Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 29-02-2024, nr. C-11/23
ECLI:EU:C:2024:194
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
29-02-2024
- Magistraten
K. Jürimäe, K. Lenaerts, N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
- Zaaknummer
C-11/23
- Roepnaam
Eventmedia Soluciones
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:194, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 29‑02‑2024
Uitspraak 29‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Luchtvervoer — Verordening (EG) nr. 261/2004 — Artikel 5, leden 1 en 3 — Artikel 7, lid 1 — Compensatie voor luchtreizigers bij annulering van een vlucht — Aard en grondslag van het recht op compensatie — Overdracht van de vordering van passagiers jegens de luchtvaartmaatschappij aan een handelsonderneming — Contractueel beding dat een dergelijke overdracht verbiedt — Artikel 15 — Uitsluiting van ontheffing
K. Jürimäe, K. Lenaerts, N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
Partij(en)
*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil n. 1 de Palma de Mallorca (handelsrechter nr. 1 Palma de Mallorca, Spanje) bij beslissing van 31 oktober 2022, ingekomen bij het Hof op 12 januari 2023, in de procedure
Eventmedia Soluciones SL
tegen
Air Europa Líneas Aéreas SAU
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Derde kamer, N. Piçarra, N. Jääskinen en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Eventmedia Soluciones SL, vertegenwoordigd door R. M. Jiménez Varela, procuradora, en A. M. Martínez Cuadros, abogada,
- —
Air Europa Líneas Aéreas SAU, vertegenwoordigd door N. de Dorremochea Guiot, procurador, en E. Olea Ballesteros, abogado,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,
- —
de Litouwse regering, vertegenwoordigd door S. Grigonis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. L. Buendía Sierra, N. Ruiz García en G. Wilms als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, onder c), en lid 3, artikel 7, lid 1, en artikel 15 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB 2004, L 46, blz. 1, met rectificatie in PB 2021, L 420), alsook van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eventmedia Soluciones SL (hierna: ‘Eventmedia’), cessionaris van vorderingen van zes luchtreizigers, en Air Europa Líneas Aéreas SAU (hierna: ‘Air Europa’) over een compensatie voor de annulering van een vlucht.
Unierecht
Verordening nr. 44/2001
3
Artikel 5, punt 1, onder a), van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) bepaalde:
‘Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
- 1)
- a)
ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd’.
Verordening nr. 261/2004
4
De overwegingen 1, 7 en 20 van verordening nr. 261/2004 zijn als volgt geformuleerd:
- ‘(1)
Het optreden van de Gemeenschap op het gebied van het luchtvervoer moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.
[…]
- (7)
Om de effectieve toepassing van deze verordening te waarborgen, dienen de bij de verordening gecreëerde verplichtingen te rusten op de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of voornemens is de vlucht uit te voeren, met eigen dan wel inclusief of zonder bemanning geleasete vliegtuigen, of in enige andere vorm.
[…]
- (20)
Passagiers moeten bij instapweigering of annulering dan wel langdurige vertraging van hun vlucht volledig over hun rechten worden geïnformeerd, zodat zij op een doeltreffende wijze hun rechten kunnen uitoefenen.’
5
Artikel 1, lid 1, onder b), van deze verordening is als volgt verwoord:
‘Deze verordening stelt onder de erin genoemde voorwaarden de minimumrechten vast die luchtreizigers hebben bij:
[…]
- b)
annulering van hun vlucht’.
6
Artikel 2, onder b), van deze verordening omschrijft het begrip ‘luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’ als ‘een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier’.
7
Artikel 3 van deze verordening, met als opschrift ‘Werkingssfeer’, bepaalt in lid 5:
‘Deze verordening is van toepassing op elke luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert en vervoer aanbiedt aan passagiers als bedoeld in de leden 1 en 2. Indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert geen overeenkomst heeft met de passagier, doch activiteiten uitvoert die onder deze verordening vallen, wordt zij geacht dit te doen namens de persoon die een overeenkomst heeft met die passagier.’
8
In artikel 5 van verordening nr. 261/2004, met als opschrift ‘Annulering’, is bepaald:
- ‘1.
In geval van annulering van een vlucht:
[…]
- c)
hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, […]
[…]
- 3.
Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
[…]’
9
Artikel 7 van deze verordening, met als opschrift ‘Recht op compensatie’, bepaalt in lid 1, eerste alinea:
‘Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van:
- a)
250 EUR voor alle vluchten tot en met 1 500 km;
- b)
400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1 500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1 500 en 3 500 km;
- c)
600 EUR voor alle niet onder a) of b) vallende vluchten.’
10
Artikel 15 van die verordening, ‘Uitsluiting van ontheffing’, bepaalt:
- ‘1.
De uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de passagier kunnen niet worden beperkt of teniet worden gedaan door middel van bijvoorbeeld een beperkings- of ontheffingsclausule in de vervoerovereenkomst.
- 2.
Indien een dergelijke beperkende of ontheffingsclausule niettemin wordt aangevoerd tegen een passagier, of indien de passagier niet juist is ingelicht omtrent zijn rechten en daardoor een lagere compensatie heeft aanvaard dan die waarin is voorzien in deze verordening, heeft de passagier het recht alsnog de nodige stappen te ondernemen bij de bevoegde rechtbanken of instanties voor het verkrijgen van een aanvullende compensatie.’
Richtlijn 93/13
11
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.’
12
Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13
Zes passagiers die werden getroffen door de annulering van een vlucht van de luchthaven Viru Viru van Santa Cruz (Bolivia) naar Madrid (Spanje), die voor 24 maart 2022 was gepland, hebben hun vorderingen tot compensatie jegens Air Europa overgedragen aan de handelsvennootschap Eventmedia.
14
Vervolgens heeft Eventmedia bij de Juzgado de lo Mercantil n. 1 de Palma de Mallorca (handelsrechter nr. 1 Palma de Mallorca, Spanje), de verwijzende rechter, een vordering tegen Air Europa ingesteld teneinde voor elk van deze passagiers een compensatie van 600 EUR te verkrijgen op grond van verordening nr. 261/2004.
15
Air Europa betwist voor de verwijzende rechter dat Eventmedia procesbevoegdheid heeft. Volgens haar was de overdracht van de schuldvordering niet rechtsgeldig, aangezien zij in strijd was met het in beding 15.1 van haar algemene vervoersvoorwaarden neergelegde verbod om de rechten van de passagier over te dragen (hierna: ‘betrokken beding’). Volgens dit beding ‘[wordt] [d]e aansprakelijkheid van Air Europa en die van elke luchtvaartmaatschappij overeenkomstig artikel 1 bepaald door de vervoersvoorwaarden van de vervoerder die het ticket heeft afgegeven, tenzij anders is bepaald. De rechten van de passagier zijn aan zijn persoon verbonden en de overdracht ervan is niet toegestaan.’
16
De verwijzende rechter zet uiteen dat luchtreizigers naar Spaans recht hun in verordening nr. 261/2004 neergelegde recht op compensatie in rechte kunnen doen gelden jegens de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert in het kader van een zogenoemde ‘vereenvoudigde’ procedure, zonder dat zij zich door een advocaat hoeven te laten vertegenwoordigen. In de praktijk maken luchtreizigers zelden van deze mogelijkheid gebruik wegens het verweer van de meeste luchtvaartmaatschappijen en de complexiteit van de procedureregels. Bovendien kan een luchtreiziger een procesvolmacht geven aan een advocaat die in zijn naam en voor zijn rekening voor de rechter verschijnt.
17
Ten slotte kan een luchtreiziger naar Spaans recht zijn vorderingsrecht jegens de luchtvaartmaatschappij overdragen, met name aan een entiteit die gespecialiseerd is in op grond van verordening nr. 261/2004 ingediende aanvragen. In een dergelijk geval verschijnt die entiteit in de procedure in eigen naam en voor eigen rekening en verdedigt zij haar belang als cessionaris van de schuldvordering.
18
De verwijzende rechter merkt op dat het betrokken beding deze mogelijkheid voor luchtreizigers om hun rechten over te dragen, beperkt. Hij vraagt zich dan ook af of een dergelijk beding verenigbaar is met het Unierecht.
19
Om te beginnen acht deze rechter het noodzakelijk om vast te stellen of een beding in de algemene voorwaarden van de vervoerovereenkomst dat de overdracht van de rechten van luchtreizigers verbiedt, een beperking van de verplichtingen jegens luchtreizigers vormt die onder artikel 15 van verordening nr. 261/2004 valt. Indien dat het geval zou zijn, zou het betrokken beding van rechtswege nietig zijn omdat het in strijd is met een dwingende regel of een verbodsbepaling in de zin van het Spaanse recht.
20
Vervolgens is de verwijzende rechter van oordeel dat het, gelet op de uiteenlopende benaderingen van de Spaanse rechterlijke instanties van wezenlijk belang is om de aard van het in artikel 5 en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004 bedoelde recht op compensatie vast te stellen. In dit verband kan volgens hem uit de arresten van 7 maart 2018, flightright e.a. (C-274/16, C-447/16 en C-448/16, EU:C:2018:160, punt 63), en 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia (C-215/18, EU:C:2020:235, punt 49), worden afgeleid dat het gaat om een recht van contractuele aard. Omgekeerd doet de omstandigheid dat artikel 5 van verordening nr. 261/2004, gelezen in het licht van overweging 7 en artikel 2, onder b), van deze verordening, de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert aansprakelijk stelt, ook al heeft zij geen overeenkomst met de luchtreiziger gesloten, vermoeden dat de luchtreiziger zijn recht op compensatie rechtstreeks aan deze verordening ontleent.
21
Subsidiair, voor het geval dat artikel 15 van verordening nr. 261/2004 zich niet verzet tegen een beding dat de overdracht van rechten van luchtreizigers verbiedt, of voor het geval dat het recht op compensatie waarin deze verordening voorziet een contractuele grondslag heeft, vraagt de verwijzende rechter zich ten slotte af hoe richtlijn 93/13 moet worden uitgelegd. In dit verband vraagt hij zich af of, en zo ja onder welke voorwaarden, hij in een geschil tussen twee handelaren ambtshalve kan vaststellen dat een beding in een overeenkomst tussen een van deze handelaren en een consument die zijn rechten aan de andere handelaar heeft overgedragen, oneerlijk is.
22
In die omstandigheden heeft de Juzgado de lo Mercantil n. 1 de Palma de Mallorca de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Kan de opneming in de luchtvervoerovereenkomst van een beding als in casu aan de orde worden beschouwd als een ontoelaatbare ontheffing als bedoeld in artikel 15 van [verordening nr. 261/2004], op grond dat het de verplichtingen van de vervoerder beperkt door de mogelijkheid voor passagiers te beperken om hun recht op compensatie bij annulering van een vlucht te doen gelden door hun vordering over te dragen?
- 2)
Kan artikel 7, lid 1, juncto artikel 5, lid 1, onder c), en artikel 5, lid 3, van [verordening nr. 261/2004] aldus worden uitgelegd dat de betaling van compensatie voor de annulering van een vlucht door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een door de verordening opgelegde verplichting is, los van het bestaan van een vervoerovereenkomst met de passagier en de verwijtbare niet-nakoming van de contractuele verplichtingen van de luchtvaartmaatschappij?
- 3)
Subsidiair, voor het geval dat wordt geoordeeld dat het betrokken beding geen ontoelaatbare ontheffing in de zin van artikel 15 van [verordening nr. 261/2004] vormt of dat het recht op compensatie contractueel van aard is, […] moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] dan aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter bij wie overeenkomstig artikel 7, lid 1, van [verordening nr. 261/2004] een vordering tot compensatie wegens annulering van een vlucht aanhangig is gemaakt, ambtshalve moet toetsen of een beding in de vervoerovereenkomst op grond waarvan de passagier zijn rechten niet kan overdragen oneerlijk is, wanneer de vordering wordt ingesteld door de cessionaris, die — anders dan de cedent — niet de hoedanigheid van consument en gebruiker heeft?
- 4)
Indien er ambtshalve moet worden getoetst, kan de plicht om de consument te informeren en navraag te doen of hij zich op het oneerlijke karakter van het beding beroept of met het beding instemt, achterwege blijven gelet op het feit dat hij zijn vordering heeft overgedragen in strijd met het eventueel oneerlijke beding dat de overdracht van de vordering niet toestond?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
23
Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, onder c), en lid 3, juncto artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat in geval van annulering van een vlucht het recht van de luchtreizigers op de in deze bepalingen bedoelde compensatie ten laste van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en de daarmee samenhangende verplichting van deze laatste om die compensatie te betalen, voortvloeien uit deze verordening, dan wel aldus dat dit recht en deze verplichting hun grondslag vinden in een overeenkomst die in voorkomend geval zou zijn gesloten tussen de luchtvaartmaatschappij en de betrokken luchtreiziger, of in de onrechtmatige niet-uitvoering van een dergelijke overeenkomst door die luchtvaartmaatschappij.
24
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arresten van 11 mei 2017, Krijgsman, C-302/16, EU:C:2017:359, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 september 2022, LOT (Compensatie gelast door administratieve autoriteit), C-597/20, EU:C:2022:735, punt 21].
25
Artikel 5, lid 1, onder c), van verordening nr. 261/2004 bepaalt dat in geval van annulering van een vlucht de betrokken passagiers overeenkomstig artikel 7 van deze verordening ‘recht hebben op compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’, tenzij de annulering aan hen is meegedeeld met inachtneming van de voorwaarden waarin eerstgenoemde bepaling voorziet (arrest van 21 december 2021, Airhelp, C-263/20, EU:C:2021:1039, punt 49). Lid 3 van dit artikel stelt de omstandigheden vast waarin de luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert niet verplicht is deze compensatie te betalen indien de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden (zie in die zin arrest van 22 december 2008, Wallentin-Hermann, C-549/07, EU:C:2008:771, punt 20).
26
Artikel 7, lid 1, van deze verordening bepaalt op forfaitaire wijze het bedrag van de compensatie waarop een luchtreiziger recht heeft, wanneer in die verordening naar die bepaling wordt verwezen.
27
Gelet op de bewoordingen van deze bepalingen en overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, behoort het recht op een gestandaardiseerde en forfaitair berekende compensatie ten laste van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tot de essentiële rechten die bij verordening nr. 261/2004 aan luchtreizigers worden toegekend (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia, C-215/18, EU:C:2020:235, punt 37).
28
Hieruit volgt dat in geval van annulering van een vlucht het in artikel 5, lid 1, onder c), van verordening nr. 261/2004 bedoelde recht op compensatie van de luchtreizigers en de daarmee samenhangende verplichting van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7, lid 1, van deze verordening, rechtstreeks uit deze verordening voortvloeien. Dit recht en die verplichting kunnen dus niet worden geacht hun grondslag te vinden in een overeenkomst die in voorkomend geval zou zijn gesloten tussen de betrokken luchtreiziger en de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, noch, a fortiori, in de onrechtmatige niet-uitvoering van een dergelijke overeenkomst door laatstgenoemde.
29
Deze uitlegging vindt steun in de context van artikel 5, lid 1, onder c), en lid 3, en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004, alsook in de doelstelling van deze verordening.
30
Wat in de eerste plaats de context betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat verordening nr. 261/2004 volgens artikel 1, lid 1, onder b), ervan onder de daarin genoemde voorwaarden de minimumrechten ‘vaststelt’ die luchtreizigers hebben bij de annulering van hun vlucht.
31
Ten tweede volgt uit artikel 2, onder b), juncto artikel 3, lid 5, van verordening nr. 261/2004 dat de passagier van een geannuleerde of vertraagde vlucht zich op deze verordening kan beroepen tegenover de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, zelfs wanneer die passagier en die luchtvaartmaatschappij geen overeenkomst met elkaar hebben gesloten (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia, C-215/18, EU:C:2020:235, punten 27–29).
32
Deze bepalingen bevestigen dus de uitlegging dat het recht van luchtreizigers op de in de artikelen 5 en 7 van verordening nr. 261/2004 bedoelde compensatie in geval van annulering van hun vlucht rechtstreeks uit deze verordening voortvloeit.
33
Wat in de tweede plaats de doelstelling van verordening nr. 261/2004 betreft, deze bestaat blijkens overweging 1 ervan in de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de luchtreizigers, zodat de aan hen toegekende rechten ruim moeten worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 4 oktober 2012, Rodríguez Cachafeiro en Martínez-Reboredo Varela-Villamor, C-321/11, EU:C:2012:609, punt 25, en 30 april 2020, Blue Air — Airline Management Solutions, C-584/18, EU:C:2020:324, punt 93).
34
De in punt 28 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging van artikel 5, lid 1, onder c), juncto artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004 is in overeenstemming met die doelstelling, aangezien zij waarborgt dat elke luchtreiziger die wordt getroffen door een annulering van een vlucht, onder de in die bepalingen vastgestelde voorwaarden recht heeft op compensatie, ongeacht of hij al dan niet een vervoerovereenkomst heeft gesloten met de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
35
Deze uitlegging is overigens geenszins onverenigbaar met de rechtspraak van het Hof volgens welke vorderingen betreffende het recht op schadevergoeding uit hoofde van verordening nr. 261/2004 vallen onder het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in de zin van artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 (zie in die zin arresten van 7 maart 2018, flightright e.a., C-274/16, C-447/16 en C-448/16, EU:C:2018:160, punten 63–65, en 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia, C-215/18, EU:C:2020:235, punt 49). Met deze rechtspraak, die betrekking heeft op de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken, heeft het Hof immers een uniforme toepassing van het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in de zin van die bepaling willen verzekeren door te oordelen dat het, opdat een vervoerovereenkomst onder dit begrip valt, irrelevant is dat deze overeenkomst door de luchtreiziger niet rechtstreeks is gesloten met de betrokken luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, maar met een andere dienstverrichter, zoals een reisbureau. Zoals de Spaanse regering en de Europese Commissie hebben betoogd, beoogt deze rechtspraak geen afbreuk te doen aan de grondslag van het recht op compensatie waarin verordening nr. 261/2004 voorziet.
36
In dit verband moet worden opgemerkt dat een vordering die een contractuele oorzaak heeft, ertoe kan strekken een vordering geldend te maken die is gebaseerd op de bedingen van de betrokken overeenkomst als zodanig of op rechtsregels die op grond van die overeenkomst van toepassing zijn (zie in die zin arrest van 24 november 2020, Wikingerhof, C-59/19, EU:C:2020:950, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In een zaak als in het hoofdgeding berust de vordering tot compensatie die is ingesteld door de luchtreiziger of door een onderneming waaraan die luchtreiziger zijn vordering tot compensatie tegen de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, heeft overgedragen, weliswaar noodzakelijkerwijs op het bestaan van een overeenkomst met deze luchtvaartmaatschappij of met een andere dienstverrichter (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Primera Air Scandinavia, C-215/18, EU:C:2020:235, punten 50–52), maar het recht op compensatie waarop deze passagier of die onderneming zich in het kader van die vordering kan beroepen, in het bijzonder in geval van annulering van een vlucht, vloeit rechtstreeks voort uit artikel 5, lid 1, onder c), juncto artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004, zoals blijkt uit de punten 28 en 32 van het onderhavige arrest.
37
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, onder c), juncto lid 3, en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 261/2004 aldus moeten worden uitgelegd dat, in geval van annulering van een vlucht, het recht van de luchtreizigers op de in deze bepalingen bedoelde compensatie ten laste van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en de daarmee samenhangende verplichting van deze laatste om die compensatie te betalen, rechtstreeks uit deze verordening voortvloeien.
Eerste vraag
38
Met zijn eerste vraag, die als tweede moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15 van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat in een vervoerovereenkomst een beding wordt opgenomen dat de overdracht verbiedt van de rechten die de luchtreiziger krachtens deze verordening kan doen gelden jegens de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
39
Artikel 15 van verordening nr. 261/2004, ‘Uitsluiting van ontheffing’, bepaalt in lid 1 dat de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen van de luchtvaartmaatschappijen ten aanzien van de passagier niet kunnen worden beperkt of teniet worden gedaan door middel van bijvoorbeeld een beperkings- of ontheffingsclausule in de vervoerovereenkomst.
40
Overeenkomstig deze bepaling en gelet op het antwoord op de tweede vraag, kan de verplichting van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert om de in artikel 7, lid 1, van deze verordening bedoelde compensatie te betalen in geval van annulering van een vlucht dus niet contractueel worden beperkt of opgeheven.
41
Hieraan moet worden toegevoegd dat, gelet op de doelstelling van een hoog niveau van bescherming van luchtreizigers, die met name ten grondslag ligt aan artikel 15 van verordening nr. 261/2004, en op de ruime uitlegging die overeenkomstig de in punt 33 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet worden gegeven aan de aan deze passagiers verleende rechten, deze bepaling, voor zover zij bepaalt dat ontheffingen van deze rechten ontoelaatbaar zijn, eveneens ruim moet worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 30 april 2020, Blue Air — Airline Management Solutions, C-584/18, EU:C:2020:324, punt 102).
42
Gezien het gebruik van het bijwoord ‘bijvoorbeeld’ in die bepaling en gelet op die doelstelling, moeten dus niet alleen de ontheffingen in een vervoerovereenkomst, een wederkerige handeling die de passagier is aangegaan, maar ook, en a fortiori, de ontheffingen die zijn opgenomen in andere van de vervoerder afkomstige unilaterale documenten waarop deze vervoerder zich ten aanzien van de betrokken passagiers wil beroepen, als ontoelaatbaar worden beschouwd (zie in die zin arrest van 30 april 2020, Blue Air — Airline Management Solutions, C-584/18, EU:C:2020:324, punt 102). Dezelfde bepaling kan dus van toepassing zijn op ontheffingen die zijn opgenomen in de algemene vervoersvoorwaarden.
43
Gelet op dat doel en teneinde de doeltreffendheid van het recht op compensatie van luchtreizigers te waarborgen, moeten bovendien niet alleen de ontheffingen of beperkingen die rechtstreeks betrekking hebben op dat recht als zodanig, maar ook die welke de wijze van uitoefening van dit recht ten nadele van deze passagiers beperken ten opzichte van de toepasselijke wettelijke bepalingen, ontoelaatbaar worden geacht in de zin van artikel 15 van verordening nr. 261/2004.
44
Teneinde een hoog niveau van bescherming van de luchtreizigers te waarborgen en hen in staat te stellen hun rechten doeltreffend uit te oefenen overeenkomstig de in overweging 20 van verordening nr. 261/2004 genoemde doelstelling, moet de door een annulering van de vlucht getroffen passagier immers de vrijheid worden gewaarborgd om zijn recht zo doeltreffend mogelijk te verdedigen, met name door hem de keuze te bieden om zich rechtstreeks te wenden tot de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, zich tot de bevoegde rechter te wenden of, wanneer het toepasselijke nationale recht daarin voorziet, zijn vordering over te dragen aan een derde om zich de moeilijkheden en kosten te besparen die hem ervan kunnen weerhouden om voor een beperkt financieel belang persoonlijke stappen te ondernemen tegen deze luchtvaartmaatschappij.
45
Hieruit volgt dat een beding in de algemene voorwaarden van de vervoerovereenkomst dat de overdracht verbiedt van de rechten die de luchtreiziger kan doen gelden jegens de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, een ‘ontoelaatbare ontheffing’ in de zin van artikel 15 van verordening nr. 261/2004 vormt.
46
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 15 van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat in een vervoerovereenkomst een beding wordt opgenomen dat de overdracht verbiedt van de rechten die de luchtreiziger krachtens deze verordening kan doen gelden jegens de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
Derde en vierde vraag
47
Gelet op het antwoord op de eerste en de tweede vraag hoeven de derde en de vierde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
48
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 5, lid 1, onder c), en lid 3, juncto artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91,
moet aldus worden uitgelegd dat
in geval van annulering van een vlucht, het recht van de luchtreizigers op de in deze bepalingen bedoelde compensatie ten laste van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en de daarmee samenhangende verplichting van deze laatste om die compensatie te betalen, rechtstreeks uit deze verordening voortvloeien.
- 2)
Artikel 15 van verordening nr. 261/2004
moet aldus worden uitgelegd dat
het eraan in de weg staat dat in een vervoerovereenkomst een beding wordt opgenomen dat de overdracht verbiedt van de rechten die de luchtreiziger krachtens deze verordening kan doen gelden jegens de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 29‑02‑2024