RFR 2020/121
Procesrecht. Mocht het hof bepalen dat de hypothecaire geldlening bij de BV is afgelost?
HR 05-06-2020, ECLI:NL:HR:2020:1015
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
5 juni 2020
- Magistraten
Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, M.J. Kroeze
- Zaaknummer
19/02609
- Conclusie
A-G mr. M.L.C.C. Lückers
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS236739:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Burgerlijk procesrecht / Hoger beroep
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:1015, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑06‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:59, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑01‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑05‑2019
- Wetingang
Essentie
Procesrecht. Huwelijksgoederenrecht.
Had het hof in het dictum van de uitspraak mogen bepalen dat de hypothecaire geldlening van partijen bij de BV met betrekking tot de echtelijk woning reeds is afgelost? Uitzondering op de twee-conclusie-regel. Vernietiging van de bepaling hierover in het dictum?
Samenvatting
Tussen partijen is in 2017 de echtscheiding uitgesproken en de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld. De zaak in cassatie ziet op de bepaling van het hof in het dictum van zijn eindbeschikking, die inhoudt dat de hypothecaire geldlening van partijen bij de BV van de man met betrekking tot de echtelijke woning ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.