Rb. Zeeland-West-Brabant, 27-05-2026, nr. 02-290774-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:4573
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
27-05-2026
- Zaaknummer
02-290774-23
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:4573, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27‑05‑2026; (Op tegenspraak)
Uitspraak 27‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Bewezenverklaring handel in cocaine en MDMA. Veroordeling tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-290774-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 mei 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats]
wonende in [plaats]
raadsvrouw mr. W. van Nunen, advocaat in Breda
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 mei 2026, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd en als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 11 maart 2023 tot en met 8 februari 2024 samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne en/of MDMA.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak van het feit, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte cocaïne en/of MDMA heeft verkocht.
Indien wel kan worden vastgesteld dat verdachte cocaïne en/of MDMA heeft verkocht, betoogt de verdediging subsidiair dat de periode waarin hij dat heeft gedaan moet worden beperkt.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld worden de bewijsmiddelen uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Vaststaat dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode de gebruiker is geweest van het [telefoonnummer 1] en de [medeverdachte] van het [telefoonnummer 2] . Ook staat vast dat de [medeverdachte] in die periode de gebruiker is geweest van een Renault Twingo met [kenteken 1] en een Renault Twingo met [kenteken 2] . Verdachte heeft dit ter zitting ook bekend.
Op de telefoons zijn vanaf maart 2023 tot en met februari 2024 talloze WhatsAppgesprekken aangetroffen. Deze berichten werden gestuurd tussen verdachte en de [medeverdachte] maar ook tussen verdachte dan wel zijn [medeverdachte] en andere WhatsAppcontacten. Uit deze berichten blijkt van structurele communicatie die kenmerkend is voor de handel in verdovende middelen. Er werden onder meer prijslijsten verzonden met beschikbare verdovende middelen, waaronder cocaïne en MDMA. Ook werden bestellingen en bedragen besproken, afleveradressen gedeeld en werd teruggekoppeld welke goederen er waren afgeleverd. In de berichten bij werd vaak gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik, waaronder “jos”, “j”, “jossie”, “josje” en “m”, dat verwijst naar verdovende middelen.
In een gesprek van 11 maart 2023 is het verdachte zelf die tegen contact “ [persoon 1] ” heeft gezegd dat met “jos”, “sos” wordt bedoeld en daarmee dus cocaïne. Hoewel hij ter zitting anders heeft beweerd, ziet de rechtbank, gelet op de context van de gesprekken waarin ook over “jossie”, “j” en “josje” werd gesproken, geen enkele reden om te veronderstellen dat daarmee iets anders werd bedoeld dan “jos” en daarmee dus cocaïne. Hiermee staat voor de rechtbank vast dat er in de ten laste gelegde periode veelvuldig dealgesprekken over cocaïne hebben plaatsgevonden.
In enkele gesprekken werd er ook gesproken over “m”. De rechtbank begrijpt dat hiermee MDMA wordt bedoeld. Mede gelet op de verzonden prijslijsten waarop ook MDMA werd aangeboden, stelt de rechtbank vast dat er in de ten laste gelegde periode ook, maar wel in aanzienlijk mindere mate, dealgesprekken over MDMA hebben plaatsgevonden.
Uit de WhatsAppgesprekken leidt de rechtbank ook af dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de [medeverdachte] . Daarbij had ieder een eigen rol. De [medeverdachte] verstuurde prijslijsten met beschikbare verdovende middelen naar WhatsAppcontacten en verdachte deelde de afleveradressen met de [medeverdachte] . Dat het daarbij ging om het afleveren van onder meer cocaïne volgt ook uit de gesprekken. Verdachte heeft daarbij meerdere keren tegen de [medeverdachte] gezegd wat er afgeleverd moest worden en de [medeverdachte] heeft daarbij ook regelmatig om bevestiging gevraagd of er “jos” moest worden afgeleverd. Verder heeft de [medeverdachte] meerdere keren aan verdachte bevestigd wat hij had afgeleverd, waaronder “jos” en “j” en welk geldbedrag hij daarvoor had ontvangen. Daarnaast blijkt uit gesprekken dat de [medeverdachte] diverse malen aan verdachte heeft gevraagd om nieuwe “jos” of “jossies” te maken, waarop verdachte steeds instemmend heeft geantwoord. Dit duidt op het gereedmaken of verpakken van cocaïne voor de verkoop. Ook hebben zij daarbij besproken dat de medeverdachte moest onthouden wat hij had weggedaan en dat ze straks alles zouden uitrekenen. Uit meerdere gesprekken die de medeverdachte heeft gehad met andere WhatsAppcontacten blijkt dat hij heeft gezegd dat “ [persoon 2] aan het rijden is” en dat “hij en b de lijst weer hadden bijgeschreven”. Verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij “b” is.
Dat er tussen hen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking leidt de rechtbank eveneens af uit hun onderlinge communicatie, waarin zij hebben gesproken over “nieuwe ladingen”, “samen rijk worden” en “dat zij professioneler te werk moeten gaan voortaan, anders gaan ze echt klanten verliezen”.
Hetgeen uit de WhatsAppgesprekken is gebleken, vindt bovendien bevestiging in de pseudokoop op 15 december 2023, het ongeval met de Renault Twingo met [kenteken 1] op 1 januari 2024 en de doorzoeking in de woning van verdachte en de Renault Twingo van de medeverdachte met [kenteken 2] op 8 februari 2024.
De pseudokoper heeft aanvankelijk contact gezocht met verdachte op het [telefoonnummer 1] , die aangaf dat hij niet aan het rijden was, maar zijn maatje. Hierop heeft hij het telefoonnummer van de [medeverdachte] ( [telefoonnummer 2] ) gedeeld. De medeverdachte heeft vervolgens de prijslijst, met daarop onder meer MDMA en cocaïne, naar de pseudokoper verzonden en met zijn Renault Twingo met [kenteken 1] drie gram cocaïne bij de pseudokoper afgeleverd. Met diezelfde Renault Twingo heeft de medeverdachte kort erna een ongeval gehad, waarbij op enkele meters van de auto een zwarte sok is aangetroffen met daarin een hoeveelheid cocaïne en MDMA, dat indicatief positief is getest. Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte, waar ook de medeverdachte verbleef, werd in een soortgelijke zwarte sok ook een hoeveelheid MDMA aangetroffen, dat positief is getest door het NFI. Diezelfde dag werden er in de andere Renault Twingo van de medeverdachte, die voor de woning van verdachte stond, vijf nieuwe soortgelijke zwarte sokken aangetroffen. De rechtbank gaat ervan uit dat deze sokken ook waren bedoeld om drugs in te verbergen.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode samen met een ander heeft gehandeld in cocaïne en MDMA.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode 11 maart 2023 tot en met 8 februari 2024 te [plaats], gemeente Altena en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging onder meer rekening te houden met een beperkte pleegperiode, de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging verzoekt derhalve te volstaan met een gevangenisstraf, waarvan de duur gelijk is aan het voorarrest.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft gedurende bijna een jaar samen met een ander gedeald in de harddrugs cocaïne en MDMA. Verdachte vormt door zijn handelen een onmiskenbare schakel in de productie, de uiteindelijke verkoop en het gebruik van harddrugs. Hij heeft daarmee ook een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit, waardoor schade en overlast voor de samenleving ontstaat. De straathandel in drugs leidt ook in de samenleving tot overlast en gevoelens van onveiligheid. Daarnaast wordt door drugs de gezondheid ernstig bedreigd en leiden drugs veelal, direct of indirect, tot vele vormen van criminaliteit. Dat is ook de reden dat op dergelijke feiten zware straffen zijn gesteld.
De rechtbank heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting,
die zijn gebaseerd op de straffen die doorgaans voor vergelijkbare feiten worden opgelegd. Voor het met enige regelmaat op straat dealen van harddrugs gedurende zes tot twaalf maanden geven deze oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden als uitgangspunt, in geval van een ‘first offender’.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 26 maart 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het dealen van harddrugs.
Wel stelt de rechtbank op grond van het strafblad vast dat artikel 63 Sr. van toepassing is. Hiermee zal de rechtbank dan ook rekening houden.
Hoewel de rechtbank het verdachte kwalijk neemt dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven en zijn rol heeft geminimaliseerd, beschouwt de rechtbank verdachte niet als een grote speler in het criminele drugscircuit. Ook is er sprake van duidelijke pieken en dalen in de frequentie waarin er gedurende de ten laste gelegde periode is gedeald. Verder is er in aanzienlijk mindere mate gedeald in MDMA dan in cocaïne.
Het lijkt er daarnaast op dat verdachte is gestopt met het dealen van harddrugs en dat hij een stabiel leven heeft opgebouwd.
Daar komt bij dat de rechtbank rekening zal houden met een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgerond. De redelijke termijn is aangevangen op 8 februari 2024, nu verdachte op dat moment in verzekering is gesteld. Dit betekent dat er tot aan het vonnis sprake is van een overschrijding van vier maanden.
Met al deze omstandigheden zal de rechtbank in strafverlagende zin rekening houden. Dit maakt ook dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis.
De rechtbank zal derhalve aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van
de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M.. Sterk, voorzitter, mr. W.J.M. Fleskens en
mr. C.R.R. Loeve, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 mei 2026.
Mr. Loeve is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij in of omstreeks 11 maart 2023 tot en met 8 februari 2024 te [plaats], gemeente Altena en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )