Deze zaak hangt samen met de tegen dezelfde verdachte onder nr. 11/05039 aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
HR, 02-07-2013, nr. 11/05040
ECLI:NL:HR:2013:116, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-07-2013
- Zaaknummer
11/05040
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:116, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑07‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:74, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHARN:2011:BU1957, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
ECLI:NL:PHR:2013:74, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑05‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:116, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0311
Uitspraak 02‑07‑2013
Inhoudsindicatie
Motivering strafoplegging. Aangenomen dat het Hof in zijn overweging “dat verdachte enkele maanden voorafgaand aan dit feit een soortgelijk feit had gepleegd zodat dit feit niet op zichzelf staat”, tot uitdrukking heeft willen brengen dat verdachte t.z.v. dat eerdere feit onherroepelijk is veroordeeld, is die overweging niet begrijpelijk aangezien de dat feit betreffende strafzaak in cassatie aanhangig is onder nr. 11/05039 en de veroordeling t.z.v. dat feit dus nog niet onherroepelijk is. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. Verdachte mist echter belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak aangezien in die zaak bij arrest van heden verdachte in zijn cassatieberoep n-o wordt verklaard en de veroordeling t.z.v. dat feit daardoor onherroepelijk wordt.
Partij(en)
2 juli 2013
Strafkamer
nr. 11/05040
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 oktober 2011, nummer 21/002587-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt onder meer dat de opgelegde straf onvoldoende met redenen is omkleed, nu het Hof ten onrechte rekening heeft gehouden met een feit ter zake waarvan de verdachte nog niet onherroepelijk was veroordeeld.
3.2.1.
Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden.
3.2.2.
Het Hof heeft ten aanzien van de oplegging van de straf onder meer het volgende overwogen:
"De bewezenverklaarde afpersing getuigt enerzijds van een schokkende onverschilligheid ten opzichte van de slachtoffers die zich geconfronteerd zagen met een tweetal mannen met bivakmutsen over hun hoofd en pistolen in hun handen van wie één dat vuurwapen op hen gericht hield. Verdachtes mededader heeft bovendien daadwerkelijk geweld gebruikt door nadat hij over de toonbank van de slagerij was gesprongen, met het pistool één van de aangevers tegen zijn rug te slaan.
Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen diepe indruk maken op slachtoffers en niet zelden leiden tot een trauma dat hen mogelijk hun leven lang parten speelt. In dat licht bezien is de strafoplegging door de rechtbank die het onderhavige feit had gevoegd met een eerder door verdachte gepleegde afpersing begrijpelijk. Bovendien heeft het hof gelet op de Landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting waarin voor een enkele overval een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren passend wordt geacht. Ten nadele van verdachte weegt mee dat verdachte enkele maanden voorafgaand aan dit feit een soortgelijk feit had gepleegd zodat dit feit niet op zichzelf staat. Verdachte heeft door zijn ontkennende proceshouding op geen enkele wijze inzicht gegeven in zijn beweegredenen waardoor het hof onmogelijk kan inschatten of er een kans is op herhaling van dergelijke feiten in de toekomst."
3.3.
Aangenomen dat het Hof in zijn overweging "dat verdachte enkele maanden voorafgaand aan dit feit een soortgelijk feit had gepleegd zodat dit feit niet op zichzelf staat", tot uitdrukking heeft willen brengen dat de verdachte ter zake van dat eerdere feit onherroepelijk is veroordeeld, is die overweging niet begrijpelijk aangezien de dat feit betreffende strafzaak in cassatie aanhangig is onder nr. 11/05039 en de veroordeling ter zake van dat feit dus nog niet onherroepelijk is. Het middel is derhalve in zoverre terecht voorgesteld. De verdachte mist echter belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak aangezien in die zaak bij arrest van heden de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard en de veroordeling ter zake van dat feit daardoor onherroepelijk wordt.
4. Beoordeling van het derde middel
4.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 2 juli 2013.
Conclusie 14‑05‑2013
Inhoudsindicatie
Motivering strafoplegging. Aangenomen dat het Hof in zijn overweging “dat verdachte enkele maanden voorafgaand aan dit feit een soortgelijk feit had gepleegd zodat dit feit niet op zichzelf staat”, tot uitdrukking heeft willen brengen dat verdachte t.z.v. dat eerdere feit onherroepelijk is veroordeeld, is die overweging niet begrijpelijk aangezien de dat feit betreffende strafzaak in cassatie aanhangig is onder nr. 11/05039 en de veroordeling t.z.v. dat feit dus nog niet onherroepelijk is. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. Verdachte mist echter belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak aangezien in die zaak bij arrest van heden verdachte in zijn cassatieberoep n-o wordt verklaard en de veroordeling t.z.v. dat feit daardoor onherroepelijk wordt.
Nr. 11/05040 Zitting: 14 mei 2013 | Mr. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 26 oktober 2011 verdachte wegens “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.1.
3. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel
4.1.
Het middel klaagt over de motivering van ’s Hofs bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat bij de overval “[slachtoffer 1] en een medewerkster van een slagerij aan de [a-straat] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag”.
4.2.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat
“hij op 15 april 2010 te Boekelo, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en een medewerkster van een slagerij aan de [a-straat] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan [slachtoffer 2], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en één van zijn mededaders:
- ieder een pistool op het hoofd van [slachtoffer 2] hebben gericht gehouden, en
- [slachtoffer 2] met kracht met een pistool op de rug heeft geslagen.”
4.3.
Het Hof heeft voor het bewijs gebruik gemaakt van een (groot) aantal bewijsmiddelen, waaruit – voor zover hier relevant – kan worden afgeleid dat de verdachte op 15 april 2010 samen met [betrokkene] een slagerij in Boekelo is binnengegaan, dat daar in eerste instantie medewerkster [slachtoffer 3] met een pistool werd bedreigd en deze [slachtoffer 3] werd opgedragen om het in de kassa aanwezige geld af te geven, dat de zich op dat moment in een werkruimte achter de winkel bevindende [slachtoffer 1] toen naar de winkel is toegelopen en heeft gezegd dat [slachtoffer 3] de kassa niet kon openen en dat deze [slachtoffer 1] vervolgens werd bedreigd en hem werd opgedragen het in de kassa aanwezige geld in een zwarte tas doen. Volgens de steller van het middel kan uit de gebezigde bewijsmiddelen wel volgen dat de genoemde [slachtoffer 1] door de verdachte en [betrokkene] is gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, maar niet dat hetzelfde geldt voor [slachtoffer 3]. De bewezenverklaring zou als gevolg hiervan ontoereikend gemotiveerd zijn.
4.4.
Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de gebezigde bewijsmiddelen niet inhouden dat medewerkster [slachtoffer 3] het kassageld eigenhandig aan de verdachte en [betrokkene] heeft gegeven. Aangezien uit de bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 3] wel degene was die als eerste werd bedreigd en degene aan wie als eerste werd opgedragen het geld uit de kassa te halen, heeft het Hof de feitelijke gang van zaken kennelijk zo opgevat dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ‘samen’ zijn gedwongen tot de afgifte van het geld. Mede gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer 3] als medewerker mede verantwoordelijk was voor de slagerij en dat de bedreiging het haar onmogelijk maakte om zich tegen de afgifte van het geld door [slachtoffer 1] te verzetten, is dit niet onbegrijpelijk. Voor het geval op dit punt anders moet worden geoordeeld, merk ik op dat de woorden “en een medewerkster” uit de bewezenverklaring kunnen worden weggelaten zonder de aard en de ernst daarvan te beïnvloeden.
4.5.
Het middel faalt.
5. Het tweede middel
5.1.
Met het middel wordt gesteld dat het Hof in het kader van de strafoplegging ten onrechte rekening heeft gehouden met een strafbaar feit ter zake waarvan de verdachte nog niet onherroepelijk was veroordeeld.
5.2.
Het bestreden arrest houdt – voor zover van belang – het volgende in.
“Oplegging van straf en/of maatregel
(…)
Ten aanzien van de strafoplegging overweegt het hof het volgende.
De bewezenverklaarde afpersing getuigt enerzijds van een schokkende onverschilligheid ten opzichte van de slachtoffers die zich geconfronteerd zagen met een tweetal mannen met bivakmutsen over hun hoofd en pistolen in hun handen van wie één dat vuurwapen op hen gericht hield. Verdachtes mededader heeft bovendien daadwerkelijk geweld gebruikt door nadat hij over de toonbank van de slagerij was gesprongen, met het pistool één van de aangevers tegen zijn rug te slaan.
Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke gebeurtenissen diepe indruk maken op slachtoffers en niet zelden leiden tot een trauma dat hen mogelijk hun leven lang parten speelt. In dat licht bezien is de strafoplegging door de rechtbank die het onderhavige feit had gevoegd met een eerder door verdachte gepleegde afpersing begrijpelijk. Bovendien heeft het hof gelet op de Landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting waarin voor een enkele overval een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren passend wordt geacht. Ten nadele van verdachte weegt mee dat verdachte enkele maanden voorafgaand aan dit feit een soortgelijk feit had gepleegd zodat dit feit niet op zichzelf staat. Verdachte heeft door zijn ontkennende proceshouding op geen enkele wijze inzicht gegeven in zijn beweegredenen waardoor het hof onmogelijk kan inschatten of er een kans is op herhaling van dergelijke feiten in de toekomst.”
5.3.
In de met de onderhavige zaak samenhangende zaak (zie noot 1) is de verdachte bij arrest van dezelfde datum als die van het arrest in de onderhavige zaak door het Gerechtshof te Arnhem eveneens veroordeeld voor het in vereniging plegen van afpersing. Het feit waar het in die zaak om gaat is ruim twee maanden eerder gepleegd dan het feit waarop de onderhavige zaak betrekking heeft, zodat de verwijzing van het Hof in de strafmotivering naar een door de verdachte enkele maanden eerder gepleegd soortgelijk feit moet worden geacht op dit feit te slaan. Aangezien de verdachte in de samenhangende zaak net als in de onderhavige zaak beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt in de toelichting op het middel met juistheid opgemerkt dat de verwijzing van het Hof betrekking heeft op een veroordeling die nog niet onherroepelijk is.
5.4.
De Rechtbank te Almelo heeft de onderhavige zaak en de samenhangende zaak in eerste aanleg gevoegd behandeld en aan de verdachte ter zake van de beide door hem gepleegde feiten één straf van vier jaar gevangenis opgelegd. In hoger beroep zijn beide zaken door het Hof alsnog gesplitst, kennelijk omdat in de samenhangende zaak anders dan in de onderhavige zaak het strafprocesrecht voor jeugdige verdachten van toepassing is. Door die splitsing ontstond het probleem waarop het middel inspringt. Was het Hof gedwongen om bij de straftoemeting te negeren dat de verdachte in feite voor twee overvallen terecht stond? Van een schending van de onschuldpresumptie zou geen sprake zijn geweest als beide zaken gevoegd waren behandeld.
5.5.
In de processuele context zou wellicht reden gevonden kunnen worden om de gewraakte overweging van het Hof met enige welwillendheid tegemoet te treden. De verwijzing naar het door de verdachte enkele maanden eerder gepleegde “soortgelijke feit” dient ter onderbouwing van ’s Hofs oordeel dat het feit in de onderhavige zaak “niet op zichzelf staat”. Het ten nadele van de verdachte rekening houden met het verband dat bestaat tussen het bewezenverklaarde feit en andere feiten is toelaatbaar, ook als de verdachte die andere feiten niet heeft erkend, mits van dat verband uit het verhandelde ter zitting blijkt.2.De vraag waarop het aankomt, is zo gezien hoe zwaar aan die laatste eis moet worden getild. Is voldoende dat uit het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat het om twee roofovervallen ging die in betrekkelijk korte tijd door dezelfde personen werden gepleegd?
5.6.
Bij het aanstippen van die vraag wil ik het vooralsnog laten. Ik merk slechts op dat uit HR 6 juni 2006, LJN AV7970, NJ 2006/329 en HR 26 april 2011, LJN BP9344, NJ 2011/202 lijkt te volgen dat de Hoge Raad hier voor een strenge opstelling kiest. Tegelijk blijkt uit deze arresten dat het ten onrechte rekening houden met de veroordeling in de gelijktijdig behandelde strafzaak niet tot cassatie hoeft te leiden. In beide arresten oordeelde de Hoge Raad dat de verwerping van het cassatieberoep in de samenhangende zaak (waardoor de daarin uitgesproken veroordeling onherroepelijk werd) maakte dat de verdachte geen belang meer had bij zijn klacht.
5.7.
Het middel zal dus niet tot cassatie kunnen leiden als Hoge Raad met mij van oordeel is dat het cassatieberoep van de verdachte in de onder nr. 11/05039 aanhangige zaak verworpen dient te worden. Mijn hang naar consequentie brengt in elk geval mee dat ik vooralsnog niet anders kan dan concluderen dat het middel faalt.
6. Het derde middel
6.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken door het Hof te laat zijn ingezonden.
6.2.
Het cassatieberoep is ingesteld op 4 november 2011. De stukken van het geding zijn eerst op 20 juli 2012 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met twee weken is overschreden. De Hoge Raad kan de overschrijding van de redelijke termijn niet meer compenseren door de zaak binnen zestien maanden af te doen. Een en ander dient tot strafvermindering te leiden.
6.3.
Het middel is aldus terecht voorgesteld.
7. Het eerste en het tweede middel falen. Het eerste middel kan daarbij worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering Het derde middel is terecht voorgesteld.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt onder voorbehoud tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van die gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑05‑2013
Zie HR 2 november 2004, LJN AQ8466, NJ 2005, 274 m.nt. Sch. Vgl. HR 20 december 2011, LJN BS1739, NJ 2011/436, waarin de Hoge Raad de aanbeveling deed om met de grootschaligheid van de gepleegde feiten rekening te houden bij de strafmotivering.