Hof 's-Hertogenbosch, 04-07-2022, nr. 200.301.065, 01
ECLI:NL:GHSHE:2022:3106
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
04-07-2022
- Zaaknummer
200.301.065_01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2022:3106, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 04‑07‑2022; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2022:507
ECLI:NL:GHSHE:2022:507, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 17‑02‑2022; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2022:3106
- Wetingang
art. 336a Burgerlijk Wetboek Boek 1
art. 336a Burgerlijk Wetboek Boek 1
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑07‑2022
Inhoudsindicatie
Artikel 1:336a BW doorbreken appelverbod. Na rapportage van de bijzondere curator gaan de minderjarigen terug naar het pleeggezin.
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 4 juli 2022
Zaaknummer: 200.301.065/01
Zaaknummers eerste aanleg: C/02/387777 / JE RK 21-1492 (beschikking 14 juli 2021)
en C/02/387777 / JE RK 21-1492 + C/02/387811/JE RK 21/1502 (beschikking 23 juli 2021)
in de zaak in hoger beroep van:
[de pleegmoeder] ,
wonende te
[woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI of de voogd.
Deze zaak gaat over:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
hierna ook samen te noemen: de kinderen,
in rechte vertegenwoordigd door mr. drs. A.M. Beijersbergen-van Bosveld Heinsius, werkzaam te Utrecht, in haar hoedanigheid van bijzondere curator voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hierna te noemen: de bijzondere curator.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
5. De beschikking d.d. 17 februari 2022
5.1.
Bij die beschikking heeft het hof tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (apart voor ieder kind) benoemd mr. drs. A.M. Beijersbergen- van Bosveld Heinsius, werkzaam bij O2 Mediation te Utrecht, om in deze procedure de belangen van beide kinderen te behartigen met de taakomschrijving zoals onder r.o. 3.10.7 en 3.10.8 van die beschikking is beschreven.
De taak van de bijzondere curator is er in deze zaak in gelegen dat zij ervoor zorgt dat de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zo goed mogelijk worden belicht en dat de kinderen zich ook gehoord voelen. Het hof heeft de bijzondere curator in dit verband verzocht om te onderzoeken:
- hoe het met de kinderen gaat en wat hun mogelijkheden en kwetsbaarheden zijn;
- of zij in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk vond en vindt dat zij – hetzij tijdelijk – werden overgeplaatst naar een andere plek;
- en als het verblijf op een andere plek niet (meer) noodzakelijk is, wat er dan voor nodig is om [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] bij pleegmoeder terug te laten keren;
- of en zo ja welke hulp [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben voor hun individuele problematiek;
- of zij nog andere relevante bevindingen heeft gedaan die relevant zijn en die zij met het hof wil delen?
5.2.
Het hof heeft de bijzondere curator verzocht om een verslag uit te brengen omtrent haar bevindingen en om vanuit het belang van de kinderen het hof te adviseren over, met name, de beslissing die het hof dient te nemen als het gaat om de vraag of de verblijfplaats van de kinderen bij de pleegmoeder in stand dient te blijven of niet.
5.3.
De bijzondere curator is opgedragen om voor 3 mei 2022 verslag uit te brengen, althans voor die datum het hof schriftelijk te berichten over de voortgang van haar werkzaamheden.
Daarbij is bepaald dat partijen en de raad tot uiterlijk twee weken na toezending van het verslag van de bijzondere curator daarop schriftelijk aan het hof kunnen reageren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juli 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de pleegmoeder, bijgestaan door mr. Dorhout-Tielken,
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ,
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ,
- de bijzondere curator.
6.2.
Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.
Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de voorzitter buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden met hen gesproken. De persoonlijk begeleidster van de kinderen, [persoonlijk begeleidster] , was, op uitdrukkelijk verzoek van de meisjes en met toestemming van het hof, bij dit gesprek aanwezig.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
6.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het rapport van de bijzondere curator d.d. 2 mei 2022;
- een V-formulier met een brief van de advocaat van de pleegmoeder d.d. 16 mei 2022;
- een V-formulier met producties van de advocaat van de pleegmoeder d.d. 22 juni 2022;
- een brief met bijlage van de GI d.d. 27 juni 2022.
7. De verdere beoordeling
7.1.
In het verslag dat op 2 mei 2022 bij het hof is ingediend (hierna: het verslag) heeft de bijzondere curator, samengevat, het volgende geadviseerd.
In plaats van de uithuisplaatsing van beide kinderen destijds zou een meer adequate regeling zijn geweest als er tussentijds alleen een oplossing voor [minderjarige 1] gezocht zou zijn. De pleegmoeder was het er mee eens dat [minderjarige 1] tijdelijk op een andere plek zou verblijven. De veronderstelde tijdelijkheid is echter onverhoopt omgezet in een volledige wijziging van het verblijf van beide kinderen. Gaande deze strijd, die is ontstaan tussen de pleegmoeder en de voogd, is het specifieke eigen belang van de kinderen uit het oog verloren.
De kinderen voelen zich niet op hun plaats op [instelling] en willen graag weer terug naar de pleegmoeder. Vanwege hun laag verstandelijke vermogens zijn de kinderen zeer kwetsbaar. Alle dagelijkse dingen kunnen zij correct uitvoeren, maar zij hebben toch duidelijke hulp en begeleiding nodig. Dit blijkt met name uit het gegeven dat zij makkelijk te beïnvloeden zijn. Tot op heden is er nog altijd geen goede, liefdevolle opvang voor de kinderen gerealiseerd.
De meest ideale oplossing is de kinderen terug te plaatsen naar de pleegmoeder. Belangrijk is dan wel dat er daarbij adequate systemische hulp wordt ingezet voor zowel de kinderen als de pleegmoeder. Voor de individuele problematiek van de kinderen lijkt een gedragstherapeutische aanpak en EMDR het meest geschikt. De kinderen zien in dat zij om terug te kunnen keren naar de pleegmoeder die hulp nodig hebben. Ook is het nodig dat de pleegmoeder hulp krijgt. Zij moet zich daarvoor openstellen.
De bijzondere curator heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd naar voren gebracht dat ook de vader en de voogd bij de systeemtherapie betrokken moeten worden.
7.2.
De pleegmoeder heeft in haar schriftelijke reactie op het verslag, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling d.d. 4 juli 2022, samengevat, het volgende aangevoerd.
De pleegmoeder maakt zich veel zorgen over de kinderen. Zij heeft de indruk dat de uithuisplaatsing van de kinderen eerder schade aan hun ontwikkeling heeft toegebracht dan dat de kinderen erbij gebaat zijn geweest. Alleen al wat betreft onderwijs moet het afgelopen jaar als verloren worden beschouwd. De pleegmoeder staat achter de inzet van hulpverlening en is bereid aan alle vormen van hulpverlening mee te werken. In het verleden heeft zij daaraan ook steeds medewerking verleend. De pleegmoeder wil met de GI in gesprek, maar de GI wil dat niet, waarbij niet duidelijk is wat de reden daarvan is. Het doel van de pleegmoeder is om de kinderen groot te brengen op een plek waar zij horen. De kinderen moeten zelfstandig worden en zich op een gezonde manier, passend bij hun kwetsbaarheid, verder kunnen ontwikkelen.
7.3.
De GI heeft in haar schriftelijke reactie op het verslag, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling d.d. 4 juli 2022, samengevat, het volgende aangevoerd.
De GI heeft veel twijfels bij een eventuele thuisplaatsing, gelet op de gebeurtenissen in het verleden. Vanaf de pubertijd is het niet goed gegaan in de thuissituatie van de pleegmoeder en de kinderen. Er is destijds hulpverlening ingezet, maar met onvoldoende resultaat. De kinderen hebben na de wijziging van hun verblijf stappen gezet, maar de GI weet niet of de situatie bij de pleegmoeder is veranderd. Er is niet duurzaam aangetoond, bijvoorbeeld door inzet van intensieve begeleiding, dat het in de thuissituatie nu beter zal gaan. Het resultaat van het diagnostiekonderzoek door [instantie] dient eerst afgewacht te worden. Op basis daarvan moet gekeken worden wat de kinderen nodig hebben en welke mogelijkheden er zijn. [minderjarige 1] is inmiddels aangemeld op middelbare school [school] . De verwachting is dat zij daar zal worden toegelaten. Als het advies voor [minderjarige 2] ook plaatsing op die school is, gaat de GI daarmee aan de slag. De aanmelding op school staat los van de plaatsing van de kinderen. Op korte termijn is een groot overleg nodig met de pleegmoeder, de pleegvader, [instelling] en de GI over de onderlinge samenwerking.
Indien het hof van oordeel is dat de kinderen teruggeplaatst moeten worden voordat het diagnostiekonderzoek is afgerond, dan verzoekt de GI kenbaar te maken welke hulpverlening ingezet moet worden. Er is tijd nodig om de inzet van hulpverlening te realiseren.
7.4.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende geadviseerd. De kinderen moeten terug geplaatst worden bij de pleegmoeder. Deze boodschap moet heel duidelijk zijn. Wel moet gekeken worden op welke wijze terugplaatsing kan en onder welke voorwaarden. De raad heeft de meeste zorg bij de geslotenheid van de gezinssituatie. Het conflict tussen de GI en de pleegmoeder heeft daarin een rol gespeeld. De inzet van systeemtherapie is heel belangrijk. Daarnaast is ook individuele hulp belangrijk en openheid vanuit de pleegmoeder naar de voogd. De kinderen dienen verder een vertrouwenspersoon te hebben waar zij terecht kunnen. Dat kan ook iemand uit het netwerk zijn.
8. De beslissing
ten aanzien van de voorlopige toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1]
8.1.
Bij beschikking van 14 juli 2021 heeft de kinderrechter voorlopige toestemming aan de GI verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] naar een gezinshuis [gezinshuis] voor de duur van twee weken, met ingang van 14 juli 2021 tot 28 juli 2021.
8.2.
De pleegmoeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte het verzoek van de GI met toepassing van het bepaalde in artikel 800 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), heeft toegewezen.
8.3.
Het hof overweegt ten aanzien het door de pleegmoeder ingestelde hoger beroep tegen de (spoed)beschikking van 14 juli 2021 als volgt.
8.3.1.
Het hof stelt voorop dat bij een beschikking, zoals deze, die inbreuk maakt op het familie- en gezinsleven van (pleeg)ouders en minderjarigen vanzelfsprekend grote terughoudendheid dient te worden betracht bij het geven van een beschikking zonder daarbij belanghebbenden te horen.
8.3.2.
Artikel 800 lid 3 Rv geeft de mogelijkheid om bij een aantal gevallen waarbij het om minderjarigen gaat, aanstonds een beschikking te geven indien de behandeling van het verzoek daartoe niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Het gaat hierbij om beschikkingen tot een voorlopige ondertoezichtstelling, een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, een beschikking tot voorlopige voogdij en de beschikking tot het wijzigen van een verblijfplaats van een minderjarige door de GI, als bedoeld in artikel 1:265i BW. Verder is artikel 800 lid 3 Rv ook van toepassing op het verlenen van een spoedmachtiging om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en verblijven. Artikel 1:336a BW, waar het in dit geval om gaat staat niet bij deze limitatieve opsomming genoemd.
8.3.3.
Naar het oordeel van het hof kunnen er echter in uitzonderlijke gevallen dermate bijzondere feiten en omstandigheden zijn dat een kinderrechter toch een beslissing ingevolge artikel 1:336a BW aanstonds geeft, analoog aan de in artikel 800 lid 3 Rv genoemde overige gevallen, meer in het bijzonder aan dat van artikel 1:265i BW. Wanneer de veiligheid van de minderjarige zo onmiddellijk en ernstig wordt bedreigd en dit door een GI aan de kinderrechter wordt gemeld zal de kinderrechter ook in het licht van artikel 3 van het IVRK een beslissing moeten nemen om de minderjarige op dat moment te beschermen. Van belang hierbij is dat de GI een professionele instantie is, waarvan verwacht moet worden dat deze de situatie goed kan inschatten en alle feiten en omstandigheden naar eer en geweten aan de kinderrechter meldt. Hoewel het beoordelingskader van artikel 1:265i BW en 1:336a BW van elkaar verschilt, gaat het in beide gevallen om de inschatting van de GI dat een minderjarige direct moet worden verplaatst uit een pleeggezin waar het al langer dan een jaar verblijft omdat er anders ernstig en onmiddellijk gevaar voor de minderjarige dreigt.
8.4.
Het hof komt daarom toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep.
8.5.
Gelet op de informatie die op het moment dat de bestreden beschikking is genomen bekend was over de conflictueuze situatie tussen [minderjarige 1] en de pleegmoeder, de oplopende spanning, de forse (systemische) problematiek, de ernstige zorgen die over [minderjarige 1] bestonden en de escalatie die door de GI die zelfde dag werd voorzien als [minderjarige 1] over de plaatsing in het gezinshuis werd geïnformeerd terwijl de pleegmoeder die dag aan de GI had gemeld zich daartegen te zullen verzetten, is het hof van oordeel dat de kinderrechter destijds niet anders kon beslissen dan dat wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] met onmiddellijke ingang moest plaatsvinden om haar veiligheid te kunnen waarborgen.
Het hof zal daarom de bestreden beschikking van 14 juli 2021 bekrachtigen.
ten aanzien van de toestemming tot wijziging van het verblijf van de kinderen
8.6.
Bij beschikking van 23 juli 2021 heeft de kinderrechter aan de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van de kinderen in een gezinshuis en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
8.7.
Gezien de rapportage en het advies van de bijzondere curator d.d. 2 mei 2022, de rapportage en het advies van [instantie] d.d. 22 juni 2022 (door de GI bij haar brief van 23 juni 2022 overgelegd) en het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling, is het hof van oordeel dat de kinderen weer terug bij de pleegmoeder moeten worden geplaatst. Uit alle stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het niet goed gaat met beide kinderen op [instelling] . Ze houden zich weliswaar bewonderingswaardig staande, maar komen binnen deze situatie niet toe aan hun ontwikkelingstaken. De inschatting is dat zij daar bij de pleegmoeder wel weer aan toe zullen komen. [minderjarige 1] is de hele periode op [instelling] niet meer naar school geweest (terwijl zij dit zelf heel graag wilde). Het is voor alle betrokkenen, inclusief de kinderen duidelijk dat er zo snel mogelijk goede hulpverlening moet worden ingezet. Die noodzakelijke hulp (systemische en individuele hulp) dient zo spoedig mogelijk worden opgestart. De GI heeft de taak om in samenspraak met [instelling] , waar beide kinderen nu nog verblijven, en zo mogelijk met adviezen van de bijzondere curator, deze hulpverlening te realiseren.
Het hof is bij zijn oordeel uitgegaan van de gedane toezeggingen tijdens de mondelinge behandeling en het gesprek met de kinderen. De kinderen en de moeder hebben toegezegd dat zij zich zullen openstellen voor en medewerking zullen verlenen aan de in te zetten hulpverlening. De GI heeft toegezegd dat zij uitvoering zal geven aan de uitspraak van het hof en dat zij in gesprek zal gaan met de pleegmoeder, de pleegvader en [instelling] . Het hof acht het daarnaast belangrijk dat er voor de gesprekken tussen de GI en de pleegmoeder begeleiding komt om de strijd die tussen hen is ontstaan op te lossen.
Het hof rekent op ieders inzet en medewerking om, ook zolang de hulpverlening nog niet is gestart, de thuisplaatsing van de kinderen te laten slagen. Gelet op alle omstandigheden, zoals het tijdsverloop en de duur van het verblijf op [instelling] , de zaken die nog moeten worden geregeld en een zorgvuldige afronding van het verblijf op [instelling] , komt het hof de datum van 22 juli 2022 (de eerste dag van de schoolvakantie) als een goede datum voor om terug te keren naar de pleegmoeder.
8.8.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beslissing van de rechtbank vernietigen en bepalen dat de kinderen met ingang van de zomervakantie, op 22 juli 2022, hun verblijfplaats hebben bij de pleegmoeder, met als taak voor de GI om in samenspraak met [instelling] , en mogelijk met adviezen van de bijzondere curator, de hulpverlening te realiseren.
ten aanzien van de bijzondere curator
8.7.
Het hof zal de bijzondere curator van haar taak ontslaan.
9. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 23 juli 2021;
bepaalt dat [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , met ingang van 22 juli 2022 hun verblijfplaats hebben bij de pleegmoeder, met als taak voor de GI om in samenspraak met [instelling] , en zo mogelijk met adviezen van de bijzondere curator, de hulpverlening te realiseren;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 14 juli 2021;
ontslaat de bijzondere curator van haar taak.
Deze beschikking is mondeling en in het openbaar gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.D.M. Lamers en E.M.C. Dumoulin op 4 juli 2022 in tegenwoordigheid van de griffier. De schriftelijke uitwerking is op 18 juli 2022 vastgesteld en door mr. E.M.C. Dumoulin ondertekend.
Uitspraak 17‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Doorbreking appelverbod - hoger beroep van pleegmoeder tegen beslissing rechtbank wijziging verblijfplaats pleegkinderen op grond van 1:336a BW. Benoeming bijzondere curator.
Partij(en)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 17 februari 2022
Zaaknummer : 200.301.065/01
Zaaknummers 1e aanleg: C/02/387777 / JE RK 21-1492 (beschikking 14 juli 2021)
en C/02/387777 / JE RK 21-1492 + C/02/387811/JE RK 21/1502 (beschikking 23 juli 2021)
in de zaak in hoger beroep van:
[de pleegmoeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
In het kort
De pleegmoeder is het er niet mee eens dat de rechtbank aan de GI toestemming heeft verleend om het verblijf van haar pleegkinderen, de 15-jarige tweeling [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , te wijzigen.
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 14 juli 2021 en 23 juli 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2. Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2021, heeft de pleegmoeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de GI af te wijzen, althans dat het hof een beslissing geeft die het hof juist acht.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 december 2021, heeft de GI verzocht:
- -
primair: om de pleegmoeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep;
- -
subsidiair: om het hoger beroep van de pleegmoeder af te wijzen en de bestreden beschikkingen in stand te laten.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 januari 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- -
de pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat;
- -
de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- -
de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] .
Als toehoorder heeft in de zaal een stagiaire van de raad plaatsgenomen, mevrouw [stagiaire] .
2.4.
Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zij hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en de raad een gesprek gehad met de voorzitter in bijzijn van de griffier. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.5.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 23 juli 2021;
- -
het V-formulier van 6 januari 2022 met bijlagen van de advocaat van de pleegmoeder;
- -
de door de kinderen overgelegde brieven (met bijlagen) tijdens het kindgesprek;
- -
de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de pleegmoeder overgelegde pleitnota.
3. De beoordeling
3.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op [geboortedatum] 2006 geboren in [geboorteplaats] . De pleegmoeder zorgt sinds 2011 voor de kinderen. In 2013 is het gezag van de ouders over de kinderen beëindigd. De GI heeft sindsdien de voogdij.
3.2.
Op 14 juli 2021 heeft de GI de rechtbank om toestemming verzocht om het verblijf van beide kinderen te wijzigen naar gezinshuis [gezinshuis] .
Eerste bestreden beschikking: 14 juli 2021
3.3.
Bij deze – uitvoerbaar bij voorraad – verklaarde beschikking heeft de rechtbank aan de voogd voorlopige toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] naar een gezinshuis [gezinshuis] voor de duur van twee weken, met ingang van 14 juli 2021 tot 28 juli 2021.
Voor de volledigheid: bij beschikking van 15 juli 2021 heeft de rechtbank het verzoek om met spoed zonder horen toestemming te verlenen om het verblijf van [minderjarige 2] te wijzigen, afgewezen.
Tweede bestreden beschikking: 23 juli 2021
3.4.
Bij deze – uitvoerbaar bij voorraad – verklaarde beschikking heeft de rechtbank aan de GI toestemming verleend om de verblijfplaats van de kinderen te wijzigen in een gezinshuis.
3.5.
Naar aanleiding van de bestreden beschikkingen, is [minderjarige 2] eerst geplaatst binnen een besloten setting. Op 30 september 2021 is zij overgeplaatst naar de [instelling] .
[minderjarige 1] heeft eerst op een crisisplek gezeten, maar is op 17 november 2021 ook geplaatst bij de [instelling] (op een andere groep dan haar zus [minderjarige 2] ).
3.6.
De pleegmoeder kan zich met beide bestreden beschikkingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, voert zij – kort samengevat – het volgende aan.
De rechtbank had op het verzoek van de GI van 14 juli 2021 geen beslissing mogen nemen zonder de pleegmoeder en de kinderen daartoe vooraf op te roepen. Dit omdat een beslissing op een verzoek tot het verlenen van toestemming de verblijfplaats te wijzigen op grond van artikel 1:336a BW niet behoort tot beslissingen die op grond van artikel 800 lid 3 Rv kunnen worden gegeven zonder mondelinge behandeling. De wijziging van de verblijfplaats is uitgevoerd zonder rechtsgrond en was onrechtmatig. Dit klemt temeer omdat er geen sprake was van een ernstig onveilige situatie. De wijziging van de verblijfplaats heeft daarnaast op volstrekt disproportionele wijze (met politieoptreden) plaatsgevonden.
Ook de beslissing van 23 juli 2021 is op foute gronden genomen. De kinderen worden al vanaf hun vijfde levensjaar door de pleegmoeder verzorgd en opgevoed. Zij hebben een hechte band met haar en beschouwen haar als ‘mama’. De pleegmoeder stond altijd open voor de noodzakelijke hulpverlening voor de kinderen en is een zeer ervaren pleegmoeder. Sinds haar 17e zorgt ze al voor pleegkinderen en zij heeft meer dan tien pleegkinderen in huis gehad, variërend van baby tot puber. De GI heeft ten onrechte gekozen voor de meest zware maatregel, terwijl er ook alternatieve mogelijkheden waren die voor de kinderen en voor de pleegmoeder minder ingrijpend zouden zijn geweest. Deeltijdpleegzorg was ook een mogelijkheid geweest.
Er is ook strijd met artikel 8 EVRM. De voogd beperkt de contacten tussen de pleegmoeder en de kinderen steeds meer.
De pleegmoeder pleit al langer voor een uitgebreid psychologisch onderzoek van de meisjes en zij staat open voor nader onderzoek naar zichzelf, indien gewenst. Zij ondersteunt het ook als het hof een bijzondere curator zou benoemen voor de kinderen en betreurt het dat de kinderrechter het verzoek daartoe van de meisjes heeft afgewezen. De pleegvader vindt dit volgens haar ook een goed idee.
3.7.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld, tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende aan.
De pleegmoeder belastte de kinderen met haar boosheid en emoties. Het front (tweeling en pleegmoeder) werd gesloten en de pleegmoeder wilde niemand toelaten om het blok (het verbond tussen haar en de tweeling) uit elkaar te halen. De ontstane symbiotische relatie tussen de pleegmoeder en [minderjarige 2] en de moeizame relatie tussen de pleegmoeder en [minderjarige 1] was op dat moment onaantastbaar en onbereikbaar voor alle betrokken hulpverlening en de GI. De tweeling werd door de pleegmoeder meegenomen in haar strijd tegen de buitenwereld, de bedreigende buitenwereld die haar opgebouwde binnenwereld wilde verstoren.
Er was grote zorg over de ontstane situatie bij de pleegmoeder thuis; er werd gegild en gekrijst. Het was al langer duidelijk dat [minderjarige 1] fysieke confrontaties niet schuwde. De politie is om assistentie gevraagd bij de uithuisplaatsing. De pleegmoeder heeft jarenlang voor een onveilige woonomgeving/opvoedklimaat gezorgd. Zij beschermde en isoleerde de tweeling tot in het extreme. Ook na de wijziging van het verblijf is er een constante lijn tussen de pleegmoeder en tweeling; elke stap wordt gecontroleerd en beïnvloed door de pleegmoeder. De tweeling is zeer loyaal aan de pleegmoeder en zal niets doen zonder haar goedkeuring.
De kinderen hebben enorme stappen gezet tijdens de overplaatsing. Het sociale isolement waar de kinderen jarenlang in hebben verbleven, is doorbroken.
De kinderen stagneren nu in hun ontwikkeling en het gaat op de [instelling] niet goed met ze. Dit komt omdat zij van de pleegmoeder geen emotionele toestemming hebben om op de [instelling] te mogen verblijven.
Gezien de grote moeite die de kinderen en de pleegmoeder met de huidige voogd [voogd] hebben, zal de GI in ieder geval een andere voogd aanstellen.
3.8.
De raad heeft op de mondelinge behandeling, kort samengevat, geadviseerd om dringend aandacht te schenken aan de verstandhouding tussen de GI, de kinderen en de pleegmoeder. Benoeming van een dubbel opgeleide bijzondere curator (pedagogisch en juridisch) zou de kinderen verder kunnen helpen. Als het hof niet ingrijpt, zal deze situatie voortduren. De GI en de [instelling] vinden allebei dat er een NIFP of ander psychologisch onderzoek noodzakelijk is en dit zal linksom of rechtsom moeten worden gefinancierd.
3.9.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben het hof verteld dat zij heel graag terug willen naar hun pleegmoeder. Het gaat niet goed op de [instelling] . [minderjarige 1] is al twee keer mishandeld door andere kinderen en zij voelt zich onveilig. [minderjarige 1] heeft aangifte gedaan hiervan. Aanvankelijk was [minderjarige 1] verteld dat zij naar de [school 1] (middelbare school) kon blijven gaan vanuit de [instelling] en dat er vervoer kon worden geregeld. Bij aankomst bij de [instelling] bleek echter dat de voogd [minderjarige 1] afgemeld had voor de [school 1] . [minderjarige 1] hoopt dat ze alsnog terug kan. Ze haalde daar goede cijfers en had het er erg naar haar zin. [minderjarige 2] gaat nu één uur per week naar [school 2] , dat is de school die op het terrein van de [instelling] zit. [minderjarige 2] was eerst heel gelukkig, maar nu niet meer. Ze wil ’s ochtends haar bed niet meer uit en daar schrikt ze zelf van. Het lukt haar niet meer om positief te zijn. [minderjarige 2] is vaak verdrietig en moet iedere dag huilen. Aan de tweeling was door de kinderrechter verteld dat de pleegmoeder in hoger beroep kon tegen de beslissing hen ergens anders te laten opgroeien. Ze vinden het onbegrijpelijk dat dit nu eigenlijk niet kan, doordat de wet dit onmogelijk maakt.
De kinderen zien hun pleegmoeder nu samen eenmaal per week. De kinderen herkennen het beeld dat de GI en de rechtbank van hun pleegmoeder hebben geschetst, niet. Ze willen graag logeren bij hun pleegmoeder, maar dat mag niet van de voogd. De kinderen waren tevreden over alle vorige voogden, maar niet over de huidige. Zij is maar weinig bij de kinderen thuis geweest en de kinderen hebben niet het idee dat zij naar hen luistert. In de afgelopen jaren hebben ze haar drie keer gezien. Ze voelen allebei geen band met haar. De kinderen hebben veel steun aan elkaar sinds zij samen op de [instelling] zijn geplaatst.
De kinderen hebben samen een brief geschreven aan de kinderrechter omdat zij een bijzondere curator wilden. Dit verzoek is niet toegewezen. De kinderen hebben een brief terug ontvangen van de kinderrechter dat de kinderen al een voogd hadden, de pleegmoeder in hoger beroep kon gaan en dat zij de hulp die door de voogd was geregeld moesten accepteren.
Het hof overweegt het volgende.
Appelverbod
3.10.1
Op grond van artikel 1:336a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan, indien een kind door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorend tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed, de voogd niet dan met toestemming van degene die de verzorging en opvoeding op zich heeft genomen, wijziging in het verblijf van dat kind brengen. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel kan de voogd, indien de vereiste toestemming niet wordt verkregen, aan de rechter verzoeken om vervangende toestemming. Deze wordt slechts verleend als dit in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.10.2.
Ingevolge artikel 807 Rv staat, voor zover thans van belang, tegen een beschikking ingevolge artikel 1:336a BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet. Volgens vaste rechtspraak is ondanks een appelverbod hoger beroep mogelijk, indien erover wordt geklaagd dat de eerste rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte dan wel met verzuim van vormen heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Indien hier sprake van is, vormt dat een doorbrekingsgrond van het appelverbod. Het hof is van oordeel dat daarvan in deze bijzondere situatie sprake is. Niet alleen gezien de stellingen van de pleegmoeder, maar ook omdat de rechtbank onvoldoende heeft laten meewegen dat de kinderen inmiddels meer dan tien jaar, en bovendien al vanaf jonge leeftijd, in het gezin van pleegmoeder verblijven. Zij zijn door haar verzorgd en opgevoed en zijn aan de pleegmoeder gehecht. De pleegmoeder kan, gelet op deze bijzondere omstandigheden, daarmee worden ontvangen in haar hoger beroep zodat het hof aan een inhoudelijke beoordeling toekomt.
Bijzondere curator
3.10.3.
Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of de voogd in strijd zijn met die van de minderjarige, een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen, indien de rechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen.
3.10.4.
Alle betrokkenen zijn het erover eens dat het nu erg slecht gaat met de kinderen sinds zij op de [instelling] verblijven. Het hof heeft uitgebreid met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. Beide kinderen zijn heel stellig in hun wens dat zij weer bij hun pleegmoeder willen wonen. Zij herkennen zich niet in de zorgen van de GI. Toen de griffier van het hof een passage (rechtsoverweging 7.11) uit de tweede bestreden beschikking voorlas aan de kinderen, over dat [minderjarige 2] stappen heeft gemaakt die zij in de afgelopen jaren bij de pleegmoeder niet heeft gemaakt (o.a. naar het terras en naar de Kruidvat) reageerden zij oprecht verbaasd. Zij konden totaal niet plaatsen wat de kinderrechter hierover had overwogen. Hetzelfde geldt voor het (over-)beschermende karakter van hun pleegmoeder; dat beeld herkennen zij ook niet. De kinderen houden veel van hun pleegmoeder en zij vinden dat de pleegmoeder zich altijd ‘normaal’ heeft gedragen ten opzichte van hen. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] hebben benadrukt dat zij het machteloze gevoel hebben dat er niet echt naar hen wordt geluisterd door de GI en andere instanties. Daarnaast hebben ze het idee dat er veel meer belang wordt gehecht aan wat volwassenen zeggen dan aan wat zij zelf zeggen.
Naast het relaas van de kinderen en van de pleegmoeder komen er uit de stukken van de GI ook andere ernstige zorgen naar voren. De GI schetst een beeld van een pleegmoeder die de kinderen teveel begrenst, controleert en hen helemaal afschermt van de buitenwereld. [minderjarige 2] zou al anderhalf jaar niet buiten zijn geweest en de pleegmoeder zou met haar een symbiotische relatie hebben. De band tussen de pleegmoeder en [minderjarige 1] zou erg moeizaam verlopen en [minderjarige 1] was volgens de GI zo ongelukkig dat ze automutileerde, niet meer wilde leven en suïcidale gedachten had. De GI schrijft dat de problemen toenamen nadat de pleegouders in 2019 zijn gescheiden.
Dat de visies van de kinderen en hun voogd, de GI zo verschillen, is op zijn minst opmerkelijk te noemen.
3.10.5.
Gelet op de uiteenlopende tegenover elkaar staande standpunten van zowel de pleegmoeder en de GI als de kinderen, acht het hof zich niet in staat om nu een beslissing te nemen over de vraag of de wijziging van de verblijfplaats van de kinderen noodzakelijk was (en is). Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen is er sprake van een belangenstrijd rond de kinderen tussen de voogd en de pleegmoeder, zodat het hof het aangewezen acht om ingevolge artikel 1:250 BW een bijzondere curator te benoemen om de belangen van de kinderen in deze kwestie te behartigen en hun stem te laten horen. Het hof realiseert zich dat partijen en de kinderen mogelijk worden verrast door de benoeming van de bijzondere curator, maar het belang van de kinderen is er mee gemoeid dat er op korte termijn meer duidelijkheid komt. Het benoemen van een bijzondere curator is naar het oordeel van het hof in deze zaak bij uitstek aangewezen om de stem van de kinderen beter te kunnen horen en wegen.
3.10.6.
Mr. Drs. A.M. Beijersbergen-van Bosveld Heinsius, kantoorhoudend te Utrecht, is door het hof bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator voor de kinderen op te treden en zal hiertoe door het hof, worden benoemd alvorens verder wordt beslist.
3.10.7.
Het hof verzoekt de bijzondere curator bij haar werkzaamheden de ‘Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW’ in acht te nemen, bijlage bij de publicatie ‘Werkproces benoeming bijzondere curator o.g.v. art. 1:250 BW’, te raadplegen via www.rechtspraak.nl. Het hof acht de taak van de bijzondere curator er in deze zaak in gelegen dat zij ervoor zorgt dat de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zo goed mogelijk worden belicht en dat de kinderen zich ook gehoord voelen.
Het hof verzoekt de bijzondere curator in dit verband om te onderzoeken:
- -
hoe het met de kinderen gaat en wat hun mogelijkheden en kwetsbaarheden zijn;
- -
of zij in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk vond en vindt dat zij – hetzij tijdelijk – werden overgeplaatst naar een andere plek;
- en als het verblijf op een andere plek niet (meer) noodzakelijk is, wat er dan voor nodig is om [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] bij pleegmoeder terug te laten keren;
- of en zo ja welke hulp [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben voor hun individuele problematiek;
- of zij nog andere relevante bevindingen heeft gedaan die relevant zijn en die zij met het hof wil delen?
3.10.8.
Het hof verzoekt de bijzondere curator om een verslag uit te brengen omtrent haar bevindingen en om vanuit het belang van de kinderen het hof te adviseren over, met name, welke beslissing het hof dient te nemen als het gaat om de vraag of de verblijfplaats van de kinderen bij de pleegmoeder in stand dient te blijven of niet.
3.10.9.
De bijzondere curator zal optreden voor twee kinderen. Het hof merkt op – ook met het oog op de toepassing van de vergoedingsregeling inzake rechtsbijstand- en toevoegcriteria – dat er in het geval van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waarschijnlijk sprake is van per kind uiteenlopende belangen. Het hof zal de bijzondere curator dan ook voor ieder kind apart benoemen.
3.10.10.
Het hof wijst erop dat de deskundige vanuit de professionele beroepsuitoefening gezien bij het onderzoek en de rapportage het navolgende in acht zal nemen:
- i.
het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
- ii.
het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
- iii.
in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
- iv.
het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, waaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; en
- v.
de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
3.10.11.
Het hof zal bepalen dat de pleegmoeder, de GI en de raad de bijzondere curator van adres-, BSN-nummers, email- en/of telefoongegevens zullen voorzien, zodat de bijzondere curator zo spoedig mogelijk de afspraken kan maken die zij nodig acht.
3.10.12.
Het hof wijst partijen en betrokkenen erop dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator in het kader van de aan haar verstrekte opdracht te geven instructies gevolg te geven en de bijzondere curator in staat te stellen in contact met de kinderen te treden. Slechts op verzoek van de bijzondere curator mogen betrokkenen zelf stukken aan de bijzondere curator doen toekomen.
3.10.13.
Het hof zal de bijzondere curator verzoeken om het verslag vóór 3 mei 2022 aan het hof te doen toekomen en partijen en de raad zullen in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken na toezending van dit verslag door de griffier schriftelijk hun reactie op het verslag te geven, waarna de zaak op een nader te bepalen mondelinge behandeling zal worden voorgezet (tenzij de belanghebbenden dit anders wensen).
3.10.14
Gelet op de omstandigheid dat het hof deze zaak inhoudelijk beoordeelt is er voor de pleegmoeder geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar appel tegen de spoedbeslissing van 14 juli 2021.
3.10.15.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan tot pro forma 17 mei 2022.
4. De beslissing
Het hof:
benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ):
Mr. Drs. A.M. Beijersbergen-van Bosveld Heinsius,
werkzaam bij O2 Mediation te Utrecht,
[adres] ,
[postcode] Utrecht,
telefoonnummer: [telefoonnummer]
e-mail: [e-mailadres]
benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ):
Mr. Drs. A.M. Beijersbergen-van Bosveld Heinsius,
werkzaam bij O2 Mediation te Utrecht,
[adres] ,
[postcode] Utrecht,
telefoonnummer: [telefoonnummer]
e-mail: [e-mailadres]
om in deze procedure de belangen van beide kinderen te behartigen met de taakomschrijving zoals hiervoor onder 3.10.7 en 3.10.8. beschreven;
draagt de bijzondere curator op verslag uit te brengen vóór 3 mei 2022, althans vóór deze datum het hof schriftelijk te berichten over de voortgang van haar werkzaamheden;
bepaalt dat de griffier van dit hof:
- -
er voor zorgdraagt dat de bijzondere curator de beschikking krijgt over de actuele adresgegevens van alle betrokkenen;
- -
er voor zorgdraagt dat de bijzondere curator de beschikking krijgt over alle processtukken die zich in het dossier bevinden;
- -
een afschrift van het rapport van de bijzondere curator te zijner tijd aan partijen en de raad zal toezenden;
bepaalt dat partijen en de raad tot uiterlijk twee weken na toezending van het verslag van de bijzondere curator hierop schriftelijk aan het adres van het hof kunnen reageren;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt in afwachting van het verslag van de bijzondere curator iedere verdere beslissing aan tot pro forma 17 mei 2022.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.D.M. Lamers en M.L.F.J. Schyns en is op 17 februari 2022 uitgesproken in het openbaar door mr. H. van Winkel in tegenwoordigheid van de griffier.