Procestaal: Pools.
HvJ EU, 07-07-2016, nr. C-70/15
ECLI:EU:C:2016:524
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
07-07-2016
- Magistraten
M. Ilešič, C. Toader, A. Rosas, A. Prechal, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-70/15
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Lebek
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2016:524, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑07‑2016
ECLI:EU:C:2016:226, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 07‑04‑2016
Uitspraak 07‑07‑2016
M. Ilešič, C. Toader, A. Rosas, A. Prechal, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-70/15,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) bij beslissing van 27 november 2014, ingekomen bij het Hof op 17 februari 2015, in de procedure
Emmanuel Lebek
tegen
Janusz Domino,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. Toader (rapporteur), A. Rosas, A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door J. García-Valdecasas Dorrego als gemachtigde,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes en R. Chambel Margarido als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Owsiany-Hornung en M. Wilderspin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 april 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 34, punt 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1; hierna: ‘Brussel I-verordening’) en van artikel 19, lid 4, van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (‘de betekening en de kennisgeving van stukken’), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB 2007, L 324, blz. 79).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen E. Lebek en J. Domino over de erkenning in Polen van de uitvoerbaarheid van een door een Frans gerecht gegeven beslissing.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Brussel I-verordening
3
De overwegingen 2, 6 en 16 tot en met 18 van de Brussel I-verordening luiden als volgt:
- ‘(2)
Sommige verschillen in de nationale regels inzake de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning van beslissingen bemoeilijken de goede werking van de interne markt. Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook de vereenvoudiging van de formaliteiten met het oog op een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen van de lidstaten waarvoor deze verordening verbindend is, zijn onontbeerlijk.
[…]
- (6)
Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is het nodig en passend de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een verbindend en rechtstreeks toepasselijk besluit van de Gemeenschap neer te leggen.
[…]
- (16)
Op grond van het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling is het gewettigd de in een lidstaat gegeven beslissingen van rechtswege te erkennen zonder dat daarvoor, behoudens bij betwisting, nog een procedure moet worden gevolgd.
- (17)
Eveneens op grond van dit wederzijds vertrouwen moet de procedure om een in een lidstaat gegeven beslissing in een andere lidstaat uitvoerbaar te verklaren, doeltreffend en snel zijn. De verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing moet daarom vrijwel automatisch, zonder dat het gerecht ambtshalve een van de in deze verordening genoemde gronden voor niet-uitvoering kan aanvoeren, worden afgegeven, na een eenvoudige formele controle van de overgelegde documenten.
- (18)
De eerbiediging van de rechten van de verdediging houdt evenwel in dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel in te stellen tegen de verklaring van uitvoerbaarheid, wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is. Ook de eiser moet een rechtsmiddel kunnen instellen indien zijn verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid wordt afgewezen.’
4
Artikel 26, leden 1 en 2, van de Brussel I-verordening bepaalt:
- ‘1.
Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart het gerecht zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op deze verordening.
- 2.
Het gerecht is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.’
5
Volgens artikel 26, lid 3, van deze verordening, is artikel 19 van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB 2000, L 160, blz. 37) van toepassing in plaats van artikel 26, lid 2, van de Brussel I-verordening, indien de toezending, naar een andere lidstaat, van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, overeenkomstig verordening nr. 1348/2000 moest plaatsvinden.
6
Volgens artikel 33, lid 1, van de Brussel I-verordening worden de ‘in een lidstaat gegeven beslissingen […] in de overige lidstaten erkend zonder vorm van proces’.
7
Artikel 34, punt 2, van deze verordening bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend indien ‘het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was’.
8
Artikel 35 van deze verordening luidt als volgt:
- ‘1.
De beslissingen worden tevens niet erkend, indien de afdelingen 3, 4 en 6 van hoofdstuk II zijn geschonden, of indien het in artikel 72 bedoelde geval zich voordoet.
- 2.
Bij de toetsing of de in het vorige lid genoemde bevoegdheidsregels niet zijn geschonden, is het aangezochte gerecht of de aangezochte autoriteit gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de lidstaat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen.
- 3.
Onverminderd lid 1 mag de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van herkomst niet worden getoetst. De bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 34, punt 1.’
9
Artikel 38, lid 1, van de Brussel I-verordening bepaalt:
‘De beslissingen die in een lidstaat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere lidstaat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.’
10
Artikel 45 van deze verordening luidt als volgt:
- ‘1.
De verklaring van uitvoerbaarheid wordt door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in de artikelen 43 of 44, slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken. Het gerecht doet onverwijld uitspraak.
- 2.
In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.’
Verordening nr. 1393/2007
11
De overwegingen 6, 7 en 12 van verordening nr. 1393/2007 zijn als volgt verwoord:
- ‘(6)
Met het oog op de doelmatigheid en de snelheid van de gerechtelijke procedures in burgerlijke zaken is het nodig dat de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken tussen de door de lidstaten aangewezen plaatselijke instanties rechtstreeks en op snelle wijze geschiedt. De lidstaten kunnen evenwel hun voornemen kenbaar maken slechts één verzendende of één ontvangende instantie aan te wijzen, dan wel één enkele instantie die beide functies vervult, gedurende vijf jaar. Deze aanwijzing kan echter om de vijf jaar worden verlengd.
- (7)
De verzending kan met het oog op de snelheid ervan langs elke passende weg geschieden, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan inzake de leesbaarheid en de betrouwbaarheid van het ontvangen stuk. De zorgvuldigheid van de verzending vereist dat het te verzenden stuk vergezeld gaat van een modelformulier dat moet worden ingevuld in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de betekening of kennisgeving geschiedt dan wel in een andere taal die door de betrokken lidstaat wordt aanvaard.
[…]
- (12)
De ontvangende instantie moet degene voor wie het stuk is bestemd er door middel van het modelformulier schriftelijk van in kennis stellen dat hij het te betekenen of ter kennis te brengen stuk kan weigeren in ontvangst te nemen ofwel op het ogenblik van de betekening of kennisgeving ofwel door het stuk, indien het niet is gesteld in een taal die hij begrijpt of in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats van betekening of kennisgeving, binnen een week naar de ontvangende instantie terug te zenden. Dit geldt ook voor de daaropvolgende betekening of kennisgeving nadat degene voor wie het stuk bestemd is gebruik heeft gemaakt van zijn weigeringsrecht. Deze regels inzake weigering gelden ook voor de betekening of kennisgeving door medewerkers van ambassades en consulaten, betekening of kennisgeving door postdiensten en rechtstreekse betekening of kennisgeving. De betekening of kennisgeving van een geweigerd stuk moet kunnen worden geregulariseerd door aan degene voor wie het stuk is bestemd betekening of kennisgeving te doen van een vertaling van het stuk.’
12
Artikel 1 van deze verordening luidt:
- ‘1.
Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en in handelszaken, waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar. Deze verordening is met name niet van toepassing in fiscale, douane- en/of administratieve zaken of in het geval van aansprakelijkheid van de staat voor handelingen of omissies bij de uitoefening van het overheidsgezag (‘acta iure imperii’).
- 2.
Deze verordening is niet van toepassing indien het adres van degene voor wie het stuk is bestemd, onbekend is.
[…]’
13
Artikel 19, lid 4, van dezelfde verordening bepaalt:
‘Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden gezonden en de verweerder bij verstek is veroordeeld, kan de rechter, indien de termijn waarbinnen een rechtsmiddel had moeten worden aangewend is verstreken, de verweerder een nieuwe termijn toestaan waarbinnen hij het rechtsmiddel alsnog kan aanwenden, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de verweerder heeft niet de gelegenheid gehad zich te verweren of een rechtsmiddel aan te wenden, doordat het stuk respectievelijk de beslissing hem, buiten zijn schuld, niet tijdig heeft bereikt, en
- b)
de grieven van de verweerder zijn, naar het aanvankelijke oordeel van de rechter, niet van elke grond ontbloot.
Een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel is slechts ontvankelijk indien het is ingediend binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de verweerder van de beslissing kennis heeft gekregen.
Elke lidstaat kan, overeenkomstig artikel 23, lid 1, verklaren dat het verzoek niet ontvankelijk is, indien het is ingediend na het verstrijken van een in die verklaring genoemde termijn, die echter niet korter mag zijn dan één jaar te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing is gegeven.’
14
Ingevolge artikel 23, lid 1, van verordening nr. 1393/2007 delen ‘de lidstaten […] de Commissie de in de artikelen 2, 3, 4, 10, 11, 13, 15 en 19 bedoelde gegevens mee. […]’
15
Overeenkomstig voornoemd artikel 23, lid 1, heeft de Franse Republiek in haar verklaring meegedeeld dat de termijn voor een eventueel verzoek van de verweerder om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel één jaar is, te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing is gegeven.
Frans recht
16
Artikel 540 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering in de versie die van kracht is ingevolge décret no 2011-1043 relatif aux mesures conservatoires prises après l'ouverture d'une succession et à la procédure en la forme des référés (decreet nr. 2011-1043 betreffende bewarende maatregelen bij het openvallen van een erfenis en de kortgedingprocedure) van 1 september 2011 (JORF van 2 september 2011, blz. 14884; hierna: ‘CPC’) bepaalt:
‘Indien het vonnis bij verstek werd gewezen of wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen, kan de rechter, indien de termijn waarbinnen een rechtsmiddel had moeten worden aangewend is verstreken, de verweerder een nieuwe termijn toestaan waarbinnen hij het rechtsmiddel alsnog kan aanwenden, indien de verweerder niet de gelegenheid heeft gehad een rechtsmiddel aan te wenden, doordat de beslissing hem, buiten zijn schuld, niet tijdig heeft bereikt, of indien het voor hem onmogelijk was om op te treden.
Het verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel wordt ingediend bij de president van het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van het verzet of het hoger beroep. De president wordt aangezocht zoals in kort geding.
Het verzoek is ontvankelijk indien het wordt ingediend binnen een termijn van twee maanden vanaf het eerste stuk dat aan de betrokkene in persoon werd betekend of, bij gebreke daarvan, vanaf de eerste maatregel van tenuitvoerlegging die ertoe leidt dat alle of een deel van de goederen van de schuldenaar niet beschikbaar zijn.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17
In het kader van een eerste procedure bij de bevoegde Poolse rechterlijke instanties heeft Lebek verzocht om de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissing van de tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank Parijs) van 8 april 2010, waarbij Domino is veroordeeld tot betaling van 300 euro aan alimentatie per maand aan Lebek.
18
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het stuk dat het geding bij de tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank Parijs) inleidt niet aan de verweerder, Domino, was betekend of meegedeeld, omdat diens adres in Parijs, zoals door de verzoeker, Lebek, was vermeld, onjuist was, omdat de verweerder sinds 1996 in Polen woonachtig is. Nu Domino geen kennis heeft gekregen van de lopende procedure, heeft hij zich niet kunnen verweren.
19
Pas in juli 2011, meer dan een jaar nadat de beslissing van deze Franse rechterlijke instantie was uitgesproken, heeft Domino kennis gekregen van deze beslissing, toen de Sąd Okręgowy w Jeleniej Górze (regionale rechtbank Jelenia Góra, Polen) in het kader van de bij dit gerecht ingestelde procedure, aan hem gewaarmerkte kopieën van de beslissing van de tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank Parijs) alsmede het verzoek van Lebek om erkenning van uitvoerbaarheid van deze beslissing heeft betekend.
20
Bij beschikkingen die op respectievelijk 23 november 2011 door de Sąd Okręgowy w Jeleniej Górze (regionale rechtbank Jelenia Góra) en op 31 januari 2012 door de Sąd Apelacyjny we Wrocławiu (appelrechter Wrocław, Polen) zijn gegeven, hebben deze gerechten het verzoek van Lebek verworpen, omdat het recht van Domino om zichzelf te verdedigen is geschonden, nu Domino kennis heeft genomen van de beslissing van de tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank Parijs) op een tijdstip waarop hij geen normaal rechtsmiddel meer kon instellen.
21
Lebek heeft daarna een tweede verzoek ingediend bij de Sąd Okręgowy w Jeleniej Górze (regionale rechtbank Jelenia Góra) met hetzelfde voorwerp als het verzoek dat eerder was verworpen, en daarbij nieuwe feiten opgeworpen, namelijk dat de betekeningen van de beslissing van de tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank Parijs) aan verweerder overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1393/2007 op 17 en 31 mei 2012 zijn geschied. Deze betekeningen betroffen zowel deze beslissing als een instructie aan de verweerder die met name de bepalingen uit artikel 540 CPC overnam. Ingevolge deze instructie kon de verweerder, nu de termijn waarbinnen een rechtsmiddel had moeten worden aangewend was verstreken, binnen twee maanden na de betekening van de betrokken beslissing een verzoek indienen om verlening van een nieuwe termijn waarbinnen een rechtsmiddel kan worden aangewend.
22
Bij een beslissing van 14 december 2012, waaruit volgt dat de verweerder een dergelijk verzoek niet in de aldus gestelde termijn heeft ingesteld, heeft de Sąd Okręgowy w Jeleniej Górze (regionale rechtbank Jelenia Góra) het tweede verzoek van Lebek gehonoreerd en hiertoe overwogen dat het recht om zich te kunnen verdedigen gewaarborgd was, en verklaard dat de beslissing van de tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank Parijs) in Polen uitvoerbaar is.
23
Bij een beslissing van 27 mei 2013, gewezen naar aanleiding van een door Domino aangewend rechtsmiddel, heeft de Sąd Apelacyjny we Wrocławiu (appelrechter Wrocław) de bestreden uitspraak gewijzigd en het verzoek om erkenning verworpen, omdat artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening aldus moest worden uitgelegd dat de loutere mogelijkheid om een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel in te dienen, niet betekende dat er reële mogelijkheden bestonden om een rechtsmiddel aan te wenden tegen de uitspraak van de tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank Parijs), omdat dit rechtsmiddel namelijk afhankelijk is van een voorafgaand positief besluit, door het Franse gerecht, op dat verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel.
24
Lebek heeft tegen deze beslissing van de Sąd Apelacyjny we Wrocławiu (appelrechter Wrocław) cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen).
25
Volgens de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) kan de verweerder, in een situatie waarin hij in staat was om in de staat van herkomst van de betrokken beslissing een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen deze beslissing in te dienen, zich niet beroepen op de in artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening genoemde gronden voor weigering van een uitvoerbaarverklaring van deze beslissing.
26
Dit gerecht is van oordeel dat het begrip ‘rechtsmiddel’ uit artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening ruim moet worden uitgelegd, omdat de ratio legis van deze bepaling erin bestaat de verweerder te beschermen wanneer er jegens hem een uitspraak is gewezen en het stuk dat het geding inleidt aan hem niet is betekend of meegedeeld. Die bescherming is gewaarborgd wanneer het mogelijk is om een verzoek in te dienen om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel.
27
Dit gerecht brengt tevens in herinnering dat overeenkomstig artikel 19, lid 4, en artikel 23, lid 1, van verordening nr. 1393/2007, de termijn waarbinnen het verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel ontvankelijk is, in Frankrijk één jaar vanaf de uitspraak van de betrokken beslissing is.
28
Hieruit volgt dat, indien artikel 19, lid 4, van deze verordening aldus moet worden uitgelegd dat de toepassing van nationale bepalingen die de kwestie van het verlenen van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel regelen, zoals artikel 540 CPC, dit zou betekenen dat de verweerder geen verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel meer kan indienen, omdat de termijn van een jaar verstreken is, zodat verweerder geen rechtsmiddel meer kan aanwenden in de zin van artikel 34, punt 2, laatste zinsdeel, van de Brussel I-verordening.
29
De Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) is echter van oordeel dat artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1393/2007 niet een dergelijk exclusief karakter heeft en zich niet verzet tegen de toepassing van nationale bepalingen die voorzien in een nieuwe termijn. Die bepaling lijkt enkel in minimumnormen te voorzien voor de bescherming van de verweerder tegen wie verstek werd verleend en aan wie het verzoekschrift niet werd betekend of meegedeeld, waarbij het de lidstaten vrijstaat om gunstigere regelingen toe te passen.
30
In die omstandigheden heeft de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dient artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening aldus te worden uitgelegd dat het daarin vermelde feit van het in staat zijn om een rechtsmiddel aan te wenden, ziet op zowel de situatie waarin dit rechtsmiddel kan worden aangewend binnen de in het nationale recht gestelde termijn als de situatie waarin die termijn reeds is verstreken maar het nog mogelijk is om een verzoek om verlening van een nieuwe termijn in te dienen en vervolgens — na toewijzing van dat verzoek — het eigenlijke rechtsmiddel aan te wenden?
- 2)
Dient artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1393/2007 aldus te worden uitgelegd dat het de toepassing uitsluit van de bepalingen van nationaal recht inzake de mogelijkheid om een nieuwe termijn toe te staan waarbinnen het rechtsmiddel alsnog kan worden aangewend, dan wel in die zin dat de verweerder de keuze heeft om ofwel een verzoek in de zin van die bepaling in te dienen ofwel gebruik te maken van de in het nationale recht voorziene passende procedure?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
31
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip ‘rechtsmiddel’ als bedoeld in artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening, aldus moet worden uitgelegd dat daaronder ook wordt verstaan het verzoek om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, indien de termijn om een normaal rechtsmiddel aan te wenden is verstreken.
32
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het begrip ‘rechtsmiddel’, in de zin van artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening, niet dient te worden opgevat als een eenvoudige verwijzing naar het nationale recht van een van de betrokken lidstaten, zulks ter verzekering van de grootst mogelijke gelijkheid en eenvormigheid van de rechten en verplichtingen die voor de lidstaten en de belanghebbende personen uit de Brussel I-verordening voortvloeien. Voornoemd begrip is een autonoom begrip dat moet worden uitgelegd aan de hand van met name de doelen van deze verordening (zie in die zin arrest van 28 april 2009, Apostolides, C-420/07, EU:C:2009:271, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Wat de doelstellingen van deze verordening betreft, blijkt uit de overwegingen 2, 6, 16 en 17 dat deze tot doel heeft, het vrije verkeer van beslissingen uitgaande van de lidstaten in burgerlijke en handelszaken te verzekeren door de formaliteiten voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging daarvan te vereenvoudigen (arrest van 14 december 2006, ASML, C-283/05, EU:C:2006:787, punt 23).
34
Dit doel mag echter niet worden bereikt door op welke wijze dan ook afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging, zoals het Hof ten aanzien van artikel 27, punt 2, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; hierna: ‘Executieverdrag’) heeft geoordeeld (arrest van 14 december 2006, ASML, C-283/05, EU:C:2006:787, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
Bovendien volgt uit overweging 18 van de Brussel I-verordening dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging inhoudt dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel in te stellen tegen de verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing, wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is.
36
In dit verband blijkt uit de overwegingen 16 tot en met 18 van de Brussel I-verordening dat het daarin geregelde stelsel van rechtsmiddelen tegen de erkenning of de tenuitvoerlegging van een beslissing ertoe strekt een juist evenwicht tot stand te brengen tussen het wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling in de Unie, dat rechtvaardigt dat de in een lidstaat gegeven beslissingen in een andere lidstaat in beginsel van rechtswege worden erkend en uitvoerbaar verklaard, en de eerbiediging van de rechten van de verdediging, die inhoudt dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben in een procedure op tegenspraak een rechtsmiddel aan te wenden tegen de verklaring van uitvoerbaarheid, wanneer hij van mening is dat een van de gronden voor niet-uitvoering van toepassing is (arrest van 28 april 2009, Apostolides, C-420/07, EU:C:2009:271, punt 73).
37
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de grondrechten, zoals de eerbiediging van de rechten van de verdediging, welke rechten voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces, niet absoluut zijn, maar kunnen worden onderworpen aan beperkingen. Deze beperkingen moeten evenwel daadwerkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang die door de betrokken maatregel worden nagestreefd en mogen uit het oogpunt van het nagestreefde doel geen buitensporige inbreuk op bedoelde rechten vormen (zie in die zin arrest van 17 november 2011, Hypoteční banka, C-327/10, EU:C:2011:745, punt 50).
38
Er zij eraan herinnerd dat, anders dan artikel 27, punt 2, van het Executieverdrag, artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening niet eist dat de betekening of mededeling van het stuk dat het geding inleidt per se regelmatig is geweest, maar dat de rechten van de verdediging daadwerkelijk zijn geëerbiedigd (zie arrest van 14 december 2006, ASML, C-283/05, EU:C:2006:787, punt 20).
39
Artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening, waarnaar artikel 45, lid 1, daarvan verwijst, beoogt de eerbiediging van de rechten van de verweerder tegen wie verstek werd verleend tijdens de in de lidstaat van herkomst ingestelde procedure te verzekeren door middel van een systeem van dubbele toetsing. Krachtens dat systeem moet de rechter van de aangezochte lidstaat de tenuitvoerlegging van een buitenlandse bij verstek gegeven beslissing weigeren of — in het geval van een beroep — herroepen indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de niet-verschenen verweerder is betekend of meegedeeld, tenzij de verweerder tegen die beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend voor de gerechten van de lidstaat van herkomst terwijl hij daartoe in staat was (arrest van 6 september 2012, Trade Agency, C-619/10, EU:C:2012:531, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening houdt evenwel niet in dat de verweerder verplicht is, nieuwe stappen te ondernemen, die verder gaan dan de normale voortvarendheid bij de verdediging van zijn rechten vereist, zoals zich op de hoogte te stellen van de inhoud van een beslissing die in een andere lidstaat is gegeven (arrest van 14 december 2006, ASML, C-283/05, EU:C:2006:787, punt 39).
41
Om te concluderen dat de verweerder tegen wie verstek werd verleend in de zin van artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening in staat is geweest een rechtsmiddel aan te wenden tegen een bij verstek tegen hem gegeven beslissing, moet hij derhalve kennis hebben gehad van de inhoud van die beslissing, hetgeen veronderstelt dat die hem is betekend of meegedeeld (arrest van 14 december 2006, ASML, C-283/05, EU:C:2006:787, punt 40).
42
Wat meer in het bijzonder het verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel betreft, moet worden verduidelijkt dat een dergelijk verzoek tot doel heeft het recht van een verweerder tegen wie verstek werd verleend, te herstellen om na het verstrijken van de in de wet voorziene termijn ter uitoefening van dat recht, alsnog een beroep in rechte in te stellen.
43
Het verzoek beoogt aldus, net als de mogelijkheid om een gewoon rechtsmiddel aan te wenden, ten aanzien van verweerders tegen wie verstek werd verleend, de daadwerkelijke eerbiediging van de rechten van de verdediging te waarborgen.
44
Overeenkomstig artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1393/2007, veronderstelt de indiening van een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel echter dat de verweerder niet de gelegenheid heeft gehad een rechtsmiddel aan te wenden, doordat het betrokken stuk hem, buiten zijn schuld, niet tijdig heeft bereikt, en dat zijn grieven, naar het aanvankelijke oordeel van de rechter, niet van elke grond zijn ontbloot. Het verzoek moet bovendien binnen een redelijke termijn worden ingediend.
45
Voor zover is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1393/2007, daar de verweerder nog de mogelijkheid heeft te verzoeken dat zijn recht om een gewoon rechtsmiddel aan te wenden wordt hersteld, kan niet worden aangenomen dat hij niet meer op effectieve wijze zijn rechten van verdediging kan uitoefenen. Ín deze omstandigheden kan de indiening van een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel niet worden beschouwd als een nieuwe stap die verder gaat dan de normale voortvarendheid bij de verdediging van de rechten van de verweerder tegen wie verstek werd verleend, vereist.
46
Indien deze laatste geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht om te verzoeken om een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel, terwijl hij daartoe in staat was, en aan de voorwaarden die in punt 44 van dit arrest zijn genoemd is voldaan, kan de erkenning van een bij verstek gewezen uitspraak jegens deze verweerder niet worden geweigerd op grond van artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening.
47
Daarentegen dient een uitspraak die bij verstek is gewezen niet te worden erkend indien de verweerder tegen wie verstek werd verleend, buiten zijn schuld, een verzoek heeft ingediend om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel, welk verzoek vervolgens is afgewezen, terwijl is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1393/2007.
48
Deze oplossing kan de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces waarborgen en het juiste evenwicht verzekeren tussen enerzijds de noodzaak om te garanderen dat de beslissingen die in een lidstaat zijn gewezen in beginsel in een andere lidstaat van rechtswege worden erkend en uitvoerbaar verklaard, en anderzijds de eerbiediging van de rechten van de verdediging.
49
Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat het begrip ‘rechtsmiddel’ als bedoeld in artikel 34, punt 2, van de Brussel I-verordening, aldus moet worden uitgelegd dat daaronder ook wordt verstaan het verzoek om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, indien de termijn om een normaal rechtsmiddel aan te wenden is verstreken.
Tweede vraag
50
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 4, laatste alinea, van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat het uitsluit dat de bepalingen van nationaal recht inzake het stelsel van verzoeken om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, worden toegepast wanneer de termijn waarbinnen de indiening van dergelijke verzoeken nog ontvankelijk is, zoals deze nader is bepaald in de in deze bepaling bedoelde verklaring van een lidstaat, is verstreken.
51
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens de bewoordingen van artikel 288, tweede alinea, VWEU een verordening een rechtshandeling van de Unie is met een algemene strekking, die verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat. Wegens de aard en functie ervan in het stelsel van de rechtsbronnen van de Unie, sorteert zij derhalve onmiddellijk gevolgen en kan zij aan particulieren rechten verlenen die de nationale rechter gehouden is te beschermen (arresten van 14 juli 2011, Bureau national interprofessionnel du Cognac, C-4/10 en C-27/10, EU:C:2011:484, punt 40, en 10 december 2013, Abdullahi, C-394/12, EU:C:2013:813, punt 48).
52
In dit verband geldt dat ook de omstandigheid dat de voorkeur is gegeven aan een verordening het belang aantoont dat de Uniewetgever hecht aan de rechtstreekse toepasselijkheid van de bepalingen van verordening nr. 1393/2007 en aan de eenvormige toepassing daarvan (zie naar analogie arresten van 8 november 2005, Leffler, C-443/03, EU:C:2005:665, punt 46, en 25 juni 2009, Roda Golf & Beach Resort, C-14/08, EU:C:2009:395, punt 49).
53
Volgens de bewoordingen van artikel 19, lid 4, laatste alinea, van verordening nr. 1393/2007 heeft elke lidstaat het recht om overeenkomstig artikel 23, lid 1, van deze verordening te verklaren dat het verzoek om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden niet-ontvankelijk is indien het is ingediend na het verstrijken van een in zijn verklaring genoemde termijn, die echter niet korter mag zijn dan één jaar te rekenen vanaf de dag waarop de betrokken beslissing is gegeven.
54
In het onderhavige geval heeft de Franse Republiek overeenkomstig artikel 19, lid 4, gebruik gemaakt van dit recht, en in haar verklaring aangegeven dat het verzoek om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden niet-ontvankelijk is indien het is ingediend na het verstrijken van één jaar te rekenen vanaf de dag waarop die beslissing is gegeven.
55
Voorts dienen verjaringstermijnen volgens vaste rechtspraak in het algemeen ter bevordering van de rechtszekerheid (arresten van 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a., C-367/09, EU:C:2010:648, punt 68, en van 8 september 2011, Q-Beef en Bosschaert, C-89/10 en C-96/10, EU:C:2011:555, punt 42).
56
In het hoofdgeding is niet betwist dat Domino pas in juli 2011 kennis heeft gekregen van de beslissing van de tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank Parijs), terwijl de termijn van één jaar te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing is gegeven al was verstreken.
57
Het zou dan ook in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid en met de bindende werking van verordeningen van de Unie wanneer artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1393/2007 aldus zou worden uitgelegd dat een verzoek om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden nog kan worden ingediend binnen een in het nationale recht voorziene termijn, terwijl dat verzoek niet meer ontvankelijk is op grond van een bindende, rechtstreeks toepasselijke bepaling uit deze verordening.
58
Gelet op de voorgaande overwegingen dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 19, lid 4, laatste alinea, van verordening nr. 1393/2007 aldus moet worden uitgelegd dat het uitsluit dat de bepalingen van nationaal recht inzake het stelsel van verzoeken om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, worden toegepast wanneer de termijn waarbinnen de indiening van dergelijke verzoeken nog ontvankelijk is, zoals deze nader is bepaald in de in deze bepaling bedoelde verklaring van een lidstaat, is verstreken.
Kosten
59
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Het begrip ‘rechtsmiddel’ als bedoeld in artikel 34, punt 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat daaronder ook wordt verstaan het verzoek om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, indien de termijn om een normaal rechtsmiddel aan te wenden is verstreken.
- 2)
Artikel 19, lid 4, laatste alinea, van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (‘de betekening en de kennisgeving van stukken’), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat het uitsluit dat de bepalingen van nationaal recht inzake het stelsel van verzoeken om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden, worden toegepast wanneer de termijn waarbinnen de indiening van dergelijke verzoeken nog ontvankelijk is, zoals deze nader is bepaald in de in deze bepaling bedoelde verklaring van een lidstaat, is verstreken.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑07‑2016
Conclusie 07‑04‑2016
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-70/151.
Emmanuel Lebek
[verzoek van de Sąd Najwyższy (Polen) om een prejudiciële beslissing]
I — Inleiding
1.
Het Hof van Justitie wordt dit jaar reeds voor de tweede keer in de gelegenheid gesteld om de bezwaren te verkennen die een verweerder overeenkomstig verordening (EG) nr. 44/20012. kan aanvoeren tegen een verzoek om uitvoerbaarverklaring van een rechterlijke beslissing. Terwijl in de zaak Meroni3. het openbare orde-bezwaar van artikel 34, punt 1, van voornoemde verordening centraal staat, gaat het in de onderhavige zaak om het voor de rechtspraktijk nog belangrijkere artikel 34, punt 2. Hierin wordt bepaald onder welke voorwaarden gebreken bij de betekening of mededeling van het stuk dat het geding inleidt in de weg kunnen staan aan de latere erkenning en verklaring van uitvoerbaarheid van een beslissing in een andere lidstaat.
2.
Artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 is weliswaar geschoeid op de leest van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: ‘Executieverdrag’)4., maar de normatieve inhoud ervan heeft sinds het Executieverdrag aanzienlijke wijzigingen ondergaan. Onder de vigeur van het Executieverdrag pleitten gebreken bij de betekening of mededeling van het gedinginleidend stuk namelijk nog systematisch tegen een erkenning van de daarna gegeven rechterlijke beslissing. Verordening nr. 44/2001 daarentegen is duidelijk meer in het voordeel van de eiser, aangezien deze verordening geen belemmering van de erkenning kent wanneer de verweerder tegen de betrokken beslissing na het geven ervan geen rechtsmiddel heeft aangewend in de staat waar de beslissing is gegeven terwijl hij daartoe in staat was, ook al kon de verweerder bijvoorbeeld bij gebreke van een tijdige dagvaarding in de staat waar de beslissing is gegeven geen doeltreffende verdediging voeren vóór het geven van de beslissing.
3.
De onderhavige zaak voegt in zoverre een nieuw facet toe aan de erkenningscasuïstiek bij verstekvonnissen dat in het thans aan het Hof voorgelegde geval in de staat waar de beslissing was gegeven wegens termijnoverschrijding reeds geen rechtsmiddel meer kon worden aangewend, maar wel nog een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel kon worden ingediend.
4.
Of artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 van de verweerder verlangt dat hij, teneinde een latere uitvoerbaarverklaring in een andere lidstaat te voorkomen, het nationale rechtsmiddel in de staat waar de beslissing is gegeven eerst met een verzoek om verlening van een nieuwe termijn tracht te verkrijgen en welke termijnen hiervoor in voorkomend geval gelden, zijn de vragen waar het in het onderhavige geval om gaat.
II — Toepasselijke bepalingen
5.
Verordening nr. 44/2001 en verordening (EG) nr. 1393/20075. vormen het Unierechtelijke kader van het onderhavige geval.
A — Verordening nr. 44/2001
6.
Artikel 34, punt 2, van deze verordening bevat het beginsel dat een beslissing niet wordt erkend indien ‘het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was’.
7.
Ingevolge artikel 45, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 44/2001 wordt ‘[d]e verklaring van uitvoerbaarheid […] door het gerecht dat oordeelt over een rechtsmiddel, bedoeld in […] artikel[…] 43 […], slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden geweigerd of ingetrokken’.
B — Verordening nr. 1393/2007
8.
Ingevolge artikel 1 van verordening nr. 1393/2007 (hierna: ‘betekeningsverordening’) heeft deze verordening de volgende werkingssfeer:
- ‘(1)
Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en in handelszaken, waarin een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk van een lidstaat naar een andere lidstaat moet worden verzonden ter betekening of kennisgeving aldaar. […].
- (2)
Deze verordening is niet van toepassing indien het adres van degene voor wie het stuk is bestemd, onbekend is.
[…]’
9.
Artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening luidt:
‘Wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden gezonden en de verweerder bij verstek is veroordeeld, kan de rechter, indien de termijn waarbinnen een rechtsmiddel had moeten worden aangewend is verstreken, de verweerder een nieuwe termijn toestaan waarbinnen hij het rechtsmiddel alsnog kan aanwenden, mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
de verweerder heeft niet de gelegenheid gehad zich te verweren of een rechtsmiddel aan te wenden, doordat het stuk respectievelijk de beslissing hem, buiten zijn schuld, niet tijdig heeft bereikt, en
- b)
de grieven van de verweerder zijn, naar het aanvankelijke oordeel van de rechter, niet van elke grond ontbloot.
Een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel is slechts ontvankelijk indien het is ingediend binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de verweerder van de beslissing kennis heeft gekregen.
Elke lidstaat kan, [tegenover de Europese Commissie overeenkomstig artikel 23, lid 1, van de betekeningsverordening], verklaren dat het verzoek niet ontvankelijk is, indien het is ingediend na het verstrijken van een in die verklaring genoemde termijn, die echter niet korter mag zijn dan één jaar te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing is gegeven.’
III — Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10.
Op 8 april 2010 werd bij beslissing van het Tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank te Parijs, Frankrijk) de sinds 1996 in de Republiek Polen wonende D. veroordeeld tot maandelijkse betaling van alimentatie aan verzoeker L. In de procedure voor de Franse rechter was D. niet verschenen. Het gedinginleidend stuk was namelijk niet aan hem betekend of medegedeeld, omdat verzoeker als betekeningsadres van verweerder een verkeerd adres in Parijs had opgegeven, waarop D. geen post kon ontvangen.
11.
Pas in juli 2011 kreeg D. kennis van het bestaan van de rechterlijke beslissing, toen om tenuitvoerlegging daarvan in de Republiek Polen werd verzocht en de Sąd Okręgowy w Jeleniej Górze (regionale rechtbank van Jelenia Góra, Polen) een afschrift van het verzoek om uitvoerbaarverklaring ervan alsmede een daarbij gevoegd afschrift van de uitspraak van de Franse rechter aan hem liet betekenen. Aangezien volgens de vaststellingen van de Poolse rechter6. de nationale termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de Franse beslissing evenwel reeds was verstreken, werd een eerste verzoek om uitvoerbaarverklaring in Polen ook na hoger beroep van de verzoeker afgewezen, waarbij de bevoegde Poolse rechter de afwijzing van het verzoek baseerde op artikel 34, punt 2, juncto artikel 45 van verordening nr. 44/2001.
12.
Vervolgens werd in mei 2012 de litigieuze beslissing met inachtneming van de betekeningsverordening opnieuw aan D. betekend, waarbij hij erop werd gewezen dat hij kon verzoeken om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel binnen een termijn van twee maanden vanaf de dag van betekening van de beslissing. Deze mededeling inzake de verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel komt overeen met de inhoud van artikel 540 van de Code de procédure civile (Frans wetboek van burgerlijke rechtsvordering). D. heeft evenwel noch een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel in Frankrijk ingediend, noch een rechtsmiddel tegen de litigieuze beslissing aangewend.
13.
Tegen deze achtergrond werd opnieuw verzocht om uitvoerbaarverklaring van de beslissing in de Republiek Polen. Verzoeker, L., betoogde hierbij dat met de nieuwe betekening en de mededeling inzake het recht op verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel verweerder de mogelijkheid is geboden om tegen de beslissing op te komen, hetgeen hij evenwel heeft nagelaten. Dit betoog is evenwel niet overgenomen door de Sąd Apelacyjny we Wrocławiu (appelrechter te Wrocław, Polen), die bij beschikking van 27 mei 2013 het verzoek om uitvoerbaarverklaring van de beslissing opnieuw afwees. Tot staving hiervan verklaarde deze rechter dat het loutere recht om te verzoeken om een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel niet kon worden gelijkgesteld met de mogelijkheid om een rechtsmiddel tegen de beslissing aan te wenden in de zin van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001. De mogelijkheid om de litigieuze beslissing aan te vechten in de zin van deze bepaling bestaat enkel wanneer binnen de gewone termijn om een rechtsmiddel aan te wenden aan de verweerder de beslissing en de motivering ervan, alsmede de mededeling inzake de rechtsmiddelen werden betekend.
14.
Tegen deze beschikking heeft verzoeker cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter. Deze rechter vraagt zich in het bijzonder af of in het onderhavige geval eigenlijk wel kan worden uitgegaan van de mogelijkheid van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel, aangezien de Franse Republiek overeenkomstig artikel 23, lid 1, van de betekeningsverordening heeft verklaard dat het verzoek om verlening van een nieuwe termijn om een rechtsmiddel aan te wenden niet ontvankelijk is wanneer dit verzoek na het verstrijken van één jaar te rekenen vanaf de datum van de beslissing — die in april 2010 is gegeven — is ingediend.
15.
Onder die omstandigheden heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof van Justitie te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dient artikel 34, punt 2, van verordening [nr. 44/2001] aldus te worden uitgelegd dat het daarin vermelde feit van het in staat zijn om een rechtsmiddel aan te wenden, ziet op zowel de situatie waarin dit rechtsmiddel kan worden aangewend binnen de in het nationale recht gestelde termijn als de situatie waarin die termijn reeds is verstreken maar het nog mogelijk is om een verzoek om verlening van een nieuwe termijn in te dienen en vervolgens — na toewijzing van dat verzoek — het eigenlijke rechtsmiddel aan te wenden?
- 2)
Dient artikel 19, lid 4, van verordening [nr. 1393/2007] aldus te worden uitgelegd dat het de toepassing uitsluit van de bepalingen van nationaal recht inzake de mogelijkheid om een nieuwe termijn toe te staan waarbinnen het rechtsmiddel alsnog kan worden aangewend, dan wel in die zin dat de verweerder de keuze heeft om ofwel een verzoek in de zin van die bepaling in te dienen ofwel gebruik te maken van het in het nationale recht voorziene passende rechtsinstituut?’
IV — Beoordeling van de prejudiciële vragen
A — Eerste prejudiciële vraag
16.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling na het verstrijken van de in het nationale recht gestelde termijn om een rechtsmiddel aan te wenden in de staat waarin de beslissing is gegeven niet in de weg staat aan een uitvoerbaarverklaring wanneer de verweerder zich door middel van een verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel opnieuw de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel kon verschaffen.
17.
Voor zover zij met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag een standpunt innemen, pleiten alle lidstaten die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, alsook de Europese Commissie ervoor om artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 ruim uit te leggen.
18.
Ingevolge hiervan zou de verweerder, wanneer in de staat waar de beslissing is gegeven in het geval van een verstreken rechtsmiddeltermijn een nieuwe termijn kan worden verleend, in beginsel gehouden zijn om zich op deze wijze de bevoegdheid te verschaffen om een rechtsmiddel tegen de beslissing aan te wenden en vervolgens — na toewijzing van dat verzoek — het eigenlijke rechtsmiddel in de staat waar de beslissing is gegeven aan te wenden. Anders moet de verweerder ermee rekening houden dat hij in de procedure tot verlening van een verklaring van uitvoerbaarheid in een andere lidstaat geen beroep kan doen op artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001. Zowel stemmen in de doctrine als de rechtspraak van de lidstaten7. lijken steun te bieden aan deze ruime en erkenningsvriendelijke benadering.
19.
Een dergelijke lezing vloeit evenwel niet dwingend voort uit de bewoordingen van de bepaling, die immers verwijzen naar rechtsmiddelen ‘tegen de beslissing’. Een dergelijk rechtsmiddel is de procedure tot verkrijging van een nieuwe termijn strik genomen niet. Veeleer kan een verweerder in situaties waarin een procedure tot verkrijging van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel in aanmerking moet worden genomen, niet langer zonder meer een rechtsmiddel aanwenden tegen de beslissing als zodanig.
20.
Ook systematische argumenten pleiten niet dwingend ervoor om de verweerder in omstandigheden als die in het hoofdgeding te verplichten een verzoek om verlening van een nieuwe termijn in te dienen en hem anders de mogelijkheid te onthouden om een beroep te doen op de grond voor weigering van erkenning van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001.
21.
In het bijzonder kan hiertoe niet worden verwezen naar artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening, waarin met betrekking tot grensoverschrijdende betekeningen het verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel wordt geregeld in het geval van een niet-verschenen verweerder. Deze bepaling geeft namelijk geen uitsluitsel over de relevantie van een procedure tot verkrijging van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel in het kader van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001, welk artikel — anders dan bijvoorbeeld artikel 26 van deze verordening — niet systematisch samenhangt met de betekeningsverordening.
22.
Om te beginnen komt reeds de werkingssfeer van de betekeningsverordening niet volledig overeen met die van het litigieuze artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001, aangezien artikel 34 ook betrekking heeft op gronden voor weigering van erkenning in het geval van rechterlijke beslissingen die niet overeenkomstig de betekeningsverordening zijn betekend. Voorts blijkt dat artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening bij praktijkgerichte lezing ervan niet op het onderhavige geval van toepassing is. Deze bepaling heeft namelijk uitdrukkelijk betrekking op gevallen, waarin ‘een stuk dat het geding inleidt […] overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden gezonden en8. de verweerder bij verstek is veroordeeld’. Hiervan kan in het onderhavige geval niet worden uitgegaan, omdat het gedinginleidend stuk was geadresseerd aan een adres in Parijs en dus een grensoverschrijdende betekening bij de inleiding van de procedure in Frankrijk helemaal niet aan de orde was. Bijgevolg is reeds aan de eerste van de twee cumulatieve voorwaarden voor de in artikel 19, lid 4, bedoelde verlening van een nieuwe termijn niet voldaan.
23.
Zelfs wanneer artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening wel van toepassing zou zijn, kan uit deze bepaling geen verplichting tot het indienen van een verzoek om verlening van een nieuwe termijn worden afgeleid. In het geval van artikel 19, lid 4, gaat het namelijk om een norm die strekt tot bescherming van de geadresseerde van de betekening en die hem in staat stelt om onder bepaalde voorwaarden te kunnen verzoeken om een nieuwe termijn zonder hem evenwel hiertoe te verplichten. Hiermee houdt deze bepaling rekening met het mogelijke belang van de geadresseerde van de betekening om op eigen initiatief de met een betekeningsgebrek behepte procedure nieuw leven in te blazen en in voorkomend geval verwerping van het gevorderde te bewerkstelligen.9. Artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening laat evenwel niet de systematische conclusie toe dat de verweerder in het kader van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 verplicht zou zijn om een dergelijk verzoek om verlening van een nieuwe termijn in te dienen of anders de uitvoerbaarverklaring van de beslissing voor lief te moeten nemen.
24.
Ter beantwoording van de vraag of ‘het in staat zijn om een rechtsmiddel aan te wenden’ in de zin van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 mede de indiening van een verzoek om verlening van een nieuwe termijn omvat, moet veeleer worden nagegaan wat het doel van deze bepaling is. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat verordening nr. 44/2001 tot doel heeft om een snelle en doeltreffende uitvoerbaarverklaring van rechterlijke beslissingen mogelijk te maken, waarbij de rechten van de verdediging van de verweerder niet mogen worden geschonden.10. Laatstgenoemde diende vooral de — onder de vigeur van de oude regeling van het Executieverdrag bestaande — mogelijkheid te worden ontnomen om in de procedure inzake de verklaring van uitvoerbaarheid een oneigenlijk beroep te doen op de niet-betekening van het gedinginleidend stuk, zolang hij gedurende de niet-verstreken termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel zonder meer kon opkomen tegen de litigieuze beslissing in de staat waar deze was gegeven. Dat hij bovendien na het verstrijken van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel verplicht gebruik zou moeten maken van een procedure ter verkrijging van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel, kan evenwel noch uit de bewoordingen van de bepaling, noch uit de overwegingen van de verordening ondubbelzinnig worden afgeleid.
25.
Veeleer pleiten overwegingen die verband houden met het recht op een eerlijk proces11. ertegen om de bewoordingen van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 te ruim op te vatten en een verzoek om verlening van een nieuwe termijn onder het begrip ‘rechtsmiddel’ in de zin van deze bepaling te laten vallen. Zou de verweerder namelijk na het verstrijken van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel verplicht zijn tot indiening van een verzoek om verlening van een nieuwe termijn in de staat waar de rechterlijke beslissing is gegeven, omdat hem anders een uitvoerbaarverklaring in een andere lidstaat boven het hoofd hangt, dan zou hiermee tekort worden gedaan aan het beginsel van ‘equality of arms’ tussen eiser en verweerder, welk beginsel volgens de rechtspraak van het Hof wezenlijk is voor een eerlijk proces.12.
26.
Dit wordt duidelijk wanneer men in het achterhoofd houdt dat de verweerder, wanneer hij vóór het verstrijken van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel overeenkomstig artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 zijn rechtsmiddel aanwendt en zich dus hiermee de mogelijkheid verschaft om te worden gehoord door de rechter in de staat waar de rechterlijke beslissing is gegeven, zich in wezen in dezelfde situatie bevindt als waarin hij zou hebben verkeerd wanneer het gedinginleidend stuk tijdig aan hem zou zijn betekend en hij in de procedure in eerste aanleg had kunnen verschijnen. In dat geval zou hij slechts voor één enkele procedure in de staat waar de rechterlijke beslissing is gegeven in voorkomend geval proces- en advocatenkosten moeten dragen, en zou het hierin enkel gaan om het voorwerp van de ten uitvoer te leggen beslissing.
27.
De situatie is evenwel anders, wanneer de verweerder pas na het verstrijken van de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel kennis ervan krijgt dat zonder dat hij dit wist jegens hem een rechterlijke beslissing is gegeven. Aangezien hij in dat geval niet langer zonder meer een rechtsmiddel kan aanwenden, moet hij, teneinde de rechterlijke beslissing in de staat waar deze is gegeven aan te vechten, allereerst de mogelijkheden van een nieuwe termijn verkennen en vervolgens een hiertoe strekkende procedure inleiden. Pas daarna zou hij — voor zover aan zijn verzoek om een nieuwe termijn gevolg wordt gegeven — in een tweede fase zijn rechtsmiddel tegen de beslissing kunnen aanwenden. In tegenstelling tot de hiervoor in punt 26 weergegeven situatie zou de verweerder dus met twee procedures (en de hiermee samenhangende kosten) worden belast, welke bovendien een aanzienlijk ruimer voorwerp dan de beslissing zouden hebben, aangezien ook nog eens de kwestie van de verlening van een nieuwe termijn zou moeten worden aangesneden. Neemt men voorts in aanmerking dat naast de procedurele en financiële belasting ook praktische problemen de kop kunnen opsteken, zoals het vinden van geschikte advocaten en vertaalkosten, dan wordt het duidelijk dat de verweerder, wanneer hij ter voorkoming van de uitvoerbaarverklaring wordt opgezadeld met de last van het indienen van een verzoek om een nieuwe termijn, zich ten opzichte van de eiser in een duidelijk nadeligere positie zou bevinden. Dit geldt vooral voor juridisch onervaren en financieel minder draagkrachtige verweerders. Met name bij betrekkelijk geringe vorderingen moet rekening ermee worden gehouden dat dergelijke verweerders vanwege de procedurele en financiële belasting die hun boven het hoofd hangt, geneigd kunnen zijn de tenuitvoerlegging zonder verzet hiertegen voor lief te nemen, teneinde op deze wijze te besparen op verdere advocaten- en proceskosten, waarvan de uiteindelijke opbrengst in grensoverschrijdende situaties in veel gevallen — en juist voor leken — moeilijk in te schatten is.
28.
Bijgevolg doet een verplichting om in het kader van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 te verzoeken om een nieuwe termijn in ernstige mate afbreuk aan het beginsel van ‘equality of arms’ tussen partijen, aangezien zij erop neerkomt dat de verweerder ter behartiging van zijn belangen een bijkomende procedure moet voeren.
29.
Daar komt nog bij dat vanuit het oogpunt van het primaire recht elke vergemakkelijking van uitvoerbaarverklaringen in gevallen waarin de verweerder niet het recht kreeg om vóór de rechterlijke beslissing te worden gehoord, indruist tegen het beginsel van een eerlijk proces. Dienaangaande wijs ik er in algemene zin op dat artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 momenteel onder de loep worden genomen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EHRM’), waarvan de Grote kamer zich in de zaak Avotiņš/Letland naar alle waarschijnlijkheid binnenkort zal uitspreken over de verenigbaarheid ervan met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’). Ook in die zaak ging het om de dreigende uitvoerbaarverklaring van een beslissing die is gegeven zonder dat de verweerder van tevoren is gehoord en waartegen hij geen rechtsmiddel heeft aangewend. Weliswaar werd in 2014 in deze zaak met een krappe meerderheid in een kamerbeslissing13. geoordeeld dat de normatieve inhoud van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 en de verklaring van uitvoerbaarheid uiteindelijk nog verenigbaar waren met artikel 6 EVRM, maar daarbij werd benadrukt dat het evenwel ging om een klagende verweerder die in zakelijk opzicht niet onervaren was. Deze zuiver casuïstische benadering die het EHRM in deze zaak heeft gehanteerd om vast te stellen dat artikel 6 EVRM niet was geschonden, doet het vermoeden rijzen dat de kamer in het geval van een in zakelijk opzicht onervaren verweerder misschien anders zou hebben geoordeeld.
30.
Hoewel de feitelijke situatie die aan het EHRM is voorgelegd niet op alle punten overeenkomt met de onderhavige zaak, moet zijn beslissing in de zaak Avotiņš/Letland op zijn minst worden gezien als waarschuwing, moet bij de uitlegging van de gronden voor weigering van erkenning van artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 met de nodige omzichtigheid te werk worden gegaan en mogen de gerechtvaardigde belangen van de verweerder — naast het vereiste om het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen te waarborgen — niet uit het oog worden verloren. Dit betekent dat de verweerder los van de dwingende normatieve inhoud van de bepaling niet de mogelijkheid van een beroep op gronden voor weigering van erkenning mag worden ontnomen.
31.
Bijgevolg bestaat geen aanleiding om van de niet op tijd gedagvaarde verweerder te verlangen dat hij zich na het verstrijken van de termijnen voor het aanwenden van een rechtsmiddel toegang tot een rechtsmiddel verschaft door middel van een verzoek om verlening van een nieuwe termijn, op straffe van ontzegging van een beroep op een grond voor weigering van erkenning. Veeleer moet, wanneer de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel reeds is verstreken op het tijdstip waarop de verweerder kennis krijgt van de jegens hem gegeven beslissing, in de zin van de genoemde bepaling ervan worden uitgegaan dat de verweerder geen mogelijkheid had om een rechtsmiddel tegen de beslissing aan te wenden.
32.
Bijgevolg dient het antwoord op de eerste prejudiciële vraag te luiden dat artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin vermelde feit van het in staat zijn om een rechtsmiddel aan te wenden enkel ziet op de situatie waarin dit rechtsmiddel kan worden aangewend binnen de in het nationale recht gestelde termijn, maar niet op de situatie waarin die termijn reeds is verstreken maar het nog mogelijk is om een verzoek om verlening van een nieuwe termijn in te dienen en vervolgens — na toewijzing van dat verzoek — het eigenlijke rechtsmiddel aan te wenden.
B — Tweede prejudiciële vraag
33.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening aldus moet worden uitgelegd dat het de toepassing uitsluit van de bepalingen van nationaal recht inzake de mogelijkheid om een nieuwe termijn toe te staan waarbinnen het rechtsmiddel alsnog kan worden aangewend, dan wel in die zin dat de verweerder de keuze heeft om ofwel een verzoek in de zin van die bepaling in te dienen ofwel gebruik te maken van het in het nationale recht voorziene passende rechtsinstituut.
34.
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de litigieuze bepaling van de betekeningsverordening, zoals hiervoor in punt 22 is uiteengezet, bij gebreke van een grensoverschrijdende betekening van het gedinginleidend stuk niet op het onderhavige geval van toepassing lijkt te zijn. De beantwoording van de prejudiciële vraag is derhalve alleen bedoeld voor het geval het Hof ervan uitgaat dat artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening op de onderhavige zaak van toepassing is.
35.
Dienaangaande zij erop gewezen dat artikel 19 van de betekeningsverordening van toepassing is, wanneer in het geval van een buitenlandse betekening of kennisgeving ‘overeenkomstig de bepalingen van deze verordening’ de verweerder bij verstek is veroordeeld. Om te beginnen schrijft artikel 19, lid 1, van de betekeningsverordening in beginsel aanhouding van de beslissing voor, totdat is vastgesteld dat het gedinginleidend stuk daadwerkelijk is afgegeven aan de verweerder. Artikel 19, lid 2, van de betekeningsverordening voorziet in een aantal uitzonderingen op dit beginsel, welke een voortzetting van de procedure mogelijk maken. Tot slot bevat artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening een regeling voor de verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel ‘binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de verweerder van de beslissing kennis heeft gekregen’ en zulks ten gunste van een verweerder die, buiten zijn schuld, onkundig is gebleven van het gedinginleidend stuk en om die reden geen verweer heeft gevoerd maar toch is veroordeeld. Ingevolge artikel 19, lid 4, derde alinea, van de betekeningsverordening kan elke lidstaat middels een verklaring voorzien in een uiterste datum voor het verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel, welke vervaltermijn echter niet korter mag zijn dan ‘één jaar te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing is gegeven’.
36.
De Franse Republiek heeft een dergelijke verklaring ten faveure van de termijn van één jaar afgegeven en daarmee de termijn voor het verzoek om verlening van een nieuwe termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel in de situaties die onder artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening vallen uitputtend geregeld. Deze regeling laat geen ruimte voor het gelijktijdige bestaan van mogelijk hiervan afwijkende bepalingen van nationaal recht zoals artikel 540 van de Code de procédure civile, dat met betrekking tot de uiterste datum voor de verlening van een nieuwe termijn uitgaat van het tijdstip van de betekening van de rechterlijke beslissing en niet — zoals in de betekeningsverordening het geval is — van ‘de dag waarop de beslissing is gegeven’. Weliswaar is de Commissie terecht van mening dat de in de betekeningsverordening opgenomen regeling inzake de verlening van een nieuwe termijn in bepaalde gevallen ongunstiger kan uitpakken voor de verweerder dan de nationale regeling. Dit is evenwel een onvermijdelijk gevolg van de verklaring ten gunste van de termijn van één jaar die door de Franse Republiek is afgegeven en derhalve als door deze lidstaat als zodanig gewild moet worden aanvaard.
37.
Bijgevolg dient het antwoord op de tweede prejudiciële vraag te luiden dat artikel 19, lid 4, van de betekeningsverordening — voor zover het van toepassing wordt geacht — aldus moet worden uitgelegd dat het de toepassing uitsluit van de bepalingen van nationaal recht inzake de mogelijkheid om een nieuwe termijn toe te staan waarbinnen een rechtsmiddel alsnog kan worden aangewend.
V — Conclusie
38.
Derhalve geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 34, punt 2, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat het daarin vermelde feit van het in staat zijn om een rechtsmiddel aan te wenden enkel ziet op de situatie waarin dit rechtsmiddel kan worden aangewend binnen de in het nationale recht gestelde termijn, maar niet op de situatie waarin die termijn reeds is verstreken maar het nog mogelijk is om een verzoek om verlening van een nieuwe termijn in te dienen en vervolgens — na toewijzing van dat verzoek — het eigenlijke rechtsmiddel aan te wenden.
Artikel 19, lid 4, van verordening nr. 1393/2007 moet aldus worden uitgelegd dat het binnen de werkingssfeer van deze verordening de toepassing uitsluit van de bepalingen van nationaal recht inzake de mogelijkheid om een nieuwe termijn toe te staan waarbinnen een rechtsmiddel alsnog kan worden aangewend.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑04‑2016
Oorspronkelijke taal: Duits.
Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1, in de in casu toepasselijke versie, laatstelijk gewijzigd bij verordening [EG] nr. 1103/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 [PB L 304, blz. 80]).
Zie dienaangaande mijn conclusie in de zaak Meroni (C-559/14, EU:C:2016:120).
Zie artikel 27, punt 2, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (‘de betekening en de kennisgeving van stukken’), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad (PB L 324, blz. 79).
Nadere bijzonderheden met betrekking tot de mogelijke rechtsmiddelen en de reden van het verstrijken van hun termijn, ongeacht de voorafgaande ontbrekende betekening van de rechterlijke beslissing, zijn in de verwijzingsbeslissing helaas niet terug te vinden (zie blz. 7, IV.1, van de verwijzingsbeslissing).
Zie bijvoorbeeld de beslissing van het Duitse Bundesgerichtshof van 21 januari 2010 in zaak nr. IX ZB 193/07, EuZW 2010, 478, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Cursivering van mij.
Van een dergelijk belang kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer een procedure in strijd met de Unierechtelijke betekeningsverordening in een derde staat of zelfs in de staat waar de rechterlijke beslissing is gegeven toch tot nadelige gevolgen zou kunnen leiden, zoals executiemaatregelen jegens de verweerder, kunnen voortvloeien, of wanneer de verweerder belang heeft bij een vlotte en definitieve beslechting van het geschil, bijvoorbeeld omdat hij zijn succeskansen hoog inschat en een anders mogelijk nieuwe procedure voor hem bezwaarlijk is.
Zie dienaangaande arrest ASML (C-283/05, EU:C:2006:787, punten 20 en 24).
Zie met betrekking tot het belang hiervan arresten Apostolides (C-420/07, EU:C:2009:271, punt 73) en ASML (C-283/05, EU:C:2006:787, punt 27).
Zie arrest Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a. (C-305/05, EU:C:2007:383, punt 31) en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
EHRM, arrest Avotiņš/Letland (CE:ECHR:2014:0225JUD001750207, met name punten 51 e.v.); zie dienaangaande punt 39 van mijn conclusie in de zaak Meroni.