HR, 17-02-2017, nr. 16/02118
ECLI:NL:HR:2017:257
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-02-2017
- Zaaknummer
16/02118
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑02‑2017
ECLI:NL:HR:2017:257, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑02‑2017; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2016:914, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
NLF 2017/0436 met annotatie van Peter van der Muur
Belastingblad 2017/124 met annotatie van L.J. Boone
BNB 2017/77 met annotatie van J.A. MONSMA
FED 2017/62 met annotatie van G. GROENEWEGEN
NTFR 2017/556 met annotatie van Mr. M.P. van der Burg
FutD 2017-0416
Viditax (FutD) 2017021706
Beroepschrift 17‑02‑2017
Edelhoogachtbaar college,
Met uw brief van 26 april 2016 stelt u belanghebbende in de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie aan te vullen.
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld omdat zij van mening is dat in de verordening precariobelasting van de gemeente Haarlem een uitbreiding van het belastbaar feit is opgenomen zoals dit is gegeven in artikel 228 van de Gemeentewet. Op grond van de Gemeentewet mag precariobelasting worden geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Door de bepaling in de toepasselijke verordening dat de grond tussen voorwerpen mede geacht wordt te zijn ingenomen, wordt echter ook precariobelasting geheven op plaatsen waar in het geheel geen voorwerpen zijn geplaatst. Dit naar de mening van belanghebbende dus ten onrechte en in strijd met eerdere jurisprudentie van het Gerechtshof Amsterdam op ditzelfde punt (Gerechtshof Amsterdam, 2 maart 1990, ECLI:GHAMS:1990:AS7019).
De door u verzochte bevestiging door belanghebbende dat wij bevoegd zijn beroep in cassatie in te stellen treft u bijgesloten aan. Namens belanghebbende dragen wij het volgende middel tot cassatie voor.
Middel
Schending van het recht en in het bijzonder van artikel 228 van de Gemeentewet juncto artikel 2 van de verordening en/of verzuim van vormen waar het Gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat het de gemeente vrij staat ook precariobelasting te heffen voor de ruimte tussen voorwerpen op de openbare grond.
Toelichting bij het middel
In artikel 2 van de toepasselijke verordening wordt voor de omschrijving van het belastbaar feit aangesloten bij artikel 228 van de Gemeentewet. In artikel 6, lid 4 van de verordening wordt echter gesteld dat:
- ‘4.
Bij het plaatsen op openbare grond van voorwerpen van welke aard ook, uitgezonderd bouwmaterialen, wordt de ruimte tussen deze voorwerpen mede geacht te zijn ingenomen of aan het verkeer onttrokken.’
De verordening kent geen koppeling met de terrasvergunning voor de bepaling van de heffingsmaatstaf. Uitsluitend op grond van voormelde bepaling wordt precariobelasting daarom geheven over de uitwendige maten van het terras van belanghebbende, derhalve inclusief de ruimte tussen de voorwerpen op het terras.
In haar uitspraak toetst het gerechtshof in onderdeel 4.2.1. van haar uitspraak, in navolging van de rechtbank, de klacht van belanghebbende ten onrechte aan de ‘gemeentelijke vrijheid’ bij de bepaling van de heffingsmaatstaf waar zij aangeeft:
- 7.
Ingevolge artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet kunnen de gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld inkomen, de winst of het vermogen. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de wetgever opgemerkt dat gemeenten op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet zelf … kunnen gaven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II, 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 66–67).
Naar de mening van belanghebbende kan de beschreven gemeentelijke vrijheid niet tot gevolg hebben dat op grond van de verordening een ruimere belastingplicht tot stand komt dan op grond van artikel 228 van de Gemeentewet. Het voormelde artikel 6, lid 4 van de verordening heeft immers tot gevolg dat precariobelasting is verschuldigd voor openbare grond die niet wordt ingenomen door voorwerpen in de zin van artikel 228 van de Gemeentewet. Zie tevens de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 2 maart 1990, ECLI:GHAMS:1990:AS7019) waarin het hof dezelfde mening is toegedaan.
Partijen hebben in feitelijke instantie van gedachten gewisseld over de mate waarin er in het onderhavige geval op basis van de verordening wel sprake is van een belastingplicht terwijl er geen voorwerpen op de betreffende voor de openbare dienst bestemde grond aanwezig zijn. Partijen verschillen van mening over het exacte percentage doch niet over het feit dat niet de volledige grond door voorwerpen in gebruik wordt genomen.
Belanghebbende acht de uitspraak van gerechtshof daarnaast onjuist waar zij, in navolging van de rechtbank, stelt:
- 8.
De rechtbank is van oordeel dat een heffing van precariobelasting waarbij de ruimte tussen de voorwerpen mede in de heffing wordt betrokken, hetgeen er in een geval als het onderhavige toe leidt dat wordt geheven over de oppervlakte waarvoor de terrasvergunning in verleend, niet tot een willekeurige belastingheffing leidt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een terras niet bestaat uit losse tafels, stoelen, parasols en dergelijke, maar dat het terras juist wordt gevormd door de onderlinge samenhang die tussen het geplaatste meubilair bestaat en dat het tarief ook specifiek is toegesneden op de aanwezigheid van een terras als geheel. Het is inherent aan een terras dat niet op of boven m2 van het oppervlak waarvoor de vergunning is verleend terrasmeubilair wordt geplaatst, maar dat laat onverlet dat de vergunninghouder in staat is het volledige oppervlak, inclusief de gangpaden, te benutten en het terras binnen de voorwaarden van de vergunning in te richten en als zodanig te exploiteren. Ook uit een oogpunt van efficiency is de door verweerder gekozen heffingsmaatstaf gerechtvaardigd. Door in de Verordeningen Precariobelasting mede de ruimte tussen de voorwerpen in de heffing te betrekken, heeft verweerder gekozen voor een objectieve maatstaf die in voldoende relatie staat tot het belastbare feit en binnen de door de Gemeentewet gestelde grenzen blijft.’
En,
‘4.2.5.
Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank voorts in onderdeel 8 terecht beslist dat de vrijheid die de gemeente bij de vormgeving van de precariobelasting heeft impliceert, dat het haar heeft vrijgestaan om in artikel 6, vierde lid, van de Verordeningen Precariobelasting te bepalen dat, kort gezegd, niet alleen de ruimte die wordt ingenomen door voorwerpen die op de openbare grond zijn geplaatst, zoals terrasmeubilair, in de heffing wordt betrokken, maar ook de ruimte tussen deze voorwerpen.
4.2.6.
Belanghebbende klaagt dat deze maatstaf niet wordt gehanteerd voor andere objecten die in de heffing worden betrokken, en dat daarom sprake is van een willekeurige en/of onredelijke heffing. Deze klacht faalt. De ratio van de precariobelasting is gelegen in de omstandigheid dat de betreffende objecten de grond waarop zij geplaatst worden aan de openbare dienst onttrekken. Voor terrassen, gevormd door op de openbare grond geplaatst terrasmeubilair, geldt dat zij het volledige terrein dat zij in beslag nemen aan de openbare dienst onttrekken, inclusief de ruimte tussen dat meubilair. Voor andere objecten geldt dit (in de regel) niet. De heffing over het gehele oppervlakte van het terras is derhalve in overeenstemming met de ratio van de regeling. Van willekeur of onredelijkheid is geen sprake.’
De toepasselijke verordening kent geen definitie van een terras. Evenmin kent de verordening een koppeling aan de terrasvergunning voor de bepaling van de heffingsmaatstaf. Behalve het feit dat in het onderhavige geval waarbij op grond van artikel 6, lid 4 van de verordening precariobelasting wordt geheven binnen een terras, is het niet ondenkbeeldig en zelfs in lijn met de verordening om twee verschillende terrassen van dezelfde belastingplichtige op deze manier in de heffing te betrekken, ook als daar een weg, plein of zelfs een hele wijk tussen ligt. Het belastingobject wordt dan, in afwijking van artikel 228 van de Gemeentewet, mede geacht deze tussenliggende ruimte te bevatten.
Het oordeel van het gerechtshof dat voor terrassen, gevormd door op de openbare grond geplaatst terrasmeubilair, geldt dat zij het volledige terrein dat zij in beslag nemen aan de openbare dienst onttrekken, inclusief de ruimte tussen dat meubilair, is daarnaast onbegrijpelijk, of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. In het arrest van 27 april 1983, nr. 21 606, Belastingblad 1983/400; BNB 1983/206; V-N 1983/1148) heeft de Hoge Raad immers aangegeven;
‘(…) dat het voorbijgaand — boven de openbare weg bevindende slang brengen van motorbrandstaf naar de brandstoftank van een motorrijtuig behoort tot het door de gemeente te duiden normale gebruik van de openbare weg en daarom niet kan worden aangemerkt als het hebben van voorwerpen boven gemeentegrond, waarvoor een recht in de zojuist bedoelde zin kan worden geheven.’
In het onderhavige geval bestaat het voorbijgaande (niet duurzame) gebruik van de voor de openbare dienst bestemde grond onder andere uit het gebruik als gangpad door personeel en gasten van belanghebbende. Dit is naar de mening van belanghebbende niet aan te merken als het hebben van voorwerpen zoals bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet. Wellicht ten overvloede merken wij op dat de situatie van belanghebbende afwijkt van de casus die behoort bij de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Gravenhage van 8 november 1995, nr. 94/2672, Belastingblad 1996, p. 238). In die situatie werd meegewogen dat belanghebbende aan de zijden van terras windschermen had geplaatst. In het onderhavige geval is het, tevens van voorbijgaande aard zijnde, gebruik door voetgangers van de ruimte tussen de voorwerpen op het terras feitelijk niet uitgesloten of beperkt.
Conclusie
Belanghebbende verzoekt om de uitspraak van het gerechtshof te vernietigen en de zaak te verwijzen voor verdere behandeling. Belanghebbende verzoekt verder om een vergoeding van haar proceskosten, vast te stellen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Uitspraak 17‑02‑2017
Inhoudsindicatie
Artikel 228 Gemeentewet. Precariobelasting. Terras op gemeentegrond. Gehele oppervlakte van het terras mag in de heffing worden betrokken.
Partij(en)
17 februari 2017
nr. 16/02118
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van VOF [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2016, nrs. 14/00768 tot en met 14/00771, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 13/3487 tot en met HAA 13/3490) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2009 tot en met 2012 opgelegde aanslagen in de precariobelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende exploiteert een hotel-café-restaurant gelegen aan [a-straat 1-2] te [Z] .
2.1.2. Belanghebbende heeft terrassen geplaatst aan de [a-straatzijde] en de [b-straatzijde] .
2.1.3.
Op grond van de Verordeningen precariobelasting 2009 tot en met 2012 (hierna: de Verordeningen) heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende aanslagen precariobelasting voor die jaren opgelegd.
2.1.4.
Artikel 5 van de Verordeningen (“Maatstaf van heffing en belastingtarief”) luidt:
“De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.”
2.1.5.
In de bij de Verordeningen behorende tarieventabellen is voor terrassen aan het Klokhuisplein als heffingsmaatstaf en als tarief opgenomen een vast bedrag per jaar of per maand per m2.
2.1.6.
Artikel 6, lid 4, van de Verordening luidt:
“4. Bij het plaatsen op openbare grond van voorwerpen van welke aard ook, uitgezonderd bouwmaterialen, wordt de ruimte tussen deze voorwerpen mede geacht te zijn ingenomen of aan het verkeer onttrokken.”
2.1.7.
Bij het opleggen van de aanslagen heeft de heffingsambtenaar de hiervoor in 2.1.2 genoemde terrassen voor de heffing in aanmerking genomen. Daarbij is de ruimte tussen het terrasmeubilair, met inbegrip van de gangpaden, mede in de heffing betrokken.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat voor terrassen, gevormd door op de openbare grond geplaatst terrasmeubilair, geldt dat zij het volledige terrein dat zij in beslag nemen aan de openbare dienst onttrekken, inclusief de ruimte tussen dat meubilair. Belanghebbende komt in cassatie op tegen dit oordeel met de stelling dat niet geheven kan worden voor de ruimte tussen het meubilair.
2.3.1.
Volgens artikel 228 van de Gemeentewet kan een precariobelasting worden geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Uit het bepaalde in artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten vrij zijn om in de belastingverordening de heffingsmaatstaf vast te stellen, met dien verstande dat het bedrag van de belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Deze bepalingen staan er niet aan in de weg dat in een belastingverordening een andere, ruimere, heffingsmaatstaf voor de precariobelasting wordt neergelegd dan de oppervlakte van de grond die in beslag wordt genomen door een daarop geplaatst voorwerp. De in de Verordeningen neergelegde heffingsmaatstaf stelt het bedrag van de belasting niet afhankelijk van het inkomen, de winst of het vermogen. Die heffingsmaatstaf is dan ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet (vgl. Kamerstukken II, 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 66-67).
2.3.2.
Het bepaalde in artikel 6, lid 4, van de Verordeningen is ten aanzien van horeca-terrassen als de onderhavige evenmin in strijd met enige andere rechtsregel of met enig rechtsbeginsel. Het sluit aan bij de rechtsgrond van de precariobelasting, namelijk het belasten van het genot van degene die onder, op of boven gemeentegrond voorwerpen heeft (vgl. Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, p.60). Het is in overeenstemming met die rechtsgrond om bij aaneengesloten horeca-terrassen de oppervlakte van het gehele terras in de heffing te betrekken en niet alleen de ruimte die in beslag wordt genomen door het terrasmeubilair. Van een willekeurige en onredelijke belastingheffing is dan ook geen sprake.
2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen kan het middel niet tot cassatie leiden.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.