Hof Den Haag, 27-06-2023, nr. 22-001873-20
ECLI:NL:GHDHA:2023:1213
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
27-06-2023
- Zaaknummer
22-001873-20
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2023:1213, Uitspraak, Hof Den Haag, 27‑06‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:70
Uitspraak 27‑06‑2023
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanwezig hebben van twee stoffen lijst 1 in vereniging en voorhanden hebben van wapen cat III onder 1 en voorhanden hebben van munitie cat II en III. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-001873-20
Parketnummer: 10-750284-19
Datum uitspraak: 27 juni 2023
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 juli 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Hierbij is tevens de schorsing van de voorlopige hechtenis in stand gehouden.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
Hij, op of omstreeks 3 juli 2019, in een pand aan de [adres] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 478 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 4.013,9 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
Hij in of omstreeks periode van 3 juli 2019 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroine, zijnde cocaïne en/of heroine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
-de woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam gebruikt en/of beschikbaar gesteld (gekregen), en/of
- versnijdingsmiddelen, te weten 472,4 gram paracetamol voorhanden gehad, en/of
- een of meerdere teiltjes en/of onderdelen van een drukpers en/of een krik en/of een pers voorhanden gehad;
3.
Hij, op of omstreeks 3 juli 2019, in een pand aan de [adres] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
een of meerdere vuurwapens als bedoeld in de zin van artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten (een) vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet,
- van het merk/type Glock 19 Gen 4, 9mm, voorzien van serienummer [serienummer 1] ,
en/of
- van het merk/type Fn Gp 35 (High Power), 9mm, voorzien van serienummer [serienummer 2] ,
en/of
een wapen als bedoeld in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II, onder 3 en/of 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet,
- van het merk/type Zastava M70 Bi, 7.62 x 39mm, voorzien van serienummer [serienummer 3] ,
voorhanden heeft gehad;
4.
Hij, op of omstreeks 3 juli 2019, in een pand aan de [adres] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2 van die wet van Categorie III, te weten:
- negen, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm, van het merk Gfl, en/of
- vijftien, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm, en/of
- eenennegentig, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 7.62 x 39mm,
voorhanden heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, en dat de verdachte - aldus opnieuw rechtdoende - zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, en met opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewijsoverweging
Verweer
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat niet bewezen is dat de verdachte (samen met anderen) harddrugs aanwezig heeft gehad en wapens en munitie voorhanden heeft gehad.
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader
Wat betreft het ‘voorhanden hebben’ van wapens en munitie geldt het volgende beoordelingskader.
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had.
De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).
Voorts vergt het voorhanden hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, Wet wapens en munitie. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.
Ten aanzien van het ‘aanwezig hebben’ van verdovende middelen, hetgeen grotendeels overeenkomt met de uitleg van het begrip ‘voorhanden hebben’, wordt het volgende vooropgesteld.
Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder C, en artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945).
In de onderhavige zaak is (impliciet primair) het misdrijf tenlastegelegd, zodat moet worden vastgesteld of de verdachte opzet had op het aanwezig hebben van de verdovende middelen.
Vaststellingen
Op 3 juli 2019 omstreeks 06:00 uur heeft de politie ter aanhouding van de bewoner een woning aan de [adres] te Rotterdam betreden. De bewoner bleek niet in het pand aanwezig te zijn. Wel werden vier andere personen aangetroffen, waaronder - in de woonkamer - de verdachte.
In diezelfde woonkamer zag de politie vrijwel direct na binnenkomst een automatisch vuurwapen tegen een bank staan, drie gevulde patroonhouders en een vuurwapen op een bank liggen, op een tafel meerdere kommen met daarin (zo bleek later) verdovende middelen en zeven staan en ook elders in de woonkamer meerdere hoeveelheden (zo bleek later) verdovende middelen liggen. Bij de daaropvolgende doorzoeking van de woning werd nog een derde vuurwapen aangetroffen. In totaal bleek bijna een halve kilo cocaïne en ruim vier kilo heroïne in de woonkamer te liggen.
Uit het samenstel van de in de woning aangetroffen goederen leidt het hof af dat de woning werd gebruikt als "versnijdingpand", zijnde een woning waar drugs worden bewaard en bewerkt om voor (weder)verkoop geschikt te maken. Aannemelijk is dat met het oog op de bescherming daarvan de grote hoeveelheid wapens en munitie aanwezig was.
De verdachte was ten tijde van de inval door de politie aanwezig in het pand, waar duidelijk zichtbaar vuurwapens en verdovende middelen aanwezig waren. Hij is na binnenkomst van de politie via het raam gevlucht en even later aangehouden. De verdachte heeft verklaard dat hij in de woonkamer emmers en allemaal rotzooi zag liggen, waarvan hij gelijk wist dat het geen heldere zaak was. Hij dacht drugs te zien.
De verdachte heeft gesteld dat hij slechts sinds enkele minuten vóór de inval van de politie in het pand aanwezig was. Het hof acht dat scenario niet aannemelijk. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat medeverdachte [medeverdachte] bij de politie heeft verklaard dat zij (al die tijd) met z’n vieren (en dus inclusief de verdachte) in het pand aanwezig waren. Zij heeft bij de politie niet verklaard dat de verdachte pas net binnenkwam in het pand. Ook heeft het hof in dit kader acht geslagen op de omstandigheid dat persoonlijke eigendommen van de verdachte, zoals zijn rijbewijs en bankpas, op de tafel in de woonkamer lagen (waar ook de drugs zijn aangetroffen). Het aldus neerleggen van dergelijke voorwerpen past niet bij een vluchtig bezoek. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte langere tijd in het versnijdingspand aanwezig was, zonder precies te kunnen vaststellen hoe lang.
De ex-partner van de broer van de verdachte heeft bovendien verklaard dat de verdachte zich bezig houdt met het versnijden van drugs. Dit sluit naadloos aan bij zijn aanwezigheid in het betreffende versnijdingspand.
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie en van de verdovende middelen. Ook had de verdachte feitelijke macht over die drugs en wapens en munitie, in de zin dat hij daarover kon beschikken. Daarbij is van belang dat zijn persoonlijke eigendommen op een tafel met daarop ook de drugs zijn aangetroffen en dat die wapens en drugs zich in zijn directe nabijheid bevonden, terwijl hij daar langere tijd aanwezig was. De verdachte had in die zin alle kans om redelijkerwijs afstand te nemen van de betreffende drugs en wapens, maar dat heeft hij niet gedaan. Hij was al langere tijd in het versnijdingspand op het moment dat de politie kwam, waarvoor hij vluchtte.
De verdachte heeft samen met anderen de drugs opzettelijk aanwezig gehad en de wapens en munitie voorhanden gehad. Het verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
Hij, op of omstreeks 3 juli 2019, in een pand aan de [adres] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 478 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 4.013,9 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne, een middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
Hij in of omstreeks periode van op 3 juli 2019 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, en/of verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
-de woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam gebruikt en/of beschikbaar gesteld (gekregen), en/of
- versnijdingsmiddelen, te weten 472,4 gram paracetamol voorhanden gehad, en/of
- een of meerdere teiltjes en/of onderdelen van een drukpers en/of een krik en/of een pers voorhanden gehad;
3.
Hij, op of omstreeks 3 juli 2019, in een pand aan de [adres] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
een of meerdere vuurwapens als bedoeld in de zin van artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten (een) vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet,
- van het merk/type Glock 19 Gen 4, 9mm, voorzien van serienummer [serienummer 1] ,
en/of
- van het merk/type Fn Gp 35 (High Power), 9mm, voorzien van serienummer [serienummer 2] ,
en/of
een wapen als bedoeld in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II, onder 3 en/of 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet,
- van het merk/type Zastava M70 Bi, 7.62 x 39mm, voorzien van serienummer [serienummer 3] ,
voorhanden heeft gehad;
4.
Hij, op of omstreeks 3 juli 2019, in een pand aan de [adres] te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2 van die wet van Categorie III, te weten:
- negen, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm, van het merk Gfl, en/of
- vijftien, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm, en/of
- eenennegentig, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 7.62 x 39mm,
voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft samen met anderen in een pand in Rotterdam harddrugs aanwezig gehad, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen in hetzelfde pand vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Gelet op de omstandigheden waaronder dit alles is aangetroffen is het hof van oordeel dat het er alle schijn van heeft dat de verdachte in het pand aanwezig was om (versnijdings)handelingen met de aangetroffen harddrugs te verrichten.
Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin. Wapenbezit verdient bestraffing, nu dat onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich mee brengt, temeer aangezien vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van andere strafbare feiten.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, zij het lang geleden, - in 2010 - onherroepelijk is veroordeeld terzake de Opiumwet.
Het hof heeft acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten wat betreft het aanwezig hebben van harddrugs en het voorhanden hebben van wapens.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Het hof heeft evenwel in aanvulling hierop geconstateerd dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, met circa 11 maanden is overschreden in de procesfase die is gelegen tussen het instellen van het hoger beroep op
23 juli 2020 en het wijzen van het onderhavige arrest op 27 juni 2023.
Daarom zal het hof de hiervoor overwogen straf matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 (eenendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,
mr. J.W. van den Hurk en mr. W.S. Korteling, in bijzijn van de griffier mr. C.M. Jellema.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 juni 2023.
Mr. J.W. van den Hurk en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.