor de verdwenen goederen een vordering tot schadevergoeding in de plaats komt ten laste van degenen die voor de verdwijning aansprakelijk zijn. De vraag is nu echter naar welk tijdstip de schade dient te worden berekend. Volgens het Hof naar de dag van de scheiding. Indien de goederen niet zonder toestemming van de mede-erfgenamen waren vervreemd zouden zij in de boedel gebleven zijn en volgens art. 1123 B.W. naar de dag van de scheiding gewaardeerd zijn. Als alternatief noemt de geachte pleiter voor verweerder nog - behalve de waarde ten tijde van het overlijden van de erflater [erflater] , welk tijdstip, naar uit het bovenstaande voortvloeit, volgens mij niet in aanmerking komt - de waarde op de dag waarop de goederen zijn vervreemd. Hij beroept zich hiervoor op het beginsel van de zgn. abstracte schadeberekening, naar mij voorkomt ten onrechte. Volgens deze leer van de abstracte schadeberekening geldt als schade (tenminste) de waarde waarmede het vermogen van de benadeelde is verminderd zonder dat met de concrete de benadeelde betreffende omstandigheden wordt rekening gehouden (zie o.m. Drion Onrechtmatige daad II 1 d, Hofmann-Drion blz. 137, H.R. 18 november 1937 N.J. 1938 no. 269 met noot E. M.M. , 15 januari 1965 N.J. 1965 no. 197 noot G.J.S. Ars Aequi 1964/65 blz. 269 noot Van der Grinten). Daar gaat het in ons geval echter niet om. Als maatstaf voor de schadeberekening dient hier naar mijn mening te gelden, dat de benadeelde in dezelfde positie moet worden gebracht waarin hij zonder de schadebrengende daad zou hebben verkeerd (zie Uw arrest van 15 januari 1965 N.J. 1965 no. 174, Meyers W. P.N.R. 2832, Asser- Rutten III 2 blz. 477; vgl. de Page III no. 108. In deze zelfde positie komen de erfgenamen alleen door hetzij terugkeer van de vervreemde goederen in natura, hetzij de waarde ten tijde van de boedelscheiding: Uiteraard zou, indien de boedelscheiding zou worden vertraagd door toedoen van de benadeelde erfgenamen en de waarde van de goederen zou stijgen daarmede rekening moeten worden gehouden, maar dat is hier niet aan de orde. Ik merk nog op, dat wanneer een ander tijdstip van waardering wordt gekozen dit een door niets gerechtvaardigd voordeel oplevert voor de erfgenaam die het vervreemde goed nog in zijn bezit heeft. Hij kan immers ook het goed zelf in de boedel terugbrengen. Zou nu de waarde ten tijde van de vervreemding als de schade gelden, dan zou hij de keuze hebben wat voor hem het voordeligst uitkwam en aldus kunnen speculeren op kosten van zijn mede-erfgenamen.
Ook het vierde onderdeel komt mij derhalve niet gegrond voor evenmin als de motiveringsklacht van het vijfde. Ik heb de eer te concluderen tot verwerping van het beroep met veroordeling van de eisers in de op de cassatie gevallen kosten.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,