Procestaal: Engels.
HvJ EU, 08-11-2016, nr. C-41/15
ECLI:EU:C:2016:836
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
08-11-2016
- Magistraten
K. Lenaerts, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič, T. von Danwitz, J. Malenovský, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader, M. Safjan, C.G. Fernlund, C. Vajda, S. Rodin
- Zaaknummer
C-41/15
- Roepnaam
Dowling e.a.
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2016:836, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑11‑2016
ECLI:EU:C:2016:473, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 22‑06‑2016
Uitspraak 08‑11‑2016
K. Lenaerts, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič, T. von Danwitz, J. Malenovský, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader, M. Safjan, C.G. Fernlund, C. Vajda, S. Rodin
Partij(en)
In zaak C-41/15,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (gerechtshof, Ierland) bij beslissing van 2 december 2014, ingekomen bij het Hof op 2 februari 2015, in de procedure
Gerard Dowling,
Padraig McManus,
Piotr Skoczylas,
Scotchstone Capital Fund Limited
tegen
Minister for Finance,
in tegenwoordigheid van:
Permanent TSB Group Holdings plc, voorheen Irish Life and Permanent Group Holdings plc,
Permanent TSB plc, voorheen Irish Life and Permanent plc,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano, vicepresident, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič en T. von Danwitz (rapporteur), kamerpresidenten, J. Malenovský, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader, M. Safjan, C. G. Fernlund, C. Vajda en S. Rodin, rechters,
advocaat-generaal: N. Wahl,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 april 2016,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Gerard Dowling, optredend voor zichzelf en vertegenwoordigd door G. Rudden, solicitor, en N. Travers, SC,
- —
Padraig McManus, optredend voor zichzelf en vertegenwoordigd door G. Rudden, solicitor, en N. Travers, SC,
- —
Piotr Skoczylas, optredend voor zichzelf,
- —
Scotchstone Capital Fund Limited, vertegenwoordigd door S. O'Donnell en J. Flynn, solicitors,
- —
Permanent TSB Group Holdings plc, voorheen Irish Life and Permanent Group Holdings plc, en Permanent TSB plc, voorheen Irish Life and Permanent plc, vertegenwoordigd door C. MacCarthy en A. Walsh, solicitors, P. Gallagher, SC, en C. Geoghegan, barrister,
- —
Ierland, vertegenwoordigd door A. Joyce, L. Williams en E. Creedon als gemachtigden, bijgestaan door A. O'Neill, BL, en E. McCullough, SC,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
- —
de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door E. Zachariadou en D. Kalli als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.-P. Keppenne, H. Støvlbæk, L. Flynn en A. Steiblytė als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 juni 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 8, 25 en 29 van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel [54, tweede alinea, VWEU], om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1977, L 26, blz. 1) (hierna: ‘Tweede richtlijn’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Gerard Dowling, Padraig McManus, Piotr Skoczylas en Scotchstone Capital Fund Limited (hierna: ‘Scotchstone’) en anderzijds de Minister for Finance (Ierse minister van Financiën; hierna: ‘minister’), waarin de nietigverklaring wordt gevorderd van het rechterlijk bevel dat de High Court (gerechtshof, Ierland) op 26 juli 2011 heeft uitgevaardigd ten aanzien van een onderneming waarvan verzoekers in het hoofdgeding de leden en aandeelhouders zijn en waarbij de betrokken onderneming is gelast om haar kapitaal te verhogen en om ten gunste van de minister nieuwe aandelen uit te geven tegen een lager bedrag dan hun nominale waarde (hierna: ‘rechterlijk bevel’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Tweede richtlijn
3
De tweede overweging van de Tweede richtlijn luidt:
‘Overwegende dat het voor een gelijkwaardige bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers van deze vennootschappen van bijzonder belang is de nationale wettelijke bepalingen inzake de oprichting van naamloze vennootschappen en de instandhouding, de verhoging en de vermindering van hun kapitaal te coördineren’.
4
Artikel 8, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘Aandelen kunnen niet worden uitgegeven tegen een lager bedrag dan de nominale waarde, of, bij gebreke van een nominale waarde, dan de fractiewaarde.’
5
Artikel 25 van deze richtlijn luidt als volgt:
- ‘1.
Elke kapitaalverhoging vindt plaats krachtens een besluit van de algemene vergadering. Dit besluit alsmede de uitvoering van de verhoging van het geplaatste kapitaal moeten […] openbaar worden gemaakt […].
- 2.
De statuten, de oprichtingsakte of de algemene vergadering waarvan het besluit overeenkomstig lid 1 openbaar moet worden gemaakt, kunnen evenwel een verhoging van het geplaatste kapitaal toestaan tot een maximumbedrag dat zij vaststellen, waarbij een eventueel door de wet voorgeschreven maximum in acht moet worden genomen. Binnen de grenzen van het vastgestelde bedrag besluit het daartoe bevoegde orgaan van de vennootschap dan eventueel tot verhoging van het geplaatste kapitaal. Het orgaan heeft deze bevoegdheid gedurende ten hoogste vijf jaar; deze bevoegdheid kan door de algemene vergadering telkens voor ten hoogste vijf jaar worden verlengd.
- 3.
Indien er verschillende soorten aandelen zijn, is naast het in lid 1 bedoelde besluit van de algemene vergadering betreffende de kapitaalverhoging of de in lid 2 bedoelde toestemming tot kapitaalverhoging een afzonderlijke stemming vereist althans van elke groep van houders van aandelen van eenzelfde soort aan wier rechten de verhoging afbreuk doet.
- 4.
Dit artikel is van toepassing op de uitgifte van alle effecten die in aandelen converteerbaar zijn, of waaraan een voorkeurrecht op aandelen is verbonden, maar niet op de omwisseling van deze effecten en evenmin op de uitoefening van het voorkeurrecht.’
6
Artikel 29 van de Tweede richtlijn luidt:
- ‘1.
Bij elke verhoging van het geplaatste kapitaal tegen inbreng in geld, worden de aandelen eerst aangeboden aan de aandeelhouders naar evenredigheid van het deel van het kapitaal dat hun aandelen vertegenwoordigen.
[…]
- 4.
Het voorkeurrecht kan niet bij de statuten of de oprichtingsakte worden beperkt of opgeheven. Dat kan wel geschieden bij besluit van de algemene vergadering. Het bestuurs- of leidinggevend orgaan moet aan de algemene vergadering in een schriftelijk verslag de redenen voor de beperking of de opheffing van het voorkeurrecht vermelden en de voorgestelde koers van uitgifte verantwoorden. De algemene vergadering neemt een besluit overeenkomstig de voorschriften inzake quorum en meerderheid van artikel 40. Haar besluit wordt openbaar gemaakt […].
- 5.
De wetgeving van een lidstaat kan bepalen dat in de statuten of de oprichtingsakte, of bij besluit van de algemene vergadering, genomen overeenkomstig de in lid 4 bedoelde voorschriften inzake quorum, meerderheid en openbaarheid, aan het orgaan van de vennootschap dat bevoegd is om te besluiten tot verhoging van het geplaatste kapitaal binnen de grenzen van het maatschappelijk kapitaal, de bevoegdheid kan worden gedelegeerd om dit voorkeurrecht te beperken of op te heffen. De geldigheidsduur van deze bevoegdheid mag niet langer zijn dan die van de in artikel 25, lid 2, bedoelde bevoegdheid.
- 6.
De leden 1 tot en met 5 zijn van toepassing op de uitgifte van alle effecten die in aandelen converteerbaar zijn, of waaraan een voorkeurrecht op aandelen is verbonden, maar niet op de omwisseling van deze effecten en evenmin op de uitoefening van het voorkeurrecht.’
Richtlijn 2001/24/EG
7
Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB 2001, L 125, blz. 15) beoogt, zoals uit overweging 6 ervan blijkt, de wederzijdse erkenning door de lidstaten van de maatregelen die elke lidstaat treft om de kredietinstellingen waaraan hij een vergunning heeft verleend weer levensvatbaar te maken. Daartoe bepalen de artikelen 3, 9 en 10 van deze richtlijn dat de door de autoriteiten van de lidstaat van herkomst genomen sanerings- en liquidatiemaatregelen in beginsel ook in alle andere lidstaten de effecten sorteren die het recht van deze lidstaat eraan toekent.
Verordening (EU) nr. 407/2010
8
Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad van 11 mei 2010 houdende instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme (PB 2010, L 118, blz. 1) is aangenomen op grond van artikel 122, lid 2, VWEU. De overwegingen 4 en 5 van deze verordening luiden:
- ‘(4)
De verdieping van de financiële crisis heeft ertoe geleid dat de leningsvoorwaarden van diverse lidstaten erger zijn verslechterd dan door de fundamentele economische parameters te verklaren valt. Thans is het punt bereikt dat als deze situatie niet dringend wordt aangepakt, zij een ernstige bedreiging kan vormen voor de financiële stabiliteit van de Europese Unie als geheel.
- (5)
Om het hoofd te bieden aan deze buitengewone situatie die de lidstaten niet kunnen beheersen, is het noodzakelijk onmiddellijk een uniaal stabilisatiemechanisme in te stellen om de financiële stabiliteit in de Europese Unie te vrijwaren. Een dergelijk mechanisme zou de Unie in staat moeten stellen op gecoördineerde, snelle en doeltreffende wijze op acute moeilijkheden in een specifieke lidstaat te reageren. De activering ervan zal plaatsvinden in de context van de gezamenlijke steun van de Europese Unie en het Internationaal Monetair Fonds.’
9
Artikel 1 van deze verordening luidt als volgt:
‘Teneinde de financiële stabiliteit van de Europese Unie in stand te houden, worden in deze verordening de voorwaarden en procedures vastgesteld volgens welke financiële bijstand van de Unie kan worden verleend aan een lidstaat die zich voor een feitelijke of ernstig dreigende serieuze economische of financiële verstoring gesteld ziet die wordt veroorzaakt door buitengewone gebeurtenissen die deze lidstaat niet kan beheersen; hierbij wordt rekening gehouden met de eventuele toepassing van het bestaande mechanisme dat bij verordening (EG) nr. 332/2002 [van de Raad van 18 februari 2002 houdende instelling van een mechanisme voor financiële ondersteuning op middellange termijn van de betalingsbalansen van de lidstaten (PB 2002, L 53, blz. 1)] is ingesteld en dat dient voor de verlening van financiële bijstand op middellange termijn ten behoeve van de betalingsbalans van lidstaten die geen deel uitmaken van het eurogebied.’
10
Artikel 3 van verordening nr. 407/2010 bepaalt:
- ‘1.
De lidstaat die om financiële bijstand van de Unie verzoekt, bespreekt met de Commissie, in contact met de Europese Centrale Bank (ECB), een evaluatie van zijn financiële behoeften en legt aan de Commissie en het Economisch en Financieel Comité een ontwerp van een economisch en financieel aanpassingsprogramma over.
- 2.
De financiële bijstand van de Unie wordt verleend bij een besluit dat wordt vastgesteld door de Raad, handelend met gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie.
- 3.
Het besluit tot toekenning van een lening bevat de volgende elementen:
- a)
het bedrag, de gemiddelde looptijd, de prijsbepalingsformule, het maximumaantal tranches, de beschikbaarheidsperiode van de financiële bijstand van de Unie en de overige gedetailleerde regels die voor de tenuitvoerlegging van de bijstand zijn vereist;
- b)
de algemene economische beleidsvoorwaarden die aan de financiële bijstand van de Unie verbonden zijn en waarmee wordt beoogd wederom een gezonde economische of financiële situatie in de begunstigde lidstaat tot stand te brengen en zijn vermogen te herstellen om zichzelf op de financiële markten te financieren; deze voorwaarden zullen door de Commissie in overleg met de ECB worden bepaald; en
- c)
de goedkeuring van het aanpassingsprogramma dat door de begunstigde lidstaat is opgesteld om te voldoen aan de economische voorwaarden die aan de financiële bijstand van de Unie zijn verbonden.
[…]
- 5.
De Commissie en de begunstigde lidstaat sluiten een memorandum van overeenstemming waarin de door de Raad gestelde algemene economische beleidsvoorwaarden worden gepreciseerd. De Commissie deelt het memorandum van overeenstemming mee aan het Europees Parlement en de Raad.’
Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU
11
Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU van de Raad van 7 december 2010 tot verlening van financiële bijstand van de Unie aan Ierland (PB 2011, L 30, blz. 34), zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit 2011/326/EU van de Raad van 30 mei 2011 (PB 2011, L 147, blz. 17) (hierna: ‘uitvoeringsbesluit 2011/77’), is aangenomen op grond van met name artikel 3, lid 3, van verordening nr. 407/2010. In de overwegingen 1 tot en met 3 van dit besluit heet het:
- ‘(1)
Ierland is onlangs onder steeds grotere druk komen te staan op de financiële markten als gevolg van de toenemende bezorgdheid over de houdbaarheid van de Ierse overheidsfinanciën in het licht van de aanzienlijke maatregelen die de overheid heeft genomen om de verzwakte financiële sector te ondersteunen. Wegens zijn buitensporige blootstelling aan vastgoed- en bouwprojecten heeft het binnenlandse bankstelsel grote verliezen geleden in de nasleep van de ineenstorting van die sectoren. De heersende crisis in de economische en bancaire sector heeft ook dramatische gevolgen gehad voor de Ierse overheidsfinanciën, hetgeen het effect van de recessie nog heeft verergerd. […] De maatregelen ter ondersteuning van de banksector omvatten aanzienlijke kapitaalinjecties en hebben in ruime mate tot de verslechtering van de overheidsfinanciën bijgedragen. Momenteel maakt de markt zich vooral zorgen over het feit dat de solvabiliteit van de Ierse overheid en die van het bankstelsel tijdens de crisis onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn geraakt; dit heeft geleid tot een forse stijging van het rendement van de Ierse overheidsobligaties, terwijl het binnenlandse bankwezen in feite geen toegang meer heeft tot internationale marktfinanciering.
- (2)
In het licht van deze ernstige economische en financiële verstoringen als gevolg van buitengewone gebeurtenissen die de overheid niet kan beheersen, hebben de Ierse autoriteiten op 21 november 2010 officieel om financiële bijstand van de Europese Unie, de lidstaten die de euro als munt hebben en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) verzocht om de economie wederom op een duurzaam groeipad te helpen brengen, ervoor te zorgen dat het bankstelsel weer naar behoren functioneert, en de financiële stabiliteit in de Unie en de eurozone te vrijwaren. Op 28 november 2010 is op technisch niveau overeenstemming bereikt over een veelomvattend beleidspakket voor de periode 2010–2013.
- (3)
Met het ontwerp van economisch en financieel aanpassingsprogramma […] dat bij de Raad en de Commissie is ingediend, wordt beoogd het vertrouwen op de financiële markten in de Ierse banksector en de overheid te herstellen, zodat de economie wederom op een duurzaam groeipad terechtkomt. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, voorziet het programma in een drieledige strategie. Ten eerste wordt er een strategie voor de financiële sector uitgestippeld, waarbij onder meer een ingrijpende afslanking, afbouw van de schuldhefboom en reorganisatie van de banksector wordt nagestreefd, aangevuld met een passende herkapitalisatie. […]’
12
Artikel 1 van dit besluit luidt:
- ‘1.
De Unie stelt Ierland een lening van maximaal 22,5 miljard EUR met een maximale gemiddelde looptijd van 7,5 jaar ter beschikking.
[…]
- 4.
De vrijgave van de eerste tranche hangt af van de inwerkingtreding van de leningsovereenkomst en het [memorandum van overeenstemming betreffende specifieke economische voorwaarden dat de Commissie met Ierland heeft afgesloten]. De vrijgave van de volgende tranches wordt afhankelijk gesteld van een gunstige driemaandelijkse beoordeling door de Commissie, in overleg met de [Europese Centrale Bank (ECB)], van Ierlands naleving van de in dit besluit en het memorandum van overeenstemming opgenomen algemene economische beleidsvoorwaarden.’
13
Artikel 3 van uitvoeringsbesluit 2011/77 luidt als volgt:
- ‘1.
Het door de Ierse autoriteiten opgestelde economische en financiële aanpassingsprogramma […] wordt hierbij goedgekeurd.
- 2.
Elke volgende tranche wordt alleen uitgekeerd bij een bevredigende tenuitvoerlegging van het programma dat dient te worden opgenomen in het stabiliteitsprogramma van Ierland, het nationale hervormingsprogramma, en meer in het bijzonder van de concrete economische beleidsvoorwaarden die in het memorandum van overeenstemming zijn vastgelegd. Deze omvatten onder meer de maatregelen die in de leden 4 tot en met 9 van dit artikel worden opgesomd.
[…]
- 4.
Ierland stelt de in de leden 7 tot en met 9 beschreven maatregelen vast voordat het aangegeven jaar is verstreken, waarbij de exacte termijnen voor de jaren 2011–2013 worden gespecificeerd in het memorandum van overeenstemming. […]
- 5.
Teneinde het vertrouwen in de financiële sector te herstellen, gaat Ierland over tot een afdoende herkapitalisatie, een snelle afbouw van de schuldhefboom en een grondige herstructurering van het bankstelsel, zoals in het memorandum van overeenstemming is uiteengezet. In dit verband ontwerpt Ierland, in overleg met de Commissie, de ECB en het IMF, een strategie voor de toekomstige structuur, werking en leefbaarheid van de Ierse kredietinstellingen; in deze strategie wordt aangegeven hoe zal worden verzekerd dat deze zonder verdere staatssteun kunnen werken. […]
[…]
- 7.
In lijn met de bepalingen van het memorandum van overeenstemming, neemt Ierland de volgende maatregelen in de loop van 2011:
[…]
- g)
herkapitaliseren — uiterlijk eind juli 2011 — van de binnenlandse banken (met inachtneming van een passende correctie voor de verwachte verkoop van activa in het geval van Irish Life & Permanent) op basis van de bevindingen van de PLAR en de PCAR van 2011 [‘Prudential Liquidity Assessment Review’ of prudentiële liquiditeitsbeoordeling, respectievelijk ‘Prudential Capital Assessment Review’ of prudentiële kapitaalsbeoordeling], zoals op 31 maart 2011 bekendgemaakt door de centrale bank van Ierland;
[…]’
Iers recht
14
De Credit Institutions (Stabilisation) Act 2010 [wet van 2010 ter stabilisering van de kredietinstellingen; hierna: ‘wet van 2010’] heeft overeenkomstig Section 4 ervan met name tot doel:
- ‘a)
de ernstige en voortdurende verstoring van de economie en de financiële systemen aan te pakken, en de ernstige en voortdurende bedreiging voor de stabiliteit van bepaalde kredietinstellingen in Ierland en het financieel systeem in het algemeen weg te nemen;
- b)
de kredietinstellingen in Ierland te hervormen, teneinde te zorgen voor een stabilisering en een herstructurering van deze instellingen (overeenkomstig de staatssteunregels van de Europese Unie) in de context van het National Recovery Plan 2011-2014 [nationaal herstelplan 2011–2014] en het programma van de [Europese Unie]/het IMF voor financiële bijstand aan Ierland;
[…]’.
15
Section 7 van deze wet bepaalt:
- ‘(1)
Onder voorbehoud van de leden 2 en 4, mag de minister een ontwerp van rechterlijk bevel opstellen waarin wordt voorgesteld een bepaalde instelling te gelasten (binnen een bepaalde termijn) een bepaalde handeling of een reeks handelingen die samen een bepaald doel beogen te verrichten dan wel zich (gedurende een bepaalde periode) daarvan te onthouden, waarbij in het bijzonder — en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de algemene draagwijdte van het bovenstaande — kan worden gedacht aan een of meer van de volgende handelingen:
- (a)
onverminderd wettelijke of contractuele voorkeursrechten, […] aandelen uitgeven ten gunste van de minister of een door hem aangewezen persoon, onder voorwaarden die de minister specificeert in het ontwerp van rechterlijk bevel en in ruil voor een door de minister bepaalde tegenprestatie;
[…]
- (c)
het bedrag van het maatschappelijk kapitaal van de betrokken instelling verhogen (ook door de schepping van nieuwe aandelenklassen), om haar in staat te stellen aandelen uit te geven ten gunste van de minister of een door hem aangewezen persoon;
- (d)
de oprichtingsakte en de statuten van de betrokken instelling in een bepaalde zin wijzigen […];
[…]
- (2)
De minister mag een ontwerp van rechterlijk bevel maar opstellen indien hij, na overleg met de president [van de centrale bank], van mening is dat de uitvaardiging van een rechterlijk bevel met de door hem voorgestelde inhoud noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een bepaalde doelstelling van de onderhavige wet, die in het betrokken ontwerp wordt gespecificeerd.
[…]’
16
Section 9, leden 1 en 2, van deze wet luidt:
- ‘(1)
Zo snel mogelijk na de voltooiing van de in Section 7 bedoelde procedures in verband met het ontwerp van rechterlijk bevel zal de minister de High Court in het kader van een niet-contradictoire procedure verzoeken om een bevel (hierna: ‘rechterlijk bevel’) uit te vaardigen conform zijn ontwerp.
- (2)
Wanneer de High Court krachtens lid 1 kennis neemt van een niet-contradictoir verzoek en hij van oordeel is dat de vereisten van Section 7 zijn nageleefd en dat de in die Section bedoelde opvatting van de minister redelijk is en niet berust op een onjuiste rechtsopvatting, vaardigt hij een rechterlijk bevel uit conform het ontwerp van rechterlijk bevel […]’
17
Section 11 van de wet van 2010 bepaalt dat de betrokken instelling of een lid daarvan de High Court mag verzoeken om intrekking van het rechterlijk bevel. De High Court kan slechts tot intrekking overgaan indien hij van oordeel is dat een van de vereisten van Section 7 van deze wet niet is nageleefd of dat de in lid 2 van die Section bedoelde opvatting van de minister onredelijk is dan wel op een onjuiste rechtsopvatting berust.
18
Luidens Section 47 van de wet van 2010 kan in het rechterlijk bevel een bepaling worden opgenomen volgens welke alle bevoegdheden die de leden van de betrokken instelling op de algemene vergadering bezitten, kunnen worden uitgeoefend door de minister.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19
Permanent TSB plc, voorheen Irish Life and Permanent plc (hierna: ‘ILP’), is een kredietinstelling die actief is op het Ierse grondgebied.
20
Permanent TSB Group Holdings plc, voorheen Irish Life and Permanent Group Holdings plc (hierna: ‘ILPGH’), is een Ierse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. ILPGH is geen kredietinstelling. Tijdens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode had deze vennootschap het volledige maatschappelijke kapitaal van ILP in handen.
21
Verzoekers in het hoofdgeding zijn leden en aandeelhouders van ILPGH.
22
De financiële en economische crisis waarmee Ierland in 2008 werd geconfronteerd, heeft zware repercussies gehad op de financiële stabiliteit van de Ierse banken en van deze lidstaat. Tussen deze banken en de Ierse Staat bestond namelijk een erg sterke link als gevolg van de omvang die de banksector verhoudingsgewijs had ten opzichte van de nationale economie, alsook omdat Ierland zich tijdens dat jaar in ruime mate garant had gesteld voor de betaling van de schulden van de Ierse banken.
23
Ondanks de maatregelen die Ierland had genomen ter ondersteuning van de banksector, brokkelde het vertrouwen van de markten in de Ierse banken steeds verder af en bleef de financiële situatie van deze lidstaat verslechteren. In die omstandigheden hebben de Ierse autoriteiten een economisch en financieel aanpassingsprogramma opgesteld, waarvoor zij op 21 november 2010 met name om financiële bijstand van de Unie hebben verzocht. In dit programma heeft Ierland zich ertoe verbonden zijn banksector te herstructureren en te herkapitaliseren.
24
Bij uitvoeringsbesluit 2011/77 heeft de Raad dit programma goedgekeurd en krachtens het bij verordening nr. 407/2010 ingestelde Europese financiële stabilisatiemechanisme financiële bijstand van de Unie ter beschikking gesteld van deze lidstaat. Op 16 december 2010 heeft Ierland op grond van artikel 1, lid 4, van dit besluit een memorandum van overeenstemming gesloten met de Commissie (hierna: ‘memorandum van overeenstemming’). Overeenkomstig de verbintenissen die hij in het kader van dit memorandum is aangegaan en overeenkomstig artikel 3, leden 4, 5 en 7, onder g), van dit besluit moest deze lidstaat de nationale banken uiterlijk tegen eind juli 2011 herkapitaliseren, op basis van de resultaten van een prudentiële kapitaalsbeoordeling en een prudentiële liquiditeitsbeoordeling door de Central Bank of Ireland (Ierse centrale bank).
25
Op 31 maart 2011 heeft de Ierse centrale bank de resultaten van haar onderzoek gepubliceerd. Op basis van deze resultaten heeft de president van de Ierse centrale bank bij besluit van diezelfde dag ILP gelast om haar eigen vermogen met 4 miljard EUR te verhogen.
26
In juli 2011 heeft de minister aan de aandeelhouders van ILPGH een voorstel voorgelegd dat ertoe strekte de herkapitalisatie van ILP te vergemakkelijken door met name een kapitaalinbreng van 2,7 miljard EUR. Op 20 juli 2011 is dit voorstel verworpen op een buitengewone algemene vergadering van ILPGH, die aan de raad van bestuur van deze onderneming de opdracht heeft gegeven om te onderzoeken of er andere herkapitalisatiemogelijkheden bestonden en in dit verband te verzoeken om een verschuiving van de in uitvoeringsbesluit 2011/77 bepaalde deadline voor de herkapitalisatie.
27
Op grond van Sections 7 en 9 van de wet van 2010 heeft de minister, met het oog op de herkapitalisatie van ILP, een ontwerp van rechterlijk bevel opgesteld. Hij heeft dit ontwerp voorgelegd aan de High Court, die het rechterlijk bevel vervolgens heeft uitgevaardigd met de door de minister voorgestelde formulering, krachtens welke ILPGH — in ruil voor een kapitaalinbreng van 2,7 miljard EUR — nieuwe aandelen moest uitgeven ten gunste van de minister tegen een door hem bepaalde prijs, die 10 % lager lag dan de gemiddelde koers van 23 juni 2011. Bijgevolg heeft de minister 99,2 % van de aandelen van ILPGH verworven zonder dat de algemene aandeelhoudersvergadering van deze onderneming hierover een beslissing heeft genomen. Voorts heeft de High Court de schrapping van de beursnotering van deze aandelen in Ierland en Londen gelast.
28
Verzoekers in het hoofdgeding hebben de High Court op grond van Section 11 van de wet van 2010 verzocht om intrekking van het rechterlijk bevel. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de uit dit bevel voortvloeiende kapitaalverhoging onverenigbaar is met de artikelen 8, 25 en 29 van de Tweede richtlijn, aangezien zij is doorgevoerd zonder dat ILPGH's algemene vergadering ermee had ingestemd.
29
De minister, ILPGH en ILP hebben dit betoog verworpen op basis van richtlijn 2001/24, verordening nr. 407/2010, uitvoeringsbesluit 2011/77, de artikelen 49, 65, 107, 119, 120 en 126 VWEU en de voorschriften van titel VIII van het derde deel van dit Verdrag. Zij stellen dat deze Unierechtelijke bepalingen Ierland machtigden de nodige maatregelen te nemen om de integriteit van zijn financiële stelsel te beschermen, en dit ondanks de voorschriften van de Tweede richtlijn. Volgens hen was deze lidstaat op grond van de verplichtingen die op hem rustten krachtens titel VIII van het derde deel van het VWEU, en met name de artikelen 119 en 120 ervan, zelfs verplicht om deze maatregelen te nemen, teneinde ervoor te zorgen dat een instelling die voor deze lidstaat zelf en voor de Unie van systemisch belang was, uit de gevarenzone werd gehaald.
30
De verwijzende rechter heeft geconcludeerd dat het meest aannemelijke scenario erin bestond dat ILP, nadat het herkapitalisatievoorstel van de minister was afgewezen op de buitengewone algemene vergadering van ILPGH van 20 juli 2011, niet in staat zou zijn geweest om het benodigde extra eigen vermogen (te weten 4 miljard EUR) op te halen bij particuliere beleggers of bestaande aandeelhouders. Indien ILP niet binnen de door uitvoeringsbesluit 2011/77 gestelde termijn had kunnen worden geherkapitaliseerd, zou zij volgens de verwijzende rechter failliet zijn gegaan, dit vanwege diverse mogelijke ontwikkelingen zoals een massale opvraging van deposito's bij ILP, een verzoek om terugbetaling van de diverse obligaties of een stopzetting van de noodliquiditeitssteun in geval van een liquiditeitscrisis, dan wel een combinatie van bepaalde van deze mogelijke gebeurtenissen of zelfs al deze gebeurtenissen.
31
Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat het faillissement van ILP ertoe zou hebben geleid dat de aandelen van de aandeelhouders niets meer waard waren en dat het daarnaast ook zware gevolgen zou hebben gehad voor Ierland. In dit verband haalt hij met name de mogelijkheid aan dat massaal deposito's zouden worden opgevraagd bij de nationale banken, de daaropvolgende benutting van de door de Ierse Staat aan ILP verleende garantie, en de mogelijkheid dat de financiering die in het kader van het economisch en financieel aanpassingsprogramma aan deze staat was toegekend, geheel of ten dele zou moeten worden terugbetaald wegens niet-naleving van de voorwaarden van dit programma. Volgens de verwijzende rechter zouden deze negatieve gevolgen voor Ierland waarschijnlijk de bedreiging voor de financiële stabiliteit van andere lidstaten en van de Unie nog hebben vergroot.
32
In die omstandigheden heeft de High Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
‘Gelet op:
- (i)
de Tweede [richtlijn],
- (ii)
[…] richtlijn [2001/24],
- (iii)
de verplichtingen die op de Ierse Staat rusten krachtens het VWEU en in het bijzonder krachtens de artikelen 49, 65, 107, 120 en titel VIII van het derde deel daarvan,
- (iv)
de verplichtingen die op de Ierse Staat rusten krachtens het steunprogramma van de Europese Unie en het IMF, en
- (v)
de voorwaarden van [uitvoeringsbesluit 2011/77, dat is] vastgesteld op grond van verordening [nr. 407/2010],
- 1)
staat de Tweede [richtlijn] er in alle omstandigheden, met inbegrip van die van de onderhavige zaak, aan in de weg dat krachtens Section 9 van de [wet van 2010] een rechterlijk bevel wordt uitgevaardigd op basis van het standpunt van de minister dat dit noodzakelijk is, wanneer dit bevel tot gevolg heeft dat het kapitaal van een vennootschap zonder de toestemming van de algemene vergadering wordt verhoogd, dat zonder de toestemming van de algemene vergadering nieuwe aandelen worden uitgegeven die niet eerst aan de bestaande aandeelhouders worden aangeboden, dat de nominale waarde van de aandelen van de vennootschap zonder de toestemming van de algemene vergadering wordt verlaagd, en dat daartoe zonder de toestemming van de algemene vergadering de oprichtingsakte en de statuten van de vennootschap worden gewijzigd?
- 2)
is het rechterlijk bevel dat de High Court op grond van Section 9 van de [wet van 2010] heeft uitgevaardigd in verband met [ILPGH] en [ILP] in strijd met het Unierecht?’
Verzoeken om heropening van de mondelinge behandeling en om maatregelen van instructie
33
Nadat de advocaat-generaal conclusie had genomen, heeft Skoczylas op 25 augustus 2016 krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om heropening van de mondelinge behandeling. Bij brief, ingekomen ter griffie van het Hof op diezelfde dag, heeft Scotchstone een soortgelijk verzoek ingediend en heeft zij het Hof krachtens artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht om maatregelen van instructie te treffen.
34
Tot staving van hun verzoeken betogen deze verzoekers in het hoofdgeding in wezen dat de belanghebbenden onvoldoende hun standpunten hebben kunnen uitwisselen over het arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a. (C-526/14, EU:C:2016:570), en over de elementen die het hoofdgeding onderscheiden van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest.
35
In een brief die op 6 september 2016 is ingekomen ter griffie van het Hof, heeft Scotchstone de motivering van haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling aangevuld. In dit verband heeft zij meer bepaald het besluit van de Commissie van 30 augustus 2016 aangevoerd waarbij is vastgesteld dat de belastingvoordelen ten belope van 13 miljard EUR die Ierland van 2003 tot en met 2014 aan Apple had toegekend, niet in overeenstemming waren met de staatssteunregels van de Unie. Gelet op dat besluit is die partij van mening dat Ierland tijdens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode andere financiële middelen dan de financiële bijstand van de Unie te zijner beschikking had om de ernstige verstoring van zijn economie te verhelpen. Deze andere financiële middelen boden aan deze lidstaat de mogelijkheid om ILP in samenwerking met de algemene vergadering van ILPGH en in overeenstemming met de Tweede richtlijn te herkapitaliseren.
36
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het Hof overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
37
Krachtens artikel 64, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering stelt het Hof, de advocaat-generaal gehoord, de maatregelen van instructie die het passend acht vast bij een beschikking waarin de te bewijzen feiten zijn omschreven.
38
In casu is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om uitspraak te doen op het verzoek om een prejudiciële beslissing en dat dit verzoek niet hoeft te worden onderzocht in het licht van een argument waarover geen discussie heeft plaatsgevonden voor het Hof.
39
Derhalve moeten de verzoeken van Skoczylas en Scotchstone worden afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
40
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat het betrekking heeft op de uitlegging van artikel 8, lid 1, en de artikelen 25 en 29 van de Tweede richtlijn. Op basis van de in dit verzoek vermelde gegevens kunnen geen andere Unierechtelijke voorschriften worden geïdentificeerd die zich volgens de verwijzende rechter tegen een maatregel als het rechterlijk bevel zouden kunnen verzetten.
41
Artikel 8 van de Tweede richtlijn verbiedt dat aandelen worden uitgegeven tegen een lager bedrag dan de nominale waarde, of, bij gebreke van een nominale waarde, dan de fractiewaarde. Artikel 25 van deze richtlijn bepaalt dat elke verhoging van het kapitaal van een onderneming in beginsel plaatsvindt krachtens een besluit van de algemene vergadering van deze onderneming. Artikel 29 van deze richtlijn schrijft in wezen voor dat de aandelen bij een dergelijke kapitaalverhoging eerst worden aangeboden aan de bestaande aandeelhouders.
42
Wat het rechterlijk bevel betreft, blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat dit de uitgifte van aandelen ILPGH tegen een lager bedrag dan de nominale waarde en een verhoging van het maatschappelijk kapitaal van deze onderneming tot gevolg heeft gehad, en dat daarbij het voorkeurrecht niet in acht is genomen, dit alles zonder dat de algemene vergadering haar goedkeuring heeft gegeven. Het staat dus vast dat de in het vorige punt bedoelde vereisten in casu niet zijn nageleefd.
43
Bijgevolg moeten de twee gestelde vragen, die samen moeten worden onderzocht, aldus worden opgevat dat de verwijzende rechter daarmee in wezen wenst te vernemen of artikel 8, lid 1, en de artikelen 25 en 29 van de Tweede richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een maatregel — zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechterlijke bevel — die wordt genomen in een situatie waarin de financiële stabiliteit van de Unie wordt bedreigd door een ernstige verstoring van de economie en het financiële stelsel van een lidstaat, en die tot gevolg heeft dat het kapitaal van een naamloze vennootschap zonder goedkeuring van de algemene vergadering van die vennootschap wordt verhoogd door de uitgifte van nieuwe aandelen tegen een lager bedrag dan de nominale waarde en zonder dat aan de bestaande aandeelhouders een voorkeurrecht wordt verleend.
44
Dienaangaande volgt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat het rechterlijk bevel is uitgevaardigd in de context van de financiële en economische crisis die Ierland ertoe heeft genoopt om in 2008 aanzienlijke garanties te verlenen aan de nationale banken die door deze crisis werden geraakt, en om de Unie eind 2010 — toen de financiële situatie van deze banken bleef verslechteren en ook de financiële stabiliteit van deze lidstaat bedreigde — om financiële bijstand te verzoeken en zich in dit verband ertoe te verbinden de nationale banksector te herstructureren en te herkapitaliseren.
45
Volgens de verwijzende rechter moest de Ierse Staat in deze situatie van ernstige verstoring van de nationale economie, waarin ILP onmogelijk zelf kon overgaan tot de herkapitalisatie die met name krachtens het memorandum van overeenstemming uiterlijk tegen eind juli 2011 moest worden verricht, noodgedwongen ingrijpen teneinde te vermijden dat deze bank failliet zou gaan, hetgeen de financiële stabiliteit van deze lidstaat, maar ook van andere lidstaten en van de Unie, zou hebben bedreigd.
46
De herkapitalisatie van de nationale banken, waaronder ILP, tegen 31 juli 2011 werd ook voorgeschreven door artikel 1, lid 4, en artikel 3, leden 2, 4, 5 en 7, onder g), van uitvoeringsbesluit 2011/77, meer bepaald als voorwaarde voor de uitbetaling van financiële bijstand door de Unie aan Ierland. Deze financiële bijstand vormt overeenkomstig de overwegingen 4 en 5 van verordening nr. 407/2010 alsook artikel 1 van deze verordening — die zelf is vastgesteld op basis van artikel 122, lid 2, VWEU, dat met name tot doel heeft lidstaten in staat te stellen ‘buitengewone gebeurtenissen’ het hoofd te bieden — een noodmaatregel om de financiële stabiliteit van de Unie te bewaren.
47
In het rechterlijk bevel was bepaald dat met het oog op de herkapitalisatie van ILP het kapitaal van ILPGH diende te worden verhoogd, terwijl artikel 3, lid 7, onder g), van uitvoeringsbesluit 2011/77 bepaalde dat de nationale banken — waaronder ILP — moesten worden geherkapitaliseerd, zonder te preciseren welke middelen daartoe moesten worden gebruikt. Bijgevolg waren de Ierse autoriteiten niet verplicht om rechtstreeks kapitaal in ILP te injecteren, maar mochten zij tot deze herkapitalisatie overgaan door het kapitaal van ILPGH te verhogen.
48
Zoals uit de punten 30 en 31 hierboven volgt, is de verwijzende rechter bovendien na een afweging van de in geding zijnde belangen tot de conclusie gekomen dat er, na de beslissing van de buitengewone algemene vergadering van ILPGH van 20 juli 2011 om het herkapitalisatievoorstel van de minister te verwerpen, enkel door middel van een rechterlijk bevel voor kon worden gezorgd dat ILP binnen de in uitvoeringsbesluit 2011/77 gestelde termijn werd geherkapitaliseerd, hetgeen noodzakelijk was om te vermijden dat deze financiële instelling failliet zou gaan en dus om een ernstige bedreiging van de financiële stabiliteit van de Unie te vermijden.
49
De Tweede richtlijn beoogt, volgens de tweede overweging ervan, een gelijkwaardige minimumbescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers van naamloze vennootschappen te verzekeren. Zoals ILPGH, ILP en Ierland in hun bij het Hof ingediende opmerkingen hebben opgemerkt, garanderen de in deze richtlijn bedoelde maatregelen inzake de oprichting van naamloze vennootschappen en de instandhouding, de verhoging en de vermindering van hun kapitaal, dus een dergelijke bescherming tegen handelingen van organen van deze vennootschappen en betreffen zij derhalve hun normale werking (zie naar analogie arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C-526/14, EU:C:2016:570, punten 86 en 87).
50
Zoals uit de punten 44 tot en met 48 van het onderhavige arrest volgt, vormt het rechterlijk bevel evenwel geen handeling die een orgaan van een naamloze vennootschap in het kader van de normale werking van deze vennootschap heeft genomen, maar een uitzonderlijke maatregel waarmee de nationale autoriteiten — via een kapitaalverhoging — beoogden te voorkomen dat deze vennootschap failliet zou gaan, hetgeen volgens de verwijzende rechter de financiële stabiliteit van de Unie zou bedreigen. De bescherming die de Tweede richtlijn aan aandeelhouders en schuldeisers van een naamloze vennootschap biedt met betrekking tot het maatschappelijk kapitaal van deze vennootschap, geldt niet voor een dergelijke nationale maatregel, die is genomen in het kader van een situatie waarin de economie en het financiële stelsel van een lidstaat ernstig worden bedreigd en die een einde beoogt te maken aan een systemische bedreiging van de financiële stabiliteit van de Unie die voortvloeit uit het feit dat de betrokken vennootschap onvoldoende eigen vermogen heeft.
51
De voorschriften van de Tweede richtlijn verzetten zich dus niet ertegen dat de nationale autoriteiten in een situatie van ernstige bedreiging van de economie en het financiële stelsel van een lidstaat een uitzonderlijke maatregel (zoals de uitvaardiging van een rechterlijk bevel) nemen ten aanzien van het maatschappelijke kapitaal van een naamloze vennootschap, zonder dat de algemene vergadering van deze vennootschap daarmee heeft ingestemd, teneinde een systemisch risico te vermijden en de financiële stabiliteit van de Unie te verzekeren (zie naar analogie arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C-526/14, EU:C:2016:570, punten 88–90).
52
Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het feit dat het rechterlijk bevel, zoals verzoekers in het hoofdgeding betogen, zou kunnen worden aangemerkt als een ‘voorlopig administratief besluit’ en niet als een ‘gerechtelijke maatregel’. Uit de twee vorige punten vloeit immers voort dat de Tweede richtlijn zich in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet verzet tegen de vaststelling van een maatregel als bovengenoemd rechterlijk bevel, zodat de aard van de nationale autoriteit die dit bevel heeft uitgevaardigd in dit verband irrelevant is.
53
Anders dan verzoekers in het hoofdgeding stellen, is de voorgaande uitlegging geenszins onverzoenbaar met de uitlegging die het Hof in het arrest van 12 maart 1996, Pafitis e.a. (C-441/93, EU:C:1996:92), heeft gegeven. Uit de elementen die in de punten 44 tot en met 48 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, blijkt immers waarom de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot dat arrest, waarin het ging over de insolvabiliteit van één enkele bank. Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat de Tweede richtlijn van toepassing blijft in geval van een ‘eenvoudige saneringsmaatregel’ (arrest van 12 maart 1996, Pafitis e.a., C-441/93, EU:C:1996:92, punt 57), maar het heeft zich — zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt — niet uitgesproken over uitzonderlijke saneringsmaatregelen, zoals een rechterlijk bevel dat ertoe strekt om in een situatie van ernstige verstoring van de nationale economie en het financiële stelsel van een lidstaat het faillissement van een bank te vermijden en aldus de financiële stabiliteit van de Unie te bewaren.
54
Bovendien waren de nationale maatregelen waartegen in de zaak Pafitis e.a. (C-441/93, EU:C:1996:92) werd opgekomen, zoals ILPGH, ILP en Ierland in hun bij het Hof ingediende opmerkingen hebben aangegeven, vastgesteld in de periode van 1986 tot 1990 en heeft het Hof zijn arrest gewezen op 12 maart 1996, dus ruim voordat de derde fase van de Economische en Monetaire Unie, met de invoering van de euro, de instelling van het Eurosysteem en de daarmee verband houdende wijzigingen van Unieverdragen, inging. Hoewel het algemeen belang er duidelijk bij gebaat is dat een sterke en eenvormige bescherming van aandeelhouders en schuldeisers in de gehele Unie wordt gewaarborgd, kan dit belang niet worden geacht in alle gevallen voorrang te hebben op het algemeen belang dat erin bestaat de stabiliteit te waarborgen van het middels die wijzigingen ingestelde financiële stelsel (zie in die zin arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C-526/14, EU:C:2016:570, punt 91).
55
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, en de artikelen 25 en 29 van de Tweede richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een maatregel — zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechterlijke bevel — die wordt genomen in een situatie waarin de financiële stabiliteit van de Unie wordt bedreigd door een ernstige verstoring van de economie en het financieel stelsel van een lidstaat en die tot gevolg heeft dat het kapitaal van een naamloze vennootschap zonder goedkeuring van de algemene vergadering van die vennootschap wordt verhoogd door de uitgifte van nieuwe aandelen tegen een lager bedrag dan hun nominale waarde en zonder dat aan de bestaande aandeelhouders een voorkeurrecht wordt verleend.
Kosten
56
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 8, lid 1, en de artikelen 25 en 29 van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel [54, tweede alinea, VWEU], om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een maatregel — zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechterlijke bevel — die wordt genomen in een situatie waarin de financiële stabiliteit van de Unie wordt bedreigd door een ernstige verstoring van de economie en het financieel stelsel van een lidstaat en die tot gevolg heeft dat het kapitaal van een naamloze vennootschap zonder goedkeuring van de algemene vergadering van die vennootschap wordt verhoogd door de uitgifte van nieuwe aandelen tegen een lager bedrag dan hun nominale waarde en zonder dat aan de bestaande aandeelhouders een voorkeurrecht wordt verleend.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑11‑2016
Conclusie 22‑06‑2016
Partij(en)
Zaak C-41/151.
Gerard Dowling
Padraig McManus
Piotr Skoczylas
Scotchstone Capital Fund Limited
tegen
Minister for Finance,
in tegenwoordigheid van: Permanent TSB Group Holdings plc en Permanent TSB plc
[verzoek van de High Court (Ierland) om een prejudiciële beslissing]
1.
Heeft de Ierse regering fundamentele bepalingen van het vennootschapsrecht van de Unie geschonden toen zij in de zomer van 2011 de zeggenschap overnam over Irish Life and Permanent Group Holdings plc (thans Permanent TSB Group Holdings plc; hierna: ‘ILPGH’ of ‘onderneming’) en, tegelijkertijd, over de dochteronderneming van ILPGH, Irish Life and Permanent plc (thans Permanent TSB plc; hierna: ‘ILP’ of ‘bank’)? Dit is de centrale vraag in het geschil dat aan de High Court (Ierland) is voorgelegd.
2.
In lijn met het door mij in mijn conclusie van 18 februari 2016 in de zaak Kotnik e.a.2. ingenomen standpunt ben ik om de hieronder uiteengezette redenen van mening dat de door richtlijn 77/91/EEG (hierna: ‘Tweede richtlijn’)3. aan aandeelhouders toegekende rechten geen beletsel vormen voor een lidstaat om met spoed over te gaan tot herkapitalisatie van een noodlijdende kredietinstelling die een van de pijlers van zijn economie vormt, bij gebreke waarvan die economie ernstig zou kunnen worden geschaad en op haar beurt een bedreiging zou kunnen vormen voor de economie van andere lidstaten.
3.
Ik ben daarom de mening toegedaan dat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde maatregel in overeenstemming met het recht van de Unie is genomen. Uiteindelijk zal echter door de High Court moeten worden nagegaan of dit het geval is.
I — Toepasselijke bepalingen
A — Unierecht
1. Tweede richtlijn
4.
Artikel 8 van de Tweede richtlijn bepaalt dat aandelen niet kunnen worden uitgegeven tegen een lager bedrag dan de nominale waarde, of, bij gebreke van een nominale waarde, dan de fractiewaarde.
5.
Volgens artikel 25 van de Tweede richtlijn vindt elke kapitaalverhoging plaats krachtens een besluit van de algemene vergadering, behalve wanneer een dergelijke verhoging vooraf door de statuten, de oprichtingsakte of de algemene vergadering is toegestaan onder de in die bepaling gestelde voorwaarden.
6.
Artikel 29, lid 1, van de Tweede richtlijn bepaalt dat bij elke verhoging van het geplaatste kapitaal tegen inbreng in geld, de aandelen eerst worden aangeboden aan de aandeelhouders naar evenredigheid van het deel van het kapitaal dat hun aandelen vertegenwoordigen. Bovendien kan volgens artikel 29, lid 4, het voorkeurrecht niet bij de statuten of de oprichtingsakte worden beperkt of opgeheven, maar uitsluitend bij besluit van de algemene vergadering onder de in die bepaling geformuleerde voorwaarden.
2. Richtlijn 2001/24/EG4.
7.
In artikel 2 van richtlijn 2001/24 (‘Definities’) worden ‘saneringsmaatregelen’ gedefinieerd als ‘maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, en die van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten, met inbegrip van maatregelen die opschorting van de betaling, opschorting van executiemaatregelen of verlaging van de schuldvorderingen mogelijk maken’.
8.
Artikel 3 van richtlijn 2001/24 (‘Vaststelling van saneringsmaatregelen — toepasselijk recht’) bepaalt dat alleen de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst bevoegd zijn te beslissen om ten aanzien van een kredietinstelling, met inbegrip van haar in andere lidstaten gevestigde bijkantoren, een of meer saneringsmaatregelen ten uitvoer te leggen. Die saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de procedures van de lidstaat van herkomst, tenzij anders is bepaald. Zodra die maatregelen rechtswerking hebben in de lidstaat waar zij zijn getroffen, hebben zij overeenkomstig de wetgeving van deze lidstaat en zonder verdere formaliteiten volledige rechtswerking in de gehele Europese Unie, ook jegens derden in de andere lidstaten en zelfs indien de op dezen toepasselijke voorschriften van de lidstaat van ontvangst niet in dergelijke maatregelen voorzien of de tenuitvoerlegging daarvan afhankelijk stellen van voorwaarden die niet zijn vervuld.
9.
Artikel 9 van richtlijn 2001/24 (‘Opening van een liquidatieprocedure — kennisgeving aan andere bevoegde autoriteiten’) bevat met betrekking tot besluiten tot opening van een liquidatieprocedure bepalingen die in grote lijnen overeenstemmen met die van artikel 3.
3. Besluit 2011/77/EU (hierna: ‘uitvoeringsbesluit’)5.
10.
Het uitvoeringsbesluit is vastgesteld op de grondslag van verordening (EU) nr. 407/20106., met name artikel 3, lid 3, daarvan. In de overwegingen 1 tot en met 3 van dat besluit wordt verklaard:
- ‘(1)
Ierland is onlangs onder steeds grotere druk komen te staan op de financiële markten als gevolg van de toenemende bezorgdheid over de houdbaarheid van de Ierse overheidsfinanciën in het licht van de aanzienlijke maatregelen die de overheid heeft genomen om de verzwakte financiële sector te ondersteunen. Wegens zijn buitensporige blootstelling aan vastgoed- en bouwprojecten heeft het binnenlandse bankstelsel grote verliezen geleden in de nasleep van de ineenstorting van die sectoren. De heersende crisis in de economische en bancaire sector heeft ook dramatische gevolgen gehad voor de Ierse overheidsfinanciën, hetgeen het effect van de recessie nog heeft verergerd. Dalende belastingontvangsten en stijgende conjunctuurgebonden uitgaven, met name wegens een toenemende werkloosheid, hebben bijgedragen tot een hoog overheidstekort en een forse stijging van de schuld in vergelijking met het gunstige niveau van vóór de crisis, en dat ondanks het feit dat sinds medio 2008 vijf belangrijke budgettaire consolidatiepakketten ten uitvoer zijn gelegd. De maatregelen ter ondersteuning van de banksector omvatten aanzienlijke kapitaalinjecties en hebben in ruime mate tot de verslechtering van de overheidsfinanciën bijgedragen. Momenteel maakt de markt zich vooral zorgen over het feit dat de solvabiliteit van de Ierse overheid en die van het bankstelsel tijdens de crisis onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn geraakt; dit heeft geleid tot een forse stijging van het rendement van de Ierse overheidsobligaties, terwijl het binnenlandse bankwezen in feite geen toegang meer heeft tot internationale marktfinanciering.
- (2)
In het licht van deze ernstige economische en financiële verstoringen als gevolg van buitengewone gebeurtenissen die de overheid niet kan beheersen, hebben de Ierse autoriteiten op 21 november 2010 officieel om financiële bijstand van de Europese Unie, de lidstaten die de euro als munt hebben en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) verzocht om de economie wederom op een duurzaam groeipad te helpen brengen, ervoor te zorgen dat het bankstelsel weer naar behoren functioneert, en de financiële stabiliteit in de Unie en de eurozone te vrijwaren. Op 28 november 2010 is op technisch niveau overeenstemming bereikt over een veelomvattend beleidspakket voor de periode 2010 2013.
- (3)
Met het ontwerp van economisch en financieel aanpassingsprogramma [hierna: ‘programma’] dat bij de Raad en de Commissie is ingediend, wordt beoogd het vertrouwen op de financiële markten in de Ierse banksector en de overheid te herstellen, zodat de economie wederom op een duurzaam groeipad terechtkomt. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, voorziet het programma in een drieledige strategie. Ten eerste wordt er een strategie voor de financiële sector uitgestippeld, waarbij onder meer een ingrijpende afslanking, afbouw van de schuldhefboom en reorganisatie van de banksector wordt nagestreefd, aangevuld met een passende herkapitalisatie. […] De autoriteiten verzoeken om financiële bijstand van de Unie en de lidstaten die de euro als munt hebben, alsook om bilaterale leningen van het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Denemarken en het IMF ter ondersteuning van dit ambitieuze beleidspakket.’
11.
Artikel 1 van het uitvoeringsbesluit bepaalt:
- ‘1.
De Unie stelt Ierland een lening van maximaal 22,5 miljard EUR met een maximale gemiddelde looptijd van 7,5 jaar ter beschikking.
[…]
- 4.
De vrijgave van de eerste tranche hangt af van de inwerkingtreding van de leningsovereenkomst en het memorandum van overeenstemming. De vrijgave van de volgende tranches wordt afhankelijk gesteld van een gunstige driemaandelijkse beoordeling door de Commissie, in overleg met de [Europese Centrale Bank; hierna: ‘ECB’], van Ierlands naleving van de in dit besluit en het memorandum van overeenstemming opgenomen algemene economische beleidsvoorwaarden.
[…]
- 8.
De Commissie beslist over de omvang en vrijgave van verdere tranches. De Commissie beslist over de omvang van de deeltranches.’
12.
Volgens artikel 2 van het uitvoeringsbesluit beheert de Commissie de bijstand op een wijze die aansluit bij de verbintenissen van Ierland en bij de aanbevelingen van de Raad. In dat artikel wordt ook bepaald op welke wijze de Commissie aan die toezichthoudende taak invulling moet geven. Artikel 3 van het uitvoeringsbesluit keurt het door de Ierse autoriteiten opgestelde programma goed en bepaalt dat elke volgende tranche alleen wordt uitgekeerd bij een bevredigende tenuitvoerlegging van het programma, dat onder meer de volgende maatregelen dient te bevatten:
- ‘5.
Teneinde het vertrouwen in de financiële sector te herstellen, gaat Ierland over tot een afdoende herkapitalisatie, een snelle afbouw van de schuldhefboom en een grondige herstructurering van het bankstelsel, zoals in het memorandum van overeenstemming is uiteengezet. […] Ierland doet in het bijzonder het volgende:
- (a)
actie ondernemen om ervoor te zorgen dat de binnenlandse banken voldoende worden geherkapitaliseerd, met aandelenkapitaal indien nodig, en er aldus voor te zorgen dat het minimumtoetsingsvereiste van 10,5 % core tier 1-kapitaal wordt gehandhaafd voor de gehele duur van het financiële bijstandsprogramma van de Europese Unie, en tegelijk de schuldhefboom wordt afgebouwd richting het streefcijfer voor de ratio kredieten/deposito's van 122,5 % eind 2013;
[…]
- 7.
In lijn met de bepalingen van het memorandum van overeenstemming, neemt Ierland de volgende maatregelen in de loop van 2011:
[…]
- (g)
herkapitaliseren — uiterlijk eind juli 2011 — van de binnenlandse banken (met inachtneming van een passende correctie voor de verwachte verkoop van activa in het geval van Irish Life & Permanent) op basis van de bevindingen van de [prudential liquidity assessment review (hierna: ‘PLAR’) en de prudential capital assessment review (hierna: ‘PCAR’)] van 2011, zoals op 31 maart 2011 bekendgemaakt door de centrale bank van Ierland;
[…]’
B — Iers recht
13.
De op 21 december 2010 aangenomen Credit Institutions (Stabilisation) Act 2010 (wet van 2010 betreffende de stabilisatie van kredietinstellingen; hierna: ‘Act’), zoals gewijzigd, is van toepassing op kredietinstellingen waaraan financiële steun is verleend.
14.
De doelstellingen van de Act staan omschreven in section 4. De Act beoogt onder meer de verstoring van de economie en van het financiële systeem aan te pakken en de bedreiging weg te nemen voor de stabiliteit van bepaalde kredietinstellingen in Ierland en van het financieel systeem in het algemeen, de kredietinstellingen in Ierland te saneren in de context van, onder meer, het programma, en de financiële positie van een ‘betrokken instelling’ in stand te houden of te herstellen.
15.
In section 2 van de Act worden bepaalde begrippen uit de Act gedefinieerd, zoals ‘kredietinstelling’ (een persoon die beschikt over een vergunning om in de staat deposito's of andere terugbetaalbare gelden aan te trekken bij het publiek en om voor eigen rekening kredieten te verlenen) en ‘betrokken instelling’. Onder dit laatste begrip vallen onder meer een lichaam met statutaire zetel in Ierland, dat beschikt over een bankvergunning, althans daarover beschikte ten tijde van de inwerkingtreding van de Act, en dat van de minister van Financiën (hierna: ‘minister’) financiële steun heeft ontvangen of zal ontvangen [paragraaf a)], en de houdstermaatschappij van een dergelijk lichaam [paragraaf f)].
16.
Section 7 van de Act kent aan de minister de bevoegdheid toe om aan de High Court een ontwerp van ‘direction order’ voor te leggen, waarbij wordt voorgesteld een betrokken instelling op te dragen om (binnen een bepaalde periode) bepaalde maatregelen te nemen of (gedurende een bepaalde periode) bepaalde handelingen achterwege te laten. In section 9 van de Act wordt de procedure voor het uitvaardigen van dergelijke direction orders als volgt geregeld:
- ‘(1)
Zodra in verband met een ontwerp van direction order aan de procedurevoorschriften van section 7 is voldaan, dient de minister bij de [High] Court een eenzijdig verzoek in tot het uitvaardigen van [een direction order] conform het ontwerp.
- (2)
Wanneer de [High] Court kennisneemt van een eenzijdig verzoek als bedoeld in paragraaf 1 en van oordeel is dat de vereisten van section 7 zijn nageleefd en dat het in die section bedoelde standpunt van de minister redelijk was en niet op een onjuiste rechtsopvatting berustte, vaardigt zij een direction order conform het door de minister voorgelegde ontwerp uit […].
- (3)
Wanneer de minister in een ontwerp van direction order melding heeft gemaakt van de intentie om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, en wanneer de [High] Court van oordeel is dat de minister het ontwerp van direction order of een deel daarvan inderdaad met die bedoeling heeft opgesteld, vermeldt de [High] Court in de betrokken direction order dat deze order of het relevante gedeelte ervan een saneringsmaatregel is in de zin van [richtlijn 2001/24].
[…]’
17.
Volgens section 11, paragraaf 1, van de Act kan de betrokken instelling of een lid daarvan zich tot de High Court wenden met het verzoek een direction order nietig te verklaren. Volgens paragraaf 3 gaat de High Court ‘slechts tot nietigverklaring over indien zij van oordeel is dat aan een of meer van de vereisten van section 7 niet is voldaan of dat het in section 7, paragraaf 2, bedoelde standpunt van de minister onredelijk was dan wel op een onjuiste rechtsopvatting berustte’. Volgens paragraaf 4 kan de High Court in een dergelijk geval ook besluiten de direction order aan te passen in plaats van nietig te verklaren.
18.
Volgens section 47 van de Act kan in een direction order worden bepaald dat alle bevoegdheden die in beginsel toekomen aan de algemene vergadering van de betrokken instelling, in plaats daarvan kunnen worden uitgeoefend door de minister.
19.
Section 52 van de Act bepaalt dat ‘[e]en order die krachtens deze Act is uitgevaardigd met de intentie om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, rechtswerking beoogt te hebben overeenkomstig [richtlijn 2001/24] en de wettelijke regelingen tot uitvoering daarvan’.
20.
Volgens section 53 van de Act ten slotte gelden de bepalingen van de Act en eventuele krachtens de Act uitgevaardigde orders onverminderd enkele andere in die bepaling genoemde regelingen, waaronder de Ierse Companies Acts, tenzij in de Act anders is bepaald. Bovendien bepaalt section 61 in wezen dat het uitvaardigen van een direction order niet tot contractuele aansprakelijkheid kan leiden.
II — Feiten, procedure en prejudiciële vragen
21.
Volgens de verwijzingsbeslissing is ILP een in Ierland gevestigde kredietinstelling. Ten tijde van de feiten was zij eigenaar van de Irish Life Group (hierna: ‘Irish Life’), waartoe de ondernemingen Irish Life Assurance plc en Irish Life Investment Managers Ltd behoorden.
22.
ILPGH is een Ierse vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, opgericht krachtens een door de High Court in januari 2010 goedgekeurd akkoord7.. Zij was gedurende de gehele relevante periode een houdstermaatschappij die 100 % eigenaar was van ILP. ILPGH bezat geen andere activa en is geen kredietinstelling (en was dat ook niet ten tijde van de feiten).
23.
Verzoekers in het hoofdgeding (hierna samen: ‘verzoekers’) zijn leden en aandeelhouders van ILPGH. De heren Dowling, McManus en Skoczylas zijn individuele aandeelhouders. Skoczylas heeft ook gedurende enige tijd in de directie van ILPGH gezeten, een post waarop hij was benoemd tijdens een op 20 juli 2011 gehouden buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: ‘BAVA’). Scotchstone Capital Fund Limited is een onderneming waarvan Skoczylas de eigenaar is en die tevens aandeelhouder is van ILPGH.
24.
Vanaf 2008 werden ILP en andere Ierse banken meer en meer afhankelijk van financiële ondersteuning door de Ierse Staat en de Europese Unie. Toen na verloop van tijd bleek dat de financiële onrust van die jaren bleef voortduren, raakten de markten ondanks de Ierse maatregelen ter ondersteuning van de banksector het vertrouwen kwijt dat de banken levensvatbaar waren en dat de Ierse Staat ze zou kunnen blijven ondersteunen. Eind 2010 was het duidelijk dat de financiële stabiliteit van de Ierse Staat ernstig werd bedreigd, met name als gevolg van de verbintenissen die jegens de banken waren aangegaan. Zo was voor de bij Irish Life aangehouden deposito's een staatsgarantie ten belope van ongeveer 26 miljard EUR afgegeven.
25.
In november 2010 is de Ierse Staat juridische verplichtingen aangegaan jegens de Commissie, de ECB en het IMF, waaronder de verplichting om levensvatbare Ierse banken in het kader van het programma te herkapitaliseren. Als onderdeel van het programma verbond de Ierse centrale bank zich ertoe de PCAR en de PLAR uit te voeren en aan de hand van de uitkomsten daarvan de kapitaalbehoeften van de banken te bepalen. Die uitkomsten werden op 31 maart 2011 gepubliceerd en Ierland ging de juridische verplichting aan om in overeenstemming daarmee vóór 31 juli 2011 tot herkapitalisatie over te gaan.
26.
Daarop heeft de Ierse centrale bank, als onafhankelijke toezichthouder, ILP opgedragen om voor een bedrag van 4 miljard EUR aan eigen kapitaal op te halen. Dat bevel was bindend voor ILP en is niet in rechte aangevochten.
27.
De verwijzende rechter geeft als zijn oordeel te kennen dat naar alle waarschijnlijkheid
- a)
het vereiste kapitaal niet had kunnen worden aangetrokken bij particuliere investeerders;
- b)
dit kapitaal evenmin had kunnen worden aangetrokken bij de bestaande aandeelhouders, en
- c)
ILP, als zij niet binnen de gestelde termijn was geherkapitaliseerd, failliet zou zijn gegaan ten gevolge van een ‘bankrun’, een intrekking van haar bankvergunning, verzoeken om terugbetaling van schuldpapier of de stopzetting van de noodsteun, of als gevolg van een combinatie van deze factoren of enkele ervan.
Bovendien zou een dergelijk faillissement naar alle waarschijnlijkheid d) ertoe hebben geleid dat de aandeelhouders hun volledige kapitaal kwijtraakten.
28.
De High Court meent verder dat e) het faillissement van ILP waarschijnlijk zeer ernstige negatieve gevolgen zou hebben gehad voor de Ierse Staat, omdat zich een ‘bankrun’ zou hebben kunnen voordoen en in dat geval ook een beroep op de staatsgarantie ten belope van ongeveer 26 miljard EUR zou zijn gedaan, omdat andere banken dan zouden zijn ‘besmet’, omdat de steunverlening in het kader van het programma dan geheel of gedeeltelijk zou zijn stopgezet wegens het niet naleven van de voorwaarden ervan, als gevolg van de sancties die krachtens het VWEU zouden zijn opgelegd, of als gevolg van een combinatie van deze factoren of enkele ervan. De negatieve gevolgen voor de Ierse Staat zouden naar alle waarschijnlijkheid f) de bedreiging voor de financiële stabiliteit van andere lidstaten en van de Europese Unie nog hebben vergroot. De High Court merkt op dat de Ierse Staat heeft besloten in de herkapitalisatie te investeren teneinde aan zijn juridische verplichtingen te voldoen en in het belang van het Ierse financiële systeem, de Ierse onderdanen en de burgers van de Europese Unie.
29.
De Ierse Staat heeft besloten ILP te herkapitaliseren door middel van inschrijving door de minister op gewone aandelen ten belope van 2,3 miljard EUR, voorwaardelijk kapitaal ten belope van 0,4 miljard EUR en een ‘standby’-investering van 1,1 miljard EUR. De te betalen prijs per aandeel bedroeg 0,06345 EUR, wat neerkwam op een korting van 10 % op de middenkoers van 23 juni 2011. Toen bleek hoeveel aandelen er moesten worden uitgegeven in ruil voor de genoemde 2,3 miljard EUR, werd duidelijk dat de minister voor 99,2 % eigenaar zou worden van de onderneming. Naar het oordeel van de High Court g) was de beurskoers van die dag, anders dan verzoekers hadden betoogd, niet het resultaat van marktvervalsing. De koers was in de voorgaande jaren hoe dan ook gekelderd, om na de bekendmaking van de uitkomsten van de PLAR en de PCAR een dramatisch dieptepunt te bereiken. Dit was volgens de High Court naar alle waarschijnlijkheid een gevolg van het feit dat de markt betwijfelde of ILP erin zou slagen de vereiste kapitalisatie op een voor beleggers interessante wijze door te voeren.
30.
De Commissie heeft op grond van de staatssteunregels ingestemd met de redding en de herkapitalisatie van ILP via de overheidsinvestering.8. De operatie is ook goedgekeurd door de bevoegde toezichthoudende autoriteit in lijn met richtlijn 2004/25/EC9..
31.
Het voorstel van de minister kon rekenen op de steun van de raad van bestuur van ILP, die meende dat dit de enige mogelijkheid was voor de onderneming om de vereiste herkapitalisatie te verwezenlijken. De BAVA werd bijeengeroepen teneinde de nodige besluiten aan te nemen. Het voorstel werd echter niet aanvaard door de aandeelhouders die tijdens de BAVA hun stem uitbrachten. Zij wilden namelijk onderzocht hebben of er geen andere manieren waren om het vereiste kapitaal bijeen te brengen. Zij gaven de raad van bestuur opdracht om na te gaan of de termijn voor de herkapitalisatie niet kon worden verlengd.
32.
De minister noch de Ierse centrale bank voelde er echter voor een dergelijk verzoek om uitstel in te dienen, waarvoor in hun ogen — gelet op de bron van de ‘deadline’ — de instemming van de Raad, de Commissie, de ECB en het IMF vereist zou zijn. Daarom stelde de minister op 25 juli 2011 overeenkomstig de bepalingen van de Act een ontwerp van direction order op. De gouverneur van de Ierse centrale bank gaf te kennen dat hij het waarschijnlijk achtte dat met de voorgestelde direction order de in de Act geformuleerde doelstellingen konden worden verwezenlijkt. De voorzitter van de raad van bestuur van de onderneming maakte de minister attent op een na de BAVA door hem geschreven brief waarin de standpunten van de tegenstemmende aandeelhouders werden uiteengezet.
33.
Op 26 juli 2011 heeft de High Court op eenzijdig verzoek van de minister een direction order (hierna: ‘direction order’) uitgevaardigd, als gevolg waarvan de minister 99,2 % van de uitgegeven aandelen van ILPGH in handen kreeg. De officiële notering van de aandelen van de onderneming in Ierland en het Verenigd Koninkrijk moest derhalve worden beëindigd. Bij verzoekschrift van 3 augustus 2011 hebben verzoekers de High Court verzocht de direction order overeenkomstig section 11 van de Act nietig te verklaren. Omdat de High Court twijfelt of het standpunt van de minister dat de voorgestelde maatregelen noodzakelijk waren, onredelijk was dan wel op een onjuiste rechtsopvatting berustte, heeft zij op 2 december 2014 besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘(1)
Staat de [Tweede richtlijn] in alle omstandigheden, met inbegrip van die van de onderhavige zaak, er aan in de weg dat krachtens section 9 van de [Act] een direction order wordt uitgevaardigd op basis van het standpunt van de minister dat dit noodzakelijk is, wanneer dit bevel tot gevolg heeft dat het kapitaal van een onderneming zonder de goedkeuring van de algemene vergadering wordt verhoogd, dat zonder de goedkeuring van de algemene vergadering nieuwe aandelen worden uitgegeven die niet eerst aan de bestaande aandeelhouders worden aangeboden, dat de nominale waarde van de aandelen van de onderneming zonder de goedkeuring van de algemene vergadering wordt verlaagd, en dat daartoe zonder de goedkeuring van de algemene vergadering de oprichtingsakte en de statuten van de onderneming worden gewijzigd?
- (2)
Is de direction order die de High Court overeenkomstig section 9 van de [Act] heeft uitgevaardigd met betrekking tot [de onderneming] in strijd met het Unierecht?’
34.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door verzoekers, ILP, ILPGH, Ierland, de Italiaanse en de Cypriotische regering en de Commissie. Tijdens de terechtzitting van 19 april 2016 hebben verzoekers, ILP, ILPGH, Ierland en de Commissie hun standpunten mondeling toegelicht.
III — Analyse
A — Inleidende opmerkingen
35.
De financiële crisis ligt niet alleen aan de basis van enkele richtinggevende uitspraken van het Hof10., maar heeft ook geleid tot geschillen in verband met maatregelen die zijn genomen om noodlijdende kredietinstellingen te redden11.. In het algemeen was bij die maatregelen ‘lastendeling’ een vereiste, niet alleen om de overheidsbijdrage zo laag mogelijk te houden, maar ook om speculatie (moreel riskant gedrag) te ontmoedigen. Betoogd wordt dat in het hoofdgeding dergelijke maatregelen aan de orde zijn.
36.
In de onderhavige zaak wordt niet betwist dat de Tweede richtlijn in beginsel van toepassing is op ondernemingen als ILP en ILPGH, noch dat ILP in economische moeilijkheden verkeerde en het bevel van de Ierse centrale bank moest opvolgen. Verzoekers stellen echter de rechtmatigheid van de door de minister genomen maatregelen ter discussie. Zij zijn in wezen van mening dat er ook andere, minder belastende maatregelen denkbaar waren, die geen miskenning van het vereiste van goedkeuring door de algemene vergadering van ILPGH zouden hebben geïmpliceerd, waardoor in hun ogen artikel 8, artikel 25 en artikel 29 van de Tweede Richtlijn zijn geschonden.
37.
Verzoekers’ hoofdargument is namelijk dat ILP, en niet ILPGH, een kredietinstelling is. Zij stellen dat de minister met het oog op het behoud van de financiële stabiliteit van de Ierse economie zijn interventie had kunnen en moeten beperken tot ILP, in plaats van de High Court te verzoeken ILPGH tot het doelwit van het merendeel van de betwiste maatregelen te maken. Volgens verzoekers is ILPGH niet meer dan een houdstermaatschappij met een aandelenkapitaal dat losstaat van dat van ILP. Als zodanig was zij niet gebonden aan het door de Ierse centrale bank gegeven bevel, noch aansprakelijk voor het doen en laten van ILP.
38.
Om de eerste vraag van de High Court te kunnen beantwoorden, hoeft niet op dat argument te worden ingegaan. Maar aangezien een antwoord op dat argument de High Court lijkt te kunnen helpen bij de beslechting van het hoofdgeding, zal ik er aandacht aan besteden in het kader van mijn beantwoording van de tweede vraag, waardoor naar mijn mening het antwoord op de eerste vraag wordt aangevuld. Ik zal deze conclusie dan ook besluiten met een gezamenlijke beantwoording van de twee vragen.
B — Eerste vraag
1. Inleidende opmerkingen
39.
De eerste vraag is in algemene bewoordingen geformuleerd en verwijst niet specifiek naar de omstandigheden van het hoofdgeding. Ik leid daaruit af dat de High Court eerst en vooral een principieel antwoord van het Hof verlangt. Ik meen dan ook dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 8, artikel 25 en artikel 29 van de Tweede Richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een rechterlijke instantie, teneinde de verstoring van de economie en van het financiële systeem aan te pakken en de bedreiging voor de stabiliteit van bepaalde kredietinstellingen in die lidstaat en van het financieel systeem in het algemeen weg te nemen, alsmede het risico van besmetting van andere lidstaten, kan gelasten dat een onder die richtlijn vallende naamloze vennootschap die voor de economie van die lidstaat essentieel is en die niet uit zichzelf kan voldoen aan de in die lidstaat geldende voorschriften op het gebied van het prudentieel toezicht op financiële instellingen, door de staat wordt overgenomen zonder dat de algemene vergadering daarmee heeft ingestemd.
40.
Het draait in deze zaak dus eens te meer om de vraag in hoeverre de bevoegdheden van de overheid om in tijden van crisis een noodlijdende kredietinstelling over te nemen die een van de pijlers van de economie vormt, begrensd zijn. In casu vinden die bevoegdheden hun begrenzing in de rechten die de algemene vergadering van aandeelhouders aan het Unierecht — in dit geval artikel 8, artikel 25 en artikel 29 van de Tweede Richtlijn — ontleent om een dergelijke overname te blokkeren.
2. Algemene benadering
41.
Zoals ik in de inleiding van deze conclusie heb opgemerkt, ben ik van mening dat het Hof de door mij in de zaak Kotnik e.a.12. voorgestelde benadering zou moeten volgen. Die zaak heeft eveneens betrekking op, onder meer, de grenzen die het vennootschapsrecht van de Unie stelt aan overheidsingrijpen in de noodlijdende financiële sector, zij het in de vorm van toekenning van staatssteun. Ik zal in de punten 44 tot en met 51 van deze conclusie nader op die zaak en op de overeenkomsten ervan met de onderhavige zaak ingaan.
42.
Ik wil echter eerst een basisbeginsel in herinnering brengen: de eigen rechtspersoonlijkheid van naamloze vennootschappen, die een hoeksteen vormt van de interne markt, en, met name, de in artikel 49, tweede alinea, VWEU en artikel 54, tweede alinea, VWEU verankerde vrijheid van vestiging.13. Het feit dat een naamloze vennootschap in financiële moeilijkheden verkeert, rechtvaardigt op zich nog niet dat wordt voorbijgegaan aan de rechten die de aandeelhouders aan de Tweede richtlijn ontlenen.14. Artikel 17 van de Tweede richtlijn15. zou dan namelijk volledig betekenisloos worden.
43.
Daarom moet al meteen de suggestie van ILP, ILPGH en Ierland worden verworpen dat artikel 65, lid 1, onder b), VWEU een afwijking van de Tweede richtlijn rechtvaardigt om redenen die verband houden met het prudentieel toezicht op financiële instellingen, en dat het Hof trouwens heeft erkend dat de reputatie van de nationale financiële sector in beginsel beperkingen van de vrijheid van verkeer kan rechtvaardigen16.. Wanneer op het niveau van de Europese Unie een volledige harmonisatie tot stand is gebracht voor een bepaalde materie, moet elke daarop betrekking hebbende nationale maatregel namelijk aan de bepalingen van die harmonisatiemaatregel worden getoetst en niet aan het primaire recht.17. Bovendien is een vergelijkbaar argument door het Hof reeds onderzocht en van de hand gewezen.18.
44.
Zoals ik in wezen reeds duidelijk heb gemaakt in de punten 93 tot en met 121 van mijn conclusie in de zaak Kotnik e.a.19., waaraan ik hier in extenso refereer, ben ik het niet eens met het door verzoekers verdedigde standpunt dat de Tweede richtlijn eraan in de weg staat dat een lidstaat noodmaatregelen neemt teneinde de financiële stabiliteit op zijn grondgebied te verzekeren en het gevaar van ‘besmetting’ zoveel mogelijk tegen te gaan. Met name vraag ik mij om de in die conclusie uiteengezette redenen met de High Court20. af of voor de door verzoekers voorgestane uitlegging van de Tweede richtlijn wel steun kan worden gevonden in de reeks uitspraken die ik hier zal aanduiden als de Pafitis-rechtspraak.21.
45.
Net als in de zaak Kotnik e.a. zou het ten eerste een understatement zijn te zeggen dat de feitelijke achtergrond van de Pafitis-rechtspraak aanzienlijk verschilt van die van de zaken die thans bij het Hof aanhangig zijn. Terwijl het Hof namelijk, zoals tijdens de terechtzitting ter sprake is gebracht, in punt 57 van het arrest Pafitis e.a.22. heeft erkend dat de Tweede richtlijn van toepassing blijft ‘bij een eenvoudige saneringsmaatregel’ — waarvan in die zaak sprake was —, heeft het zich in dat arrest niet uitgesproken over saneringsmaatregelen die als uitzonderlijkmoeten worden bestempeld.
46.
Ten tweede is het voornaamste doel van de Tweede richtlijn, en dan met name van artikel 25 ervan, in feite om het machtsevenwicht tussen de verschillende organen van een naamloze vennootschap (en tussen individuele aandeelhouders) te handhaven, vooral bij onderlinge conflicten23., en niet om een lidstaat te beletten met betrekking tot een dergelijke vennootschap maatregelen te nemen teneinde een ernstige en potentieel ‘besmettelijke’ verstoring van zijn economie aan te pakken. In de richtlijn zelf wordt immers erkend dat een lidstaat zich genoodzaakt kan zien wetgeving aan te nemen die indruist tegen de bevoegdheden van de algemene vergadering, wanneer dit noodzakelijk is om dreigend ernstig nadeel te vermijden.24.
47.
Tot slot hebben zich, zoals Ierland terecht opmerkt, sinds de Pafitis-rechtspraak belangwekkende ontwikkelingen voorgedaan op het terrein van de Europese samenwerking en integratie op financieel en monetair gebied — op het niveau van zowel het primaire recht25. als het secundaire recht26.. Dit zijn de belangrijkste redenen waarom het Hof niet strikt aan de Pafitis-rechtspraak zou moeten vasthouden.
48.
Bovendien ben ik van mening dat de vragen die de onderhavige zaak doet rijzen, niet wezenlijk verschillen van die in de zaak Kotnik e.a.
49.
Natuurlijk zijn de feiten van de zaak Kotnik e.a. niet identiek aan die van het hoofdgeding. Terwijl het in de zaak Kotnik e.a. ging om een bail-inmaatregel met betrekking tot aandelenkapitaal, hybride financiële instrumenten en achtergesteld schuldpapier, heeft in het onderhavige geval de direction order onder meer tot een verhoging van het aandelenkapitaal geleid. De aanzienlijke verhoging van het aandelenkapitaal van ILGPH, in combinatie met het feit dat de aandeelhouders hun voorkeurrrecht niet hebben kunnen uitoefenen, heeft in casu echter tot gevolg gehad dat de oorspronkelijke aandeelhouders, die thans minder dan 1 % van de aandelen bezitten, de invloed is ontnomen die zij anders dankzij hun aandelen hadden kunnen uitoefenen, en dus dat hun rechten zijn verwaterd. De facto komt de direction order dus ook neer op een lastendelingsmaatregel.27.
50.
Het is ook juist dat de zaak Kotnik e.a. primair betrekking heeft op het staatssteunrecht en niet op het vennootschapsrecht van de Unie. Met de vijfde vraag in die zaak wenste de Ustavno sodišče (constitutioneel hof, Slovenië) echter te vernemen of bepaalde punten van een mededeling van de Commissie inzake staatssteun ten behoeve van de banksector28. inbreuk maken op de herschikte versie van de Tweede richtlijn, dat wil zeggen richtlijn 2012/30/EU29. (wat naar mijn mening niet het geval is). Om een nuttig antwoord op die vraag te geven, heb ik mij op het standpunt gesteld dat wanneer die vraag ruimer wordt opgevat, ook moet worden onderzocht of nationale bepalingen die de vaststelling van de in de bankenmededeling bedoelde lastendelingsmaatregelen opdragen aan de nationale centrale bank, verenigbaar zijn met die richtlijn. In mijn conclusie in die zaak ben ik tot de slotsom gekomen dat op die ruimer geformuleerde vraag moet worden geantwoord dat in de aan die zaak ten grondslag liggende omstandigheden dergelijke bepalingen niet onverenigbaar zijn met richtlijn 2012/30.
51.
Ik zie dan ook veel gelijkenis tussen de punten die bij de vijfde vraag in de zaak Kotnik e.a. en die welke in de onderhavige zaak spelen, zodat volgens mij in beide zaken dezelfde benadering zou moeten worden gekozen.
3. Bijzonderheden van het hoofdgeding
52.
In punt 44 van deze conclusie heb ik duidelijk gemaakt welke algemene benadering het Hof naar mijn mening in het onderhavige geval zou moeten volgen. Thans wil ik ingaan op enkele specifieke kenmerken van deze zaak.
a) Financiële en economische context van de herkapitalisatie
53.
Het lijdt geen twijfel dat de financiële en economische context waarin de herkapitalisatie heeft plaatsgevonden, uitzonderlijk was — en niet alleen vanuit nationaal perspectief. In feite was de financieel-economische situatie zo uitzonderlijk, dat de Raad zich in het uitvoeringsbesluit (zie met name overweging 2) op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie de vaststelling van het programma rechtvaardigde. De Commissie was het daarmee eens en heeft overeenkomstig artikel 107, lid 3, onder b), VWEU haar goedkeuring gehecht aan de reddings- en herstructureringssteun ten behoeve van ILP, bedoeld om een ernstige verstoring in de Ierse economie op te heffen (zie punt 30 van deze conclusie). Geen van deze besluiten is aangevochten, zodat de daarin verrichte beoordelingen definitief zijn.
54.
Tegen deze achtergrond wijs ik erop dat het Hof in de Pafitis-rechtspraak weliswaar — en terecht — heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat nationale regelingen intern als ‘bijzonder’ of ‘uitzonderlijk’ worden gekwalificeerd, op zichzelf nog geen afwijking van de bepalingen van de Tweede richtlijn rechtvaardigt.30. Deze overweging mag echter niet aldus worden opgevat dat zij ook van toepassing zou zijn op een situatie van internationale omvang als die welke aan de basis ligt van het hoofdgeding.
55.
Minder overtuigend vind ik echter het argument dat Ierland op grond van het Unierecht verplicht was te herkapitaliseren op de wijze waarop het dat heeft gedaan. ILP, ILPGH en de Ierse regering willen met dit argument aantonen dat de onderhavige zaak ook in zoverre van de Pafitis-rechtspraak verschilt. Zeker, blijkens artikel 3, lid 5, onder a), van het uitvoeringsbesluit was men het algemeen erover eens dat Ierland actie moest ondernemen om ervoor te zorgen dat de binnenlandse banken voldoende werden geherkapitaliseerd, met aandelenkapitaal indien nodig, en op die manier te verzekeren dat zij aan de wettelijke minimumeisen voldeden tijdens de gehele duur van het financiële bijstandsprogramma van de Europese Unie, en om tegelijkertijd de schuldhefboom af te bouwen richting het streefcijfer voor de ratio kredieten/deposito's. Bovendien was Ierland op grond van artikel 3, lid 7, onder g), van het uitvoeringsbesluit gehouden om uiterlijk eind juli 2011 over te gaan tot herkapitalisatie van de binnenlandse banken, met inachtneming van een passende correctie voor de verwachte verkoop van activa in het geval van ILP, in lijn met de uitkomsten van de PLAR en de PCAR. Het uitvoeringsbesluit verlangde van Ierland echter niet dat het op de in de direction order voorgeschreven wijze tot die herkapitalisatie zou overgaan. Het was aan Ierland zelf om daarover te beslissen. De High Court was met andere woorden op grond van het Unierecht niet verplicht de direction order uit te vaardigen.
56.
Bovendien was de ‘verplichting’ om tot herkapitalisatie over te gaan, onderdeel van de tegenprestatie voor de in het kader van het steunprogramma toegekende financiële bijstand, die Ierland op eigen verzoek ontving. Volgens artikel 1, lid 4, en artikel 3, lid 2, van het uitvoeringsbesluit was de herkapitalisatie van de binnenlandse banken, waaronder ILP, namelijk gewoon een voorwaarde om de steun toegekend te krijgen. In zoverre heeft het uitvoeringsbesluit, zoals de Commissie tijdens de terechtzitting terecht heeft opgemerkt, uiteindelijk zijn grondslag in artikel 122, lid 2, VWEU, waarin wordt gesproken van het verlenen van ‘financiële bijstand’ onder ‘voorwaarden’, maar waarin aan de Europese Unie niet de bevoegdheid wordt toegekend om bindende economische beleidsdoelstellingen te formuleren.31.
57.
Derhalve blijkt niet duidelijk dat de Europese Unie eenzijdig een verplichting had opgelegd. Om dezelfde reden hoeft ook niet te worden ingegaan op het argument van de Italiaanse regering dat verordening nr. 407/2010 — en daarmee ook het uitvoeringsbesluit — een lex specialis is ten opzichte van de Tweede richtlijn.
b) Aard van de bestreden maatregel
58.
Ik wil hier ook wijzen op de aard van de direction order. Dat bevel is conform de in de Act voorgeschreven procedure uitgevaardigd door de High Court, dat wil zeggen een onpartijdige en onafhankelijke instantie. Het betreft hier een rechterlijke beslissing. Ook hierin verschilt de onderhavige zaak van de Pafitis-zaken. In die zaken was het ingevolge de toepasselijke wetgeving aan de bevoegde minister alléén om te beslissen of in ernstige financiële moeilijkheden verkerende ondernemingen onder de regeling van die wet werden gebracht. De minister had ook de bevoegdheid om het beheer over de betrokken ondernemingen over te dragen aan een vennootschap waarvan het kapitaal volledig in handen was van de staat, en die werd belast met de herstructurering van die ondernemingen, alsook om door die vennootschap genomen besluiten tot verhoging van het kapitaal van de ondernemingen goed te keuren. Die zaken waren derhalve symptomatisch voor ongebreideld overheidsingrijpen in de autonomie van een naamloze vennootschap.
59.
Het feit dat de direction order afkomstig is van een rechterlijk orgaan, vraagt om enkele aanvullende opmerkingen. De Tweede richtlijn erkent namelijk het belang en het gezag van rechterlijke beslissingen, waaraan in deze richtlijn herhaaldelijk wordt gerefereerd.32. Met name hoeft volgens artikel 30 van de Tweede richtlijn de algemene vergadering zich niet over een kapitaalvermindering uit te spreken wanneer deze op last van de rechter geschiedt. In zoverre zou men kunnen zeggen dat de rechterlijke macht zelfs nog onafhankelijker is dan sommige andere toezichthouders, die, hoewel geen verantwoording verschuldigd aan nationale regeringen, duidelijk niet immuun zijn voor beleidsoverwegingen.33.
60.
Nu stellen verzoekers onder verwijzing naar enkele Ierse rechterlijke uitspraken34. dat de direction order niet het karakter heeft van een rechterlijk bevel, maar in feite een administratieve beslissing van voorlopige aard is.
61.
Ik ben het daar niet mee eens.
62.
Ten eerste hadden de door verzoekers aangehaalde rechterlijke uitspraken onder meer betrekking op de vraag welke toetsingsmaatstaf naar Iers recht moet worden aangelegd in verband met een verzoek tot nietigverklaring van een direction order overeenkomstig section 11 van de Act. Daar de direction order was uitgevaardigd door een rechterlijk en niet door een administratief orgaan, bleek het uitgesloten de maatstaf aan te leggen die normaal gesproken bij de rechterlijke toetsing van administratieve handelingen wordt gehanteerd. Deze nationaalrechtelijke kwestie doet echter niets af aan het feit dat er voor de toepassing van de Tweede richtlijn sprake is van een rechterlijke beslissing.
63.
Ten tweede is het feit dat de direction order zonder behandeling op tegenspraak is uitgevaardigd en in een procedure overeenkomstig section 11 van de Act nietig kan worden verklaard, een zaak van Iers procesrecht waaraan geen gevolgen kunnen worden verbonden voor de uitlegging van de Tweede richtlijn. Overigens heeft de High Court verklaard dat de minister niet heeft nagelaten haar eerlijk in kennis te stellen van het standpunt dat de meerderheid van de aandeelhouders tijdens de BAVA had ingenomen.
64.
En, last but not least, impliceert verzoekers' zienswijze dat de Ierse rechterlijke instanties het door de minister voorgelegde ontwerp van direction order blindelings en zonder enige inhoudelijke beoordeling hebben overgenomen. Deze opvatting kan niet worden aanvaard.
65.
Voor de toepassing van de Tweede richtlijn moet de direction order derhalve als een rechterlijke beslissing en niet als een loutere administratieve maatregel worden beschouwd.
c) Relevantie van richtlijn 2001/24
66.
Ierland, ondersteund door ILP en ILPGH, stelt verder dat de direction order een ‘saneringsmaatregel’ in de zin van artikel 2 van richtlijn 2001/24 is. Van mening dat deze richtlijn een lex posterior et specialis ten opzichte van de Tweede richtlijn is, voert de Ierse regering aan dat een dergelijke maatregel tot gevolg heeft dat de door de Tweede richtlijn aan de aandeelhouders toebedeelde rechten terzijde worden geschoven.
67.
In mijn conclusie in de zaak Kotnik e.a.35. heb ik uiteengezet dat een ‘saneringsmaatregel’ aan drie cumulatieve vereisten dient te voldoen: hij moet
- i)
worden vastgesteld door de bevoegde administratieve of rechterlijke instanties van een lidstaat,
- ii)
tot doel hebben de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, en
- iii)
de rechten van derden kunnen aantasten.
In het geval van de direction order lijkt aan deze vereisten te zijn voldaan.36.
68.
Ik zie echter niet de noodzaak in van een bindende uitspraak ten aanzien van de vraag of richtlijn 2001/24 de bepalingen van de Tweede richtlijn opzijzet. Gegeven het feit dat eerstgenoemde richtlijn vele jaren na laatstgenoemde is vastgesteld, is de vraag gerechtvaardigd waarom richtlijn 2001/24 dan niet een bepaling bevat volgens welke zij voorrang heeft boven de Tweede richtlijn.37.
69.
Daarbij komt dat de twee richtlijnen een verschillende rechtsgrondslag38. en personele werkingssfeer hebben (de Tweede richtlijn is van toepassing op naamloze vennootschappen, richtlijn 2001/24 op kredietinstellingen). Zij hebben ook een verschillend doel: terwijl de Tweede richtlijn ‘een gelijkwaardige bescherming van de aandeelhouders en de schuldeisers van [naamloze] vennootschappen’ wil verzekeren39., voert richtlijn 2001/24, zoals de Commissie stelt en zoals ook uit overweging 6 van deze richtlijn blijkt, slechts een stelsel van wederzijdse erkenning van nationale sanerings- en liquidatiemaatregelen in, zonder een harmonisatie van de nationale wetgeving ter zake te beogen.40. Het is voor mij dan ook niet duidelijk dat de twee regelingen op gespannen voet met elkaar staan.
70.
De twee richtlijnen lijken elkaar juist eerder aan te vullen. Enerzijds blijkt uit het arrest Pafitis e.a.41. dat de Tweede richtlijn in beginsel van toepassing is op een naamloze vennootschap, ongeacht of het daarbij om een kredietinstelling gaat. Anderzijds houdt richtlijn 2011/24 zich niet bezig met aandeelhoudersrechten. Volgens overweging 8 van deze richtlijn hoeven namelijk ‘[b]epaalde maatregelen, met name die welke gevolgen hebben voor […] de rechten van […] de aandeelhouders, […] niet door deze richtlijn te worden bestreken om volledige rechtswerking te hebben in andere lidstaten dan de lidstaat van herkomst, voor zover, krachtens de regels van het internationaal privaatrecht, het recht van de lidstaat van herkomst van toepassing is’. In overweging 10 van richtlijn 2001/24 wordt dan ook verklaard dat ‘aandeelhouders […] voor de toepassing van deze richtlijn […] niet als derden worden aangemerkt’.
71.
Ik ben het daarom eens met de Cypriotische regering, die in wezen stelt dat de twee richtlijnen op samenhangende wijze moeten worden uitgelegd teneinde de eenheid en de coherentie van het Unierecht te waarborgen.
72.
In zoverre is in mijn ogen de meest coherente uitlegging er een volgens welke, in de eerste plaats, saneringsmaatregelen waardoor aandeelhoudersrechten worden aangetast, niet worden bestreken door richtlijn 2001/24 maar door het recht van de lidstaat van herkomst — in casu het Ierse recht, meer bepaald de Act — en, in de tweede plaats, zoals ik in de punten 58 en 59 van deze conclusie heb opgemerkt, de Tweede richtlijn op zich het gezag van rechterlijke beslissingen erkent.
4. Slotopmerkingen
73.
Gelet op een en ander ben ik van mening dat de onderhavige zaak grotendeels vragen aan de orde stelt als de zaak Kotnik e.a. en derhalve op dezelfde wijze moet worden benaderd, wat door de omstandigheden van het hoofdgeding wordt bevestigd.
74.
Volgens verzoekers zou dit erop neerkomen dat het Hof met terugwerkende kracht afstand neemt van zijn eerdere rechtspraak en daarmee het rechtszekerheidsbeginsel schendt.
75.
Dergelijke kritiek is volstrekt ongefundeerd.
76.
Ten eerste gaat een dergelijke zienswijze voorbij aan het verschil tussen een verduidelijking of nuancering van eerdere rechtspraak enerzijds, en een ommekeer in die rechtspraak anderzijds (wanneer het Hof voornemens is van zijn rechtspraak af te wijken, geeft het dit specifiek aan)42.. In plaats van dat in het onderhavige geval van de Pafitis-rechtspraak wordt afgeweken, lijkt die rechtspraak juist eerder te worden bevestigd. Er wordt gewoon onderscheid gemaakt tussen verschillende situaties en de daarvoor relevante rechtspraak.
77.
Ten tweede kan aangaande de toepassing met terugwerkende kracht worden volstaan met de vaststelling dat verzoekers in zoverre gelijk hebben. Deze terugwerkende kracht is echter inherent aan de door de Verdragen ingestelde prejudiciële procedure en kan geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel opleveren43. Hoe dan ook is het Hof in het onderhavige geval niet verzocht de werking in de tijd van zijn uitspraak te beperken, noch is het waarschijnlijk dat het Hof in een dergelijk verzoek zou bewilligen.44.
78.
Ik geef het Hof daarom in overweging om, wat het principiële aspect betreft, op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 8, artikel 25 en artikel 29 van de Tweede richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat zij in beginsel niet in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een rechterlijke instantie, teneinde de verstoring van de economie en het financiële systeem aan te pakken en de bedreiging voor de stabiliteit van bepaalde kredietinstellingen in die lidstaat en van het financieel systeem in het algemeen weg te nemen, alsmede het risico van besmetting van andere lidstaten te beperken, kan gelasten dat een onder die richtlijn vallende naamloze vennootschap die voor de economie van die lidstaat essentieel is en die niet uit zichzelf kan voldoen aan de in die lidstaat geldende voorschriften op het gebied van het prudentieel toezicht op financiële instellingen, door de staat wordt overgenomen zonder dat de algemene vergadering daarmee heeft ingestemd.
79.
Ik moet echter nog op de bijzonderheden van deze zaak ingaan, wat ik bij mijn beantwoording van de tweede vraag zal doen.
C — Tweede vraag
80.
Met zijn tweede vraag wenst de High Court te vernemen of de direction order ‘in strijd met het Unierecht’ is.
81.
Deze beknopte vraag is direct en to the point. Zij doet echter wel enkele vormvragen rijzen.
1. Bevoegdheid van het Hof en ontvankelijkheid van de vraag
82.
De Cypriotische regering is van mening dat de tweede vraag niet-ontvankelijk is omdat daarin niet wordt aangegeven welke bepalingen van het Unierecht relevant zouden kunnen zijn.
83.
Inderdaad wordt in de tweede vraag uitsluitend aan ‘het Unierecht’ gerefereerd.
84.
Ik wijs erop dat het niet aan het Hof is om uit te maken welke Unierechtelijke bepalingen in het hoofdgeding relevant kunnen zijn. Dit is integendeel een verplichting die ingevolge artikel 94, onder c), van het Reglement van de procesvoering op de nationale rechter rust.45.
85.
De tweede vraag is volgens mij ook in twee opzichten problematisch uit het oogpunt van de bevoegdheid van het Hof.
86.
Ten eerste vraagt de verwijzende rechter het Hof in wezen om het Unierecht toe te passen op het feiten van het hoofdgeding, waartoe het Hof echter in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU niet bevoegd is.46.
87.
Ten tweede staat het niet aan het Hof om in het kader van een prejudiciële procedure te oordelen over de verenigbaarheid van nationaal recht met het Unierecht.47.
88.
Hoewel in de verwijzingsbeslissing niet met zoveel woorden duidelijk wordt gemaakt in hoeverre de tweede vraag verschilt van de eerste, lijkt de bedoeling van die vraag mij echter voldoende duidelijk. Terwijl de eerste vraag in algemene bewoordingen is gesteld en ertoe strekt te vernemen of de Tweede richtlijn op zich eraan in de weg staat dat uitvoering wordt gegeven aan elke zonder de goedkeuring van de algemene vergadering genomen maatregel waardoor de krachtens die richtlijn aan de aandeelhouders toekomende rechten worden geschonden — een vraag die naar mijn mening ontkennend moet worden beantwoord —, gaat de tweede vraag specifiek over de omstandigheden van het hoofdgeding. De verwijzende rechter lijkt met andere woorden te willen weten of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde herkapitalisatiemaatregel met het Unierecht in strijd is. De term ‘Unierecht’ is weliswaar vaag, maar we mogen aannemen dat daarmee op zijn minst ook de Tweede richtlijn wordt bedoeld.
89.
Het is vaste rechtspraak dat het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU tot de bevoegdheden van het Hof behoort om de nationale rechter alle interpretatiegegevens met betrekking tot het recht van de Unie aan te reiken, die voor hem van nut kunnen zijn voor zijn beslissing.48.
90.
Conform de suggestie van de Commissie en zoals ik in punt 38 van deze conclusie al heb aangekondigd, zal ik de twee vragen daarom gezamenlijk beantwoorden.
2. Ten gronde
91.
Ik herinner eraan dat de Ierse direction order is uitgevaardigd om te voldoen aan de in artikel 3, lid 5, onder a), en lid 7, onder g), van het uitvoeringsbesluit geformuleerde herkapitalisatievoorwaarde, waarvan de toekenning van de financiële bijstand afhankelijk was gesteld. Zoals in overweging 11 van het uitvoeringsbesluit wordt verklaard, moeten ‘[d]e operaties die de financiële bijstand van de Unie helpt financieren, […] verenigbaar zijn met het uniale beleid en stroken met de uniale wetgeving’. Daaronder vallen niet alleen de positieve rechten die particulieren rechtstreeks aan het Unierecht ontlenen, maar ook de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder de fundamentele rechten, die de lidstaten bij de uitvoering van het Unierecht dienen te eerbiedigen.49. Tot die algemene beginselen behoort niet alleen het in artikel 17 van het Handvest verankerde recht op eigendom50., maar ook het evenredigheidsbeginsel51.. Dit laatste beginsel verlangt van de lidstaten dat zij middelen aanwenden waarmee het door het nationale recht nagestreefde doel weliswaar doeltreffend kan worden bereikt, doch die de doelstellingen en beginselen van de betrokken wettelijke regeling van de Unie zo min mogelijk aantasten.52.
92.
Het is aan de High Court om in het kader van de toetsing van de direction order overeenkomstig section 11 van de Act na te gaan of de in het voorgaande punt genoemde beginselen in acht zijn genomen en, met name, of deze direction order de maatregel vormt die de doelstellingen en beginselen van de Tweede richtlijn zo min mogelijk aantast.
93.
In dit verband moet worden ingegaan op het belangrijkste punt van kritiek dat verzoekers tegen de direction order hebben aangevoerd (zie punt 37 van deze conclusie). Hun bezwaar is in mijn ogen niet dat de herkapitalisatie van ILP onnodig was of dat de Ierse regering de zeggenschap over ILP overnam. Hun kritiek geldt het feit dat de minister de zeggenschap over ILPGH overnam en daarmee het kapitaal confisqueerde dat die onderneming volgens hen vertegenwoordigde op de dag waarop aan de direction order uitvoering werd gegeven.
94.
In de verwijzingsbeslissing noch in de schriftelijke opmerkingen van ILP en ILPGH of Ierland wordt expliciet ingegaan op de vraag waarom de direction order niet alleen gericht was tegen de bank, maar ook tegen de onderneming. Verzoekers stellen dat ILPGH als houdstermaatschappij haar eigen kapitaal had, dat toebehoorde aan haar aandeelhouders en volgens hen vóór de uitvaardiging van de direction order 453 miljoen EUR bedroeg. De enige passage van de verwijzingsbeslissing waarin dat punt ter sprake wordt gebracht, is die volgens welke ‘[d]e aandelenstorting van de onderneming […] niet [werd] meegeteld als deel van de herkapitalisatie en […] niet uit de onderneming [is] gehaald door de minister’.
95.
De terechtzitting heeft op dit punt echter wel iets meer duidelijkheid verschaft. Ierland, ondersteund door ILP en ILPGH, heeft daar verklaard dat het ingrijpen op het niveau van ILPGH ‘geen verschil had gemaakt voor de aandeelhouders van ILPGH. Als de minister had geïntervenieerd op het niveau van ILP, zouden de aandeelhouders de volle eigendom hebben gehad van een ILPGH dat 0,8 % van ILP handen had, in plaats van dat zij voor 0,8 % eigenaar waren van ILPGH’.53. Die partijen hebben verder verklaard dat de direction order in plaats van tot de bank tot ILPGH was gericht teneinde Ierland een rendement op zijn investering te garanderen, aangezien ILPGH — die naar zeggen van de Ierse regering inmiddels weer beursgenoteerd is — werd geacht voor toekomstige kopers aantrekkelijker te zijn.
96.
Die verklaringen zijn van het grootste belang. Zij vinden steun in de context waarin het in punt 22 van deze conclusie genoemde en in het dossier opgenomen akkoord tot stand is gekomen, waaruit blijkt dat het startkapitaal van ILPGH werd bijeengebracht door een inbreng in natura, bestaande uit (min of meer) het volledige aandelenkapitaal in ILP. Bovendien bezat ILPGH, zoals de High Court heeft opgemerkt, geen andere activa dan ILP. De betrokken verklaringen maken daarom duidelijk waarom de High Court heeft vastgesteld dat ‘[h]et faillissement van ILP […] er waarschijnlijk toe [zou hebben] geleid dat de aandeelhouders [van ILPGH] hun volledige kapitaal verloren’.
97.
Als we ervan uitgaan dat die verklaringen correct zijn, moet verzoekers' bewering dat de direction order ongerechtvaardigd is, van de hand worden gewezen. In dat scenario was en is de bank namelijk het enige activum van de onderneming, wat betekent dat het faillissement van de bank de aandelen van de onderneming volstrekt waardeloos zou hebben gemaakt, zoals in de verwijzingsbeslissing staat te lezen. Ik zie dan ook niet in hoe in dat geval inbreuk zou zijn gemaakt op verzoekers' eigendomsrecht. Het lijkt er veeleer op dat verzoekers met hun beroep ‘de zeer substantiële gift’ — om de door ILP en ILPGH in hun schriftelijke opmerkingen gebezigde bewoordingen te gebruiken — trachten te verkrijgen die zij tijdens de BAVA en in de nasleep daarvan niet door de minister aangeboden hebben gekregen.
98.
Dit betekent volgens mij ook dat het onnodig is de juridische consequenties van een mogelijke schending van artikel 8, artikel 25 en artikel 29 van de Tweede richtlijn te onderzoeken. Zoals Ierland opmerkt, wordt het Hof in casu hoe dan ook niet gevraagd zich uit te spreken over de corrigerende maatregelen die in het geval van een bevestigend antwoord op een van beide vragen beschikbaar zouden zijn, en ik zal hier dan ook niet verder op doorgaan.
99.
Overigens is het aan de High Court om na te gaan of de in punt 95 van deze conclusie vermelde verklaringen correct zijn.
100.
Gelet op een en ander moet het gezamenlijke antwoord op de twee vragen luiden zoals aangegeven in punt 78 van deze conclusie, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat middelen aanwendt waarmee het door zijn noodwetgeving nagestreefde doel weliswaar doeltreffend kan worden bereikt, doch die de doelstellingen en beginselen van de Tweede richtlijn zo min mogelijk aantasten. Het is aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of dit het geval is.
IV — Conclusie
101.
Op grond van bovenstaande overwegingen geef ik het Hof in overweging om op de vragen van de High Court (Ierland) te antwoorden dat artikel 8, artikel 25 en artikel 29 van de Tweede richtlijn 77/91/EEG van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het [EEG-]Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken, zoals gewijzigd, aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke een rechterlijke instantie, teneinde de verstoring van de economie en van het financiële systeem aan te pakken en de bedreiging voor de stabiliteit van bepaalde kredietinstellingen in die lidstaat en van het financieel systeem in het algemeen weg te nemen, alsmede het risico van besmetting van andere lidstaten te beperken, kan gelasten dat een onder die richtlijn vallende naamloze vennootschap die voor de economie van die lidstaat essentieel is en die niet uit zichzelf kan voldoen aan de in die lidstaat geldende voorschriften op het gebied van het prudentieel toezicht op financiële instellingen, door de staat wordt overgenomen zonder dat de algemene vergadering daarmee heeft ingestemd. Die lidstaat dient echter middelen aan te wenden waarmee het door de genoemde wetgeving nagestreefde doel weliswaar doeltreffend kan worden bereikt, doch die de doelstellingen en beginselen van de Tweede richtlijn zo min mogelijk aantasten. Het is aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of dit het geval is.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑06‑2016
Oorspronkelijke taal: Engels.
Conclusie in de zaak Kotnik e.a. (C-526/14, EU:C:2016:102).
Tweede richtlijn van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het [EEG-]Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1977, L 26, blz. 1), zoals gewijzigd.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB L 125, blz. 15).
Uitvoeringsbesluit van de Raad van 7 december 2010 tot verlening van financiële bijstand van de Unie aan Ierland (PB 2011, L 30, blz. 34), zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit 2011/326/EU van de Raad van 30 mei 2011 tot wijziging van uitvoeringsbesluit 2011/77/EU van de Raad van 7 december 2010 tot verlening van financiële bijstand van de Unie aan Ierland (PB L 147, blz. 17).
Verordening van de Raad van 11 mei 2010 houdende instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme (PB L 118, blz. 1), die zelf artikel 122, lid 2, VWEU als rechtsgrondslag heeft.
Blijkens een op dat akkoord betrekking hebbende circulaire, die is opgenomen in het aan het Hof voorgelegde dossier, was tot die tijd ILP tegelijkertijd opgetreden als houdstermaatschappij van de groep en als vergunninghoudende kredietinstelling, die zich bezighield met de bankactiviteiten van de groep. Op 20 november 2009 stelde de directie van ILP met het oog op een verbetering van de groepsstructuur aan de aandeelhouders voor om een nieuwe, beursgenoteerde houdstermaatschappij als enige holding van de groep te laten fungeren. Er werd daarom voorgesteld dat de onderneming die ILPGH zou worden, het volledige aandelenkapitaal van ILP zou overnemen en dat de bestaande aandeelhouders van ILP in plaats daarvan aandeelhouders van de toekomstige onderneming ILPGH zouden worden, volgens een verhouding 1:1.
Besluit C(2011) 5258 definitief van 20 Juli 2011 betreffende steunmaatregel SA.33311 (2011/N) — Ierland — Herkapitalisatie als reddingsmaatregel ten gunste van ILPGH (summiere publicatie in PB 2011, C 268, blz. 4 en 5), en besluit C(2015) 2353 definitief van 9 april 2015 betreffende staatssteunmaatregel SA.33442 (2011/N) — Ierland — Herstructurering van ILPGH (summiere publicatie in PB 2015, C 219, blz. 1 en 2).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PB L 142, blz. 12). De goedkeuring was onder meer afhankelijk van de voorwaarde dat niet zou worden verzocht om nietigverklaring van een door de High Court uitgevaardigde direction order.
Zie arresten van 27 november 2012, Pringle (C-370/12, EU:C:2012:756), en 16 juni 2015, Gauweiler e.a. (C-62/14, EU:C:2015:400).
Zie onder meer beschikking van 24 maart 2011, Abt e.a. (C-194/10, EU:C:2011:182), arrest van 3 april 2014, Commissie/Nederland en ING Groep (C-224/12 P, EU:C:2014:213), arrest van het EVA-Hof, Toezichthoudende Autoriteit van de EVA/IJsland (E-16/11, [2013] EFTA Ct. Rep., 4), arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português (C-667/13, EU:C:2015:151), beschikking van 15 oktober 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português/Commissie (C-93/15 P, EU:C:2015:703), en arresten van 12 november 2015, HSH Investment Holdings Coinvest-C en HSH Investment Holdings FSO/Commissie (T-499/12, EU:T:2015:840), en 28 januari 2016, Oostenrijk/Commissie (T-427/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:41). Zie ook de nog aanhangige zaken Fih Holding en Fih Erhvervsbank/Commissie (T-386/14), Ledra Advertising e.a./Commissie en ECB (C-8/15 P, C-9/15 P en C-10/15 P), en Mallis en Malli/Commissie en ECB (C-105/15 P–C-109/15 P).
C-526/14, EU:C:2016:102.
Zie ook de eerste overweging van de Tweede richtlijn, volgens welke ‘[naamloze vennootschappen] in de economie van de lidstaten een zeer grote rol spelen en hun werkzaamheden zich dikwijls uitstrekken tot buiten de grenzen van hun grondgebied’.
Zie in die zin arrest van 12 mei 1998, Kefalas e.a. (C-367/96, EU:C:1998:222, punt 25).
Artikel 17, lid 1, van de Tweede richtlijn bepaalt dat ‘[i]ndien een belangrijk deel van het geplaatste kapitaal verloren is gegaan, […] de algemene vergadering van aandeelhouders binnen een in de wetgevingen van de lidstaten vastgestelde termijn [wordt] bijeengeroepen, teneinde na te gaan of het noodzakelijk is de vennootschap te ontbinden of andere maatregelen te nemen’; zie ook arrest van 12 mei 1998, Kefalas e.a.(C-367/96, EU:C:1998:222, punt 25).
Zie arrest van 10 mei 1995, Alpine Investments (C-384/93, EU:C:1995:126, punten 42–44).
Zie onder meer arresten van 9 maart 2006, Matratzen Concord (C-421/04, EU:C:2006:164, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie naar analogie met name ook arrest van 16 juni 2015, Rina Services en Rina (C-593/13, EU:C:2015:399, punten 37–40).
Arrest van 12 maart 1996, Pafitis e.a. (C-441/93, EU:C:1996:92, punten 49 en 50).
C-526/14, EU:C:2016:102.
Zie de uitspraak in de zaak Dowling e.a./minister van Financiën [2014] IEHC 595, punt 74 (betreffende een verzoek om een rechterlijk bevel).
Zie arresten van 24 maart 1992, Syndesmos Melon Tis Eleftheras Evangelikis Ekklisias e.a. (C-381/89, EU:C:1992:142); 30 mei 1991, Karella en Karellas (C-19/90 en C-20/90, EU:C:1991:229); 12 november 1992, Kerafina-Keramische und Finanz-Holding en Vioktimatiki (C-134/91 en C-135/91, EU:C:1992:434); 12 maart 1996, Pafitis e.a. (C-441/93, EU:C:1996:92); 12 mei 1998, Kefalas e.a. (C-367/96, EU:C:1998:222), en 23 maart 2000, Diamantis (C-373/97, EU:C:2000:150).
Arrest van 12 maart 1996 (C-441/93, EU:C:1996:92, punt 57).
Zie in die zin arrest van 12 mei 1998, Kefalas e.a. (C-367/96, EU:C:1998:222, punt 28).
Zie bijvoorbeeld artikel 19, lid 2, van de Tweede richtlijn, waarin is bepaald dat ‘[d]e wetgeving van een lidstaat mag afwijken van [het vereiste dat de algemene vergadering toestemming moet geven voor de verkrijging van eigen aandelen] indien de verkrijging van eigen aandelen noodzakelijk is ter vermijding van dreigend ernstig nadeel voor de vennootschap’.
Zie titel VIII van deel III van het VWEU, betreffende het economisch en monetair beleid, alsook artikel 3.3 van Protocol nr. 4 betreffende de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.
Gezien het arrest van 12 maart 1996, Pafitis e.a. (C-441/93, EU:C:1996:92, punten 43 en 51), noem ik in dit verband eerst en vooral richtlijn 2001/24 en richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 betreffende de depositogarantiestelsels (PB L 135, blz. 5), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 tot wijziging van richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft (PB L 68, blz. 3). Hoewel niet van toepassing ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, bevestigen andere richtlijnen die ontwikkeling, zoals richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (herschikking), en richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173, blz. 190; zie met name artikel 123 van deze richtlijn).
In tegenstelling wellicht tot meer gangbare voorbeelden van herkapitalisatie, waarbij ofwel de aandeelhouders worden onteigend, ofwel vermogensbestanddelen worden overgeheveld van een oude of ‘bad’ bank naar een ‘nieuwe’ bank (dikwijls gevolgd door de opening van een insolventieprocedure met betrekking tot de ‘bad’ bank), kwam de herkapitalisatie in de onderhavige zaak neer op een vorm van ‘cohabitatie’ van de minister en de overige aandeelhouders van ILGPH. Blijkens het dossier werd aan een kapitaalverhoging de voorkeur gegeven om redenen die verband houden met het Ierse constitutionele recht.
Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (PB C 216, blz. 1).
Richtlijn 2012/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 54, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (herschikking) (PB L 315, blz. 74).
Zie in die zin arrest van 23 maart 2000, Diamantis (C-373/97, EU:C:2000:150, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 27 november 2012, Pringle (C-370/12, EU:C:2012:756, punt 65).
Zie artikel 5, lid 2, artikel 20, lid 1, onder d) en g), en artikel 32, lid 2, van de Tweede richtlijn.
Zie met betrekking tot de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken artikel 7 van protocol nr. 4 betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank.
Arrest van de High Court van 2 maart 2012, Irish Life and Permanent Group Holdings plc/Credit Institutions Stabilisation Act 2010 [2012] IEHC 89, punt 31; arrest van de Supreme Court (Ierland) van 19 december 2013, Dowling e.a./minister van Financiën [2013] IESC 58, punt 41, en arrest van de High Court van 15 augustus 2014, Dowling e.a./minister van Financiën [2014] IEHC 418, punten 38.34 en 38.36.
C-526/14 (EU:C:2016:102, punten 131–144).
Wat het eerste vereiste betreft: de direction order is een door de bevoegde Ierse rechterlijke instantie vastgestelde maatregel; zie section 2, paragraaf 1, van de Act, waarin staat te lezen dat met ‘rechterlijke instantie’ in de Act de High Court wordt bedoeld. Ook aan het tweede vereiste wordt voldaan: in punt E van de direction order heeft de High Court overeenkomstig section 9, paragraaf 3, van de Act (zie ook section 52 van de Act) verklaard dat de direction order met dat doel werd uitgevaardigd. Tot slot volgt uit punt E van de direction order dat dit bevel overeenkomstig richtlijn 2001/24 en de Act volledige werking moet hebben in alle in aanmerking komende rechtsorden. De direction order kan dus in overeenstemming met de sections 53 en 61 van de Act de rechten van derden aantasten.
Zie in die zin arrest van 29 juni 2010, Commissie/Bavarian Lager (C-28/08 P, EU:C:2010:378, punt 56).
Richtlijn 2001/24 is vastgesteld op de grondslag van artikel 47, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 53, lid 1, VWEU), terwijl de Tweede richtlijn artikel 53, lid 3, onder g), EEG-Verdrag [thans artikel 50, lid 2, onder g), VWEU] als rechtsgrondslag heeft.
Zie de tweede overweging van de Tweede richtlijn. Zie ook arrest van 12 maart 1996, Pafitis e.a. (C-441/93, EU:C:1996:92, punt 38).
Arrest van 24 oktober 2013, LBI (C-85/12, EU:C:2013:697, punt 39).
Arrest van 12 maart 1996, Pafitis e.a. ( C-441/93, EU:C:1996:92).
Zie voor klassieke voorbeelden hiervan arresten van 17 oktober 1990, HAG GF (C-10/89, EU:C:1990:359, punt 10), 24 november 1993, Keck en Mithouard (C-267/91 en C-268/91, EU:C:1993:905, punt 16), en 25 juli 2008, Metock e.a. (C-127/08, EU:C:2008:449, punt 58).
Zie in die zin arrest van 19 april 2016, DI (C-441/14, EU:C:2016:278, punten 39 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie ter illustratie van de strikte criteria waarin in dit verband dient te worden voldaan, arrest van 23 november 2014, Schulz en Egbringhoff (C-359/11 en C-400/11, EU:C:2014:2317, punten 54–64), in het licht van de door mij in die zaak genomen conclusie (EU:C:2014:319, punten 69–77).
Zoals in punt 23 van de aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2012, C 338, blz. 1) staat te lezen, dienen ‘[d]e voor de zaak relevante bepalingen van het recht van de Unie […] zo nauwkeurig mogelijk te worden aangegeven in het verzoek om een prejudiciële beslissing’.
Zie in die zin arrest van 6 september 2011, Patriciello (C-163/10, EU:C:2011:543, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 1 maart 2012, Ascafor en Asidac (C-484/10, EU:C:2012:113, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 6 september 2011, Patriciello (C-163/10, EU:C:2011:543, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 13 juli 1989, Wachauf (5/88, EU:C:1989:321, punt 19), en artikel 51, lid 1, van het Handvest.
Het is mij niet ontgaan dat de ECB, na te zijn geraadpleegd, te kennen heeft gegeven dat de uit de Act voortvloeiende ‘noodbevoegdheden de eigendomsrechten van de aandeelhouders van instellingen aanzienlijk aantasten’; zie advies van 17 december 2010 inzake noodstabilisatie van kredietinstellingen (CON/2010/92), punt 2.4. Met betrekking tot het uit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM voortvloeiende recht van aandeelhouders op het ongestoord genot van hun bezittingen in relatie tot een overname van een kredietinstelling door een staat, verwijs ik onder meer naar het arrest van het EHRM van 21 juli 2015, Cıngıllı Holding A.Ş. en Cıngıllıoğlu/Turkije, ECLI:CE:ECHR:2015:0721JUD003183306, §§ 49–51 en de aldaar aangehaalde rechtspraak. Zie ook mijn conclusie in de zaak Kotnik e.a. (C-526/14, EU:C:2016:102, voetnoten 55 en 57).
Zie onder meer arrest van 11 januari 2000, Kreil (C-285/98, EU:C:2000:2, punt 23).
Zie arrest van 18 december 1997, Molenheide e.a. (C-286/94, C-340/95, C-401/95 en C-47/96, EU:C:1997:623, punt 46).
Ik voeg hieraan toe dat de raadsman van ILP en ILPGH ter zitting heeft verklaard dat de 453 miljoen EUR op een agiorekening stond en bovenop de nominale waarde van de aandelen ten tijde van een eerdere uitgifte was gestort. Dat kapitaal was echter verloren gegaan en/of opgebruikt.