Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 03-06-2021, nr. C-910/19
ECLI:EU:C:2021:433
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
03-06-2021
- Magistraten
M. Vilaras, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin, K. Jürimäe
- Zaaknummer
C-910/19
- Conclusie
J. Richard de la tour
- Roepnaam
Bankia
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:433, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑06‑2021
ECLI:EU:C:2021:119, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑02‑2021
Uitspraak 03‑06‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2003/71/EG — Prospectus wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten — Artikel 3, lid 2 — Artikel 6 — Aanbieding die gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers — Inhoud van de in het prospectus verstrekte informatie — Aansprakelijkheidsvordering — Retailbeleggers en gekwalificeerde beleggers — Kennis van de economische situatie van de uitgevende instelling’
M. Vilaras, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin, K. Jürimäe
Partij(en)
In zaak C-910/19,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 10 december 2019, ingekomen bij het Hof op 12 december 2019, in de procedure
Bankia SA
tegen
Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS),
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, N. Piçarra (rapporteur), D. Šváby, S. Rodin en K. Jürimäe, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Bankia SA, vertegenwoordigd door J. M. Fatás Monforte, J. Salinas Aguirre en D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogados,
- —
Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS), vertegenwoordigd door L. Lozano García, abogada,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz en J. Rodríguez de la Rúa Puig als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en J. Očková als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Scharf en J. Rius Riu als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 februari 2021,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PB 2003, L 345, blz. 64), zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 (PB 2008, L 76, blz. 37) (hierna: ‘richtlijn 2003/71’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Bankia SA en Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS) over de aansprakelijkheid van Bankia als instelling waarvan een aanbieding tot inschrijving op aandelen uitgaat, wegens de informatie die is verstrekt in een voorafgaandelijk aan deze aanbieding gepubliceerd prospectus.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Richtlijn 2003/71 is met ingang van 20 juli 2019 ingetrokken bij verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten (PB 2017, L 168, blz. 12). Gelet op het tijdstip van de feiten in het hoofdgeding blijven de bepalingen van richtlijn 2003/71 echter van toepassing.
4
De overwegingen 10, 16, 18, 19, 21 en 27 van richtlijn 2003/71 luidden:
- ‘(10)
Deze richtlijn en de maatregelen ter uitvoering ervan hebben ten doel de beleggers te beschermen en de efficiëntie van de markt te waarborgen, overeenkomstig de hoge standaarden die door de relevante internationale gremia zijn vastgesteld [op het gebied van toezicht].
[…]
- (16)
Een van de doelstellingen van deze richtlijn is het beschermen van beleggers. Het verdient bijgevolg aanbeveling met de uiteenlopende behoefte aan bescherming van de diverse categorieën beleggers rekening te houden, alsmede met hun deskundigheid. Voor aanbiedingen die uitsluitend voor gekwalificeerde beleggers zijn bedoeld, behoeft geen informatie te worden verstrekt door middel van de publicatie van een prospectus. Elke doorverkoop van de effecten aan het publiek of openbare verhandeling van de effecten als gevolg van de toelating ervan tot de handel op een gereglementeerde markt vereist de publicatie van een prospectus.
[…]
- (18)
Samen met gedragsregels bevordert de verstrekking van […] volledige informatie over effecten en de uitgevende instellingen ervan de bescherming van de beleggers. Deze informatie vormt tevens een doeltreffend middel om het vertrouwen in effecten te versterken en draagt aldus bij tot de goede werking en de ontwikkeling van de effectenmarkten. De informatie dient te worden verstrekt door middel van de publicatie van een prospectus.
- (19)
Evenals alle andere beleggingsvormen brengen beleggingen in effecten risico's met zich. In alle lidstaten dienen waarborgen ter bescherming van de belangen van huidige en potentiële beleggers te worden geboden, zodat dezen in staat worden gesteld deze risico's in te schatten en met volledige kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen.
[…]
- (21)
Informatie is een wezenlijk element in de bescherming van de belegger: in het prospectus moet een samenvatting worden opgenomen waarin de essentiële kenmerken van en risico's verbonden aan de uitgevende instelling, de eventuele garant en de effecten worden beschreven. Om deze informatie gemakkelijk toegankelijk te maken, moet de samenvatting in niet-technische bewoordingen gesteld zijn en mag deze in de taal waarin het prospectus oorspronkelijk is gesteld normaliter niet meer dan 2 500 woorden tellen.
[…]
- (27)
Teneinde beleggers afdoende te beschermen, moet erop worden toegezien dat betrouwbare informatie wordt gepubliceerd. Uitgevende instellingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, zijn weliswaar verplicht doorlopend informatie te verstrekken, maar niet om periodiek geactualiseerde informatie te publiceren. Bovendien zouden uitgevende instellingen ten minste jaarlijks een lijst moeten opstellen van alle relevante informatie die gedurende de twaalf voorafgaande maanden is bekendgemaakt of ter beschikking gesteld van het publiek, met inbegrip van de informatie uit hoofde van in andere communautaire wetgeving vastgestelde verslagleggingsvereisten. […]’
5
Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/71 bepaalde:
‘In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- d)
‘aanbieding van effecten aan het publiek’: een in om het even welke vorm en met om het even welk middel tot personen gerichte mededeling waarin voldoende informatie over de voorwaarden van de aanbieding en de aangeboden effecten wordt verstrekt om een belegger in staat te stellen tot aankoop van of inschrijving op deze effecten te besluiten. Deze definitie is ook van toepassing op de plaatsing van effecten via financiële intermediairs;
- e)
‘gekwalificeerde beleggers’:
- i)
juridische entiteiten die een vergunning hebben of gereglementeerd zijn om op de financiële markten actief te mogen zijn, met inbegrip van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, andere vergunninghoudende of gereglementeerde financiële instellingen, verzekeringsondernemingen, instellingen voor collectieve belegging en de beheermaatschappijen ervan, pensioenfondsen en de beheermaatschappijen ervan, grondstoffentermijnhandelaren, alsmede niet-vergunninghoudende of niet-gereglementeerde entiteiten waarvan het enige ondernemingsdoel het beleggen in effecten is;
- ii)
nationale en regionale regeringen, centrale banken, internationale en supranationale instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds, de Europese Centrale Bank, de Europese Investeringsbank en andere soortgelijke internationale organisaties;
[…]
- iv)
indien een lidstaat daarvoor kiest en onder voorbehoud van wederzijdse erkenning, natuurlijke personen die hun woonplaats in deze lidstaat hebben en die uitdrukkelijk verzoeken om als gekwalificeerde belegger te worden aangemerkt, mits deze personen aan ten minste twee van de in lid 2 vervatte criteria voldoen;
- v)
indien een lidstaat daarvoor kiest en onder voorbehoud van wederzijdse erkenning, kleine en middelgrote ondernemingen die hun statutaire zetel in deze lidstaat hebben en die uitdrukkelijk verzoeken om als gekwalificeerde belegger te worden aangemerkt;
[…]
- h)
‘uitgevende instelling’: een juridische entiteit die effecten uitgeeft of voornemens is effecten uit te geven;
[…]’
6
In artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift ‘Prospectusplicht’, stond te lezen:
- ‘1.
De lidstaten staan aanbieding van effecten aan het publiek zonder voorafgaande publicatie van een prospectus op hun grondgebied niet toe.
- 2.
De prospectusplicht geldt niet voor de volgende categorieën aanbiedingen:
- a)
een uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers gerichte aanbieding van effecten […]
[…]
- 3.
De lidstaten dragen er zorg voor dat elke toelating van effecten tot de handel op een op hun grondgebied gelegen of functionerende gereglementeerde markt afhankelijk wordt gesteld van de publicatie van een prospectus.’
7
Artikel 4 van richtlijn 2003/71 voorzag in vrijstellingen van de prospectusplicht voor bepaalde categorieën effecten.
8
Artikel 5 van deze richtlijn bepaalde:
- ‘1.
Onverminderd artikel 8, lid 2, bevat het prospectus alle gegevens welke in het licht van de specifieke aard van de uitgevende instelling en van de aan het publiek aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten effecten de noodzakelijk informatie vormen om de beleggers in staat te stellen zich een verantwoord oordeel te vormen over het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en de eventuele garant, en over de rechten welke aan deze effecten verbonden zijn. Deze gegevens worden gepresenteerd in een vorm die makkelijk te analyseren en te begrijpen is.
- 2.
Het prospectus bevat gegevens over de uitgevende instelling en de effecten die aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten. Het omvat ook een samenvatting. De samenvatting beschrijft op beknopte wijze en in niet-technische bewoordingen de belangrijkste kenmerken van en risico's verbonden aan de uitgevende instelling, de eventuele garant en de effecten, in de taal waarin het prospectus oorspronkelijk is gesteld. De samenvatting bevat ook de waarschuwing dat:
[…]
- d)
de personen die de samenvatting, met inbegrip van een vertaling ervan, hebben ingediend en om kennisgeving ervan hebben verzocht, wettelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, doch enkel indien de samenvatting wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen misleidend, onjuist of inconsistent is.
[…]’
9
Artikel 6 van die richtlijn, met als opschrift ‘Verantwoordelijkheid voor het prospectus’, luidde:
- ‘1.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de verantwoordelijkheid voor de in een prospectus verstrekte informatie ten minste berust bij de uitgevende instelling of bij zijn leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan, de aanbieder, de aanvrager van de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of de garant, al naargelang van het geval. De verantwoordelijke personen worden duidelijk in het prospectus geïdentificeerd met vermelding van hun naam en functie of, in geval van rechtspersonen, naam en statutaire zetel, waarbij tevens een door deze personen afgelegde verklaring is opgenomen dat, voor zover hun bekend, de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen.
- 2.
De lidstaten dragen er zorg voor dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie.
De lidstaten dragen er evenwel ook zorg voor dat een persoon niet wettelijk aansprakelijk kan worden gesteld op basis van de samenvatting alleen, met inbegrip van enigerlei vertaling ervan, tenzij deze misleidend, onjuist of inconsistent is wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen.’
Spaans recht
10
Artikel 28 van Ley 24/1988, de 28 de julio, del Mercado de Valores (wet 24/1988 van 28 juli 1988 betreffende de effectenmarkt, BOE nr. 181 van 29 juli 1988, blz. 23405), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalde:
- ‘1.
De verantwoordelijkheid voor de in het prospectus verstrekte informatie berust, overeenkomstig de bij besluit vastgestelde voorwaarden, ten minste bij de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van de toelating tot de handel op een officiële secundaire markt, alsmede bij hun bestuurders.
[…]
- 2.
De personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie, worden duidelijk in het prospectus geïdentificeerd met vermelding van hun naam en functie of, in geval van rechtspersonen, naam en statutaire zetel. Tevens moeten zij een verklaring afleggen dat, voor zover hun bekend, de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen.
- 3.
Overeenkomstig de bij besluit vastgestelde voorwaarden zijn alle in de voorgaande leden bedoelde personen in voorkomend geval aansprakelijk voor alle schade die aan de houders van verworven effecten is toegebracht doordat onjuiste informatie is verstrekt dan wel relevante gegevens zijn weggelaten in het prospectus of in het eventueel door de garant op te stellen document.
[…]
- 4.
De in de voorgaande leden bedoelde personen kunnen niet aansprakelijk worden gesteld op basis van de samenvatting of enigerlei vertaling ervan, tenzij deze misleidend, onjuist of inconsistent is wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen of wanneer zij, gelezen in samenhang met de andere delen van het prospectus, geen essentiële informatie bevat die beleggers kunnen helpen wanneer zij overwegen in voormelde effecten te beleggen.’
11
In artikel 30bis, lid 1, van die wet stond te lezen:
‘Een aanbieding aan het publiek tot verhandeling van of inschrijving op effecten is een in om het even welke vorm en met om het even welk middel tot personen gerichte mededeling waarin voldoende informatie over de voorwaarden van de aanbieding en de aangeboden effecten wordt verstrekt om een belegger in staat te stellen tot aankoop van of inschrijving op deze effecten te besluiten.
De prospectusplicht geldt niet voor de volgende categorieën aanbiedingen, die voor de toepassing van deze wet dus niet als openbare aanbiedingen worden beschouwd:
- a)
een uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers gerichte aanbieding van effecten;
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12
In 2011 heeft Bankia met het oog op haar beursgang een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen uitgebracht die was onderverdeeld in twee tranches. De eerste tranche was gericht tot beleggers die geen gekwalificeerde beleggers in de zin van artikel 2, lid 1, onder e), van richtlijn 2003/71 waren (hierna: ‘retailbeleggers’) en tot de werknemers en de bestuurders van die vennootschap, terwijl een tweede, zogenoemde institutionele tranche gericht was tot ‘gekwalificeerde beleggers’.
13
De twee tranches zijn aangeboden vanaf de datum waarop het prospectus is geregistreerd bij de Comisión Nacional del Mercado de Valores (nationale commissie voor de effectenmarkt, Spanje), te weten op 29 juni 2011. Tussen deze datum en 18 juli 2011 vond de zogenoemde bookbuildingperiode plaats, waarin eventuele gekwalificeerde beleggers inschrijvingsvoorstellen konden formuleren. Op 18 juli 2011 is de prijs van het aandeel vastgesteld op 3,75 EUR voor zowel de tranche voor retailbeleggers als de institutionele tranche. De inschrijvingsvoorstellen zijn geselecteerd en zijn na de bevestiging ervan onherroepelijk geworden. De overeenkomstige aandelen zijn op dezelfde dag aan de beleggers toegewezen en de daaraanvolgende dag tot de officiële notering toegelaten.
14
In verband met de aanbieding tot inschrijving heeft Bankia contact opgenomen met UMAS, een instelling die actief is in de sector van de onderlinge verzekeringen en die wordt beschouwd als gekwalificeerde belegger. Op 5 juli 2011 heeft UMAS een aankooporder voor 160 000 aandelen tegen 3,75 EUR per aandeel ondertekend, hetgeen overeenkomt met een bedrag van in totaal 600 000 EUR.
15
Door een herziening van de jaarrekening van Bankia verloren de aandelen van die vennootschap op de secundaire markt nagenoeg hun volledige waarde en werd hun beursnotering geschorst.
16
UMAS heeft tegen Bankia een vordering ingesteld die er primair toe strekte dat de aankooporder voor de aandelen nietig zou worden verklaard wegens een wilsgebrek, en er subsidiair toe strekte dat Bankia aansprakelijk zou worden gehouden wegens het niet-waarheidsgetrouwe karakter van het prospectus. De rechter in eerste aanleg heeft de nietigheid van de aankooporder voor de aandelen vastgesteld en de teruggave van de door UMAS betaalde bedragen gelast, zonder zich uit te spreken over de aansprakelijkheid van Bankia.
17
Bankia heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Audiencia Provincial de Madrid (rechter in tweede aanleg Madrid, Spanje), die — anders dan de rechter in eerste aanleg — de door UMAS ingestelde vordering tot nietigverklaring heeft afgewezen, maar de aansprakelijkheidsvordering in verband met het prospectus heeft toegewezen.
18
Naar aanleiding van dat arrest heeft Bankia cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), die in procedures die waren ingesteld door retailbeleggers, reeds had geoordeeld dat het door Bankia uitgegeven prospectus ernstige onjuistheden bevatte wat de werkelijke financiële situatie van die vennootschap betreft.
19
De verwijzende rechter merkt op dat de verplichting om het prospectus te publiceren voortvloeide uit het feit dat een tranche van de aanbieding gericht was tot retailbeleggers, en dat dit prospectus weliswaar niet bestemd was voor gekwalificeerde beleggers maar invloed kon hebben gehad op hun beslissing om te beleggen. Volgens die rechter biedt richtlijn 2003/71 noch het Spaanse recht gekwalificeerde beleggers uitdrukkelijk de mogelijkheid om de uitgevende instelling wegens een onjuist prospectus aansprakelijk te stellen wanneer de openbare aanbieding tot inschrijving gemengd is, dat wil zeggen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers. Hij benadrukt dat in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2003/71 is bepaald dat de prospectusplicht niet geldt voor uitgevende instellingen die uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers gerichte aanbiedingen uitbrengen — omdat deze beleggers worden geacht te beschikken over de bekwaamheid en informatiemiddelen die hen in staat stellen om hun beslissing met kennis van zaken te nemen — terwijl in overweging 27 van die richtlijn staat te lezen dat erop moet worden toegezien dat betrouwbare informatie wordt gepubliceerd teneinde beleggers afdoende te beschermen, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën beleggers.
20
In deze omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers en er een prospectus is uitgegeven voor retailbeleggers, [moeten artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2003/71 dan aldus worden uitgelegd dat] beide categorieën beleggers […] een aansprakelijkheidsvordering met betrekking tot het prospectus [kunnen] instellen, dan wel aldus dat enkel retailbeleggers deze vordering kunnen instellen?
- 2)
Indien het antwoord op de vorige vraag luidt dat die vordering ook kan worden ingesteld door gekwalificeerde beleggers, is het dan mogelijk om de mate waarin zij kennis dragen van de economische situatie van de uitgevende instelling die de openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen uitbrengt, los van het prospectus te beoordelen op basis van hun juridische of professionele betrekkingen met deze instelling (als aandeelhouder van die instelling, als lid van haar bestuursorganen, enzovoort)?’
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
21
UMAS stelt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. Ten eerste is dit volgens haar het geval omdat de vragen van de verwijzende rechter niet door partijen in het hoofdgeding zijn opgeworpen en niet ambtshalve door de verwijzende rechter aan de orde kunnen worden gesteld. Ten tweede is UMAS van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, omdat er sprake is van leemten en tekortkomingen met betrekking tot de weergave van de feiten en de uiteenzetting van de redenen waarom de verwijzende rechter zich tot het Hof heeft gewend. Ten derde laat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling volgens UMAS geen ruimte voor enige twijfel over de personen die de in artikel 6 van richtlijn 2003/71 bedoelde aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen.
22
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de regeling die in artikel 267 VWEU is neergelegd om te waarborgen dat het Unierecht op dezelfde wijze wordt uitgelegd in de lidstaten, een rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties tot stand brengt in de vorm van een procedure die losstaat van enig initiatief van de partijen. Derhalve mag de verwijzende rechter de partijen in het bij hem aanhangige geding weliswaar uitnodigen om mogelijke formuleringen van de prejudiciële vragen voor te stellen, maar blijft hij uiteindelijk zelf als enige bevoegd om te beslissen over zowel de vorm als de inhoud van die vragen (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Consiglio Nazionale dei Geologi, C-136/12, EU:C:2013:489, punten 28–30).
23
Gesteld dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing — zoals UMAS betoogt — betrekking heeft op vragen die niet zijn opgeworpen door partijen in het hoofdgeding, kan deze omstandigheid dus niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van dat verzoek.
24
In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat er een vermoeden van relevantie geldt voor de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, waarvan de juistheid niet door het Hof behoort te worden onderzocht (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 43). Het Hof kan enkel weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer, met name, niet is voldaan aan de in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering neergelegde vereisten die betrekking hebben op de inhoud van het verzoek om een prejudiciële beslissing, wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierechtelijke voorschrift kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is (zie in die zin arrest van 3 september 2020, Supreme Site Services e.a., C-186/19, EU:C:2020:638, punt 42).
25
De argumenten van UMAS met betrekking tot de Spaanse wettelijke regeling die van toepassing is op het hoofdgeding, kunnen niet afdoen aan het vermoeden van relevantie dat geldt voor de vragen van de verwijzende rechter. Bovendien heeft die rechter voldaan aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering, aangezien hij met voldoende nauwkeurigheid de in het hoofdgeding aan de orde zijnde feitelijke en juridische gegevens heeft uiteengezet, alsmede toelichting heeft verstrekt bij het voorwerp van het hoofdgeding en bij het verband tussen dat geding en de gevraagde uitlegging van de Unierechtelijke bepalingen.
26
Derhalve is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste prejudiciële vraag
27
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6 van richtlijn 2003/71, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers, niet enkel retailbeleggers maar ook gekwalificeerde beleggers een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen wegens de in het prospectus verstrekte informatie.
28
Het is vaste rechtspraak van het Hof dat bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de doelstellingen van deze bepaling, maar ook met haar context en met het Unierecht in zijn geheel [arrest van 11 maart 2020, X (Inning van aanvullende invoerrechten), C-160/18, EU:C:2020:190, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
29
Dienaangaande zij opgemerkt dat in richtlijn 2003/71 niet wordt vermeld welke beleggers een aansprakelijkheidsvordering in vorenbedoelde zin kunnen instellen. In artikel 6, lid 1, van die richtlijn worden namelijk enkel de personen genoemd die aansprakelijk kunnen worden gesteld wegens het feit dat de inhoud van het prospectus onjuist of onvolledig is.
30
Wat de doelstellingen van richtlijn 2003/71 betreft, blijkt onder meer uit overweging 10 van deze richtlijn dat de bescherming van de beleggers alsook de goede werking en de ontwikkeling van de markten de fundamentele kern van die doelstellingen vormen (zie in die zin arrest van 17 september 2014, Almer Beheer en Daedalus Holding, C-441/12, EU:C:2014:2226, punten 31 en 33).
31
Bovendien volgt uit de overwegingen 18, 21 en 27 van richtlijn 2003/71, gelezen in onderlinge samenhang, dat volledige, betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke informatie over effecten en uitgevende instellingen de bescherming van beleggers bevordert alsook een doeltreffend middel vormt om het vertrouwen van het publiek te versterken en aldus bij te dragen tot de goede werking en de ontwikkeling van de effectenmarkten door te voorkomen dat die goede werking en die ontwikkeling door onregelmatigheden worden belemmerd (zie in die zin arrest van 17 september 2014, Almer Beheer en Daedalus Holding, C-441/12, EU:C:2014:2226, punt 33).
32
In dit verband draagt de publicatie van een prospectus — zoals het in overweging 19 van richtlijn 2003/71 luidt — bij tot het bieden van waarborgen ter bescherming van de belangen van huidige en potentiële beleggers, zodat dezen in staat worden gesteld om de aan beleggingen in effecten verbonden risico's in te schatten en met volledige kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen.
33
Uit het voorgaande volgt dat een belegger die heeft deelgenomen aan een aanbieding van effecten waarbij een prospectus is gepubliceerd, zich op de in dit prospectus verstrekte informatie mag baseren en bijgevolg gerechtigd is om een aansprakelijkheidsvordering wegens die informatie in te stellen, ongeacht of dat prospectus te zijnen behoeve is uitgegeven of niet.
34
Aan deze uitlegging van artikel 6 van richtlijn 2003/71 wordt niet afgedaan door het uit artikel 3 van deze richtlijn voortvloeiende onderscheid tussen retailbeleggers en gekwalificeerde beleggers.
35
Het is juist dat artikel 3, lid 2, van richtlijn 2003/71 voorziet in een reeks vrijstellingen van de in lid 1 van dat artikel neergelegde algemene prospectusplicht, met name wanneer de aanbieding van effecten uitsluitend gericht is tot gekwalificeerde beleggers. Zoals in overweging 16 van die richtlijn staat te lezen, heeft de Uniewetgever rekening willen houden met de uiteenlopende behoefte aan bescherming van de verschillende categorieën beleggers, alsook met hun deskundigheid. Derhalve geldt de verplichting om voorafgaandelijk een prospectus te publiceren niet voor uitsluitend aan gekwalificeerde beleggers voorbehouden aanbiedingen van effecten, omdat gekwalificeerde beleggers — anders dan retailbeleggers — los van het prospectus dankzij hun eigen middelen toegang kunnen hebben tot de informatie die noodzakelijk is voor hun beleggingsbeslissingen.
36
Uit artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2003/71 — dat als uitzondering op het in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn neergelegde beginsel restrictief moet worden uitgelegd (zie naar analogie arresten van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C-469/17, EU:C:2019:623, punt 69, en 3 maart 2020, Gómez del Moral Guasch, C-125/18, EU:C:2020:138, punt 30) — kan echter niet worden afgeleid dat gekwalificeerde beleggers de mogelijkheid is ontnomen om een aansprakelijkheidsvordering als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2003/71 in te stellen wegens de informatie die is vervat in een prospectus dat is gepubliceerd op grond van artikel 3, lid 1, van deze richtlijn.
37
Immers, in het geval van een gemengde aanbieding als in het hoofdgeding aan de orde is, die gericht is tot zowel gekwalificeerde beleggers als retailbeleggers, beschikken alle beleggers ongeacht hun hoedanigheid over dat document, dat — zoals in punt 33 van het onderhavige arrest is opgemerkt — wordt geacht volledige en betrouwbare informatie te bevatten waarop zij zich mogen baseren. Zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie heeft gepreciseerd, staan de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2003/71 vermelde vrijstellingen van de prospectusplicht er overigens niet aan in de weg dat een dergelijk document vrijwillig wordt gepubliceerd ten behoeve van alle beleggers.
38
Zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie in wezen heeft benadrukt, brengt het feit dat de artikelen 3 en 4 van richtlijn 2003/71 op detailleerde wijze in talrijke vrijstellingen van de prospectusplicht voorzien terwijl in artikel 6 van die richtlijn een zonder uitzonderingen geldend beginsel van burgerrechtelijke aansprakelijkheid in geval van een onjuist prospectus is neergelegd, met zich mee dat laatstgenoemd artikel aldus moet worden uitgelegd dat na de publicatie van een prospectus een burgerrechtelijke aansprakelijkheidsvordering moet kunnen worden ingesteld wegens de in dat prospectus verstrekte informatie, ongeacht de hoedanigheid van de belegger die zich benadeeld acht.
39
Gelet op een en ander dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 6 van richtlijn 2003/71, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers, niet enkel retailbeleggers maar ook gekwalificeerde beleggers een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen wegens de in het prospectus verstrekte informatie.
Tweede prejudiciële vraag
40
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale bepalingen op grond waarvan de rechter in verband met een aansprakelijkheidsvordering die een gekwalificeerde belegger heeft ingesteld wegens de in het prospectus verstrekte informatie, in aanmerking mag of zelfs moet nemen dat die belegger, gelet op zijn betrekkingen met de instelling die de openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen heeft uitgebracht, los van het prospectus kennis had of behoorde te hebben van de economische situatie van die uitgevende instelling.
41
In zoverre zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 6, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2003/71 bepaalt dat de lidstaten er zorg voor moeten dragen dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie. Deze bepaling vereist dus niet dat op dit gebied specifieke nationaalrechtelijke bepalingen worden vastgesteld, met dien verstande dat volgens de tweede alinea van die bepaling ‘een persoon’ niet wettelijk aansprakelijk kan worden gesteld op basis van enkel de samenvatting van het prospectus, met inbegrip van enigerlei vertaling ervan, tenzij die samenvatting misleidend, onjuist of inconsistent is wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen.
42
Hieruit volgt dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 — zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 44, 47 en 49 van zijn conclusie — de lidstaten een ruime beoordelingsmarge laat bij de vaststelling van de nadere regels voor het instellen van een aansprakelijkheidsvordering wegens de in het prospectus verstrekte informatie.
43
Voorts blijkt uit artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2003/71, gelezen in het licht van overweging 16 ervan, dat het prospectus voor de verkoop van effecten weliswaar informatie bevat die voor retailbeleggers van essentieel belang is om met volledige kennis van zaken beleggingsbeslissingen te kunnen nemen, maar dat gekwalificeerde beleggers — onder meer gelet op hun deskundigheid — normaal gesproken toegang hebben tot andere informatie die ervoor kan zorgen dat zij hun beslissingen kunnen nemen met kennis van zaken.
44
De lidstaten zijn dus in beginsel vrij om — in voorkomend geval door specifieke bepalingen op het gebied van burgerrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen in hun nationale rechtsorde — toe te staan of zelfs de verplichting op te leggen om de deskundigheid van een gekwalificeerde belegger en zijn betrekkingen met de betrokken instelling die effecten uitgeeft in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de op artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 gebaseerde aansprakelijkheid wegens de in het prospectus verstrekte informatie.
45
Niettemin zij opgemerkt dat de lidstaten op grond van het beginsel van institutionele en procedurele autonomie weliswaar over een ruime beoordelingsmarge beschikken ten aanzien van de vaststelling van de in artikel 6 van richtlijn 2003/71 bedoelde aansprakelijkheid, maar dat dit beginsel moet worden toegepast met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel, teneinde het nuttig effect van de toepasselijke Unierechtelijke bepalingen te waarborgen (zie naar analogie arrest van 19 december 2013, Hirmann, C-174/12, EU:C:2013:856, punt 40).
46
Het gelijkwaardigheidsbeginsel vereist dat de nationale procedurele bepalingen die onder het Unierecht vallende situaties regelen, niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die voor soortgelijke onder het nationale recht vallende situaties gelden, terwijl het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat die bepalingen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie in die zin arrest van 19 december 2019, Deutsche Umwelthilfe, C-752/18, EU:C:2019:1114, punt 33).
47
Ingeval op grond van nationaalrechtelijke bepalingen bij het nemen van een beslissing over een aansprakelijkheidsvordering op grond van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 rekening mag of zelfs moet worden gehouden met de kennis van de economische situatie van de uitgevende instelling waarover een gekwalificeerde belegger gelet op zijn betrekkingen met die instelling beschikt of behoort te beschikken, is het dan ook de taak van de nationale rechter bij wie een dergelijke aansprakelijkheidsvordering aanhangig is gemaakt, om na te gaan of die bepalingen niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die gelden voor soortgelijke vorderingen waarin het nationale recht overigens voorziet, en of zij het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om die aansprakelijkheidsvordering in te stellen.
48
Gelet op een en ander dient op de tweede prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationaalrechtelijke bepalingen op grond waarvan de rechter in verband met een aansprakelijkheidsvordering die een gekwalificeerde belegger heeft ingesteld wegens de in het prospectus verstrekte informatie, in aanmerking mag of zelfs moet nemen dat die belegger, gelet op zijn betrekkingen met de instelling die de openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen heeft uitgebracht, los van het prospectus kennis had of behoorde te hebben van de economische situatie van die uitgevende instelling, mits die bepalingen niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die gelden voor soortgelijke vorderingen waarin het nationale recht voorziet en het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om die aansprakelijkheidsvordering in te stellen.
Kosten
49
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 6 van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2003/71, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen gericht is tot zowel retailbeleggers als gekwalificeerde beleggers, niet enkel retailbeleggers maar ook gekwalificeerde beleggers een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen wegens de in het prospectus verstrekte informatie.
- 2)
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationaalrechtelijke bepalingen op grond waarvan de rechter in verband met een aansprakelijkheidsvordering die een gekwalificeerde belegger heeft ingesteld wegens de in het prospectus verstrekte informatie, in aanmerking mag of zelfs moet nemen dat die belegger, gelet op zijn betrekkingen met de instelling die de openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen heeft uitgebracht, los van het prospectus kennis had of behoorde te hebben van de economische situatie van die uitgevende instelling, mits die bepalingen niet ongunstiger zijn dan de bepalingen die gelden voor soortgelijke vorderingen waarin het nationale recht voorziet en het in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken om die aansprakelijkheidsvordering in te stellen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑06‑2021
Conclusie 11‑02‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2003/71/EG — Vennootschappen — Verplichting tot publicatie van een prospectus wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten — Gekwalificeerde en niet-gekwalificeerde beleggers — Civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de gekwalificeerde beleggers in geval van een onjuist of onvolledig prospectus’
J. Richard de la tour
Partij(en)
Zaak C-910/191.
Bankia SA
tegen
Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS)
[verzoek van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG2..
2.
Het onderhavige verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Bankia SA en Unión Mutua Asistencial de Seguros (UMAS), een onderlinge verzekeringsmaatschappij, naar aanleiding van de verwerving door de laatste vennootschap van aandelen in de eerste vennootschap waarbij het prospectus ernstige onjuistheden bevatte.
3.
De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid om de bepalingen uit te leggen van richtlijn 2003/71, die heeft voorzien in een prospectus dat als het enig paspoort kan worden gebruikt voor alle plaatsen waar in de Unie effecten worden genoteerd die door een uitgevende instelling zijn uitgegeven. Hoewel die richtlijn de inhoud van dat prospectus grotendeels heeft geharmoniseerd, heeft zij enige handelingsvrijheid gelaten, ten eerste, aan de lidstaten bij de keuze van het stelsel en de regels volgens welke uitgevende instellingen of aanbieders civielrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld wat de inhoud van de in het prospectus vermelde informatie betreft en, ten tweede, aan de uitgevende instellingen, die weliswaar in bepaalde gevallen niet verplicht zijn dat prospectus te publiceren, met name wanneer de aanbieding tot inschrijving op effecten uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers is gericht, maar dit toch op vrijwillige basis kunnen doen.
4.
Aldus wenst de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing te vernemen, ten eerste, of een onjuist prospectus kan dienen als grondslag voor een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering van een gekwalificeerde belegger en, ten tweede, of het bewijs van de kennis die de gekwalificeerde belegger heeft van de werkelijke situatie van de uitgevende instelling kan worden afgeleid uit de tussen hem en die instelling bestaande commerciële of juridische relaties (medeaandeelhouder zijn, deel uitmaken van de bestuursorganen, enz.).
5.
Ik geef het Hof in overweging de eerste vraag aldus te beantwoorden dat een prospectus met een onjuiste inhoud altijd als grondslag kan dienen voor een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering van een gekwalificeerde belegger en op de tweede vraag te antwoorden dat de beoordeling, met het oog op de vaststelling van de civielrechtelijke aansprakelijkheid met name van de uitgevende instelling of de aanbieder, van de kennis die gekwalificeerde beleggers hebben van de economische situatie van de uitgevende instelling of de aanbieder zaak van het nationale recht is, met dien verstande dat het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel in acht worden genomen.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2003/71
6.
In de overwegingen 10, 16, 18, 19 en 27 van richtlijn 2003/71 staat het volgende te lezen:
- ‘(10)
Deze richtlijn en de maatregelen ter uitvoering ervan hebben ten doel de beleggers te beschermen en de efficiëntie van de markt te waarborgen, overeenkomstig de hoge standaarden die door de relevante internationale gremia zijn vastgesteld.
[…]
- (16)
Een van de doelstellingen van deze richtlijn is het beschermen van beleggers. Het verdient bijgevolg aanbeveling met de uiteenlopende behoefte aan bescherming van de diverse categorieën beleggers rekening te houden, alsmede met hun deskundigheid. Voor aanbiedingen die uitsluitend voor gekwalificeerde beleggers zijn bedoeld, behoeft geen informatie te worden verstrekt door middel van de publicatie van een prospectus. Elke doorverkoop van de effecten aan het publiek of openbare verhandeling van de effecten als gevolg van de toelating ervan tot de handel op een gereglementeerde markt vereist de publicatie van een prospectus.
[…]
- (18)
Samen met gedragsregels bevordert de verstrekking van passende en volledige informatie over effecten en de uitgevende instellingen ervan de bescherming van de beleggers. Deze informatie vormt tevens een doeltreffend middel om het vertrouwen in effecten te versterken en draagt aldus bij tot de goede werking en de ontwikkeling van de effectenmarkten. De informatie dient te worden verstrekt door middel van de publicatie van een prospectus.
- (19)
Evenals alle andere beleggingsvormen brengen beleggingen in effecten risico's met zich. In alle lidstaten dienen waarborgen ter bescherming van de belangen van huidige en potentiële beleggers te worden geboden, zodat dezen in staat worden gesteld deze risico's in te schatten en met volledige kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen.
[…]
- (27)
Teneinde beleggers afdoende te beschermen, moet erop worden toegezien dat betrouwbare informatie wordt gepubliceerd. Uitgevende instellingen waarvan de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, zijn weliswaar verplicht doorlopend informatie te verstrekken, maar niet om periodiek geactualiseerde informatie te publiceren. Bovendien zouden uitgevende instellingen ten minste jaarlijks een lijst moeten opstellen van alle relevante informatie die gedurende de twaalf voorafgaande maanden is bekendgemaakt of ter beschikking gesteld van het publiek, met inbegrip van de informatie uit hoofde van in andere [Uniewetgeving] vastgestelde verslagleggingsvereisten. Aldus zou de periodieke publicatie van consistente en makkelijk te begrijpen informatie worden gegarandeerd. Teneinde een overmatige belasting van sommige uitgevende instellingen te vermijden, zouden uitgevende instellingen van effecten zonder aandelenkarakter, met een hoge nominale waarde per eenheid, niet aan deze verplichting behoeven te voldoen.’
7.
Artikel 2 van richtlijn 2003/71 bepaalt:
- ‘1.
In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- d)
‘aanbieding van effecten aan het publiek’: een in om het even welke vorm en met om het even welk middel tot personen gerichte mededeling waarin voldoende informatie over de voorwaarden van de aanbieding en de aangeboden effecten wordt verstrekt om een belegger in staat te stellen tot aankoop van of inschrijving op deze effecten te besluiten. Deze definitie is ook van toepassing op de plaatsing van effecten via financiële intermediairs;
- e)
‘gekwalificeerde beleggers’:
- i)
juridische entiteiten die een vergunning hebben of gereglementeerd zijn om op de financiële markten actief te mogen zijn, met inbegrip van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen, andere vergunninghoudende of gereglementeerde financiële instellingen, verzekeringsondernemingen, instellingen voor collectieve belegging en de beheermaatschappijen ervan, pensioenfondsen en de beheermaatschappijen ervan, grondstoffentermijnhandelaren, alsmede niet-vergunninghoudende of niet-gereglementeerde entiteiten waarvan het enige ondernemingsdoel het beleggen in effecten is;
- ii)
nationale en regionale regeringen, centrale banken, internationale en supranationale instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds, de Europese Centrale Bank, de Europese Investeringsbank en andere soortgelijke internationale organisaties;
- iii)
andere juridische entiteiten die niet voldoen aan twee van de drie onder f) vervatte criteria;
- iv)
indien een lidstaat daarvoor kiest en onder voorbehoud van wederzijdse erkenning, natuurlijke personen die hun woonplaats in deze lidstaat hebben en die uitdrukkelijk verzoeken om als gekwalificeerde belegger te worden aangemerkt, mits deze personen aan ten minste twee van de in lid 2 vervatte criteria voldoen;
- v)
indien een lidstaat daarvoor kiest en onder voorbehoud van wederzijdse erkenning, kleine en middelgrote ondernemingen die hun statutaire zetel in deze lidstaat hebben en die uitdrukkelijk verzoeken om als gekwalificeerde belegger te worden aangemerkt;
- f)
‘kleine en middelgrote onderneming’: een onderneming die volgens de meest recente jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening aan ten minste twee van de volgende drie criteria voldoet: een gemiddeld aantal werknemers gedurende het boekjaar van minder dan 250, een balanstotaal van ten hoogste 43 000 000 EUR en een jaarlijkse netto-omzet van ten hoogste 50 000 000 EUR;
- g)
‘kredietinstelling’: een onderneming zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen[3.];
- h)
‘uitgevende instelling’: een juridische entiteit die effecten uitgeeft of voornemens is effecten uit te geven;
- i)
‘aanbieder’: een juridische entiteit of natuurlijke persoon die effecten aan het publiek aanbiedt;
[…]
- 2.
Voor de toepassing van lid 1, onder e), iv), gelden de volgende criteria:
- a)
de belegger heeft in de loop van de voorafgaande vier kwartalen tenminste tien omvangrijke transacties per kwartaal op effectenmarkten verricht;
- b)
de effectenportefeuille van de belegger heeft een omvang van meer dan 0,5 miljoen EUR;
- c)
de belegger is ten minste een jaar werkzaam of werkzaam geweest in de financiële sector in het kader van een beroepsbezigheid die kennis van beleggingen in effecten vereist.
[…]’
8.
In artikel 3 van richtlijn 2003/71 wordt het volgende bepaald:
- ‘1.
De lidstaten staan aanbieding van effecten aan het publiek zonder voorafgaande publicatie van een prospectus op hun grondgebied niet toe.
- 2.
De prospectusplicht geldt niet voor de volgende categorieën aanbiedingen:
- a)
een uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers gerichte aanbieding van effecten; […]
[…]
- 3.
De lidstaten dragen er zorg voor dat elke toelating van effecten tot de handel op een op hun grondgebied gelegen of functionerende gereglementeerde markt afhankelijk wordt gesteld van de publicatie van een prospectus.’
9.
Artikel 4 van deze richtlijn voorziet in vrijstellingen van de prospectusplicht voor bepaalde categorieën effecten.
10.
Artikel 5 van deze richtlijn luidt als volgt:
- ‘1.
Onverminderd artikel 8, lid 2, bevat het prospectus alle gegevens welke in het licht van de specifieke aard van de uitgevende instelling en van de aan het publiek aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt toegelaten effecten de noodzakelijk informatie vormen om de beleggers in staat te stellen zich een verantwoord oordeel te vormen over het vermogen, de financiële positie, het resultaat en de vooruitzichten van de uitgevende instelling en de eventuele garant, en over de rechten welke aan deze effecten verbonden zijn. Deze gegevens worden gepresenteerd in een vorm die makkelijk te analyseren en te begrijpen is.
- 2.
Het prospectus bevat gegevens over de uitgevende instelling en de effecten die aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten. Het omvat ook een samenvatting. De samenvatting beschrijft op beknopte wijze en in niet-technische bewoordingen de belangrijkste kenmerken van en risico's verbonden aan de uitgevende instelling, de eventuele garant en de effecten, in de taal waarin het prospectus oorspronkelijk is gesteld. De samenvatting bevat ook de waarschuwing dat:
- a)
de samenvatting gelezen moet worden als een inleiding op het prospectus en
- b)
iedere beslissing om in de effecten te beleggen gebaseerd moet zijn op de bestudering van het gehele prospectus door de belegger en,
- c)
wanneer een vordering met betrekking tot de informatie in een prospectus bij een rechterlijke instantie aanhangig wordt gemaakt, de belegger die als eiser optreedt eventueel volgens de nationale wetgeving van de lidstaten de kosten voor de vertaling van het prospectus moet dragen voordat de rechtsvordering wordt ingesteld, en
- d)
de personen die de samenvatting, met inbegrip van een vertaling ervan, hebben ingediend en om kennisgeving ervan hebben verzocht, wettelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld, doch enkel indien de samenvatting wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen misleidend, onjuist of inconsistent is.
[…]’
11.
Artikel 6 van richtlijn 2003/71 bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de verantwoordelijkheid voor de in een prospectus verstrekte informatie ten minste berust bij de uitgevende instelling of bij zijn leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan, de aanbieder, de aanvrager van de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of de garant, al naargelang van het geval. De verantwoordelijke personen worden duidelijk in het prospectus geïdentificeerd met vermelding van hun naam en functie of, in geval van rechtspersonen, naam en statutaire zetel, waarbij tevens een door deze personen afgelegde verklaring is opgenomen dat, voor zover hun bekend, de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen.
- 2.
De lidstaten dragen er zorg voor dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie.
[…]’
B. Spaans recht
12.
Artikel 28 van ley 24/1988 del Mercado de Valores (wet 24/1988 op de effectenmarkt) van 28 juli 19884., in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
- ‘1.
De verantwoordelijkheid voor de in het prospectus verstrekte gegevens berust, onder de bij besluit vastgestelde voorwaarden, ten minste bij de uitgevende instelling, de aanbieder of de aanvrager van de toelating tot de handel op een officiële secundaire markt, en hun bestuurders.
Evenzo berust de in het vorige lid beschreven verantwoordelijkheid bij de garant van de effecten wat de gegevens betreft die hij moet verstrekken. De met de leiding van de activiteiten belaste entiteit is ook verantwoordelijk voor de controletaken die zij overeenkomstig de bij besluit vastgestelde voorwaarden uitvoert.
De verantwoordelijkheid berust ook, onder de bij besluit vastgestelde voorwaarden en mits het prospectus daarin voorziet, bij de andere personen die de verantwoordelijkheid voor het prospectus op zich nemen, alsmede bij andere dan de bovengenoemde personen die de inhoud van het prospectus hebben goedgekeurd.
- 2.
De personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte gegevens worden duidelijk in het prospectus geïdentificeerd met vermelding van hun naam en functie of, in geval van rechtspersonen, naam en statutaire zetel. Zij moeten ook een verklaring afleggen dat, voor zover hun bekend, de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen.
- 3.
Onder de bij besluit vastgestelde voorwaarden zijn alle in de voorgaande leden bedoelde personen in voorkomend geval aansprakelijk voor alle schade die de houders van de verworven effecten lijden als gevolg van onjuiste gegevens of het weglaten van relevante gegevens in het prospectus of in het, in voorkomend geval, door de garant op te stellen document.
De verjaringstermijn voor het instellen van een aansprakelijkheidsvordering bedraagt drie jaar nadat de persoon die de vordering instelt, kennis had kunnen hebben van het feit dat de inhoud van het prospectus onjuiste gegevens bevatte of dat er gegevens in waren weggelaten.
- 4.
De in de voorgaande leden bedoelde personen kunnen niet aansprakelijk worden gesteld op basis van de samenvatting alleen, met inbegrip van enigerlei vertaling ervan, tenzij deze misleidend, onjuist of inconsistent is wanneer zij samen met de andere delen van het prospectus wordt gelezen of wanneer zij, gelezen in samenhang met de andere delen van het prospectus, geen essentiële gegevens bevat die beleggers kunnen helpen wanneer zij overwegen in die effecten te beleggen.’
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
13.
In 2011 heeft Bankia met het oog op haar beursgang een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen uitgebracht die was onderverdeeld in twee tranches: een eerste tranche voor kleine beleggers, werknemers en bestuurders, en een tweede tranche, de ‘institutionele tranche’, voor gekwalificeerde beleggers.
14.
Vanaf 29 juni 2011, de datum van de registratie van het prospectus door de Comisión Nacional del Mercado de Valores (nationale commissie voor de effectenmarkt, Spanje), zijn de twee tranches aan de beleggers aangeboden. Vanaf dat moment tot 18 juli 2011 vond de zogenoemde bookbuildingperiode plaats, waarin potentiële gekwalificeerde beleggers inschrijvingsvoorstellen konden formuleren.
15.
Op 18 juli 2011 werd de prijs van de aandelen voor de twee tranches van de openbare aanbieding vastgesteld op 3,75 EUR.
16.
In het kader van de aanbieding tot inschrijving heeft Bankia contact opgenomen met UMAS, een onderlinge verzekeringsmaatschappij, die derhalve als gekwalificeerde belegger wordt beschouwd. Op 5 juli 2011 heeft UMAS een aankooporder van 600 000 EUR voor 160 000 aandelen van Bankia ondertekend tegen 3,75 EUR per aandeel.
17.
Als gevolg van een herziening van de jaarrekening van Bankia verloren de aandelen bijna hun volledige waarde op de secundaire markt en werd de beursnotering ervan geschorst.
18.
In eerdere, op verzoek van kleine beleggers ingeleide procedures heeft de Tribunal Supremo geoordeeld dat het door Bankia uitgegeven prospectus ernstige onjuistheden bevatte met betrekking tot de werkelijke financiële situatie van de uitgevende instelling.
19.
UMAS heeft een procedure ingeleid tegen Bankia, waarbij zij verzocht, primair, om nietigverklaring van de aankooporder voor de aandelen wegens gebrek in de toestemming en, subsidiair, dat Bankia aansprakelijk werd gesteld wegens het niet-waarheidsgetrouwe karakter van het prospectus. De rechter in eerste aanleg heeft vastgesteld dat de aankooporder voor de aandelen nietig was wegens een fout met een gebrek in de toestemming tot gevolg, en heeft de teruggave van de betaalde bedragen gelast.
20.
Bankia heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Audiencia Provincial (rechter in tweede aanleg, Spanje). Die rechter heeft de vordering tot nietigverklaring afgewezen, maar heeft de tegen Bankia ingestelde aansprakelijkheidsvordering op grond van het onjuiste prospectus toegewezen.
21.
Bankia heeft tegen dat cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter. Die rechter heeft geoordeeld dat, wanneer de openbare aanbieding tot inschrijving gemengd is, dit wil zeggen zowel tot kleine beleggers als tot gekwalificeerde beleggers is gericht, noch richtlijn 2003/71, noch het Spaanse recht uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid voor gekwalificeerde beleggers om de uitgevende instelling op grond van een onjuist prospectus aansprakelijk te stellen. De verwijzende rechter benadrukt in dit verband dat artikel 3, lid 2, van die richtlijn voorziet in een vrijstelling van de prospectusplicht voor aanbiedingen die uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers zijn gericht, aangezien deze beleggers over de capaciteit en de informatiemiddelen beschikken om met kennis van zaken een beslissing te nemen. Evenwel moet volgens overweging 27 van die richtlijn, erop worden toegezien dat betrouwbare informatie wordt gepubliceerd teneinde beleggers afdoende te beschermen.
22.
In deze context heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen met betrekking tot de uitlegging van artikel 3, lid 2, en artikel 6 van richtlijn 2003/71:
- ‘1)
Kan de aansprakelijkheidsvordering met betrekking tot het prospectus, wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op aandelen zowel tot kleine beleggers als tot gekwalificeerde beleggers is gericht en er een prospectus wordt uitgegeven voor de kleine beleggers, door beide categorieën beleggers worden ingesteld of alleen door de kleine beleggers?
- 2)
Indien het antwoord op de [eerste] vraag luidt dat die vordering ook door de gekwalificeerde beleggers kan worden ingesteld, is het dan mogelijk hun kennis van de economische situatie van de uitgevende instelling buiten het prospectus om te beoordelen, op basis van hun juridische of commerciële relaties met die instelling (medeaandeelhouder zijn, deel uitmaken van haar bestuursorganen, enz.)?’
23.
Bankia, UMAS, de Spaanse en de Tsjechische regering, alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV. Analyse
24.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 6 van richtlijn 2003/71, gelezen in het licht van artikel 3, lid 2, onder a), van die richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de aansprakelijkheidsvordering met betrekking tot het prospectus, wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op effecten zowel tot kleine beleggers als tot gekwalificeerde beleggers is gericht en er een prospectus wordt uitgegeven, door gekwalificeerde beleggers kan worden ingesteld, hoewel een dergelijk document niet hoeft te worden gepubliceerd wanneer de aanbieding uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers is gericht. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst die rechter te vernemen of, indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, artikel 6 van die richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer een gekwalificeerde belegger een rechtsvordering instelt, bij de vaststelling of de uitgevende instelling aansprakelijk is rekening kan worden gehouden met het feit dat die belegger mogelijkerwijs toegang heeft gehad tot andere informatie over de economische situatie van de vennootschap die de openbare aanbieding heeft gedaan dan die welke in het prospectus is opgenomen.
25.
Om de verwijzende rechter te antwoorden moet worden nagegaan, in de eerste plaats, of er in geval van een onjuist prospectus dat is uitgegeven in het kader van een gemengde aanbieding, dit wil zeggen een aanbieding die uit twee tranches bestaat, waarvan de ene tranche bestemd is voor gekwalificeerde beleggers en de andere voor kleine beleggers, een beginsel van civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens gekwalificeerde beleggers bestaat en, in voorkomend geval in de tweede plaats, volgens welke regels de aansprakelijkheidsvordering dan kan worden ingesteld.
26.
Vooraf zij evenwel gepreciseerd dat de door UMAS opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op grond van vaste rechtspraak van het Hof5. moet worden verworpen.
27.
In casu heeft de verwijzende rechter het verband tussen het voorwerp van het geding en de gevraagde uitlegging van het Unierecht, het bestaan van het op te lossen vraagstuk en de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen, immers genoegzaam uiteengezet.
A. Kan een onjuist prospectus als grondslag dienen voor een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering van een gekwalificeerde belegger tegen de uitgevende instelling van de effecten?
28.
Die vraag rijst in het geval dat in het hoofdgeding aan de orde is, namelijk een gemengde aanbieding die kan plaatsvinden in het kader van een aanbieding aan het publiek (artikel 3, lid 1, van richtlijn 2003/71) of in het geval van een emissie van effecten die bestemd zijn voor notering op een gereglementeerde markt, aangezien in dat geval de publicatie van een prospectus verplicht is en zowel gekwalificeerde beleggers als kleine beleggers dergelijke effecten kunnen verwerven (artikel 3, lid 3, van deze richtlijn).
29.
In artikel 6 van die richtlijn is een aansprakelijkheidsbeginsel vastgesteld voor het geval waarin een onjuist of onvolledig prospectus wordt uitgegeven, welk beginsel de verplichting voor de lidstaten omvat om er zorg voor te dragen dat de voor de inhoud van het prospectus verantwoordelijke personen in het prospectus worden geïdentificeerd en vermeld (lid 1) en voorts dat er een civielrechtelijke aansprakelijkheidsregeling tegen hen bestaat (lid 2).
30.
Niettemin voorziet artikel 6 van richtlijn 2003/71 niet in een uitzondering op dit aansprakelijkheidsbeginsel op grond van de aard van de gemengde aanbieding, ongeacht of deze alleen tot het publiek is gericht dan wel bestemd is voor notering op een gereglementeerde markt, ook al voorzien andere bepalingen van die richtlijn in vrijstellingen van de prospectusplicht, die verband houden met de beleggers tot wie de aanbieding is gericht, het bedrag van de uitgegeven effecten of de totale aanbieding (artikel 3, lid 2) of met de aard van de uitgegeven effecten (artikel 4). Die vrijstellingen van de prospectusplicht staan er echter niet aan in de weg dat een uitgevende instelling vrijwillig een prospectus publiceert, zodat zij alsdan in aanmerking komt voor het ‘ene paspoort’ indien de emissie op een gereglementeerde markt plaatsvindt.6.
31.
De verwijzende rechter vraagt zich in het licht van de vrijstelling van de in artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2003/71 neergelegde prospectusplicht wanneer de aanbieding uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers is gericht, af of gekwalificeerde beleggers een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering op grond van de onjuistheid van het prospectus kunnen instellen. De verwijzende rechter lijkt daarbij uit te gaan van de premisse dat gekwalificeerde beleggers, aangezien het prospectus uitsluitend bedoeld is om niet-gekwalificeerde beleggers te beschermen en te informeren, zich niet op de onjuistheid van dat prospectus kunnen beroepen om een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering in te stellen.
32.
In werkelijkheid doen de bovenbedoelde vrijstellingen, in hun geheel beschouwd, echter de facto situaties ontstaan waarin niet-gekwalificeerde beleggers niet het voordeel van een prospectus genieten7., of gekwalificeerde beleggers het voordeel van een prospectus genieten, terwijl zij, indien de aanbieding alleen tot hen was gericht, buiten de gereglementeerde markt, dat voordeel niet zouden hebben genoten. Afgezien van de gemengde aanbieding buiten de gereglementeerde markt, die onder artikel 3, lid 1, van richtlijn 2003/71 valt, genieten gekwalificeerde beleggers uit hoofde van lid 3 van dat artikel, behoudens de in artikel 4, lid 2, van die richtlijn bedoelde uitzonderingen in verband met de aard van de uitgegeven effecten — welke uitzonderingen ook van toepassing zijn op niet-gekwalificeerde beleggers — immers het voordeel van een prospectus in het geval van een aanbieding die bestemd is voor toelating tot een gereglementeerde markt. Evenzo kunnen gekwalificeerde beleggers het voordeel genieten van een vrijwillige publicatie van een prospectus door de uitgevende instelling.
33.
Zowel de letterlijke als de systematische uitlegging van richtlijn 2003/71 lijkt dus de opvatting te weerleggen dat het prospectus uitsluitend ter bescherming van de niet-gekwalificeerde beleggers wordt opgesteld.
34.
Bovendien wijst ook de teleologische uitlegging van deze richtlijn in die richting. De basisdoelstelling van deze tekst is immers de totstandbrenging van een eengemaakte effectenmarkt (overweging 45) door de toegang tot de financiële markten te ontwikkelen (overweging 18), met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (overweging 4):
- —
door een vereenvoudiging van de administratieve taken van de uitgevende instellingen via de invoering van het ene paspoort (overweging 1) en door kostenvermindering dankzij de mogelijkheid dat informatie in het prospectus wordt opgenomen via eenvoudige verwijzing naar reeds bestaande en goedgekeurde informatie (overweging 29), en
- —
voorts door grensoverschrijdende aanbiedingen te vergemakkelijken, met name door extra kosten in verband met de vertaling in alle officiële talen te vermijden (overweging 35).
35.
Een van de andere doelstellingen van richtlijn 2003/71, die in overweging 16 wordt genoemd, is ‘het beschermen van beleggers’ en daarbij rekening houden met de uiteenlopende ‘behoefte aan bescherming van de diverse categorieën beleggers […], alsmede met hun deskundigheid’. Deze bescherming bestaat in de publicatie van volledige (overwegingen 18 en 20), betrouwbare (overweging 27) en toegankelijke (overweging 21) informatie, die overeenkomstig de bepalingen van overweging 19 van deze richtlijn is bedoeld om beleggers in staat te stellen de ‘risico's in te schatten en met volledige kennis van zaken beleggingsbeslissingen te nemen’.
36.
Deze richtlijn combineert dus die twee doelstellingen. Het Hof heeft al de gelegenheid gehad om die combinatie te beoordelen en heeft voor recht verklaard dat een prospectus niet nodig was in het geval van de verkoop van effecten in het kader van een gedwongen executie.8.
37.
Bijgevolg moet artikel 6 van richtlijn 2003/71, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3, onder a), aldus worden uitgelegd dat de twee hierboven omschreven doelstellingen op passende wijze met elkaar in evenwicht worden gebracht.
38.
Het feit dat de artikelen 3 en 4 van die richtlijn in detail voorzien in talrijke vrijstellingen van de prospectusplicht, terwijl in artikel 6 van die richtlijn een beginsel van civielrechtelijke aansprakelijkheid in geval van een onjuist prospectus is neergelegd zonder uitzonderingen, moet volgens mij bijgevolg duidelijk leiden tot een uitlegging volgens welke het, wanneer er een prospectus bestaat, mogelijk moet zijn om, ongeacht de status van de belegger die zich benadeeld acht, een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering op grond van de onjuistheid van dat prospectus in te stellen.
39.
Voorts ben ik van mening dat de aanname dat elke lidstaat zelf kan bepalen of gekwalificeerde beleggers in geval van een onjuist prospectus al dan niet een aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen, tot mogelijke verstoringen tussen de lidstaten kan leiden, waardoor op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de totstandbrenging van een eengemaakte effectenmarkt. Die doelstelling vereist dat de werkingssfeer van artikel 6 van richtlijn 2003/71 op uniforme wijze wordt uitgelegd wat de personen betreft die tegen de uitgevende instelling van de aanbieding in rechte kunnen opkomen.
40.
Evenzo moet een gekwalificeerde belegger, wanneer een aanbieding uitsluitend tot gekwalificeerde beleggers is gericht en er op vrijwillige basis een prospectus wordt uitgegeven dat onjuistheden bevat, op grond van artikel 6 van die richtlijn een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen tegen de uitgevende instelling.
41.
Uit al die overwegingen volgt dat artikel 6 van richtlijn 2003/71, gelezen in het licht van artikel 3, lid 2, onder a), aldus moet worden uitgelegd dat de aansprakelijkheidsvordering met betrekking tot het prospectus, wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op effecten zowel tot kleine beleggers als tot gekwalificeerde beleggers is gericht en er een prospectus wordt uitgegeven, door gekwalificeerde beleggers kan worden ingesteld, hoewel een dergelijk document niet hoeft te worden gepubliceerd wanneer de aanbieding uitsluitend tot deze beleggers is gericht.
B. Kan het bewijs van de kennis die de gekwalificeerde belegger heeft van de werkelijke situatie van de uitgevende instelling worden afgeleid uit het bestaan van hun onderlinge commerciële of juridische relaties (medeaandeelhouder zijn, deel uitmaken van de bestuursorganen, enz.)?
42.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof met name te vernemen over welke beoordelingsmarge de lidstaten overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 2003/71 beschikken.
43.
In artikel 6 zijn in feite twee beginselen neergelegd:
- —
ten eerste moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er ten minste één voor de informatie in het prospectus verantwoordelijke persoon is, die in het prospectus wordt geïdentificeerd en die verklaart dat ‘de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen’ (lid 1);
- —
ten tweede moeten de lidstaten ervoor zorgen dat hun bepalingen inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie (lid 2, eerste alinea).
44.
Aangezien artikel 6 van richtlijn 2003/71 geen nadere regels voor het instellen van de aansprakelijkheidsvordering bevat, staat het aan de lidstaten om deze nadere regels in overeenstemming met hun nationale wetgeving vast te stellen.
45.
Zoals in elk geval waarin aan de lidstaten een beoordelingsmarge wordt gelaten, moeten zij bij hun keuzes het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel eerbiedigen, teneinde de nuttige werking van de bepalingen van de betrokken richtlijn te behouden. Het Hof heeft onlangs herhaald dat die nadere regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke situaties krachtens nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel).9.
46.
In het arrest van 19 december 2013, Hirmann10., heeft het Hof die beginselen ook bevestigd met betrekking tot de handelingsvrijheid van de lidstaten krachtens artikel 6 van richtlijn 2003/71.
47.
Met eerbiediging van die beginselen kunnen de lidstaten voor die aansprakelijkheidsvordering dus kiezen voor een onrechtmatige daad-, een contractuele of een quasi-contractuele grondslag.
48.
Hoewel het Hof in het arrest van 19 december 2013, Hirmann11., heeft geoordeeld dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid van een uitgevende instelling wegens onregelmatigheden in het prospectus haar oorsprong vond in de overeenkomst over de koop van aandelen12., moet immers worden opgemerkt dat het ging om een zaak waarin de verplichtingen uit de vennootschapsovereenkomst werden aangevoerd als verweer tegen een aansprakelijkheidsvordering op grond van de overeenkomst over de koop van aandelen. Aldus heeft het Hof geoordeeld dat er sprake was van een aansprakelijkheid ‘die haar oorsprong vindt’ in die laatste overeenkomst, en niet in de vennootschapsovereenkomst, zonder dat dit mijns inziens betekent dat de lidstaten verplicht zijn een contractuele grondslag te kiezen voor de aansprakelijkheid wegens de onjuistheid van het prospectus.
49.
Ook wat de omvang van de aansprakelijkheid zelf betreft, vallen het al dan niet in aanmerking nemen van de schuld van het slachtoffer en de wijze waarop het oorzakelijk verband wordt opgevat13. onder de bevoegdheid van de lidstaten, mits het Unierechtelijke doeltreffendheids- en het gelijkwaardigheidsbeginsel worden geëerbiedigd.
50.
Hoewel het Hof in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 19 december 2013, Hirmann14., heeft erkend dat een lidstaat de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de uitgevende instelling kan beperken door het bedrag van de schadevergoeding te begrenzen op basis van de datum waarop de prijs van de aandelen met het oog op de schadevergoeding wordt vastgesteld, moet de lidstaat nog steeds het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen.
51.
Daarom kan naar analogie worden geoordeeld dat een lidstaat, mits hij het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel eerbiedigt, in zijn regelgeving kan bepalen dat rekening moet worden gehouden met de kennis die de gekwalificeerde belegger van de werkelijke situatie van de uitgevende instelling heeft.
52.
De lidstaten kunnen derhalve regelgeving vaststellen waarin wordt bepaald dat er, in geval van een door een gekwalificeerde belegger ingestelde aansprakelijkheidsvordering wegens de onjuistheid van het prospectus, rekening moet worden gehouden met de kennis die de gekwalificeerde belegger van de werkelijke situatie van de uitgevende instelling heeft buiten de onjuiste of onvolledige bepalingen van het prospectus om, mits die kennis ook in aanmerking kan worden genomen bij soortgelijke aansprakelijkheidsvorderingen en het feit dat met die kennis rekening moet worden gehouden in de praktijk niet tot gevolg heeft dat het instellen van die vordering onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.
53.
De controle of het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel zijn nageleefd, kan echter alleen plaatsvinden wanneer het in aanmerking nemen van de kennis waarover de belegger beschikt in een concreet geval op een bepaalde situatie wordt toegepast. Het staat dus aan de verwijzende rechter om, wanneer hij rechtsgevolgen wil verbinden aan de kennis betreffende de economische situatie van de uitgevende instelling waarover een gekwalificeerde belegger beschikt die een aansprakelijkheidsvordering wegens een onjuist prospectus tegen de uitgevende instelling heeft ingesteld, bovengenoemde beginselen na te leven bij de beoordeling van het bewijs van die kennis en bij het in aanmerking nemen ervan.
54.
Uit al die overwegingen volgt dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat in geval van een door een gekwalificeerde belegger ingestelde civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering wegens de onjuistheid van het prospectus, rekening wordt gehouden met zijn kennis van de werkelijke situatie van de uitgevende instelling buiten de onjuiste of onvolledige bepalingen van het prospectus om, mits die kennis ook in aanmerking kan worden genomen in soortgelijke aansprakelijkheidsvorderingen en het feit dat met die kennis rekening moet worden gehouden in de praktijk niet tot gevolg heeft dat het instellen van die vordering onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
V. Conclusie
55.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Tribunal Supremo te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 6 van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, gelezen in het licht van artikel 3, lid 2, onder a), moet aldus worden uitgelegd dat de aansprakelijkheidsvordering met betrekking tot het prospectus, wanneer een openbare aanbieding tot inschrijving op effecten zowel tot kleine beleggers als tot gekwalificeerde beleggers is gericht en er een prospectus wordt uitgegeven, door de gekwalificeerde beleggers kan worden ingesteld, hoewel een dergelijk document niet hoeft te worden gepubliceerd wanneer de aanbieding uitsluitend tot deze beleggers is gericht.
- 2)
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2003/71 moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat in geval van een door een gekwalificeerde belegger ingestelde civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering wegens de onjuistheid van het prospectus, rekening wordt gehouden met zijn kennis van de werkelijke situatie van de uitgevende instelling buiten de onjuiste of onvolledige bepalingen van het prospectus om, mits die kennis ook in aanmerking kan worden genomen in soortgelijke aansprakelijkheidsvorderingen en het feit dat met die kennis rekening moet worden gehouden in de praktijk niet tot gevolg heeft dat het instellen van die vordering onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2021
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2003, L 345, blz. 64.
PB 2000, L 126, blz. 1.
BOE nr. 181 van 29 juli 1988, blz. 23405.
Zie met name arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punten 25–27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie overweging 17 van richtlijn 2003/71.
Zie artikel 3, lid 2, onder b) tot en met e), van richtlijn 2003/71.
Zie arrest van 17 september 2014, Almer Beheer en Daedalus Holding (C-441/12, EU:C:2014:2226, punten 31–33 en dictum).
Arrest van 26 juni 2019, Craeynest e.a. (C-723/17, EU:C:2019:533, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
C-174/12, EU:C:2013:856, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
C-174/12, EU:C:2013:856.
Punt 29 van dat arrest.
In de rechtsleer zijn drie theorieën inzake het oorzakelijk verband ontwikkeld: de theorie van de causa proxima, de theorie van de gelijkwaardige causaliteit en de theorie van de adequate causaliteit.
C-174/12, EU:C:2013:856.