HR, 02-12-1966
ECLI:NL:HR:1966:AB6689
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
02-12-1966
- Zaaknummer
[1966-12-02/NJ_51321]
- LJN
AB6689
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1966:AB6689, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 02‑12‑1966; (Cassatie, Kort geding)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1966:AB6689
ECLI:NL:PHR:1966:AB6689, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑10‑1966
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1966:AB6689
- Vindplaatsen
NJ 1967, 353 met annotatie van J.H. Beekhuis
NJ 1967, 353 met annotatie van J.H. Beekhuis
Uitspraak 02‑12‑1966
Inhoudsindicatie
Kort geding. Is een veroordeling tot medewerking aan transport van onroerend goed mogelijk in kort geding? Voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil overschrijving van transportakte in de daartoe bestemde registers de eigendom doen overgaan.
2 december 1966
Br.
De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak nr. 10.0005 van
[eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van de door het Gerechtshof te Arnhem tussen partijen gewezen arresten van 2 december 1964 en 2 maart 1966, vertegenwoordigd door Mr. J.W. Lely, advocaat bij de Hoge Raad,
t e g e n
[verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. C.R.C. Wijckerheld Bisdom, mede advocaat bij de Hoge Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten in zijn conclusie, namens de Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het cassatieberoep en tot veroordeling van eiser in de daarop gevallen kosten;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest en de gedingstukken blijkt:
dat verweerder, nader te noemen [verweerder], eiser, nader te noemen [eiser], bij dagvaarding van 21 februari 1964 heeft gedaagd voor de President van de Arrondissements-Rechtbank te Almelo, rechtdoende in kort geding, stellende, voor zover hier van belang, dat hij, [verweerder], van [eiser] enige percelen gras- en bouwland had gekocht, — dat [eiser] echter niet bereid was mede te werken aan een akte tot transport, — dat hij, [verweerder], veel belang heeft dat de akte van transport met betrekking tot het verkochte onroerende goed op zeer korte termijn wordt gepasseerd, op welke gronden [verweerder] heeft gevorderd de veroordeling van [eiser] om mede te werken aan het transport van het verkochte, onder verbeurte van een dwangsom bij niet voldoening aan het door de President te geven bevel;
dat het verweer van [eiser] tegen deze vordering neerkwam op de stelling dat op gronden die in cassatie niet meer van belang zijn, de koopovereenkomst was vervallen;
dat de President dit verweer niet heeft aanvaard en, na te hebben overwogen dat de vordering een spoedeisend karakter droeg, de vordering bij vonnis van 9 maart 1964 heeft toegewezen;
dat [eiser] van dit vonnis in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem;
dat het Hof in zijn arrest van 2 december 1964 aan [eiser] met betrekking tot zijn stelling dat de koopovereenkomst was vervallen, een bewijsopdracht heeft verstrekt;
dat het Hof daarin voorts heeft overwogen:
‘’dat de derde grief inhoudt, dat de President ten onrechte zich bevoegd heeft verklaard van de vordering kennis te nemen:
‘’aangaande deze grief:
dat [eiser] ter toelichting van de grief heeft aangevoerd: dat [verweerder] bij inleidende dagvaarding heeft gesteld veel belang te hebben bij een transport van de onroerende goederen op korte termijn, omdat hij deze gezien de voortschrijding van het seizoen wil gaan bewerken, bemesten en inzaaien; dat de procureur van [eiser] in de tweede pleitnota er op heeft gewezen, dat deze urgentie [verweerder] hoogstens had kunnen nopen tot het instellen van een vordering strekkende tot verkrijging van de gronden in feitelijk bezit in afwachting van een beslissing in het bodemgeschil; dat [verweerder] dus bij inleidende dagvaarding meer heeft gevorderd dan ter voorziening in zijn onmiddellijke belangen nodig was;
dat [verweerder] in de inleidende dagvaarding uitdrukkelijk heeft gesteld, dat en waarom hij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde onmiddellijke voorziening bij voorraad, zodat de President terecht zich heeft bevoegd geacht tot kennisneming van de vordering;
dat echter in de toelichting van de grief in wezen wordt betoogd, dat [verweerder] geen spoedeisend belang bij de toewijzing van de vordering heeft, omdat deze ter veiligstelling van zijn onmiddellijk belang had kunnen volstaan met het vorderen van een minder ingrijpende maatregel, namelijk verkrijging van het land in gebruik in afwachting van een beslissing in het bodemgeschil;
dat dit betoog de strekking heeft, dat de President ten onrechte niet de vordering heeft ontzegd en het Hof daarom zal nagaan, of [verweerder] door een vordering tot verkrijging van het land in gebruik in te stellen een maatregel zou hebben gevorderd, welke de belangen van [eiser] minder zou aantasten;
dat [eiser] bij toewijzing van zodanige vordering het genot van het land voorlopig zou kwijtraken, doch wel in belangrijke mate de daarop drukkende lasten zou moeten blijven betalen zonder dat in zijn gedachtengang voorlopig iets tegenover dit alles zou staan;
dat de door de President bevolen voorlopige maatregel eveneens medebrengt, dat [eiser] het genot van het land voorlopig mist, doch tevens, dat hij de voorlopige beschikking over de koopsom en de daarvan te trekken rente krijgt en geen lasten ter zake van het land heeft te dragen;
dat [eiser] weliswaar ook in geval van een inwilliging van een vordering tot voorlopige ingebruikneming een vordering tot schadevergoeding op [verweerder] zou verkrijgen als hij in het eventuele bodemgeschil in het gelijk zou worden gesteld, doch het Hof niet vermag in te zien, waarom in dat geval de belangen van [eiser] minder zouden worden aangetast dan bij toewijzing van de door [verweerder] ingestelde vordering;’’
dat het Hof vervolgens bij arrest van 2 maart 1966, na te hebben overwogen dat [eiser] niet was geslaagd in het hem opgedragen bewijs, het vonnis van de President heeft bekrachtigd;
Overwegende dat [eiser] de arresten van het Hof bestrijdt met het volgende middel van cassatie:
‘’Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, met name van de artikelen 671, 671 a, 1493, 1495 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 156, 289, 291, 292 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, alsmede verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, door in deze zaak te overwegen en op grond daarvan recht te doen gelijk in voormelde arresten omschreven, ten onrechte, omdat het Hof, door het vonnis van de President van de Arrondissements-Rechtbank te [woonplaats] te bekrachtigen en door zich bevoegd te achten van de ingestelde vordering kennis te nemen,
(1) heeft miskend dat, nu [verweerder] gevorderd had dat [eiser] zou worden veroordeeld (onder meer) om mee te werken aan het transport van onroerende goederen en deze vordering aldus tot doel en strekking had eigendomsoverdracht van deze onroerende goederen te bewerkstelligen, en de President vervolgens [eiser] had veroordeeld, onder meer, om mee te werken aan dit transport, het geschil en/of de beslissing op het geschil niet betrekking had op en/of strekte tot een voorziening bij voorraad, aangezien transport van onroerende goederen en/of het meewerken hieraan een definitieve rechtstoestand bewerkstelligt en een rechterlijke beslissing en/of veroordeling, waarbij een zodanige medewerking wordt bevolen, inhoudt althans met zich brengt een definitieve, althans niet voorlopige, wijziging in de rechtspositie van partijen nopens deze onroerende goederen en/of als constitutief moet worden aangemerkt, en na de tenuitvoerlegging, althans na het opvolgen van een bevel tot medewerking als omschreven, een eigendomsrecht verloren gaat voor [eiser] respectievelijk wordt gevestigd voor [verweerder], zijnde een zodanige wijziging in de rechtspositie van partijen niet mogelijk krachtens althans tengevolge en/of als uitvloeisel van een beslissing in het kort geding, en het Hof, zonodig ambtshalve, had moeten beslissen dat de President onbevoegd was van de vordering kennis te nemen en een veroordeling uit te spreken als is geschied, althans het Hof, zonodig ambtshalve, [verweerder] alsnog in zijn vordering niet-ontvankelijk had behoren te verklaren;
(2) heeft miskend, dat noch de President noch het Hof zelf bevoegd waren in de overwegingen die leidden tot het dictum van het vonnis, respectievelijk van de arresten, een definitief oordeel te geven over de rechten en verplichtingen van partijen en in het bijzonder niet over de verplichtingen van [eiser], aangezien de uit het vonnis respectievelijk de arresten blijkende oordeelvellingen definitieve beslissingen en niet slechts voorlopige beslissingen bevatten, zulks in het bijzonder omtrent de plicht van [eiser] om te leveren en te transporteren, en de President respectievelijk het Hof, alvorens te komen tot het dictum van vonnis respectievelijk eindarrest, tot zulke oordeelvellingen en/of beslissingen onbevoegd waren, en het Hof, ook ten deze, zonodig ambtshalve, had behoren te beslissen tot onbevoegdheid, althans [verweerder] niet-ontvankelijk had behoren te verklaren in zijn vordering;
(3) hebbende het Hof althans en in ieder geval, onder meer op grond van hetgeen is vermeld sub onderdeel (1) en (2) van dit middel, zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed, aangezien onduidelijk en/of onbegrijpelijk is hoe het Hof zich bevoegd heeft kunnen achten van de vordering kennis te nemen, [verweerder] ontvankelijk te achten in zijn vordering, hierop te beslissen en het vonnis van de President te bekrachtigen als is geschied;’’
Aangaande het middel:
Overwegende dat aan het eerste onderdeel van het middel ten grondslag ligt de opvatting dat een veroordeling in kort geding om mee te werken aan het transport van onroerend goed een definitieve rechtstoestand bewerkstelligt, immers een definitieve wijziging van de rechtspositie van partijen ten aanzien van dat onroerend goed met zich brengt;
dat deze opvatting echter niet juist is, immers de veroordeling zelf in de eigendomstoestand van dat onroerend goed geen verandering brengt, en de verandering die de voldoening aan zodanige veroordeling meebrengt, geen definitief karakter draagt;
dat toch, indien de veroordeelde ter voldoening aan de veroordeling medewerkt aan een voor overschrijving in de daartoe bestemde registers vatbare transportakte, de overschrijving van die akte slechts dan tot eigendomsovergang leidt, zo daaraan een rechtsgeldige titel van eigendomsovergang ten grondslag ligt, waartoe nodig is dat de tussen partijen bestaande rechtsverhouding voor de veroordeelde de verplichting tot levering van het onroerend goed meebracht;
dat hieromtrent het oordeel van de rechter in kort geding slechts een voorlopig oordeel kan zijn en geen partijen bindende beslissing kan inhouden, waaruit volgt, dat, indien de rechter in het bodemgeschil te dien aanzien tot een beslissing zou komen welke van het voorlopig oordeel van de rechter in kort geding afwijkt, de overschrijving van de transportakte aan de totstandkoming waarvan de veroordeelde ter voldoening aan de beslissing in kort geding medewerkte, geen eigendomsovergang zou blijken te hebben bewerkstelligd;
dat reeds op deze grond het onderdeel faalt;
Overwegende dat het tweede onderdeel feitelijke grondslag mist, daar noch de President, noch het Hof omtrent de rechten en verplichtingen van partijen een definitieve beslissing hebben kunnen geven en het bestreden arrest ook niets inhoudt dat grond zou kunnen geven voor de veronderstelling dat het Hof hierover anders heeft gedacht;
Overwegende dat ook het derde onderdeel faalt reeds omdat de daarbij bestreden beslissing een rechtsvraag betreft en zulk een beslissing in cassatie alleen kan worden bestreden op grond dat zij onjuist is — hetgeen in dit geval dan ook in het eerste onderdeel is gedaan — maar niet op grond dat zij niet met redenen is omkleed;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt eiser in de op de voorziening in cassatie gevallen kosten, aan de zijde van verweerder tot op deze uitspraak begroot op ƒ 50,-- aan verschotten en ƒ 1.000,-- voor salaris.
Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice-President, Wiarda, Houwing, Hülsmann en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de tweede december 1900 zes en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Minkenhof.
Conclusie 20‑10‑1966
Inhoudsindicatie
Kort geding. Is een veroordeling tot medewerking aan transport van onroerend goed mogelijk in kort geding? Voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil overschrijving van transportakte in de daartoe bestemde registers de eigendom doen overgaan.
K.
No. 10.005
Zitting 20 oktober 1966.
M. van Oosten.
Conclusie inzake:
[eiser]/[verweerder].
Edelhoogachtbare Heren,
Het voorgestelde middel behelst in onderdeel 1 de grief dat het Hof, ‘’door het vonnis van de President van de Arrondissements-Rechtbank te Almelo te bekrachtigen en door zich bevoegd te achten van de ingestelde vordering kennis te nemen’’, heeft miskend dat ‘’het geschil en/of de beslissing op het geschil niet betrekking had op en/of strekte tot een voorziening bij voorraad’’.
Eiser gaat er hier van uit dat de bevoegdheid van de President om van de ingestelde vordering kennis te nemen moet worden beoordeeld naar deze maatstaf: of het geschil en/of de beslissing op het geschil al of niet betrekking had op een voorziening bij voorraad en/of strekte tot een voorziening bij voorraad. Maar dit uitgangspunt is niet in overeenstemming met de regel dat de bevoegdheid van de rechter moet worden beoordeeld naar de ‘’de vordering zoals die bij dagvaarding is ingesteld’’, en niet ‘’naar het geschil, zooals het zich ten gevolge der verwering tussen partijen heeft ontwikkeld’’ (H.R. 16 juni 1893, W. 6263). De bevoegdheid van de rechter hangt, zo overwoog de Hoge Raad bij arrest van 31 jan. 1908 (W. 8654), ‘’alleen af van den aard der vordering zoals zij bij dagvaarding is ingesteld’’, behoudens de uitzonderingen genoemd in de artt. 38, no. 2, en 41 der wet R.O., uitzonderingen, welke, naar het oordeel van de Hoge Raad, niet mogen worden uitgebreid. Voor ‘’de aard der vordering’’, waarvan in laatstgenoemd arrest sprake is, is bepalend ‘’de inhoud der vordering’’ zelve en niet naar de daartegen gevoerde verdediging (H.R. 13 maart 1868, Rechtsgel. Bijbl. 1869, p. 1).
Besier citeert in ‘’De rechter tegenover de exceptie van onbevoegdheid’’ (R.M. 33e jrg., 1914, p. 572) de vorenaangehaalde arresten, wanneer hij betoogt: ‘’Ter afwending eener persoonlijke rechtsvordering moge de gedaagde wellicht een beroep gedaan hebben op een hem toekomend zakelijk recht, niettemin mag bij de beslissing omtrent 's rechters bevoegdheid alleen rekening worden gehouden met het in de dagvaarding neergelegd persoonlijk karakter der vordering: niet datgene waarover naar aanleiding der verdediging moet worden beslist, doch het bij dagvaarding gevorderde bepaalt de bevoegdheid’’. Weliswaar meent hij dat, ‘’evenals de ontvankelijkheid niet van de dagvaarding alleen afhangt, doch daarvoor ook moet gelet worden op de verdediging en den verderen loop van het geding, . . . dit moet bevoegdheid des rechters het geval (is), althans in vele opzichten, ook afgezien van de uitdrukkelijke bepalingen van de artt. 38 2°, en 41 eerste lid R.O.’’, eod. p. 570, maar zelfs bij deze zienswijze van Besier zou in het onderhavige geval ‘’het bij dagvaarding gevorderde’’ de bevoegdheid van de rechter bepalen, nu het in dit geval een persoonlijke rechtsvordering betreft. Ook de bevoegdheid van de rechter in kort geding, de bevoegdheid ratione materiae, moet worden beoordeeld naar de vordering zoals deze bij dagvaarding is ingesteld, en wel, aldus Meijers, Kort Geding, p. 100, ‘’naar het door den eiser gestelde’’. Meijers leidt hieruit af dat de rechter in kort geding zich alleen onbevoegd zal verklaren ‘’wanneer uit het door den eischer gestelde reeds blijkt, dat het oordeel van den rechter gevraagd wordt omtrent een aantasting van een persoon of diens eigendom, waarover de rechter in kort geding niet oordelen mag’’.
Is de vordering, zoals zij is ingesteld, de maatstaf ter beoordeling van de bevoegdheid van de President, als rechter in kort geding, dan was de President m.i. bevoegd van de rechtsvordering kennis te nemen: gevorderd, geëist, is immers de nakoming van een overeenkomst van koop en verkoop, met name de nakoming van de verplichting tot levering, te vervullen door medewerking aan ‘’de akte van transport’’ der ten processe bedoelde onroerende goederen (bouw- en grasland). Dat, zoals ter toelichting van het middel is betoogd, met ‘’de vordering’’ een wijziging in een bestaande rechtsbetrekking wordt nagestreefd, — en wel, in casu, in de rechtsverhouding van partijen ten opzichte der voormelde goederen —, schijnt mij irrelevant als maatstaf voor de beoordeling van de bevoegdheid van de President. Daarvoor is immers relevant de aard der vordering, zoals zij is ingesteld, en dus niet het doel dat met het aanleggen der rechtsvordering wordt nagestreefd, en dus beoogd. Met de eiser ben ik van mening dat dit doel in casu was: de overgang van de eigendom der goederen van [eiser], de oorspronkelijke gedaagde, op [verweerder], de oorspronkelijke eiser.
Indien het doel, dat [verweerder] door het instellen der rechtsvordering in kort geding zou nastreven, eenmaal bereikt, een definitieve rechtstoestand in het leven zou roepen en/of een definitieve, althans een niet voorlopige, wijziging in de rechtspositie van partijen ten opzichte der onroerende goederen zou medebrengen, dan doet m.i. niet af aan de door eiser aangevochten bevoegdheid van de President. En daarom doet m.i. evenmin af dat na de tenuitvoerlegging, althans na het opvolgen van een door de rechter gegeven bevel tot medewerking aan het transport van de onroerende goederen, de eigendom daarvan van [eiser] op [verweerder] zou overgaan.
Ter ondersteuning van de in onderdeel 1 omschreven grief is nog aangevoerd dat een wijziging in de rechtspositie van partijen als voormeld niet mogelijk is krachtens een beslissing in kort geding, althans tengevolge en/of als uitvloeisel van zulk een beslissing. Deze stelling kan echter, naar het mij voorkomt, niet dienen ter ondersteuning van de grief dat het Hof ‘’door het vonnis van de President van de Arrondissements-Rechtbank te Almelo te bekrachtigen en door zich bevoegd te achten van de ingestelde vordering kennis te nemen’’, heeft miskend, dat ‘’het geschil en/of de beslissing op het geschil niet betrekking had op en/of strekte tot een voorziening bij voorraad’’.
Eiser motiveert zijn grief dat het Hof het laatste heeft miskend hiermede, dat ‘’[verweerder] gevorderd had dat [eiser] zou worden veroordeeld (onder meer) om mee te werken aan het transport van onroerende goederen en deze vordering aldus tot doel en strekking had eigendomsoverdracht van deze onroerende goederen te bewerkstelligen’’, en dat ‘’de President vervolgens [eiser] had veroordeeld, onder meer, om mee te werken aan dit transport’’. Het ontgaat mij hoe deze processuele feiten zouden kunnen leiden tot de gevolgtrekking dat ‘’het geschil en/of de beslissing op het geschil niet betrekking had op en/of strekte tot een voorziening bij voorraad’’.
Beoordeeld naar de vordering zoals deze bij dagvaarding was ingesteld, resp. naar de aard dier vordering, had het Hof niet, ook niet ambtshalve, behoren te beslissen dat de President onbevoegd was van de vordering kennis te nemen, noch ook [verweerder] alsnog in zijn vordering niet-ontvankelijk behoren te verklaren, zodat ook de grief, waaraan het slot van onderdeel 1 uitdrukking geeft, m.i. ongegrond is.
De vraag, of de door de President uitgesproken veroordeling naar haar aard een voorziening bij voorraad is als bedoeld in art. 289 Rv. is m.i. in bevestigende zin te beantwoorden, omdat de oorspronkelijke gedaagde is veroordeeld tot het verrichten van een handeling en, naar het gezaghebbend oordeel van Meijers, uitspraken ‘’waarbij de gedaagde veroordeeld wordt een handeling te verrichten of na te laten, zoogenaamde condamnatoire beslissingen steeds als voorzieningen bij voorraad aangemerkt (kunnen) worden’’, zulks slechts met deze beperking ‘’dat de eischer op de door hem gevorderde prestatie, als iets, wat hem volgens het recht toekomt, aanspraak moet maken, of dat het gevorderde ter bescherming dient van hetgeen waarop hij recht heeft’’, o.c. p. 40. Volgens de inleidende dagvaarding maakt de eiser aanspraak op een prestatie als door de gedaagde krachtens overeenkomst aan hem, eiser, verschuldigd.
In onderdeel 2 wordt uit het oog verloren dat, ook al zouden het bestreden arrest en het daarbij bekrachtigde vonnis beslissingen behelzen omtrent de plicht van [eiser] om te leveren en te transporteren, de rechter in kort geding zich niet van zulke beslissingen behoeft te onthouden, omdat het de rechter vrijstaat ‘’bij de motiveering, waarom hij een bepaalde voorziening toewijst, zijn oordeel te geven omtrent de rechtsverhouding van partijen’’ (arr. H.R. 14 febr. 1946, N.J. 1947, no. 155, n. E.M.M.). Meijers verwijst in zijn noot op dit arrest naar p. 82 van zijn ‘’Kort Geding’’, alwaar sprake is van de onbevoegdheid van de rechter in kort geding tot het geven van een declaratoir van rechten. In het dictum van zijn vonnis heeft de President zich echter onthouden van een declaratoire uitspraak, waarbij ik er aan herinner dat een declaratoir vonnis een vonnis is ‘’waarbij de rechter volstaat met het geven van eene verklaring omtrent den rechtstoestand van partijen, zonder dat dit vonnis tevens eene veroordeeling bevat, of tevens wijziging van den rechtstoestand van partijen met zich brengt’’, Scheltema, Het declaratoor vonnis, Verspr. Geschr. p. 615.
Uit het oogpunt van deze definitie beschouwd is het vonnis van de President geen declaratoir vonnis, nu het dictum van het vonnis een veroordeling bevat en het vonnis zelve geen wijziging van de rechtstoestand van partijen medebrengt: gedaagde is veroordeeld tot het verrichten van een rechtshandeling, waartoe hij gehouden was, althans volgens het oordeel van de President dat deze in de rechtsoverwegingen van zijn vonnis heeft geveld.
Dit oordeel kan m.i. niet definitief zijn, althans niet definitief in het kort geding, in verband met de bepaling van art. 292 Rv., opgevat in de door Meijers, o.c.p. 36, voorgestane zin ‘’dat de uitspraak in kort geding in geen enkel opzicht den gewonen rechter bindt’’.
Om al deze redenen faalt, m.i. ook onderdeel 2 van het middel.
De motiveringsklacht, vervat in onderdeel 3, is m.i. onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien hoe hetgeen in de onderdelen 1 en 2 van het voorgestelde middel is vermeld grond zou kunnen zijn voor de klacht dat het Hof zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed: hetgeen in de onderdelen 1 en 2 is vermeld is door eiser niet in hoger beroep aangevoerd.
Waar het voorgestelde middel mij in al zijn onderdelen onaannemelijk voorkomt, vind ik geen aanleiding mij uit te laten over het door de eiser in cassatie aangevoerde verweer dat [eiser] geen belang heeft bij vernietiging van het bestreden arrest.
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep en tot veroordeling van eiser in de kosten welke aan de zijde van de verweerder op het cassatieberoep zijn gevallen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,