NJB 2020/1567:Motiveringsplicht art. 360 lid 1 en lid 4 Sv bij het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt in de zin van art. 344a lid 3 Sv: deze motiveringsplicht, die op straffe van nietigheid geldt, houdt in dat de rechter zal moeten vermelden dat aan de eisen van artikel 344a lid 3 Sv is voldaan, en verder dat hij ervan blijk moet geven dat hij zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring heeft onderzocht. De term ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’ in de zin van art. 344a lid 3 Sv: deze term omvat niet personen wier persoonsgegevens niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. In casu kon het hof aannemen dat geen sprake is van een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv. A-G: anders