HR, 20-05-2011, nr. 10/01827
ECLI:NL:HR:2011:BP6596
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
20-05-2011
- Zaaknummer
10/01827
- Conclusie
Mr. M.H. Wissink
- LJN
BP6596
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BP6596, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 20‑05‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP6596
ECLI:NL:PHR:2011:BP6596, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑02‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP6596
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑05‑2011
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Hogeschool schadeplichtig jegens leerling die dansopleiding niet mag voortzetten?
20 mei 2011
Eerste Kamer
10/01827
RM/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
3. [Eiseres 3],
allen wonende te [woonplaats],
4. [Eiseres 4],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
STICHTING FONTYS, HOGESCHOOL VOOR DE KUNSTEN,
gevestigd te Tilburg,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en Fontys.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 170584/HA ZA 07-202 van de rechtbank Breda van 11 april 2007 en 6 februari 2008;
b. de arresten in de zaak HD 200.007.210 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 juli 2008 en 22 december 2009.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 22 december 2009 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Fontys is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Fontys begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 mei 2011.
Conclusie 25‑02‑2010
Mr. M.H. Wissink
Partij(en)
Conclusie inzake:
- 1.
[Eiser 1]
- 2.
[Eiseres 2]
- 3.
[Eiseres 3]
- 4.
[Eiseres 4]
tegen
Stichting Fontys, Hogeschool voor de kunsten
1.
Eiseres tot cassatie sub 4, hierna [eiseres 4], heeft als middelbare scholier een vooropleiding dans gevolgd, die door Fontys werd aangeboden in samenwerking met en op het Trichtercollege te Maastricht. Op advies van Fontys heeft zij het eerste jaar overgedaan. Fontys heeft aan het einde van het tweede schooljaar (2001) beslist dat de danskwaliteiten van [eiseres 4] onvoldoende waren om te worden bevorderd naar een volgend schooljaar en beslist dat [eiseres 4] haar dansopleiding niet kon voortzetten. [Eiser c.s.] heeft de beslissing bestreden via de bestuursrechtelijke weg. Het college van beroep voor de examens Fontys Hogescholen heeft het bezwaar gegrond verklaard en daarbij onder meer overwogen dat een tegemoetkoming in de kosten van een particuliere dansopleiding op zijn plaats is. Het college achtte een vergoeding van fl. 5.000 een billijke vergoeding. Fontys heeft die vergoeding betaald. Na een beroepsprocedure bij de sector bestuursrecht van de rechtbank, heeft de ABRvS uiteindelijk het besluit van dat college vernietigd en het college onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep omdat [eiseres 4] geen student was in de zin van de WHBO.
2.
[Eisers] hebben een verklaring voor recht gevorderd dat Fontys dientengevolge schadeplichtig is, alsmede een schadevergoeding van € 15.165,12.
3.
Wat betreft de grond dat [eiseres 4] te weinig les heeft genoten, oordeelde de rechtbank Breda in haar vonnis van 6 februari 2008 dat [eiser c.s.] de gevolgen daarvan niet heeft duidelijk gemaakt noch onderbouwd (rov. 3.5 en 3.9). Wat betreft de grond dat [eiseres 4] ten onrechte niet is toegelaten de dansopleiding te vervolgen, heeft de rechtbank vooropgesteld dat zij de vakinhoudelijke beoordeling slechts beperkt kan toetsen, terwijl [eiser c.s.] ook hierover onvoldoende heeft gesteld (rov. 3.7–3.8 en 3.11). Ook wat betreft de stelling dat [eiseres 3] door de situatie haar opleiding niet kon vervolgen, heeft de rechtbank de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen (rov. 3.12). Het gerechtshof 's‑Hertogenbosch is in een uitvoerig gemotiveerde uitspraak tot hetzelfde oordeel gekomen als de rechtbank. Zie met name rov. 8.2.2, 8.3.3, 8.5.2, 8.6 en 8.8.1 van zijn arrest van 22 december 2009.
4.
In het (tijdig ingestelde) cassatieberoep wordt erop gehamerd dat [eiseres 4] te weinig danslesuren heeft gekregen in het tweede jaar. De wanprestatie/onrechtmatige daad van Fontys zou daarmee vaststaan. Er zou in ieder geval vaststaan dat [eiseres 4] zich hierdoor onvoldoende heeft kunnen ontwikkelen. Het cassatiemiddel zoekt steun in het (later vernietigde) oordeel van het college van beroep en de toelichting die op dat oordeel is gegeven door de voorzitter van dat college in de procedure bij de sector bestuursrecht van de rechtbank.
5.
Het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 4] onvoldoende heeft gesteld zowel wat betreft de gevolgen voor haar van het krijgen van te weinig les, alsmede wat betreft de stelling dat het besluit van Fontys om [eiseres 4] niet te bevorderen de door de rechtbank bedoelde beperkte toetsing niet kan doorstaan. Ook in het licht van de stellingen van [eiser c.s.] in de feitelijke instanties waarnaar in het cassatiemiddel wordt verwezen, zijn de feitelijke oordelen van het hof niet onbegrijpelijk te noemen; voor het overige kunnen zijn in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
Waar de middelen I t/m III er nog op wijzen dat het besluit van 29 juni 2001 niet meer bestaat, miskennen zij dat de rechtbank dat reeds aan haar oordeel ten grondslag had gelegd (rov. 3.6). Middel I, waarvan de strekking blijkt uit de klacht van onderdeel 1.9, stuit overigens reeds af op het oordeel in rov. 8.1.1, dat de feitenvaststelling van de rechtbank niet is bestreden. De klacht over het passeren van het bewijsaanbod in onderdeel 2.5 faalt, nu het hof in rov. 8.2.2 kon oordelen dat onvoldoende is gesteld, zodat aan bewijslevering niet kon worden toegekomen. Anders dan onderdeel 2.7 aanvoert, is wel degelijk relevant dat de dansdocenten rekening hebben gehouden met het aantal genoten lesuren. Nu dit 's hofs oordeel kan dragen, ontbreekt belang bij onderdeel 2.9. Onderdeel 3.2 miskent dat het hof in rov. 8.4.2 verwijst naar zijn beoordeling van de eerste twee grieven en dus hetgeen daaromtrent is overwogen mede ten grondslag heeft gelegd aan zijn verwerping van grief drie.
De klacht van middel IV dat gezien de verstoorde verhoudingen tussen Fontys en [eiseres 4], van [eiseres 3] niet kon worden verlangd met haar dansopleiding verder te gaan, treft evenmin doel. Het feitelijke oordeel van het hof hierover is voldoende gemotiveerd.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G