Voluit: Besluit van 14 december 2016, houdende regels over de voorlopige onderzoeken en de vervolgonderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer kunnen worden ingezet en aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen (Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer) (Stb. 2016, 529) voor de tenlastegelegde feiten laatstelijk gewijzigd door het Besluit van 15 februari 2018 (Stb. 2018, 71).
HR, 28-01-2025, nr. 22/02402
ECLI:NL:HR:2025:133
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-01-2025
- Zaaknummer
22/02402
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:133, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑01‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:5326
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1226
ECLI:NL:PHR:2024:1226, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:133
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑02‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0031
Uitspraak 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Eendaadse samenloop van gekwalificeerde dood door schuld in verkeer (art. 6 jo. 175.3 (oud) WVW 1994) en rijden onder invloed (art. 8.2.a WVW 1994) door in 2019 in Apeldoorn als bestuurder van auto onder invloed van alcohol met zeer hoge snelheid binnen bebouwde kom in het donker te rijden en fietser aan te rijden. Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. rijden onder invloed en strafverzwarende omstandigheid van dood door schuld. Verweer dat vanwege “P/A-uitslag” van voorlopig ademonderzoek geen sprake was van verdenking a.b.i. art. 163.1 WVW 1994. O.g.v. art. 163.1 WVW 1994 kan opsporingsambtenaar bij verdenking dat bestuurder van voertuig heeft gehandeld in strijd met art. 8 WVW 1994, hem bevelen medewerking te verlenen aan onderzoek a.b.i. art. 8.2.a WVW 1994. Deze verdenking kan (zo blijkt uit Instructie handhaving rijden onder invloed) onder meer worden gegrond op resultaat van voorlopig ademonderzoek a.b.i. 160 WVW 1994. Verdenking kan ook worden gegrond op (combinatie van) andere feiten of omstandigheden, zoals aanwijzingen dat bestuurder opvallend verkeersgedrag heeft vertoond of heeft bijgedragen aan ontstaan van verkeersongeval, constatering dat zijn adem naar alcohol ruikt, of omstandigheid dat hij een of meer kenmerken vertoont die wijzen op alcoholgebruik, zoals bloeddoorlopen ogen of verminderd functioneren van spraak of motoriek. Uitslag van voorlopig ademonderzoek die wel duidt op enig alcoholgebruik maar op zichzelf hiervoor bedoelde verdenking nog niet kan dragen, kan in dit verband een relevante omstandigheid zijn. Hof heeft geoordeeld dat opsporingsambtenaren in dit geval de verdenking a.b.i. art. 163.1 WVW 1994 konden baseren op aanwijzingen dat verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, op geur van alcoholgebruik bij verdachte en op bloeddoorlopen ogen van verdachte, en dat omstandigheid “dat verdachte bij voorlopig ademonderzoek een indicatie ‘P/A’ blies (...) daar niets aan af [doet]”. Dat oordeel geeft in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02402
Datum 28 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2022, nummer 21-000754-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat in ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat vanwege de ‘P/A-uitslag’ van het voorlopig ademonderzoek geen sprake was van een verdenking zoals bedoeld in artikel 163 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. Primair
hij op 8 februari 2019 te Apeldoorn als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting van de kruising van de wegen de Europaweg en de Eendrachtstraat, daarmede rijdende over de weg, de Europaweg, zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- onder invloed van alcohol,
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Europaweg) en het zich daarop bevindende verkeer; en
- ter hoogte van die kruising, in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand die hij, verdachte die weg (de Europaweg) kon overzien en waarover deze vrij was; en
- met een snelheid gelegen tussen de 104 en 116 kilometer per uur, die kruising is op- en overgereden; en
- is gebotst tegen een fietser, welke fietser – komende uit de richting van de Parallelweg van de Europaweg – doende was die Europaweg over te steken in de richting van de Eendrachtstraat,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,
- terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994; en
- welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij verdachte een krachtens de Wegenverkeersweg 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;
2.
hij op of omstreeks 8 februari 2019 te Apeldoorn, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 275 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“2. een proces-verbaal aanhouding, genummerd PL0600-2019059630-7, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie Oost-Nederland, en [verbalisant 2] , agent van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 8 februari 2019, als bijlage op pagina’s 193-194, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:
Op pagina 193:
Op 8 februari 2019 omstreeks 20:00 uur waren wij bezig met de incidentenafhandeling in Apeldoorn. Omstreeks 20:12 uur kregen wij het verzoek te gaan naar de Europaweg in Apeldoorn. Daar zou ter hoogte van de Rabobank collega [verbalisant 3] bij een slachtoffer staan dat was aangereden door een automobilist, dit bleek verdachte (het hof begrijpt uit de context van het proces-verbaal: [verdachte] ). Ter plaatse zagen wij een Ford Mondeo op de Europaweg. Wij zagen dat de personenauto aan de voorzijde zwaar beschadigd was. Wij zagen tevens een slachtoffer dat zwaargewond was achter de Ford Mondeo. Ik hoorde dat de verdachte bevestigde dat hij de bestuurder was van de Ford Mondeo. Vervolgens rook ik, [verbalisant 2] , dat verdachte riekte naar inwendig gebruik van alcohol.
(...)
9. een proces-verbaal rijden onder invloed, genummerd PL0600-2019059642-1, opgemaakt door [verbalisant 2] , agent van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 8 februari 2019, als bijlage op pagina’s 205-207, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
Op pagina 206:
Op 8 februari 2019 heb ik verdachte onderworpen aan een ademanalyseonderzoek. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek. Het onderzoeksresultaat van de ademanalyse bedroeg 275 μg/l.
10. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een uitslagformulier ademanalyseonderzoek, als bijlage op pagina 208, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:
Op pagina 208:
Bureau: Apeldoorn.
Startdatum/-tijd: 8 februari 2019 20:51 uur.
Einddatum/-tijd: 8 februari 2019 20:55 uur.
Ademonderzoek-resultaat: 275 μg/l.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring onder meer overwogen:
“Overweging met betrekking tot het rijden onder invloed
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het rijden onder invloed niet strookt met de rechtspraak over het stelsel van strikte waarborgen voor de uitvoering van alcoholonderzoek.
De verdediging heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de bewijsbeslissing van de rechtbank op het punt van het rijden onder invloed in hoger beroep moet worden gevolgd. Deze beslissing houdt in dat aan verdachte - na de uitslag 'P/A' bij het voorlopig ademonderzoek, gelet op de betekenis daarvan zoals die voortvloeit uit de Instructie handhaving rijden onder invloed - geen bevel tot medewerking aan een ademanalyseonderzoek op grond van artikel 163, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 mocht worden gegeven. Met de uitslag 'P/A' was er immers geen verdenking ter zake het rijden onder invloed en dat kan slechts anders zijn als er sprake is van een cumulatie van een dranklucht én een waggelende gang én belemmerde spraak bij verdachte; de zogeheten 'trias alcoholica'. De resultaten van het ademanalyseonderzoek moeten derhalve worden uitgesloten van het bewijs, zodat de strafverzwarende omstandigheid in het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen kunnen worden.
Beoordeling van het hof
In artikel 163, eerste lid Wegenverkeerswet 1994 staat dat een opsporingsambtenaar bij een verdenking dat een bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, die bestuurder kan bevelen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyseonderzoek. Van een verdenking is volgens artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering sprake wanneer uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Het voorlopig ademonderzoek is volgens de Instructie handhaving rijden onder invloed één van de mogelijkheden op basis waarvan een verdenking ter zake rijden onder invloed kan rijzen. Volgens de jurisprudentie (HR 18 december 1979, VR 1980, 59 en HR 3 maart 1981, VR 1981, 70) is een verdenking ter zake rijden onder invloed echter ook mogelijk wanneer een verdachte riekt naar inwendig gebruik van alcohol.
In de onderhavige zaak - zo staat vast - is de politie bij de plaats van het dodelijke ongeval gearriveerd en is de verdachte als bestuurder van de daarbij mogelijk betrokken personenauto onderworpen aan het controlemiddel van een voorlopig ademonderzoek. Het voorlopig ademonderzoek gaf bij verdachte een uitslag 'P/A'. Deze uitslag geeft volgens de Instructie handhaving rijden onder invloed een indicatie van een ademalcoholgehalte van boven de 95 μg/l, met een bereik tussen de 170-300 μg/l. Verbalisant heeft verdachte vervolgens bevolen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyseonderzoek omdat hij opmerkte dat verdachtes adem rook naar het inwendig gebruik van alcohol en zag dat verdachte bloeddoorlopen ogen had.
Naar het oordeel van het hof hebben de verbalisanten, gelet op de omstandigheden van de situatie, waaronder het feit dat er aanwijzingen waren dat verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, de geur van alcoholgebruik bij verdachte en zijn bloeddoorlopen ogen, tot de conclusie kunnen komen dat er jegens verdachte een verdenking was gerezen ter zake van rijden onder invloed. Dat verdachte bij een voorlopig ademonderzoek een indicatie 'P/A' blies doet daar niets aan af. Van enigerlei vormverzuim, laat staan enige schending van een strikte waarborg, is derhalve geen sprake. Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsman.”
2.3
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.
“1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (...).”
- Artikel 160 lid 5, aanhef en onder b, WVW 1994:
“Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan:(...)b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid (...).”
“1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160, vijfde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.”
- Artikel 6 lid 1 van het in artikel 163 lid 8 WVW 1994 bedoelde Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit):
“Een voorlopig ademonderzoek als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (...) geschiedt door degene bij wie het onderzoek wordt verricht, in een voor het onderzoek bestemde ademtester die bij ministeriële regeling is aangewezen, ademlucht te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen.”
- Artikel 10 lid 1 Besluit:
“Een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a (...) van de Wegenverkeerswet 1994 (...) geschiedt door de verdachte, zo nodig viermaal, ademlucht in een voor het onderzoek bestemd ademanalyseapparaat dat bij ministeriële regeling is aangewezen, te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen. Het blazen kan worden beëindigd, zodra het onderzoek twee meetresultaten heeft opgeleverd.”
- De blijkens Stcrt. 2021, 37828 met ingang van 1 juni 2021 ingetrokken Instructie handhaving rijden onder invloed (Stcrt. 2017, 52662) (hierna: de Instructie) zoals deze luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit:
“1. Begripsbepalingen
• Ademtest: Een voorlopig ademonderzoek in de zin van artikel 6, eerste lid van het Besluit;
• Ademanalyse: Een ademonderzoek in de zin van artikel 10 van het Besluit;
(...)
2.2.2.
Controlesituaties
A. De opsporing van alcohol in het verkeer
• Voorlopig ademonderzoek
Op eerste vordering van één van de in artikel 159, onderdeel a van de WVW 1994 bedoelde personen, zijn bestuurders of degenen die aanstalten maken een voertuig te gaan besturen, verplicht medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek naar uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid WVW 1994.
Het voorlopig ademonderzoek is geregeld in paragraaf 3.2. van het Besluit. Het voorlopig ademonderzoek is niet bestemd als bewijsmiddel, maar heeft de functie van selectiemiddel. Voorts is van belang dat bij inzet van dit voorlopig ademonderzoek het mondstuk telkens wordt gewisseld (HR 8 juli 1997, VR 1998, 1).
Op het voorselectieapparaat verschijnen voor alcohol in het verkeer de volgende relevante aanduidingen
P (pass) | Indicatie alcohol onder de vervolgingsgrens van 95 ug/l |
P/A (pass/alert) | Indicatie dat bij de ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de vervolgingsgrens van 95 ug/l wordt aangetroffen (170-300 ug/l) |
A (alert) | Indicatie dat bij ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de vervolgingsgrens van 235 ug/l wordt aangetroffen (300-650 ug/l) |
F (fail) | Indicatie dat bij de ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de 570 ug/l (> 650 ug/l) wordt aangetroffen |
• VerdenkingEen verdenking ontstaat wanneer de uitslag van het voorlopig ademonderzoek F of A inhoudt. Bij een P/A houdt de aanduiding P van pass voor de ervaren bestuurder in dat hij niet verdacht is. Daarentegen geeft de uitslag A in de combinatieaanduiding P/A bij beginnende bestuurders wel voldoende grond voor een verdenking en volgt een bevel medewerking ademanalyse, nadat eerst het resultaat van dat vooronderzoek direct aan de verdachte is medegedeeld.
Indien het voorlopig ademonderzoek geen uitsluitsel geeft is toch verdenking mogelijk, namelijk op grond van uiterlijke kenmerken, zoals een dranklucht, waggelende gang of belemmerde spraak (trias alcoholica). In die omstandigheden volgt eveneens een bevel medewerking ademanalyse. Zie wat betreft adem, die ruikt naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank: (HR 3 maart 1981, VR 1981, 70).
(...)
• Bevel medewerking ademanalyse
In het geval van voldoende verdenking voor rijden onder invloed van alcohol, volgt een bevel medewerking ademanalyse door een opsporingsambtenaar. Dat bevel brengt een medewerkingsplicht mee voor de verdachte o.a. om ademlucht in de apparatuur te blazen alsmede aanwijzingen die de opsporingsambtenaar aan hem geeft op te volgen, zoals het meegaan naar de plaats waar de ademanalyse plaatsvindt.”
2.4.1
Op grond van artikel 163 lid 1 WVW 1994 kan een opsporingsambtenaar bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 WVW 1994, hem bevelen medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2, aanhef en onder a, van deze wet. Deze verdenking kan – zo blijkt uit de hiervoor weergegeven Instructie – onder meer worden gegrond op het resultaat van een voorlopig ademonderzoek als bedoeld in artikel 160 WVW 1994. De verdenking kan ook worden gegrond op (een combinatie van) andere feiten of omstandigheden, zoals aanwijzingen dat de bestuurder opvallend verkeersgedrag heeft vertoond of heeft bijgedragen aan het ontstaan van een verkeersongeval, de constatering dat zijn adem naar alcohol ruikt, of de omstandigheid dat hij een of meer kenmerken vertoont die wijzen op alcoholgebruik, zoals bloeddoorlopen ogen of verminderd functioneren van de spraak of de motoriek. Een uitslag van een voorlopig ademonderzoek die wel duidt op enig alcoholgebruik maar op zichzelf de hiervoor bedoelde verdenking nog niet kan dragen, kan in dit verband een relevante omstandigheid zijn.
2.4.2
Het hof heeft geoordeeld dat de opsporingsambtenaren in dit geval de verdenking als bedoeld in artikel 163 lid 1 WVW 1994 konden baseren op aanwijzingen dat de verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, op de geur van alcoholgebruik bij de verdachte en op de bloeddoorlopen ogen van de verdachte, en dat de omstandigheid “dat de verdachte bij een voorlopig ademonderzoek een indicatie ‘P/A’ blies (...) daar niets aan af [doet]”. Dat oordeel geeft in het licht van wat onder 2.4.1 is vooropgesteld niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze veertien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2025.
Conclusie 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Jaddoe. (Eendaadse samenloop) overtreding art. 6 WVW 1994 terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a WVW 1994; overtreding art. 8, lid 2 onderdeel a, WVW 1994. 1. Konden verbalisanten concluderen dat sprake was van redelijke verdenking ter zake van rijden onder invloed? 2. Bewijsklacht culpa. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02402
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 24 juni 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. primair en 2. "de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet en overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (275 microgram)", veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, alsmede een rijontzegging voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van verdachte ingevorderd of ingehouden is geweest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.Y. Taekema, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1. Primair
hij op 8 februari 2019 te Apeldoorn als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gaande in de richting van de kruising van de wegen de Europaweg en de Eendrachtstraat, daarmede rijdende over de weg, de Europaweg, zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- onder invloed van alcohol,
- niet of in onvoldoende mate heeft gelet en is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Europaweg) en het zich daarop bevindende verkeer; en
- ter hoogte van die kruising, in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand die hij, verdachte die weg (de Europaweg) kon overzien en waarover deze vrij was; en
- met een snelheid gelegen tussen de 104 en 116 kilometer per uur, die kruising is op- en overgereden; en
- is gebotst tegen een fietser, welke fietser – komende uit de richting van de Parallelweg van de Europaweg – doende was die Europaweg oversteken in de richting van de Eendrachtstraat,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood,
- terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994; en
- welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij verdachte een krachtens de Wegenverkeersweg 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;
2.
hij op of omstreeks 8 februari 2019 te Apeldoorn, als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 275 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn”.
Het eerste middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel, dat “de verbalisanten, gelet op de omstandigheden van de situatie, waaronder het feit dat er aanwijzingen waren dat verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, de geur van alcoholgebruik bij verdachte en zijn bloeddoorlopen ogen, tot de conclusie kunnen komen dat er jegens verdachte een verdenking was gerezen ter zake van rijden onder invloed”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of ontoereikend gemotiveerd is, omdat ten aanzien van de verdachte, voorafgaand aan het ademonderzoek als bedoeld in art. 10, eerste lid, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, “onvoldoende objectieve feiten en omstandigheden bestonden waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan het rijden onder invloed kon voortvloeien”.
3.2
De hier toepasselijke bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 luiden:
- Art. 8, eerste en tweede lid:
“1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (…)”.
- Art. 160, vijfde lid, onder b:
“Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de bestuurder van een voertuig, degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen en de begeleider, verplicht hun medewerking te verlenen aan:
(…)
b. een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid”.
- Art. 163, eerste en achtste lid:
“1. Bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8, kan de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a.
8. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 160, vijfde lid, en van dit artikel. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de mogelijkheid tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden in de bij die algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen voorschriften ter uitvoering van die regels vastgesteld.
3.3
De hier toepasselijke bepalingen van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen en het verkeer luidden in de tenlastegelegde periode als volgt:1.
- Art. 6, eerste lid:
“Een voorlopig ademonderzoek als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (…) geschiedt door degene bij wie het onderzoek wordt verricht, in een voor het onderzoek bestemde ademtester die bij ministeriële regeling is aangewezen, ademlucht te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen.”
- Art. 10, eerste lid:
“Een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a (…) van de Wegenverkeerswet 1994 (…) geschiedt door de verdachte, zo nodig viermaal, ademlucht in een voor het onderzoek bestemd ademanalyseapparaat dat bij ministeriële regeling is aangewezen, te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen. Het blazen kan worden beëindigd, zodra het onderzoek twee meetresultaten heeft opgeleverd.”
3.4
De Instructie handhaving rijden onder invloed luidde in de tenlastegelegde periode, voor zover hier relevant, als volgt:2.
- 1. Begripsbepalingen, eerste, tweede en derde bullet:
• Ademtest: Een voorlopig ademonderzoek in de zin van artikel 6, eerste lid van het Besluit;
• Ademanalyse: Een ademonderzoek in de zin van artikel 10 van het Besluit;”
- 2.2.2. Controlesituaties, eerste en tweede bullet:
“A. De opsporing van alcohol in het verkeer
• Voorlopig ademonderzoek
Op eerste vordering van één van de in artikel 159, onderdeel a van de WVW 1994 bedoelde personen, zijn bestuurders of degenen die aanstalten maken een voertuig te gaan besturen, verplicht medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek naar uitgeademde lucht, ter vaststelling van een mogelijke overtreding van artikel 8, tweede of derde lid WVW 1994.
Het voorlopig ademonderzoek is geregeld in paragraaf 3.2. van het Besluit. Het voorlopig ademonderzoek is niet bestemd als bewijsmiddel, maar heeft de functie van selectiemiddel. Voorts is van belang dat bij inzet van dit voorlopig ademonderzoek het mondstuk telkens wordt gewisseld (HR 8 juli 1997, VR 1998, 1).
Op het voorselectieapparaat verschijnen voor alcohol in het verkeer de volgende relevante aanduidingen
P (pass) | Indicatie alcohol onder de vervolgingsgrens van 95 ug/l |
P/A (pass/alert) | Indicatie dat bij de ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de vervolgingsgrens van 95 ug/l wordt aangetroffen (170-300 ug/l) |
A (alert) | Indicatie dat bij ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de vervolgingsgrens van 235 ug/l wordt aangetroffen (300-650 ug/l) |
F (fail) | Indicatie dat bij de ademanalyse een hoeveelheid alcohol boven de 570 ug/l (<650 ug/l) wordt aangetroffen |
• Verdenking
Een verdenking ontstaat wanneer de uitslag van het voorlopig ademonderzoek F of A inhoudt. Bij een P/A houdt de aanduiding P van pass voor de ervaren bestuurder in dat hij niet verdacht is. Daarentegen geeft de uitslag A in de combinatieaanduiding P/A bij beginnende bestuurders wel voldoende grond voor een verdenking en volgt een bevel medewerking ademanalyse, nadat eerst het resultaat van dat vooronderzoek direct aan de verdachte is medegedeeld.
Indien het voorlopig ademonderzoek geen uitsluitsel geeft is toch verdenking mogelijk, namelijk op grond van uiterlijke kenmerken, zoals een dranklucht, waggelende gang of belemmerde spraak (trias alcoholica). In die omstandigheden volgt eveneens een bevel medewerking ademanalyse. Zie wat betreft adem, die ruikt naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank: (HR 3 maart 1981, VR 1981, 70).”
3.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit het voorlopig ademonderzoek, als bedoeld in art. 6, eerste lid, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen en het verkeer, niet bleek dat sprake was van “een te hoge alcoholwaarde in de uitgeademde lucht”, dat het hof bij het bestreden oordeel het feit heeft meegewogen “dat er aanwijzingen waren dat de verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt”, terwijl deze omstandigheid niet behoort tot de uiterlijke kenmerken van de “Trias Alcoholica”, dat de “Trias Alcoholica” dwingend cumulatieve eisen formuleert die niet door de verbalisanten zijn waargenomen, en dat de bij de verdachte waargenomen bloeddoorlopen ogen op verschillende wijzen verklaard konden worden.
3.6
Het hof heeft inzake het rijden onder invloed als volgt overwogen:
“Overweging met betrekking tot het rijden onder invloed
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank met betrekking tot het rijden onder invloed niet strookt met de rechtspraak over het stelsel van strikte waarborgen voor de uitvoering van alcoholonderzoek.
De verdediging heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de bewijsbeslissing van de rechtbank op het punt van het rijden onder invloed in hoger beroep moet worden gevolgd. Deze beslissing houdt in dat aan verdachte - na de uitslag 'P/A' bij het voorlopig ademonderzoek, gelet op de betekenis daarvan zoals die voortvloeit uit de Instructie handhaving rijden onder invloed - geen bevel tot medewerking aan een ademanalyseonderzoek op grond van artikel 163, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 mocht worden gegeven. Met de uitslag 'P/A' was er immers geen verdenking ter zake het rijden onder invloed en dat kan slechts anders zijn als er sprake is van een cumulatie van een dranklucht èn een waggelende gang èn belemmerde spraak bij verdachte; de zogeheten 'trias alcoholica'. De resultaten van het ademanalyseonderzoek moeten derhalve worden uitgesloten van het bewijs, zodat de strafverzwarende omstandigheid in het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen kunnen worden.
Beoordeling van het hof
In artikel 163, eerste lid Wegenverkeerswet 1994 staat dat een opsporingsambtenaar bij een verdenking dat een bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, die bestuurder kan bevelen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyseonderzoek. Van een verdenking is volgens artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering sprake wanneer uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Het voorlopig ademonderzoek is volgens de Instructie handhaving rijden onder invloed één van de mogelijkheden op basis waarvan een verdenking ter zake rijden onder invloed kan rijzen. Volgens de jurisprudentie (HR 18 december 1979, VR 1980, 59 en HR 3 maart 1981, VR 1981, 70) is een verdenking ter zake rijden onder invloed echter ook mogelijk wanneer een verdachte riekt naar inwendig gebruik van alcohol.
In de onderhavige zaak - zo staat vast - is de politie bij de plaats van het dodelijke ongeval gearriveerd en is de verdachte als bestuurder van de daarbij mogelijk betrokken personenauto onderworpen aan het controlemiddel van een voorlopig ademonderzoek. Het voorlopig ademonderzoek gaf bij verdachte een uitslag 'P/A'. Deze uitslag geeft volgens de Instructie handhaving rijden onder invloed een indicatie van een ademalcoholgehalte van boven de 95 ug/l, met een bereik tussen de 170-300 ug/l. Verbalisant heeft verdachte vervolgens bevolen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyseonderzoek omdat hij opmerkte dat verdachtes adem rook naar het inwendig gebruik van alcohol en zag dat verdachte bloeddoorlopen ogen had.
Naar het oordeel van het hof hebben de verbalisanten, gelet op de omstandigheden van de situatie, waaronder het feit dat er aanwijzingen waren dat verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, de geur van alcoholgebruik bij verdachte en zijn bloeddoorlopen ogen, tot de conclusie kunnen komen dat er jegens verdachte een verdenking was gerezen ter zake van rijden onder invloed. Dat verdachte bij een voorlopig ademonderzoek een indicatie 'P/A' blies doet daar niets aan af. Van enigerlei vormverzuim, laat staan enige schending van een strikte waarborg, is derhalve geen sprake. Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsman.”
3.7
Het middel gaat er kort gezegd van uit (i) dat, indien de uitslag van het voorlopig ademonderzoek niet F of A inhoudt, op geen andere wijze een verdenking ter zake rijden onder invloed kan rijzen bij een ervaren (dat is: een niet-beginnende) bestuurder, (ii) dat een dergelijke verdenking alleen kan rijzen op grond van de uiterlijk waargenomen kenmerken van de “trias alcoholica” en (iii) dat, voordat sprake kan zijn van een dergelijke verdenking, zowel een dranklucht als een waggelende gang als een belemmerde spraak dient te worden waargenomen.
3.8
Geen van deze opvattingen vinden steun in het recht. In een arrest van 3 maart 1981 overwoog de Hoge Raad dat de “aan het middel ten grondslag liggende opvatting, volgens welke de enkele omstandigheid dat de bestuurder van een motorrijtuig riekt naar inwendig gebruik van alcoholhoudende drank geen voldoende grond kan opleveren voor een ’verdenking’ als bedoeld in art. 33a lid 1 WVW”, geen steun vindt in het recht.3.Dat geldt ook wanneer een voorlopig ademonderzoek geen belastende waarde oplevert.4.In meer algemene zin dient uit de bewijsvoering de feiten en omstandigheden waaruit het redelijk vermoeden van schuld voortvloeit te volgen, welke feiten en omstandigheden niet zijn beperkt tot de “trias alcoholica”.
3.9
Bij het bovenstaande sluit ook de Instructie handhaving rijden onder invloed aan. Die Instructie stelt dat verdenking toch mogelijk is zelfs indien het voorlopig ademonderzoek geen uitsluitsel geeft en dat een verdenking kan rijzen op grond van de niet limitatief en niet cumulatief genoemde uiterlijke kenmerken in de Instructie: dranklucht, waggelende gang of belemmerde spraak.
3.10
Het hof heeft overwogen dat van een verdenking sprake is wanneer uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit, dat volgens de Instructie, het voorlopig ademonderzoek “één van de mogelijkheden op basis waarvan een verdenking ter zake rijden onder invloed kan rijzen” is, en dat op basis van jurisprudentie – waarbij wordt verwezen naar het hierboven kort aangehaalde arrest van de Hoge Raad – “een verdenking ter zake rijden onder invloed echter ook mogelijk [is] wanneer een verdachte riekt naar inwendig gebruik van alcohol”.
3.11
Het hof heeft vastgesteld dat het voorlopig ademonderzoek bij verdachte een uitslag 'P/A' gaf en dat de verbalisant de verdachte vervolgens heeft bevolen zijn medewerking te verlenen aan een ademanalyseonderzoek “omdat hij opmerkte dat verdachtes adem rook naar het inwendig gebruik van alcohol en zag dat verdachte bloeddoorlopen ogen had”. Het hof heeft geoordeeld dat de “verbalisanten, gelet op de omstandigheden van de situatie, waaronder het feit dat er aanwijzingen waren dat verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, de geur van alcoholgebruik bij verdachte en zijn bloeddoorlopen ogen, tot de conclusie kunnen komen dat er jegens verdachte een verdenking was gerezen ter zake van rijden onder invloed”. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet ontoereikend gemotiveerd. Dat de bij de verdachte waargenomen bloeddoorlopen ogen op verschillende wijzen verklaard konden worden, zoals door de steller van het middel is aangevoerd, doet daaraan niet af.
3.12
Het middel faalt.
Het tweede middel
4. Het tweede middel bevat de klacht dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende redengevend zijn voor het onder 1. primair bewezenverklaarde. De steller van het middel wijst daarbij op de in bewijsmiddel 3 en bewijsmiddel 6 vervatte omstandigheden dat [slachtoffer], komend van links geen voorrang had verleend aan de verdachte en dat het zicht dat de verdachte en [slachtoffer] op elkaar hadden werd belemmerd door een struikgewas.
4.1
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaarde onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijden, uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.5.
4.2
De bewezenverklaring van het onder 1. primair tenlastegelegde berust onder meer op de volgende in het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
“3. een proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, (…), opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Oost-Nederland, en [verbalisant 2], inspecteur van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 24 februari 2020, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten:
Op pagina 17:
Op vrijdag 8 februari 2019, was de fietser de plaats van het verkeersongeval genaderd over de parallelweg van de Europaweg, rijdende in Noordelijke richting. Op het kruispunt van de Europaweg en de Eendrachtstraat, stak de fietser de Europaweg over (in de richting van de Eendrachtstraat). Gezien vanuit de rijrichting van de fietser, naderde op dat moment van links de bestuurder van de personenauto. De fietser verleende geen voorrang aan de voor hem van links komende bestuurder van de personenauto. Daarop kwamen de personenauto en de fietser elkaar in botsing.
Op pagina 29:
Het tijdstip dat het ongeval werd vermeld was 20:08. Op dat moment was het donker.
Op pagina 48:
Het zicht op elkaar werd belemmerd door struikgewas.
(…)
5. een kort proces-verbaal analyse VRI-data, (…), opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 7 februari 2020, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:
Op pagina 66:
Ik heb de betreffende VRI van 8 februari 2019 vanaf 20:00 uur tot 20:10 uur geanalyseerd. De bestuurder van de Ford was het kruispunt Europaweg-Jachtlaan genaderd over de Europaweg, komende uit de richting van de Laan van de Mensenrechten. De bestuurder van de Ford reed op richting 5. Omstreeks 20:07:15 uur zag ik op richting vijf één voertuig dat (beduidend) sneller reed dan de andere voertuigen. Dat voertuig passeerde het betreffende kruispunt met een indicatieve snelheid van minimaal 64 km/u en maximaal 66 km/u. Het betreffende voertuig was de stopstreep van richting 5 genaderd met een indicatieve snelheid van minimaal 68 km/u en maximaal 75 km/u (over een traject van ongeveer 50 m). Dat voertuig was (vrijwel zeker) de Ford. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid bedroeg 50 km/u.
6. een NFI-rapport ‘Beeldonderzoek naar de snelheid van een auto naar aanleiding van een aanrijding op de Europaweg te Apeldoorn op 8 februari 2019’, (…), opgemaakt door ir. B. Hoogeboom, (…), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als bevindingen van de deskundige:
Op pagina 165:
Te onderzoeken materiaal: SIN AAKN1839NL, videobeelden van aanrijding.
Verkregen informatie: De bestuurder van de een Ford Mondeo reed over de Europaweg, komende vanuit de richting van de kruising Jachtlaan/Europaweg (VRI) en gaande in de richting van het politiebureau aldaar. Ter hoogte van de T-aansluiting van de Eendrachtstraat met de Europaweg stak de fietser over (rijrichting parallelweg Europaweg - Eendrachtstraat), deze diende de Ford voorrang te verlenen. De fietser werd tijdens de oversteek in de linkerflank geraakt door de voorzijde van de Ford. Er zijn videobeelden van de RABOBANK gesitueerd op de kruising waar het ongeval heeft plaatsgevonden.
Vraagstelling: Bepaal de snelheid van de Ford Mondeo die na 8 minuten en 10 seconden na de start van het bestand 'beelden 8-2 20u10.avi' waar te nemen is.
Op pagina 179
Conclusie: Het onderzoek naar de gemiddelde snelheid van de auto zichtbaar in de camerabeelden [AAKN1839NL] heeft plaatsgevonden op basis van metingen aan de beelden zoals gedefinieerd in Figuur 1 en Figuur 2 van deze rapportage. De beste schatter voor de gemiddelde snelheid van de auto bedraagt 110 km/u. Deze gemiddelde snelheid is bepaald overeen afstand van ongeveer 12 meter. De grenzen van het 95%-kansinterval zijn [104, 116] km/u.
(…)
8. een aanvullend proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, dynamische vermijdbaarheid, (…), opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 24 februari 2020, (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
Op pagina 101:
Op 8 februari 2019 had op het kruispunt van de Europaweg en de Eendrachtstraat in Apeldoorn een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij het verkeersongeval waren de bestuurder van een Ford Mondeo personenauto en een fietser betrokken. De fietser is door het verkeersongeval overleden. Mij is verzocht onderzoek te doen naar de dynamische vermijdbaarheid van het verkeersongeval.
Op pagina 103:
Bij dynamische vermijdbaarheid gaat het er om of de fietser veilig de Europaweg had kunnen oversteken, indien de Ford had gereden met de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u.
Op pagina 131:
Met behulp van simulaties is de dynamische vermijdbaarheid van het verkeersongeval onderzocht. Bij alle onderzochte scenario’s, vanaf een erg lage fietssnelheid van 10 km/u tot een erg hoge fietssnelheid van 24 km/u, bleek de kritieke snelheid van de Ford ongeveer 75 km/u, vanaf het moment dat de linker koplamp van de Ford direct zichtbaar werd voor de fietser. Indien de bestuurder van de Ford, vanaf dat punt met die snelheid had gereden, zou hij zonder snelheid te minderen net achter het achterwiel van de fietser langs zijn gereden. Uit het voorgaande volgt dat het aannemelijk is dat het verkeersongeval is veroorzaakt door de extreem grote overschrijding van de ter plaatse toegestane snelheid door de bestuurder van de Ford. Zelfs bij een erg lage fietssnelheid (10 km/u) was de fietser, op het moment dat hij de linker koplamp van de naderende Ford had kunnen zien, al voorbij het beslispunt/beslismoment om over te steken.
9. een proces-verbaal rijden onder invloed, (…), opgemaakt door [verbalisant 4], agent van politie Oost-Nederland, gesloten en getekend op 8 februari 2019, (…), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:
Op pagina 206:
Op 8 februari 2019 heb ik verdachte onderworpen aan een ademanalyseonderzoek. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek. Het onderzoeksresultaat van de ademanalyse bedroeg 275 μ/l.”
4.3
Het hof heeft inzake de bewezenverklaring van het onder 1. primair tenlastegelegde onder meer als volgt overwogen:
“Namens verdachte is vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet weet of hij schuld heeft aan het ongeval en dat in dat verband onvoldoende vast te stellen is in welke mate het ongeval aan verdachtes schuld te wijten is. De raadsman heeft er daarbij op gewezen dat verdachte het onaannemelijk acht dat hij met de door de politie berekende snelheid heeft gereden, dat verdachte slecht zicht had op de verkeersdeelnemers vanuit de richting van de parallelrijbaan van de Europaweg en dat het slachtoffer ook slecht zicht had op de Europaweg vanaf de parallelrijbaan van de Europaweg. Volgens de raadsman kan slechts worden bewezen dat verdachte te hard heeft gereden, maar is dat onvoldoende voor de vaststelling van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
(…)
Het hof acht het ten laste gelegde feit bewezen. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de hierboven gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij als volgt.
(…)
Verdachte reed op de avond van 8 februari 2019 met zijn Ford Mondeo over de Europaweg in Apeldoorn. Dit betreft een weg binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid van vijftig kilometer per uur geldt. Op de kruising van de Europaweg met de Eendrachtstraat is verdachte in botsing gekomen met de achttienjarige fietser [slachtoffer] . De aanrijding is [slachtoffer] fataal geworden. Ten tijde van het ongeval was het donker en werd het zicht van verdachte en [slachtoffer] op elkaar belemmerd door een struikgewas in de berm. Op het kruispunt gelegen voor het kruispunt waar het fatale verkeersongeval heeft plaatsgevonden, het kruispunt van de Europaweg met de Jachtlaan, is de verkeersregelinstallatie onderzocht. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat verdachte het kruispunt met een snelheid van tussen de 68 en 75 kilometer per uur is genaderd en dat hij de kruising met een snelheid van tussen de 64 en 66 kilometer per uur is overgereden. Een beveiligingscamera heeft een deel van het kruispunt van het fatale ongeval vastgelegd. Uit een onderzoek naar de snelheid die op basis van die camerabeelden is te berekenen kan met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat verdachte met een gemiddelde snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur reed (volgens het onderzoek kan met een betrouwbaarheid van 95% worden bepaald dat de snelheid van verdachte tussen de 104 en 116 kilometer per uur lag). Uit het ademanalyseonderzoek blijkt voorts dat verdachte onder invloed van 275 μg/l alcohol reed. Onderzoek heeft uitgewezen dat als verdachte met een constante snelheid van 75 kilometer per uur had gereden, hij [slachtoffer] net niet zou hebben aangereden, zodat het verkeersongeval is veroorzaakt door de extreem grote overschrijding van de ter plaatse toegestane snelheid door de bestuurder van de Ford.
Door het fatale kruispunt met Eendrachtstraat te naderen met een oplopende snelheid, tot ruim twee keer de toegestane snelheid, terwijl hij onvoldoende zicht had op de vrije en veilige doorgang op de voorrangsweg waarover hij reed en terwijl hij onder invloed van alcohol reed, heeft verdachte zichzelf grovelijk overschat, uitgaande van een goede afloop, en heeft hij zichzelf en het slachtoffer iedere mogelijkheid op een goede afloop ontnomen. Naar het oordeel van het hof is op grond van het voorgaande dan ook bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden over de Europaweg.”
4.4
Het hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en zijn hiervoor weergegeven bewijsoverweging onder meer vastgesteld dat de verdachte op de kruising van de Europaweg met de Eendrachtstraat in botsing is gekomen met [slachtoffer] en dat [slachtoffer] ten gevolge daarvan is komen te overlijden. Voorts heeft het hof vastgesteld dat het ten tijde van het ongeluk donker was, dat het zicht van verdachte en [slachtoffer] op elkaar werd belemmerd door een struikgewas in de berm, dat de verdachte met een gemiddelde snelheid van 110 kilometer per uur heeft gereden, dat hij onder invloed van 275 μg/l alcohol reed en dat – als verdachte met een constante snelheid van 75 kilometer per uur had gereden – hij [slachtoffer] net niet zou hebben aangereden, zodat het verkeersongeval is veroorzaakt door de extreem grote overschrijding van de ter plaatse toegestane snelheid door de verdachte. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld dat de verdachte, door het kruispunt te naderen met een oplopende snelheid, tot ruim twee keer de toegestane snelheid, terwijl hij onvoldoende zicht had op de vrije en veilige doorgang op de voorrangsweg waarover hij reed en terwijl hij onder invloed van alcohol reed, zichzelf grovelijk heeft overschat, uitgaande van een goede afloop, dat hij zichzelf en het slachtoffer iedere mogelijkheid op een goede afloop heeft ontnomen en dat de verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden over de Europaweg.
4.5
Met betrekking tot de in bewijsmiddel 3 en bewijsmiddel 6 vervatte omstandigheid, dat [slachtoffer] geen voorrang aan de verdachte had verleend, heeft het hof overwogen, dat als de verdachte een constante snelheid van 75 kilometer per uur had gereden, de aanrijding was voorkomen. Met betrekking tot de in bewijsmiddel 3 vervatte omstandigheid, dat het zicht van verdachte en [slachtoffer] op elkaar belemmerd werd door een struikgewas, heeft het hof overwogen dat, kort gezegd, de verdachte het kruispunt naderde met ruim twee keer de toegestane snelheid, terwijl hij onvoldoende zicht had op de vrije en veilige doorgang op de voorrangsweg waarover hij reed, zodat de verdachte niet in staat was zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand op de weg die hij kon overzien en waarover deze vrij was. ’s Hofs oordeel is toereikend gemotiveerd.
4.6
Voorts bevat het middel de klacht dat het hof het door de raadsman gevoerde verweer onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, omdat de berekende snelheid waarmee de verdachte heeft gereden voor het bewijs van zijn schuld aan het ongeval onvoldoende is.
4.7
De klacht gaat ervan uit dat ’s hofs oordeel, “dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden over de Europaweg”, enkel steunt op de omstandigheid dat de verdachte, “met een oplopende snelheid, tot ruim twee keer de toegestane snelheid” reed. Die klacht berust, gelet op het bovenstaande, op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist daardoor feitelijke grondslag.
4.8
Het middel faalt.
Slotsom
5. Beide middelen falen. Ik merk in verband met de afdoening in cassatie op dat de rechtbank de verdachte van het onder 2. tenlastegelegde heeft vrijgesproken. Afdoening van middel 1 door de Hoge Raad op de voet van art. 81, eerste lid, RO ligt daarom niet in de rede. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 1 juli 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑11‑2024
Instructie handhaving rijden onder invloed (Stcrt 2017, 52662).
HR 3 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AJ4794. Zie ook HR 8 maart 1978, ECLI:NL:HR:1977:AC0248, NJ 1978, 103 m.nt. H.W.V.V.
HR 23 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9648, NJ 1987, 798.
HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005, 252, m. nt. Knigge. Deze vooropstelling is, in min of meer gelijke woorden, herhaald in HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398.
Beroepschrift 23‑02‑2023
Hoge Raad der Nederlanden
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE:
Inzake: OM/ [verdachte]
Griffienummer: S22/02402
Advocaat: mr. J.Y. Taekema
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE: in de strafzaak van de heer [verdachte], geboren [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] (hierna: requirant) gericht tegen een hem betreffend veroordelend arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2022.
Requirant wordt in deze procedure bijgestaan door zijn advocaat de heer mr. J.Y. Taekema, kantoorhoudend te Den Haag aan de Dr. Kuyperstraat 5, 2514 BA, alwaar requirant voor deze procedure woonplaats kiest.
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid met zich brengt. In het bijzonder werden de artt. 6 en 8 EVRM en/of werden de artt. 27, 350 en/of 359, tweede en derde lid en/of 359a Sv jo. 415 Sv en/of art. 8 en/of 163, eerste lid WVW geschonden en/of de Instructie handhaving rijden onder invloed, althans werden algemeen geldende motiveringsverplichtingen niet nageleefd, waardoor het arrest niet, althans niet zonder meer, begrijpelijk werd gemotiveerd. In eerste aanleg en in het hoger beroep werd verweer gevoerd op het ontbreken van een redelijke verdenking in de zin van art. 27 Sv voorafgaande aan de ademanalyse op het politiebureau. Na het ongeval werd een voorlopig ademonderzoek uitgevoerd. Daarop kon de verdenking niet worden gebaseerd. Ook was van de zogenaamde trias alcoholica geen sprake. Het verweer slaagde in eerste aanleg, echter het gerechtshof overweegt in het bestreden arrest anders en komt tot een bewezenverklaring van feit 1. van onder meer voor ‘onder invloed van alcohol’ en ‘terwijl hij, de verdachte verkeerde in een toestand, bedoeld in art. 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet’ alsmede van feit 2. De bewezenverklaarde omstandigheid werkt strafverzwarend bij het veroorzaken van een ongeval met dodelijke afloop. Het gerechtshof geeft met de bewezenverklaring en de verwerping van het verweer blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer redengevend voor die bewezenverklaringen en/of werd het verweer niet op goede gronden verworpen. De resultaten van het tweede onderzoek aan de uitgeademde lucht uitgevoerd op het politiebureau dienden voor het bewijs terzijde te worden gelegd. Ten eerste omdat voor het uitvoeren van het onderzoek — ten tijde daarvan — onvoldoende objectieve feiten en omstandigheden bestonden waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan het rijden onder invloed kon voortvloeien, ten tweede omdat gelet op de korte reisafstand tussen het woonadres van verdachte en de plaats van het ongeval, de uitslag van de betoogd onrechtmatige ‘opvolgende’ ademanalyse niet voldoende redengevend is voor een onwettig alcoholgehalte bij de verkeersdeelnemer ten tijde van het ongeval. Het eerste — voorlopig — ademonderzoek werd kort(er) na het ongeval uitgevoerd en gaf immers een P/A indicatie. In dergelijke gevallen wordt bij de bestuurder wel alcohol in de uitgeademde lucht gemeten, maar niet in een zodanige concentratie dat daarmee geen motorvoertuig mag worden bestuurd. Deze meting op straat geeft door het kortere tijdsverloop na het ongeval beter weer wat de toestand van de bestuurder op het moment van het ongeval was, dan de opvolgende meting welke later plaatsvond op het bureau. De meting op het bureau vond bovendien op een tijdstip plaats, waarop — zonder ongeval — requirant al weer thuis geweest zou zijn en dus niet meer zou deelnemen aan het verkeer.
Toelichting:
De verdediging voerde op 10 juni 2022 onder meer het volgende aan zoals weergegeven in de aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen. Kort na aanvang van het pleidooi onderbrak de voorzitter de raadsman met een element dat voor de verdenking van belang zou (kunnen) zijn. Een element dat noch door de politie in het dossier, noch door het OM in twee instanties naar voren werd gebracht. Daarbij leek de voorzitter aan de P/A als uitkomst van het voorlopig ademonderzoek weinig waarde te hechten, de raadsman gaf aan het daarmee grondig oneens. De raadsman vervolgde zijn pleidooi inhoudende.
‘Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.
De rechtbank sprak cliënt vrij van het hem onder 2. tenlastegelegde en tevens van onderdelen van het onder 1. tenlastegelegde. Die beslissingen kunnen wat de verdediging betreft in stand worden gelaten.
Feit 2. kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. Het voorlopig onderzoek uitgeademde lucht is een controlemiddel en kan worden toegepast zonder dat sprake is van een verdenking in de zin van art. 27 Sv.
De apparaten worden regelmatig gecontroleerd en geijkt en bieden daarmee een aanzienlijke mate van nauwkeurigheid.
Het voorlopig onderzoek — kort na het ongeval — gaf aan dat cliënt niet te veel alcohol had genuttigd om deel te nemen aan het verkeer. Hij blies — zoals dat heet een code P/A — Voor ervaren bestuurders een score waarmee men verder rijden mag.
In het proces-verbaal, rijden onder invloed staat het volgende gerelateerd
(handgeschreven nummer p. 205)
Vordering voorlopig onderzoek uitgeademde lucht
Ik, [verbalisant] ([001]), heb op vrijdag 8 februari 2019 om 20.26 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek) alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.
Medewerking voorlopig onderzoek uitgeademde lucht
Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant] ([001]), hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat.
Als resultaat van deze test zag ik, [verbalisant] ([001]), dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: P/A.
Het resultaat van de ademtest werd direct aan de verdachte meegedeeld.
(ook speekseltest uitgevoerd, minder relevant)
Waarneming gedrag
Ondanks voornoemde uitslag van het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht leidden de hieronder genoemde punten, bij mij, [verbalisant] ([001]), tot de verdenking van overtreding van art. 8 WVW 1994.
- —
Ik rook dat de adem van de bestuurder naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank riekte.
- —
Ik zag dat de bestuurder bloeddoorlopen ogen had.
(…)
Bevel tot medewerking aan ademanalyse
Op vrijdag 8 februari 2019 om 20.48 uur, heb ik [verbalisant] ([001]) de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in art. 8 Wegenverkeerswet 1994.
Volgens het beschreven op p. 206 heeft dit vanaf 20.51 uur plaatsgevonden (25 minuten na de voorlopige ademanalyse). Onder normale omstandigheden — dat wil zeggen zonder aanrijding — zou cliënt allang weer thuis zijn geweest. Hij wilde immers zijn zoon omstreeks 20.00 uur ophalen. De afstand tussen de woning en het sportveld was (bij regulier rijgedrag) binnen 10 minuten te af te leggen.
De verdediging persisteert bij het standpunt dat cliënt ten onrechte is aangemerkt als verdachte voor het rijden onder invloed. Immers de controlefase leverde niet meer op dan een P/A code.
De omstandigheden die verbalisant Van der Worp noemt, die bij hem een verdenking deden ontstaan (subjectief), zijn hiervoor onvoldoende. Immers dat cliënt rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank is vrij evident met de code P/A. Immers met deze signaleringscode wordt wel alcoholgebruik geconstateerd, maar in een mate die voor een ervaren bestuurder niet strafbaar is.
De bloeddoorlopen ogen waren wellicht aanwezig (achteraf niet toetsbaar), maar deze versterken de verdenking niet of nauwelijks, daar cliënt net uit een zwaar verongelukt voertuig kwam. Met een kapotte voorruit en in werking gestelde airbags.
Het is een feit van algemene bekendheid dat stof, poeder en mogelijk zelfs glasdeeltjes vrijkomen bij een dergelijke aanrijding. Deeltjes die gemakkelijk rode ogen kunnen veroorzaken, waar deze met de ogen in contact komen. Cliënt heeft na de ademanalyse zijn mond mogen omspoelen, omdat daarin glassplinters terecht waren gekomen.
Daar komt bij dat cliënt door het ongeval en/of na de aanblik van Lars van Meer heel goed emotioneel kan zijn geraakt en/of in een stresstoestand kan hebben verkeerd. Ook deze omstandigheden vormen een aannemelijke verklaring voor de rode (bloeddoorlopen) ogen.
Emotioneel was cliënt in elk geval wel op het bureau, zoals geverbaliseerd op p. 196:
‘De verdachte maakte een geëmotioneerde indruk en was erg aangeslagen’
Niet voor niets spreekt men in het verkeersrecht van de Trias Alcoholica.
Drie omstandigheden tezamen vormen een objectief gegronde verdenking.
In de gepubliceerde Instructie handhaving rijden onder invloed van het College van P-G's — 2017100 wordt deze op p. 7 ook benoemd. Het gaat daar echter niet om bloeddoorlopen ogen, zoals in casu in het proces-verbaal.
De Trias Alcoholica betreft:
- —
Dranklucht
- —
Waggelende gang
- —
Belemmerde spraak
Zoals gezegd de P/A code van het voorlopig ademonderzoek verklaarde de alcoholgeur (inname, maar beperkt) al.
Van de andere twee genoemde aanwijzingen was geen sprake. Voor de bloeddoorlopen ogen — voor zover relevant — bestonden juist verschillende alternatieve oorzaken.
Er was derhalve geen sprake van een objectief gerechtvaardigde verdenking in dit specifieke geval. De uitslag van het voorlopig onderzoek diende te worden gerespecteerd. De ademanalyse op het politiebureau had niet mogen worden bevolen. Alle resultaten van enig onderzoek (op bevel) nadien dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Er is sprake van een ernstig vormverzuim, zoals ook door de rechtbank aangenomen. Het vormverzuim ziet enerzijds op de bevoegdheid een bevel te geven, anderzijds op de mogelijkheid te komen tot een betrouwbaar resultaat. Ook de genoemde richtlijn/ instructie is daarbij van belang. Door de verplichte wachttijd van 20 min is bij lichte overschrijdingen van de norm, eigenlijk niet goed vast te stellen of de norm ten tijde van het ongeval was overschreden. Het resultaat van de voorlopige ademanalyse is daarmee in hoge mate richtinggevend voor het nadere onderzoek op het bureau. Natuurlijk kunnen omstandigheden bestaan die objectief doen twijfelen aan de uitkomst van de voorlopige ademanalyse. Of omstandigheden die men bij afwezigheid van een werkend apparaat daarvoor in de plaats kan stellen. Op grond van de Trias Alcoholica is dan een nader onderzoek rechtmatig. De Trias Alcoholica was in casu echter niet aan de orde/ vervuld.
Anders dan de officier in de appelschriftuur kennelijk aanneemt, staat allerminst vast dat ten tijde van het ongeval sprake was een toestand als genoemd in art. 8 WVW.
Voor het verkeersstrafrecht is het ontstaan van de een redelijke verdenking in de zin van art. 27 Sv — ook langs de meetlat van art. 359a Sv — van eminent belang. Immers strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien (art. 1 Sv en art. 6 EVRM). Het geven van een bevel tot medewerking aan het onderzoek aan de uitgeademde lucht zonder de bevoegdheid daartoe, vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde in het algemeen en op de individuele belangen van de burger in het bijzonder. Die burger was in casu mijn cliënt. Hij mocht erop vertrouwen dat hij zou worden gevrijwaard van onderzoeksmethoden indien niet aan de daarvoor geldende wettelijke eisen werd voldaan. De ademanalyse vormt een aanmerkelijke inbreuk op de lichamelijke integriteit en daarmee een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM).
De rechtbank concludeert:
‘De rechtbank concludeert dat bij de vordering tot medewerking aan de ademanalyse het strikte stelsel van waarborgen waarmee de ademanalyse is omgeven niet is nageleefd. Het enkele feit dat de verbalisant bij verdachte een dranklucht rook, was onvoldoende om hem — nadat het voorlopig ademonderzoek een uitslag ‘P/A’ had opgeleverd — aan een ademanalyse te onderwerpen. Er is dus geen sprake geweest van ‘een onderzoek’ in de zin van art. 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De resultaten van de ademanalyse worden uitgesloten van het bewijs.’
Er valt weinig tot niets af te dingen op de door de rechtbank gekozen oplossing. Het resultaat van een bevolen — strafvorderlijke — ademanalyse in het kader van de Wegenverkeerswet, zonder dat sprake is van een verdenking (redelijk vermoeden van schuld) kan niet voor het bewijs worden gebruikt. Er lijkt bovendien te zijn gedreigd met strafvervolging bij weigering of tegenwerking (p. 206).
In de zin van art. 6 EVRM jo. 359a Sv zou zelfs sprake kunnen zijn van een niet-ontvankelijk OM, omdat ‘welbewust of met grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte inbreuk werd gemaakt op zijn recht op een eerlijk proces’. Met grote negatieve gevolgen.
Denkt u daarbij maar aan de nabestaanden (zie e-mail 14 januari 2021). Zij nemen het cliënt zeer kwalijk dat ‘hij met drank op reed’
Het (strafrechtelijk relevant) rijden onder invloed (ten tijde van het ongeval) kan niet worden bewezen.
Cliënt dient hiervan te worden vrijgesproken.
Feit 1 primair
Dit dient tevens gevolgen te hebben voor de beoordeling van feit 1.
(primair) van de tenlastelegging.
De verdediging verzoekt ook uw hof cliënt vrij te spreken van de onderdelen van de tenlastelegging:
‘onder invloed van alcohol’
‘althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank.’
en
‘terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in art. 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994’
Deze termen zijn in de tenlastelegging genoemd en komen derhalve in aanmerking om te worden bewezen (of juist niet). Bij bewezenverklaring zouden zij kwalificerend zijn op de bestanddelen van het verkeersdelict.
Anders dan de officier aangeeft in zijn appelschriftuur liggen de normen (met betrekking tot het alcoholgebruik in het verkeer) naar het standpunt van de verdediging vast.
Art. 8
(…)
- 2.
na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat
- a.
het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel (…)
In de huidige aangescherpte norm van art. 5a lid 2 WVW waar het de gevaarzetting betreft wordt uitdrukkelijk gesproken van:
‘De mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in art. 8 eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid’
Bij cliënt kan rechtens niet worden gesproken van de situatie dat hij ten tijde van de aanrijding verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank in een mate waarbij de wettelijke norm was overschreden.
Dan kan ook niet worden gesproken van ‘onder invloed’ of van ‘een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank’.
Het onderscheid dat de officier tracht te forceren in de appelschriftuur kan niet worden gemaakt.’
In het arrest worden de verweren verworpen met onder meer de volgende afrondende overweging:
‘Naar het oordeel van het hof hebben de verbalisanten, gelet op de omstandigheden van de situatie, waaronder het feit dat er aanwijzingen waren dat de verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt, de geur van alcoholgebruik bij verdachte en zijn bloeddoorlopen ogen, tot de conclusie kunnen komen dat er jegens verdachte een verdenking was gerezen ter zake van rijden onder invloed. Dat verdachte bij een voorlopig ademonderzoek een indicatie P/A blies doet daar niets aan af. Van enigerlei vormverzuim, laat staan enige schending van een strikte waarborg, is derhalve geen sprake. Het hof verwerpt daarom het verweer van de raadsman.’
Wat opvalt is dat het hof hier de volgende omstandigheid inlast, welke door de voorzitter kort na aanvang van het pleidooi (voor het eerst) naar voren werd gebracht.
‘waaronder het feit dat er aanwijzingen waren dat de verdachte een fietser niet of te laat had opgemerkt’
In het proces-verbaal leidende tot de ademanalyse komt dat element niet voor. Het element behoort — haast vanzelfsprekend — ook niet tot de zogenaamde ‘Trias Alcoholica’. De volgorde was nu juist dat het voorlopig ademonderzoek plaatsvond na de aanrijding, waarbij glassplinters in de mond van verdachte terecht waren gekomen en de airbag was opengeklapt. Op dat moment was geen sprake van een te hoge alcoholwaarde in de uitgeademde lucht. Wel werd requirant toenemend emotioneel. De bloeddoorlopen ogen konden op dat moment derhalve op verschillende wijzen worden verklaard. Van onvastheid ter been (wel behorende tot de Trias Alcoholica) of het spreken met dubbele tong door requirant (ook behorende tot de criteria van de Trias Alcoholica) heeft niemand het.
De landelijk en dagelijks gehanteerde Instructie is er niet voor niets. En de omstandigheid dat de verbalisant alcohol rook, liet zich goed verenigen met de P/A melding van het apparaat.
Die criteria dienen bovendien een algemeen belang. Voorkomen moet worden dat deelnemers aan het verkeer met hooikoortsklachten in het seizoen regelmatig mee moeten naar het bureau om te blazen. Vanwege de ontstane irritatie van de ogen. En wat te denken van verkeersdeelnemers waarvan operatief een stuk van de tong werd verwijderd of die met evenwichtsproblemen. De kracht van de Trias Alcoholica schuilt in de som van de kenmerken, al blijft het voorlopig ademanalyseapparaat meer betrouwbaar in het gebruik.
Het gerechtshof onderkent naar het standpunt van requirant onvoldoende het belang van een redelijke verdenking bij de inzet van het dwangmiddel ademanalyseonderzoek als genoemd in art. 163, eerste lid van de Wegenverkeerswet en de bijbehorende Instructie. Eén van de voornaamste waarborgen tegen inbreuken op de persoonlijke vrijheid en levenssfeer is die genoemd in art. 27 Sv in relatie tot art. 1 Sv. Dat geldt ook in het Verkeersstrafrecht. Door de hiervoor geldende regels te negeren en achteraf de subjectieve verdenking van de verbalisant te objectiveren, werd tevens in ernstige mate afbreuk gedaan aan requirants recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Middel II
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid met zich brengt. In het bijzonder werd art. 6 EVRM en werden de artt. 350 jo 359, tweede en derde lid Sv jo. 415 Sv geschonden. De gebezigde bewijsmiddelen zijn onvoldoende redengevend voor bewezenverklaring van het wezenlijk onderdeel ‘aan zijn schuld te wijten’ als onder 1. ten laste gelegd. Ook werd het daartoe gevoerde verweer op onjuiste of onvoldoende gronden, althans niet op zonder meer begrijpelijke wijze verworpen. De berekende snelheid waarmee requirant zou hebben gereden is voor het bewijs van zijn schuld aan het ongeval onvoldoende.
Toelichting
Tijdens de behandeling in hoger beroep voerde de verdediging het volgende aan:
‘Ten aanzien van het onderdeel ‘Aan zijn schuld te wijten’:
Voor de tenlastelegging op grond van de art. 6 WVW geldt dat het ongeluk aan ‘zijn schuld te wijten moet zijn’, in de zin van zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag dat tot het ongeluk moet hebben geleid.
De Hoge Raad geeft onder meer in de arresten (ECLI:NL:HR:2004: AO5822, NJ 2005/252 en ECLI:NL:HR:2019:151) aan dat:
‘het daarbij aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.’
Cliënt weet zelf niet of hij schuld heeft aan het ongeval. Hij heeft Lars van Meer — gezeten op diens fiets — voorafgaand aan de klap helemaal niet gezien. In het dossier leest cliënt de berekening van de beweerdelijk door hem gereden snelheid. Hij acht onaannemelijk dat hij met die snelheid heeft gereden. Cliënt geeft aan — doorgaans — niet graag te hard te rijden, hij geeft er de voorkeur aan zo zuinig mogelijk te rijden.’
Nu het gerechtshof meer dan alleen de gereden snelheid in de beoordeling betrekt (bovenmatig alcoholgebruik) wordt niet duidelijk hoe het hof deze overschrijding van de toegestane snelheid — op zichzelf beschouwd — beoordeeld in het licht van de schuldvraag en het ernstige gevolg van de aanrijding.
Met de gekozen bewijsmiddelen waarnaar het hof in de motivering verwijst wordt het niet veel duidelijker. Zo neemt het hof bewijsmiddel 3. op. Daarin staat onder meer verwoord:
‘Gezien vanuit de rijrichting van de fietser, naderde op dat moment van links de bestuurder van de personenauto. De fietser verleende geen voorrang aan de voor hem van links komende bestuurder van de personenauto. Daarop kwamen de personenauto en de fietser met elkaar in botsing’
(…)
‘Het zicht op elkaar werd belemmerd door struikgewas’
En in bewijsmiddel 6.
‘Ter hoogte van de T-aansluiting van de Eendrachtstraat met de Europaweg stak de fietser over, deze diende de Ford voorrang te verlenen.’
De gereden snelheid krijgt vermoedelijk een andere plaats in de weging wanneer de factor alcohol vervalt of aan gewicht verliest gelet op hetgeen Uw Raad overwoog in de aangehaalde arresten, ECLI:NL:HR:2004: AO5822, NJ 2005/252 en ECLI:NL:HR:2019:151.
Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
Requirant verzoekt Uw Raad het arrest te vernietigen en te verwijzen naar een ander hof om aldaar opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Ondergetekende verklaart hierbij bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant deze schriftuur te ondertekenen en in te dienen.
Den Haag, 23 februari 2023
J.Y. Taekema