NJ 1966, 372
HR, 31-05-1963
HR 31-05-1963, ECLI:NL:PHR:1963:AB6525
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
31 mei 1963
- Magistraten
Smits, De Jong, Wiarda, Hulsmann, Petit
- Zaaknummer
[1963-05-31/NJ_50830]
- LJN
AB6525
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1963:AB6525, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 31‑05‑1963
ECLI:NL:PHR:1963:AB6525, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 31‑05‑1963
- Wetingang
Rv (oud) art. 343; Rv (oud) art. 344; Rv (oud) art. 345; Rv (oud) art. 346; Rv (oud) art. 347; Rv (oud) art. 348; Rv (oud) art. 349; Rv (oud) art. 350; Rv (oud) art. 351; Rv (oud) art. 352; Rv (oud) art. 353; Rv (oud) art. 354; Rv (oud) art. 355; Rv (oud) art. 356; Rv (oud) art. 357; Rv (oud) art. 358
Essentie
Taak van de rechter in hoger beroep. Miskenning van devolutieve werking van het appel?
Samenvatting
In dit geval van hoger beroep van een eindvonnis, waarbij de vordering van de oorspronkelijke eiseres op grond van een van de gevoerde weren betreffende de zaak zelve werd ontzegd, heeft het Hof geen der aangehaalde wetsbepalingen geschonden of verkeerd toegepast door zich alsnog niet te begeven in een onderzoek van de grief, gericht tegen de grond waarop de Rb. de vordering had ontzegd, doch in de orde van behandeling van de zaak, welke door het ingestelde hoger beroep in haar volle omvang aan ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.