NJB 2025/707
Ontzetting uit het recht bepaalde beroepen uit te oefenen, art. 28 lid 1 Sr: dit is mogelijk in de bij de wet bepaalde gevallen en als het strafbare feit is begaan in de uitoefening van dat beroep. Deze ontzetting moet betrekking hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbare feit is begaan. De ontzetting in casu van het recht het beroep uit te oefenen van ‘ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid’, miskent dat een dergelijk ondernemerschap, zonder nadere specificatie, niet kan worden aangemerkt als de uitoefening van een voldoende bepaald beroep, als bedoeld in art. 28 lid 1, aanhef en onder 5°, Sr.
HR 25-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:450
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 maart 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, M. Kuijer, C. Caminada
- Zaaknummer
23/03435
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:450, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑03‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1207, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑08‑2024
- Wetingang
Essentie
Ontzetting uit het recht bepaalde beroepen uit te oefenen, art. 28 lid 1 Sr: dit is mogelijk in de bij de wet bepaalde gevallen en als het strafbare feit is begaan in de uitoefening van dat beroep. Deze ontzetting moet betrekking hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbare feit is begaan. De ontzetting in casu van het recht het beroep uit te oefenen van ‘ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid’, miskent dat een dergelijk ondernemerschap, zonder nadere specificatie, niet kan worden aangemerkt als de uitoefening ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.