Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.3.2:2.3.2 Het verlengde eigendomsvoorbehoud
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.3.2
2.3.2 Het verlengde eigendomsvoorbehoud
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90917:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 11, paragraaf 11.3.2 en hoofdstuk 12, paragraaf 12.3.2-12.3.3.
Brinkmann 2011, p. 200.
Brinkmann 2011, p. 200.
Een cessie tot zekerheid van alle huidige en toekomstige vorderingen van de koper.
Melsheimer 1967, p. 122.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf gaf ik aan dat in de parlementaire geschiedenis geen argumenten worden genoemd ter rechtvaardiging van de voorrangspositie voor leverancierskrediet. In de rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hierna: BGH) zijn deze argumenten wel te vinden. Deze rechtspraak heeft betrekking op het verlengde eigendomsvoorbehoud bij zaaksvorming en doorverkoop. Dit houdt in dat de leverancier zijn zekerheid verlengt tot andere dan de oorspronkelijke geleverde zaken, namelijk de nieuwe zaak of de vordering uit doorverkoop.1
In beide gevallen kan een zekerheidsrecht van de leverancier botsen met de zekerheid ten gunste van een de geldkredietgever van de koper.2 Op grond van de prioriteitsregel zou deze geldkredietgever dit conflict winnen; deze zekerheidsnemer heeft immers doorgaans eerder in tijd een zekerheidsrecht bedongen. Het BGH heeft echter geoordeeld dat het zekerheidsrecht van de leverancier voorrang heeft boven het zekerheidsrecht ten gunste van eerdere zekerheidsnemers. Het BGH baseert deze uitspraken (impliciet en expliciet) op billijkheidsargumenten.3
In 1959 beslechtte het BGH het conflict tussen een leverancier en een geldkredietverstrekker van de koper die beiden meenden zekerheid te hebben verkregen op de vordering uit doorverkoop door middel van een cessie tot zekerheid van deze vordering. Op grond van de Vertragsbruchtheorie die ik in hoofdstuk 12 paragraaf 12.3.3 bespreek, verleent het BGH voorrang aan de zekerheid ten gunste van de kredietverstrekkende leverancier in afwijking van de prioriteitsregel.
Deze Vertragsbruchtheorie is in 1959 geïntroduceerd en vervolgens vaak toegepast. Er ligt een normatief oordeel van het BGH ten grondslag. Het BGH heeft deze ratio decidendi in een arrest van 2004 geëxpliciteerd. Het oordeelt dat er een ‘direkter Zusammenhang’ is tussen de prestatie van de leverancier en de vordering uit doorverkoop. Deze vordering ontstaat immers door verkoop van zaken die de leverancier heeft geleverd. Door de Vorausabtretungsklausel verkrijgt de leverancier een zekerheidsaanspraak op deze vordering. Op deze wijze strekt zijn zekerheid zich uit tot de waarde die besloten ligt in de overgedragen zaken.4 Aan dit zekerheidsrecht op de vordering wordt voorrang verbonden. Deze voorrang vindt haar rechtvaardiging in de nauwe band tussen de prestatie van de leverancier en de vordering. Voor de geldkredietverstrekker met een Globalzession5 bestaat geen dergelijke nauwe band tussen zijn prestatie (de kredietverstrekking) en de vordering uit doorverkoop. Daarnaast oordeelt het BGH dat de leverancier veelal slechts een zekerheidsrecht op de geleverde zaken heeft en niet mede op andere zaken of vorderingen van de koper. Een zekerheidsrecht op de koopprijsvordering is een vervanging voor het verlies van zekerheid op de zaak als gevolg van de doorverkoop. De geldkredietverstrekker met een Globalzession heeft daarentegen een hele bundel van vorderingen als onderpand.6
Volgens Brinkmann ligt tevens een (rechts)economisch argument aan deze Vertragsbruchtheorie ten grondslag. Hij meent dat dit gelezen kan worden in het volgende citaat uit het arrest van 1959:
“Dabei ist von Bedeutung, daû die Kl., wie dem Urteilszusammenhang zu entnehmen ist, wuûte, daû die Gemeinschuldnerin in der Regel nur unter verlängertem Eigentumsvorbehalt Rohstoffe einkaufen konnte.”7
Brinkmann leidt uit dit citaat af dat het BGH de kredietverstrekking door de leverancier noodzakelijk acht voor de koper om zaken te kunnen verkrijgen voor de uitoefening van diens bedrijf. Dit krediet kan de koper namelijk niet van de geldkredietverstrekker verkrijgen.
Deze conclusie trekt Brinkmann in navolging van Melsheimer op basis van de tijd waarin het arrest gewezen werd, namelijk na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Voor de oorlog was er een goed functionerend bankwezen in Duitsland. Dit bankwezen zorgde dat voldoende krediet beschikbaar was voor ondernemingen. Na de oorlog was dit niet meer het geval en zochten ondernemingen naar alternatieve financieringsbronnen. De leverancier nam de kredietverstrekkende taak van de banken gedeeltelijk over.8 Leverancierskrediet werd derhalve een belangrijke vorm van kredietverlening voor ondernemingen. Deze vorm van kredietverstrekking werd gefaciliteerd door aan de kredietverstrekkende leverancier een zekerheidsrecht toe te kennen op de geleverde zaken dat in rang komt voor het bestaande zekerheidsrecht van de geldkredietverstrekker.
Het eigendomsvoorbehoud verviel echter doorgaans bij doorverkoop van de zaken waarvan de leverancier zich de eigendom had voorbehouden. Ten aanzien van de vordering die ontsond door deze doorverkoop was het noodzakelijk dat de leverancier eveneens een eerste zekerheidsrecht verkreeg. Zou immers de bank een eerste zekerheidsrecht verkrijgen op de vordering uit doorverkoop van de zaken, dan zou dit een mogelijke rem zijn op de verstrekking van leverancierskrediet. De voorrang voor het zekerheidsrecht van de leverancier was zodoende in het belang van de koper en de leverancier en heeft uiteindelijk een positief effect op de gehele economie.
De tweede vorm van een verlenging van het eigendomsvoorbehoud betreft de Verarbeitungsklausel. Het eigendomsvoorbehoud verlengt zich tot de nieuwe zaak die ontstaat door zaaksvorming. Aan deze rechtspraak ligt eveneens (impliciet) een normatief oordeel van het BGH ten grondslag. De toekenning van voorrang aan het verlengde eigendomsvoorbehoud is gegrond op het feit dat de prestatie van de leverancier de zaaksvorming mogelijk maakt. Hij levert de zaken op krediet waarmee de koper nieuwe zaken kan vormen. Het BGH overweegt daartoe:
“Durch eine solche Vereinbarung erhält der Lieferant genau das, was mit der Verlängerung des Eigentumsvorbehalts bezweckt wird: Für das Eigentum an dem rechtlich nicht mehr als selbständige Sache existierenden Rohstoff den Anteil am Fertigfabrikat, den er durch die Lieferung des Rohstoffes wertmäûig zu diesem beigetragen hat.”9
Er bestaat derhalve een nauwe band tussen de prestatie van de leverancier en de nieuwe zaak waar de zekerheid van de leverancier zich tot verlengt op grond van de Verarbeitungsklausel. De leverancier draagt bij aan (de waarde van) de nieuwe zaak, omdat hij een bij de vorming gebruikte zaak op krediet levert. In de literatuur wordt de nieuwe zaak wel aangeduid als een (gedeeltelijke) Wertsurrogation van de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak. Dit rechtvaardigt dat de leverancier niet alleen een voorrangspositie heeft op de geleverde zaak, maar ook op de nieuwe zaak.10