NJ 2025/136
Benadeelde partij. Toewijzing vermogensschade ‘kosten geestelijke gezondheidszorg’. Afwijzing ‘ander nadeel’. Nadere vereisten ex art. 6:106 lid 1 BW.
HR 22-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:500
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 april 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
23/02810
- Conclusie
A-G mr. E.J. Hofstee
- Noot
Red. Aant.
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD13665:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:500, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:152, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑01‑2024
- Wetingang
Essentie
Benadeelde partij. Aan toewijsbaarheid van vermogensschade als bedoeld in art. 6:95 lid 1 BW (en art. 6:96 lid 2 BW) i.v.m. ‘kosten geestelijke gezondheid’ en eigen risico zorgverzekering, doet niet af het oordeel van het hof dat er geen grond is voor vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade, met verwijzing naar de nadere vereisten gesteld in art. 6:106 lid 1 BW.
Samenvatting
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering tot schadevergoeding van benadeelde 1 voor zover deze ziet op ‘kosten geestelijke gezondheidszorg’, en van de vordering tot ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.