NJB 2024/2147:Aanhoudingsverzoek en aanwezigheidsrecht art. 6 EVRM: de Hoge Raad verwijst naar het in de conclusie van de A-G uiteengezette toetsingsschema. De rechter moet nagaan (i) of aan het aanhoudingsverzoek concreet een omstandigheid ten grondslag is gelegd. Als zo’n omstandigheid niet is aangevoerd, kan het verzoek om die reden worden afgewezen. Als die wel is aangevoerd, kan de rechter nagaan (ii) of de aangevoerde omstandigheid niet aannemelijk is. Nadat zo nodig gelegenheid is geboden voor nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Indien de rechter niet tot dat onaannemelijkheidsoordeel komt, dient hij (iii) een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van die afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het aanhoudingsverzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing. In casu heeft het hof geen blijk ervan gegeven de vereiste belangenafweging te hebben gemaakt op het verzoek van de (niet gemachtigde) raadsman tot aanhouding van de zaak vanwege de afwezigheid van de verdachte, waarbij de raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht, maar dat de verdachte mogelijk geen weet heeft van de zitting en dat hij waarschijnlijk is verhinderd omdat hij in Nederland ongewenst is verklaard en is uitgezet.