Procestaal: Frans.
HvJ EU, 22-12-2022, nr. C-98/22
ECLI:EU:C:2022:1032
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
22-12-2022
- Magistraten
M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen
- Zaaknummer
C-98/22
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2022:1032, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑12‑2022
Uitspraak 22‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Artikel 1, lid 1 — Begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ — Rechtsvordering van een overheidsinstantie teneinde mededingingsbeperkende praktijken te doen vaststellen, bestraffen en staken
M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen
Partij(en)
In zaak C-98/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d'appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) bij beslissing van 2 februari 2022, ingekomen bij het Hof op 14 februari 2022, in de procedure
Eurelec Trading SCRL,
Scabel SA
tegen
Ministre de l'Économie et des Finances,
in tegenwoordigheid van:
Groupement d'achat des centres Édouard Leclerc (GALEC),
Association des centres distributeurs Édouard Leclerc (ACDLEC),
wijst
HET HOF (Achtste kamer)
samengesteld als volgt: M. Safjan (rapporteur), kamerpresident, N. Piçarra en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Eurelec Trading SCRL, vertegenwoordigd door H. Boularbah, J. Derenne en O. Laude, advocaten,
- —
Scabel SA, vertegenwoordigd door D. De Sart en M. Dupont, advocaten,
- —
Groupement d'achat des centres Édouard Leclerc (GALEC) en Association des centres distributeurs Édouard Leclerc (ACDLEC), vertegenwoordigd door G. Parleani en O. Parleani, advocaten,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door A. Daniel en A.-L. Desjonquères als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en W. Wils als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eurelec Trading SCRL (hierna: ‘Eurelec’) en Scabel SA, in België gevestigde vennootschappen, enerzijds, en de ministre de l'Économie et des Finances (minister van Economische Zaken en Financiën, Frankrijk), anderzijds, over mededingingsbeperkende praktijken ten aanzien van in Frankrijk gevestigde leveranciers.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
In overweging 10 van verordening nr. 1215/2012 staat te lezen:
‘Het is van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden, […].’
4
Artikel 1 van deze verordening, dat is opgenomen in Hoofdstuk I, met het opschrift ‘Toepassingsgebied en definities’, bepaalt in lid 1:
‘Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).’
Frans recht
5
Boek VI van de code de commerce (wetboek van koophandel), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘code de commerce’), met het opschrift ‘Vrijheid van prijzen en mededinging’, bevat onder meer een titel IV, met het opschrift ‘Transparantie, mededingingsbeperkende praktijken en andere verboden praktijken’. Artikel L 442-6 van de code de commerce, dat is opgenomen in deze titel IV, bepaalt:
- ‘I.
Iedere producent, handelaar en fabrikant, alsook eenieder die is ingeschreven in het beroepsregister, is aansprakelijk voor en verplicht tot het vergoeden van de schade die is veroorzaakt door:
[…]
- 2o.
het onderwerpen of trachten te onderwerpen van een handelspartner aan verplichtingen die het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren;
[…]
- III.
De vordering wordt bij de bevoegde burgerlijke of handelsrechter ingesteld door eenieder die een belang kan aantonen, door het openbaar ministerie, door de met economische zaken belaste minister of door de voorzitter van de mededingingsautoriteit, wanneer laatstgenoemde in het kader van onder zijn bevoegdheid vallende zaken een in dit artikel bedoelde praktijk vaststelt.
Tijdens deze procedure kunnen de met economische zaken belaste minister en het openbaar ministerie de aangezochte rechter verzoeken de staking van de in dit artikel bedoelde praktijken te bevelen. Ook kunnen zij voor al deze praktijken de onrechtmatige bedingen of overeenkomsten nietig doen verklaren en de onverschuldigd betaalde bedragen terugvorderen. Zij kunnen ook oplegging van een civielrechtelijke boete van maximaal vijf miljoen EUR vorderen. Deze boete kan evenwel worden verhoogd tot driemaal het bedrag van de onverschuldigd betaalde bedragen of, in verhouding tot de uit de inbreuk voortvloeiende voordelen, tot 5 % van de omzet, exclusief belastingen, die de ondernemer die de praktijken heeft toegepast in Frankrijk heeft gerealiseerd in het laatste afgesloten boekjaar sinds het boekjaar dat voorafgaat aan het boekjaar waarin de in dit artikel bedoelde praktijken hebben plaatsgevonden. Ook kan vergoeding van de geleden schade worden gevorderd. […]
[…]’
6
Titel V van boek VI van de code de commerce, met het opschrift ‘Onderzoeksbevoegdheden’, bevat de artikelen L 450-1 tot en met L 450-10 van deze code.
7
Artikel L 450-1, II, van deze code bepaalt:
‘De daartoe door de met economische zaken belaste minister gemachtigde ambtenaren kunnen de onderzoeken verrichten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen in dit wetboek.’
8
Overeenkomstig artikel L 450-4, eerste alinea, van de code de commerce kunnen de in artikel L 450-1 van deze code bedoelde ambtenaren, met toestemming en onder toezicht van een rechter, elke plaats bezoeken en beslag leggen op documenten en alle informatie in het kader van onderzoeken, met name onderzoeken op verzoek van de met economische zaken belaste minister.
9
Artikel L 450-8 van deze code bepaalt:
‘Eenieder die zich, op welke wijze dan ook, verzet tegen de uitoefening van de taken die krachtens deze wet aan de in artikel L 450-1 bedoelde ambtenaren worden opgedragen, wordt bestraft met twee jaar gevangenisstraf en een boete van 300 000 EUR.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
Eurelec, een vennootschap naar Belgisch recht, is een door het concern E. Leclerc en het concern Rewe, respectievelijk coöperaties van handelaren naar Frans en Duits recht, opgerichte inkoopcentrale die zich tevens bezighoudt met prijsonderhandelingen.
11
Scabel, een vennootschap naar Belgisch recht, treedt op als tussenpersoon tussen Eurelec en de Franse en Portugese regionale inkoopcentrales van Leclerc en verleent administratieve en technische diensten aan Eurelec.
12
De Groupement d'achat des centres Édouard Leclerc (GALEC) is de nationale inkoopcentrale van het concern Leclerc, dat jaarlijks raamovereenkomsten sluit met Franse leveranciers, welke raamovereenkomsten worden uitgevoerd door de regionale inkoopcentrales.
13
De Association des centres distributeurs Édouard Leclerc (ACDLEC) is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het langetermijnbeleid van Mouvement E. Leclerc en was initiatiefnemer van de alliantie tussen de merken E. Leclerc en Rewe in Europa.
14
Naar aanleiding van een tussen 2016 en 2018 verricht onderzoek heeft de ministre de l'Économie et des Finances het vermoeden dat Eurelec in België mogelijk mededingingsbeperkende maatregelen heeft toegepast ten aanzien van in Frankrijk gevestigde leveranciers. Volgens dat onderzoek dwong Eurelec de leveranciers om in strijd met de code de commerce zonder tegenprestatie prijsverlagingen te aanvaarden en om het Belgische recht toe te passen op de gesloten overeenkomsten, teneinde zo het Franse recht te omzeilen.
15
Omdat hij van mening was dat de in februari 2018 in de bedrijfsruimten van GALEC en ACDLEC verrichte bezoeken en inbeslaggenomen documenten bevestigden dat er inderdaad sprake was van verdachte praktijken, heeft de ministre de l'Économie et des Finances bij deurwaardersakten van 19 juli en 27 september 2019 Eurelec, Scabel, GALEC en ACDLEC op grond van artikel L 442-6 van de code de commerce gedagvaard voor de tribunal de commerce de Paris (handelsrechter Parijs, Frankrijk), en die rechter verzocht vast te stellen dat hun handelspartners met deze praktijken verplichtingen werden opgelegd die het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoorden, deze vennootschappen te gelasten die praktijken te staken en hun onder meer een civielrechtelijke boete op te leggen. De gedagvaarde vennootschappen hebben aangevoerd dat de Franse rechterlijke instanties overeenkomstig het bepaalde in verordening nr. 1215/2012 niet bevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering van de ministre de l'Économie et des Finances voor zover die is ingesteld tegen de in België gevestigde vennootschappen Eurelec en Scabel.
16
Bij interlocutoir vonnis van 15 april 2021 heeft de tribunal de commerce de Paris de exceptie van onbevoegdheid verworpen en zich bevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen.
17
Eurelec en Scabel hebben tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de cour d'appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk), de verwijzende rechter, met het argument dat de door de ministre de l'Économie et des Finances ingestelde vordering niet onder ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van verordening nr. 1215/2012 valt en dat die rechter dus onbevoegd was voor zover die vordering tegen hen was gericht.
18
De ministre de l'Économie et des Finances meent dat zijn vorderingen wel binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 vallen. Aangezien de vordering tot doel had de Franse economische openbare orde te verdedigen, is hij namelijk van mening dat het uitsluitend aan de Franse rechter staat om er kennis van te nemen. Wat het gebruik van zijn onderzoeksbevoegdheden betreft, moet er volgens hem een onderscheid worden gemaakt tussen de onderzoeksfase en de procedure in rechte, met het argument dat het criterium voor de toepasselijkheid van verordening nr. 1215/2012 het gebruik van het bewijsmateriaal is en niet de bewijsgaring. Ten slotte voert hij aan dat zijn vordering is ingesteld in het kader van een gelijkwaardige relatie met de gedagvaarde vennootschappen, aangezien de regels van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering die op alle partijen in het geding van toepassing zijn, ook voor hem gelden.
19
In deze omstandigheden heeft de cour d'appel de Paris de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’, dat wordt omschreven in artikel 1, lid 1, van [verordening nr. 1215/2012] aldus worden uitgelegd dat het ziet op een rechtsvordering — en op de naar aanleiding daarvan gegeven rechterlijke beslissing — (i) die de [ministre de l'Économie et des Finances] op basis van artikel [L 442-6, I, lid 2, van de code de commerce] heeft ingesteld tegen een Belgische vennootschap, (ii) teneinde mededingingsbeperkende praktijken te doen vaststellen en staken, alsook de vermeende dader van die praktijken te doen veroordelen, (iii) op basis van bewijsmateriaal dat is verkregen door middel van zijn specifieke onderzoeksbevoegdheden?’
Prejudiciële vraag
20
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van deze bepaling de vordering omvat van een overheidsinstantie van een lidstaat tegen in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen, teneinde mededingingsbeperkende praktijken ten aanzien van in de eerstgenoemde lidstaat gevestigde leveranciers te doen vaststellen, bestraffen en staken, wanneer deze overheidsinstantie onderzoeksbevoegdheden of procesbevoegdheden uitoefent die buiten het bestek vallen van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels van gemeen recht.
21
In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat bepaalde geschillen tussen een overheidsinstantie en een particulier weliswaar binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 kunnen vallen, maar dat dit anders is wanneer de overheidsinstantie krachtens haar overheidsbevoegdheden handelt (arrest van 16 juli 2020, Movic e.a., C-73/19, EU:C:2020:568, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22
Wanneer immers een der partijen bij het geding haar overheidsbevoegdheden uitoefent, omdat zij daarbij gebruikmaakt van bevoegdheden die buiten het bestek vallen van de voor betrekkingen tussen particulieren geldende regels van gemeen recht, is een dergelijk geschil uitgesloten van het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 (arrest van 16 juli 2020, Movic e.a., C-73/19, EU:C:2020:568, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23
Om vast te stellen of een aangelegenheid al dan niet onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 en dus binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, moeten bijgevolg de rechtsbetrekking tussen de procespartijen en het voorwerp van het geschil worden vastgesteld of, als alternatief, de grondslag en de nadere regels voor de instelling van de vordering worden onderzocht (arrest van 16 juli 2020, Movic e.a., C-73/19, EU:C:2020:568, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24
Het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ ziet dus ook op een geding tussen overheidsinstanties van een lidstaat en in een andere lidstaat gevestigde handelaren in het kader waarvan die instanties primair vorderen om het bestaan vast te stellen van vermeend inbreukmakende, oneerlijke handelspraktijken en de staking ervan te bevelen, en accessoir vorderen om publicatiemaatregelen te bevelen en een dwangsom op te leggen (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Movic e.a., C-73/19, EU:C:2020:568, punt 64).
25
Dit geldt daarentegen niet voor een vordering tot verkrijging van de bevoegdheid om het bestaan van toekomstige overtredingen vast te stellen bij eenvoudig proces-verbaal van een ambtenaar van de betrokken overheidsinstantie, aangezien zij in werkelijkheid bevoegdheden betreft die buiten het bestek vallen van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels van gemeen recht (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Movic e.a., C-73/19, EU:C:2020:568, punt 62).
26
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de vordering in het hoofdgeding, die de verdediging van de Franse economische openbare orde tot doel heeft, ten eerste is ingesteld op basis van bewijsmateriaal dat is verkregen bij bezoeken aan de bedrijfsruimten en door inbeslagneming van documenten. Dergelijke onderzoeksbevoegdheden kunnen weliswaar pas worden uitgeoefend nadat zij door de rechter zijn toegestaan, maar vallen niettemin buiten het bestek van het gemene recht, met name omdat zij niet kunnen worden uitgeoefend door particulieren en omdat overeenkomstig de relevante nationale bepalingen eenieder die zich tegen de uitoefening van dergelijke maatregelen verzet, wordt bestraft met een gevangenisstraf en een geldboete van 300 000 EUR.
27
Ten tweede strekt de vordering in het hoofdgeding onder meer tot oplegging van een civielrechtelijke boete in de zin van artikel L 442-6, III, tweede alinea, van de code de commerce. Weliswaar moet een dergelijke boete door de bevoegde rechter worden opgelegd, maar alleen de met economische zaken belaste minister en het openbaar ministerie kunnen om de oplegging ervan verzoeken. In het bijzonder kan het slachtoffer van mededingingsbeperkende praktijken krachtens artikel L 442-6 van de code de commerce slechts vergoeding van de door deze praktijken veroorzaakte schade vorderen en de beëindiging van deze praktijken of de nietigheid van het betrokken beding vorderen.
28
In dit verband onderscheidt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering zich van die in de zaak die tot het arrest van 16 juli 2020, Movic e.a. (C-73/19, EU:C:2020:568), heeft geleid, aangezien in laatstgenoemde zaak de betrokken bevoegde overheidsinstanties niet de oplegging van een boete vorderden tegen de vennootschappen die overtredingen op het gebied van handelszaken werden verweten, maar enkel een bevel tot staking van die overtredingen, een mogelijkheid waarover ook belanghebbenden en consumentenverenigingen beschikten (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Movic e.a., C73/19, EU:C:2020:568, punt 48).
29
In die omstandigheden handelt de ministre de l'Économie et des Finances met het instellen van de vordering in het hoofdgeding ‘in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii)’ in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, zodat die vordering niet valt onder het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ zoals in die bepaling bedoeld. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit te verifiëren.
30
Gelet op het voorgaande moet de prejudiciële vraag in die zin worden beantwoord dat artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van deze bepaling niet de vordering omvat van een overheidsinstantie van een lidstaat tegen in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen, teneinde mededingingsbeperkende praktijken ten aanzien van in de eerstgenoemde lidstaat gevestigde leveranciers te doen vaststellen, bestraffen en staken, wanneer deze overheidsinstantie procesbevoegdheden of onderzoeksbevoegdheden uitoefent die buiten het bestek vallen van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels van gemeen recht.
Kosten
31
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De kosten van de indiening van opmerkingen bij het Hof, andere dan die van deze partijen, komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 1, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
het begrip ‘burgerlijke en handelszaken’ in de zin van deze bepaling niet de vordering omvat van een overheidsinstantie van een lidstaat tegen in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen, teneinde mededingingsbeperkende praktijken ten aanzien van in de eerstgenoemde lidstaat gevestigde leveranciers te doen vaststellen, bestraffen en staken, wanneer deze overheidsinstantie procesbevoegdheden of onderzoeksbevoegdheden uitoefent die buiten het bestek vallen van de op betrekkingen tussen particulieren toepasselijke regels van gemeen recht.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑12‑2022