Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/11.3.2
11.3.2 Verlengingsmogelijkheid: de Verarbeitungsklausel
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90752:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Wieling 2007, p. 143; BGH 15 juni 1989, NJW 1989, 3213, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 479; MünchKomm/Füller 2017, §950 BGB, nr. 18; Staudinger/Wiegand 2017, §950 BGB, nr. 23. Anders: Baur/Baur & Stürner 2009, p. 700-701; Flume, NJW 1950, p. 843 die menen dat §950 BGB van regelend recht is.
BGH 28 juni 1954, BGHZ 14, 114; BGH 3 maart 1956, NJW 1956, 788; BGH 19 oktober 1966, NJW 1967, 34; BGH 26 oktober 1951, NJW 1952, 661; BGH 25 februari 1983, NJW 1983, 2022; BGH 27 september 1990, NJW 1991, 1480. Serick 1976, p. 156-157; Bülow 2012, nr. 1491; MünchKomm/Füller 2017, §950 BGB, nr. 18; Staudinger/Wiegand 2017, §950 BGB, nr. 23.
Serick 1976, p. 156-157, 225.
Serick 1976, p. 24. Zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.2.
Wieling 2007, p. 432; Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 484-487; Bülow 2012, rn. 1489; Palandt/Bassenge 2014, §950 BGB, nr. 9; MünchKomm/Füller 2017, §950 BGB nr. 20; Staudinger/Wiegand 2017, §950 BGB, nr. 27-30, 35. Voorstanders in de literatuur zijn: Flume, NJW 1950, p. 843 e.v.; Serick 1976, p. 156-157; Baur/Baur & Stürner 2009, p. 700-701.
BGH 28 juni 1954, BGHZ 14, 114; BGH 3 maart 1956, NJW 1956, 788; BGH 19 oktober 1966, NJW 1967, 34; BGH 26 oktober 1951, NJW 1952, 661; BGH 25 februari 1983, NJW 1983, 2022; BGH 27 september 1990, NJW 1991, 1480. Serick 1976, p. 156-157; Bülow 2012, nr. 1491; MünchKomm/Füller 2017, §950 BGB, nr. 18; Staudinger/Wiegand 2017, §950 BGB, nr. 23.
Zie ook hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.2.
Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.2.2 en hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.2.
BGH 19 oktober 1966, NJW 1967, 34; Bülow 2012, nr. 1642; Baur/Baur & Stürner 2009, p. 706-707; MünchKomm/Ganter 2013, §47 InsO, nr. 171-172; Staudinger/ Beckmann 2013, §449 BGB, nr. 147; MünchKomm/Westermann 2016, §449 BGB, nr. 86; MünchKomm/Füller 2017, §950 BGB, nr. 29-30; Staudinger/Wiegand 2017, §950 BGB, nr. 52; Staudinger/Wiegand 2017, Anhang zu §§929–931 BGB, nr. 283.
Partijafspraken kunnen volgens het BGH een bepalende rol spelen bij de eigendomstoewijzing bij zaaksvorming. Spreken de leverancier en de fabrikant af dat de nieuwe zaak wordt gevormd voor de leverancier en hij dus de Hersteller is in de zin van §950 BGB, dan wordt de leverancier doorgaans eigenaar van de nieuwe zaak.1 Dergelijke afspraken worden Verarbeitungsklauseln of Herstellerklauseln genoemd en zijn geldig volgens vaste rechtspraak van het BGH.2
Dit resultaat wordt als volgt bewerkstelligd. Op grond van de verkeersopvatting moet worden bepaald wie de Hersteller is in de zin van §950 BGB.3 Deze bepaling is van dwingend recht, zodat er niet van kan worden afgeweken bij partijafspraak. Partijafspraken kunnen echter wel deze maatstaf voor de eigendomstoewijzing bij zaaksvorming, de verkeersopvatting, inkleuren.4 Het BGH doet dit als volgt:
“Werden Rohstoffe unter Eigentumsvorbehalt geliefert und ist dabe ivereinbart, daß die Verarbeitung für die Lieferfirma zu erfolgen hat, dann ist vom Standpunkt eines objektiven Beurteilers in der Regel diese Firma Hersteller im Sinne des §950 BGB.”5
De verkeersopvatting wordt ingevuld door het perspectief van een ‘objectieve derde’ die bekend is met de Verarbeitungsklausel en weet dat het gebruikelijk is om deze partijafspraak te maken in de branche.6
Het bedingen van een (in de branche gebruikelijke) Verarbeitungsklausel door de leverancier heeft dus in de regel tot gevolg dat de leverancier als Hersteller wordt aangemerkt en eigenaar wordt van de nieuw gevormde zaak. De partijafspraak heeft doorslaggevende betekenis bij de invulling van de verkeersopvatting. Dit leidt uitzondering indien de fabrikant op een duidelijk herkenbare wijze van de afspraak afwijkt. De fabrikant is dan Hersteller.7
De geldigheid van de Verarbeitungsklausel onderbouwt het BGH niet expliciet met rechtspolitieke argumenten. Het resultaat van deze rechtspraak is echter wel dat de voorrangspositie van de leverancier bij zaaksvorming wordt gecontinueerd tot de nieuwe zaak. Kennelijk rechtvaardigt de bijdrage van de leverancier aan (de waarde van) de nieuwe zaak – door middel van de levering van zaken op krediet aan de koper – zijn voorrangspositie.8 Ook bestaat er een nauwe band tussen de gesecureerde vordering en de nieuwe zaak als (gedeeltelijke) surrogaat van de geleverde zaak. Omdat de nieuwe zaak het surrogaat vormt van de geleverde zaak als oorspronkelijk onderpand, kunnen de argumenten die de voorrangspositie voor het enkelvoudige eigendomsvoorbehoud gelden, eveneens ten grondslag worden gelegd aan de voorrangspositie ten aanzien van het surrogaat.9
In de Duitse literatuur zijn de meningen echter verdeeld over de geldigheid van de Verarbeitungsklausel. Met name in de recentere literatuur zijn auteurs overwegend negatief over de geldigheid van deze clausule en de rechtspraak van het BGH.10
Ten eerste menen zij dat aan de hand van objectieve criteria moet worden bepaald wie Hersteller is en geen acht moet worden geslagen op subjectieve partijafspraken. Er dient objectief gekeken te worden wie het productie- en afzetrisico en het risico van de waarde scheppende arbeid draagt. Aan deze persoon moet de eigendom van de nieuwe zaak worden toegewezen volgens de auteurs. Dit zal veelal de voorbehoudskoper zijn, aangenomen dat hij voor eigen rekening en risico fabriceert, terwijl de leverancier alleen geïnteresseerd is in het ontvangen van de koopprijs.11 Dit is een met het Nederlandse recht vergelijkbaar beoordelingskader in het kader van de eigendomstoewijzing bij zaaksvorming. Ook worden de resultaten in deze rechtsstelsels vergelijkbaar.
Ten tweede wordt aangevoerd dat het dwingendrechtelijke karakter van §950 BGB lastig te verenigen is met partijafspraken die de eigendomstoewijzing bepalen.12
Een derde kritiekpunt wordt gebaseerd op de ratio van de zaaksvormingsregeling. Deze regeling dient ten eerste ter beslechting van het conflict omtrent de eigendomstoewijzing tussen de eigenaar van de oorspronkelijke zaken en de zaaksvormer. Ten tweede moet de regeling rechtszekerheid en rechtshelderheid verschaffen aan de betrokken partijen en derden. Dit lijkt niet eenvoudig te verenigen met partijafspraken die de eigendomstoewijzing beïnvloeden of zelfs bepalen, terwijl zij niet steeds kenbaar zijn voor derden.13
Uit deze kritiek mag echter niet afgeleid worden dat de auteurs ook kritiek hebben op het resultaat dat wordt bereikt met de Verarbeitungsklausel. De voorrangspositie van de leverancier die wordt gecreëerd, wordt namelijk wel gerechtvaardigd geacht. Zo meent Füller:
“Die Rspr. ist von dem rechtspolitischen Bemühen getragen, den Warenkreditgeber gegenüber dem Geldkreditgeber zu bevorzugen. Dieses Anliegen soll hier nicht bezweifelt werden, doch es ist zweifelhaft, ob § 950 der richtige Ort ist, um dieses Ziel zu erreichen. ”14
Een deel van de auteurs legt een Verarbeitungsklausel daarom uit als een zekerheidsoverdracht van de nieuwe zaak aan de leverancier met een levering cp.15 Het door het BGH met de Verarbeitungsklausel bereikte resultaat wordt echter niet steeds bereikt op deze wijze. Aan deze zekerheidsoverdracht kleeft voor de leverancier namelijk het risico dat een eerder overeengekomen zekerheidsoverdracht ten gunste van een andere schuldeiser tot gevolg heeft dat de leverancier de zekerheidseigendom niet verwerft. Dit is vergelijkbaar met het Nederlandse recht waar de leverancier zijn voorrangspositie kan ‘verlengen’ tot de nieuwe zaak door middel van een pandrecht. Dit is doorgaans een tweede pandrecht in rang na een eerste pandrecht van de bank.
Ondanks deze kritiek uit de literatuur is de Verarbeitungsklausel geldig volgens de rechtspraak van het BGH.16 Komen partijen overeen dat de koper voor de leverancier vormt en is dit een (in de branche) gebruikelijke afspraak, dan kleurt deze afspraak de verkeersopvatting in belangrijke mate in en heeft deze vaak tot gevolg dat de eigendom wordt toegewezen aan de leverancier. Dit is zekerheidseigendom, want deze strekt tot zekerheid van voldoening van de vordering van de leverancier op de koper.17
Vanwege dit zekerheidskarakter wordt de eigendom van de leverancier op drie wijzen beperkt.
Ten eerste heeft de leverancier tijdens het faillissement van de koper een Absonderungsrecht en geen Aussonderungsrecht. De zaak valt in de boedel en de leverancier kan hem daaruit niet opeisen, anders dan bij het Aussonderungsrecht.18 De curator executeert doorgaans de zaak waarna de leverancier op grond van het Absonderungsrecht voorrang heeft bij verdeling van de executieopbrengst van de zaak uit de boedel na aftrek van een boedelbijdrage van 9%.19
Ten tweede wordt de zekerheidseigendom van de leverancier beperkt door het leerstuk van Übersicherung.20 De waarde van de nieuwe zaken mag niet in een disproportionele verhouding staan tot de hoogte van de gesecureerde vordering. Is sprake van een wanverhouding, dan is de zekerheidseigendom nietig als de Übersicherung voorzienbaar was op het moment dat de Verarbeitungsklausel werd overeengekomen. Vanwege dit risico komen leverancier en koper doorgaans overeen dat de leverancier een aandeel in de nieuwe zaak verkrijgt naar rato van de waarde van de door hem geleverde zaken.21 De koper is de andere mede-eigenaar. Het is ook mogelijk dat de Übersicherungop een later moment ontstaat en niet voorzienbaar was. Op de leverancier rust dan van rechtswege de verplichting om een gedeelte van het onderpand over te dragen aan de koper.
Ten derde kunnen zaken van meerdere leveranciers gebruikt zijn voor de vorming van de nieuwe zaak, die ieder een Verarbeitungsklausel hebben bedongen. In dat geval verkrijgt iedere leverancier een aandeel in de mede-eigendom, mits de Verarbeitungsklauseln ruimte laten voor deze uitleg. Er wordt aangesloten bij §947 lid 1 BGB. De aandelen van de mede-eigenaren worden bepaald op grond van de waardeverhoudingen van de geleverde zaken.22