Niet authentieke Nederlandse vertaling. De authentieke Franse.tekst luidt: 'Du moment où une mine sera concédée, même au propriétaire.de la surface, cette propriété sera.distinguée de celle de la surface, et désormais considérée comme propriété 'nouvelle, ( ...... )'.
HR, 17-11-1982, nr. 21248
ECLI:NL:HR:1982:AC7770
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-11-1982
- Zaaknummer
21248
- LJN
AC7770
- Vakgebied(en)
Belastingen van rechtsverkeer (V)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1982:AC7770, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑11‑1982; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1982:AC7770
ECLI:NL:PHR:1982:AC7770, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑07‑1982
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1982:AC7770
- Vindplaatsen
NJ 1984, 126 met annotatie van W.M. Kleijn
BNB 1983/41 met annotatie van G. Laeijendecker
FED 1983/1407 met annotatie van D. Brull
V-N 1983/84, 40 met annotatie van Redactie
NJ 1984, 126 met annotatie van W.M. Kleijn
BNB 1983/41 met annotatie van Laeijendecker
Uitspraak 17‑11‑1982
Inhoudsindicatie
-
17 november 1982
nr. 21.248
DG.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het beroepschrift in cassatie van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Termunten tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 december 1981 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. te [Z] voor het jaar 1976 opgelegde aanslagen in de onroerendgoedbelastingen van de gemeente Termunten;
Gehoord namens Burgemeester en Wethouders mr. F.H.A.M. Thunnissen, advocaat bij de Hoge Raad, en namens belanghebbende prof.mr. L.J.M. Nouwen, advocaat te Geysteren;
Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Mok van 8 juli 1982, strekkende tot verwerping van het beroep;
Gezien de stukken;
Overwegende dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1976 wegens feitelijk gebruik van de binnen de gemeente Termunten gelegen onroerende goederen, kadastraal bekend sectie A nummer 171 en sectie G nummer 1351, op één aanslag biljet voorkomende aanslagen in de onroerendgoedbelastingen van die gemeente zijn opgelegd, na vergeefs bezwaar bij Burgemeester en Wethouders van Termunten van hun uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof;
Overwegende dat in de gemeente Termunten geldt een "verordening onroerendgoedbelastingen", waarvan de voor dit geding van belang zijnde bepalingen voor het jaar 1976 luiden als volgt :
"Artikel 1.
Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerend goed - met uitzondering van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig. geëxploiteerde cultuurgrond - worden onder de naam "onroerendgoedbelastingen" jaarlijks geheven:
a. een directe belasting van degene, die - naar de omstandigheden beoordeeld - bij het begin van het belastingjaar een onroerend goed al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht feitelijk gebruikt;
b. een directe belasting van degene, die bij het begin van het belastingjaar van een onroerend goed het genot heeft krachtens zakelijk recht.
Artikel 2.
De grondslag waarnaar de in artikel 1 bedoelde belastingen worden geheven, is de waarde, welke aan het onroerend goed in het economisch verkeer kan worden toegekend.
Artikel 3.
Deze verordening verstaat onder:
1. een onroerend goed dan wel het onroerend goed :
a. een gebouwd eigendom met zijn gebouwde aanhorigheden
- daaronder begrepen de ondergrond van dit eigendom en die aanhorigheden - met zijn ongebouwde aanhorigheden;
b. een ongebouwd eigendom, niet zijnde de ondergrond of een aanhorigheid van een gebouwd eigendom;
c. indien gedeelten van de in letter a of b bedoelde eigendommen - andere dan de gedeelten van een onroerend goed als bedoeld in artikel 2, tweede lid, letter b, van het Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen - blijkens hun indeling zijn bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; elk als zodanig bestemd gedeelte;
2. enzovoort .
Artikel 4.
1. Voor de vaststelling van de heffingsgrondslag wordt de waarde in het economisch verkeer bepaald op die, welke aan het onroerend goed dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger het goed in de staat waarin het zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in feitelijk gebruik zou kunnen nemen.
2. Indien van een onroerend goed, als bedoeld in artikel 3, onder 1, letter c, niet een zelfstandige waarde in het economisch verkeer kan worden vastgesteld, wordt die waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde in het economisch verkeer van het eigendom waarvan het deel uitmaakt.
3. Bij de toepassing van het eerste lid blijft buiten aanmerking de waarde van tot het onroerend goed behorende, daaraan al dan niet aard- of nagelvast verbonden werktuigen, welke verwijderd kunnen worden met behoud van hun waarde als zodanig en niet op zich zelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.
4. Bij toepassing van het eerste lid blijft buiten aanmerking de invloed welke de bouw of verbouwing van een gebouwd eigendom heeft op de waarde in het economisch verkeer van het onroerend goed, zolang die bouw of die verbouwing nog niet is voltooid of geen voltooiingsverklaring is afgegeven, dan wel zolang dat gebouwde eigendom nog niet gereed is gekomen voor feitelijk gebruik overeenkomstig de bestemming, die met de bouw of verbouwing wordt beoogd.
5. Indien met betrekking tot een onroerend goed de bouw of de verbouwing van een gebouwd eigendom nog niet is voltooid, doch wel zover is gevorderd dat een gedeelte daarvan in feitelijk gebruik kan worden genomen overeenkomstig de bestemming, die met die bouw of die verbouwing voor het gehele gebouwde eigendom wordt beoogd, wordt bij het vaststellen van de heffingsgrondslag de invloed, welke die bouw of die verbouwing heeft op de waarde in het economisch verkeer voor dat onroerend goed, in aanmerking genomen, voor zover deze kan worden toegeschreven aan het voor feitelijk gebruik gereed gekomen gedeelte. Voor zoveel nodig is voor de waardering van evenbedoeld gedeelte het tweede lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de in dat lid bedoelde waarde in het economische verkeer van het eigendom in de plaats treedt de onderstelde waarde in het economisch verkeer welke aan het gebouwde eigendom zou moeten worden toegekend, indien de bouw of de verbouwing reeds geheel was voltooid.
6. Indien met betrekking tot een onroerend goed een gebouwd eigendom geheel wordt verbouwd, gepaard gaande met gedeeltelijke afbraak en met herbouw, een en ander van een zodanige omvang dat naar maatschappelijke opvatting met die verbouwing de stichting van een geheel nieuw gebouwd eigendom wordt beoogd, wordt voor de duur van de verbouwing en onverminderd het bepaalde in het vijfde lid bij het vaststellen van de heffingsgrondslag de ondergrond van het gebouwde eigendom aangemerkt als een ongebouwd eigendom.
7. Enzovoort.";
Overwegende dat het Hof de vaststaande feiten heeft weergegeven als volgt:
"dat belanghebbende, blijkens haar, tot de stukken behorende, statuten, tot doel heeft de opsporing, de ontginning, de winning, het transport, alsmede de koop en verkoop van aardolie, aardgas, benzine uit aardgas gemaakt inbegrepen, en alle andere delfstoffen in het Koninkrijk der Nederlanden of elders;
dat aan belanghebbende naar aanleiding van de ontdekking in 1959 van het Groningen-gasveld bij Koninklijk Besluit van 30 mei 1963, nummer 39, de aardgas- en aardolieconcessie "Groningen" werd verleend;
dat belanghebbende in dit verband de, geheel binnen de gemeente gelegen, lokatie "Borgsweer", kadastraal bekend gemeente Termunten, sectie A, nummer 171, groot 1.04.00 hectare, feitelijk gebruikt;
dat op dit perceel grond in het verleden drie ondergrondse (boor) putten geboord zijn, voorzien van bekledingsbuizen en cementering (casing), waarvan inmiddels één buiten gebruik is gesteld, terwijl de beide andere worden gebruikt om het bij gasdroging vrijkomend water in de aarde terug te voeren (injectieputten);
dat iedere put bovengronds is voorzien van een boorkelder, terwijl op de putmonden afsluiters zijn aangebracht;
dat zich op het perceel grond, zoals weergegeven op de, tot de stukken behorende, foto's, een pompgebouw, een dienstgebouw en een opslagtank bevinden en om de monden van de in gebruik zijnde putten losse kooien, terwijl het terrein is voorzien van verharding, beplanting, hekwerk, lichtmasten en dergelijke;
dat belanghebbende voorts de lokatie (puttengroep) "Schaapbulten" feitelijk gebruikt, waarvan in de gemeente is gelegen het gedeelte, kadastraal bekend gemeente Termunten, sectie G, nummers 1350, 1351, 1352 en 1349, groot 1.35.50 hectare;
dat, blijkens twee, tot de stukken behorende, plattegronden en een kleurenfoto, waarop telkens ook de grens van de gemeente is aangegeven, de puttengroep "Schaapbulten" bestaat uit een perceel grond met 12 ondergrondse putten en daarbij behorende bovengrondse installaties - zoals gespecificeerd weergegeven op de grootste der voormelde plattegronden - terwijl voorts uit die stukken blijkt, dat geen van die putten binnen de gemeente is gelegen en slechts een klein gedeelte van die installaties, te weten één brandvlam, mud- en glycolcontainers, zomede een aantal terreinvoorzieningen (machinefundaties, wegen, brandwallen, waterbakken, beplantingen en hekwerk);
dat belanghebbende de betreffende percelen grond heeft gehuurd van de eigenaren;
dat de gemeente voor de vaststelling van de heffingsgrondslag de waarde in het economisch verkeer van de lokatie Borgsweer en van (het binnen haar grenzen gelegen gedeelte van) de lokatie Schaapbulten per 1 januari 1975 heeft bepaald op respectievelijk f 1.239.000, -- en f 663.000, --;
dat de gemeente tot die waardebepaling is gekomen met gebruikmaking van de retrospectieve waarderingsmethode, waarbij genoemde waarde is afgeleid uit de voor inflatie gecorrigeerde stichtingskosten van de onroerende goederen onder aftrek van een percentage wegens veroudering; .
dat niet (meer) in geschil is, dat de boven- en ondergrondse werken van de lokatie Borgsweer en de bovengrondse werken van de lokatie Schaapbulten telkens een gebouwd eigendom vormen in de zin van artikel 3, lid 1, onder a, van de Verordening ; ";
Overwegende dat het Hof met betrekking tot de standpunten van partijen, voor zover thans nog van belang, heeft vermeld dat namens belanghebbende ter 's Hofs zitting - zakelijk weer - gegeven - is gesteld:
"dat zij, gezien het standpunt van de Hoge Raad in zijn arrest van 10 december 1980, BNB 1981/45, met betrekking tot het begrip gebouwd eigendom in de onroerendoedbelastingen haar primair verweer laat varen;
dat in casu per 1 januari 1976 de exploitatieconcessie reeds was verleend ;
dat daardoor, ingevolge artikel 7 van de Mijnwet 1810, een nieuw onroerend goed is ontstaan, te weten de mijn, waarvan de eigendom niet toekomt aan de bodemeigenaar, maar toevalt aan de concessionaris;
dat artikel 8 van de Mijnwet 1810 bepaalt wat - behalve de delfstoffen - tot de mijn behoort : de gebouwen, machines, schachten, gangen en andere blijvend opgestelde werken, alsmede paarden, toestellen, gereedschappen en gebruiksvoorwerpen, welke dienst doen bij de ontginning van de mijn;
dat deze omschrijving zo ruim is, dat alle in casu door haar gestichte boven- en ondergrondse werken daaronder vallen; dat derhalve een aanslag in de onroerendgoedbelasting, die betrekking heeft op de grond, zich niet uitstrekt tot de genoemde werken, aangezien deze met de mijn een afzonderlijk object vormen, en geen eenheid zijn met de grond;
dat de mijn zelf zich uitstrekt onder vele gemeenten;
dat iedere gemeente slechts belasting mag heffen ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerend goed;
dat, indien een gemeente het gedeelte van een mijn, dat binnen haar grenzen is gelegen, zou belasten, het om een waardeloos segment zou gaan; ";
Overwegende dat het Hof, voor zover in cassatie van belang, omtrent het geschil heeft overwogen:
"dat belanghebbende, gelet op de artikelen 2, 5, 7, 8 en 19 van de Mijnwet 1810, 3 en 9, lid 1, van de Mijnwet 1903 en l van het Besluit van 30 januari 1953, Staatsblad 37, ten gevolge van de verlening aan haar van de aardgas- en aardolieconcessie "Groningen" bij Koninklijk Besluit van 30 mei 1963, nummer 39, de eigendom heeft verkregen van de betreffende mijn, zijnde een onroerend goed, waarvan per 1 januari 1976 de onderhavige boven- en ondergrondse. werken deel uitmaakten, welke eigendom onderscheiden . moet worden van de eigendom van de voormelde percelen grond ;
dat dit inhoudt, dat belanghebbende het feitelijk gebruik van de voormelde, aan derden in eigendom toebehorende percelen grond, waarop en waarin voormelde werken zijn gesticht, heeft krachtens een persoonlijk recht, te weten het huurrecht, en het feitelijk gebruik van de werken zelf krachtens een zakelijk recht, te weten haar eigendomsrecht;
dat tussen partijen vaststaat, dat bedoelde werken gebouwde eigendommen zijn in de zin van artikel 3, aanhef en 1, letter a, van de Verordening ;
dat partijen door dit standpunt in te nemen, gelet op hetgeen onder de vaststaande feiten omtrent de beide lokaties is vermeld, mede gezien de voormelde foto's en plattegronden, en tevens in aanmerking genomen, dat uit artikel 8, lid 1, van het Besluit gemeentelijke onroerendgoedbelastingen kan worden afgeleid, dat het begrip gebouwde eigendom ruim moet worden uitgelegd, niet hebben blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting;
dat een redelijke wetsinterpretatie met zich brengt, dat voor de heffing van onroerengoedbelastingen er van wordt uitgegaan, dat de vorenbedoelde eigendomssplitsing doorwerkt in die zin, dat de onderhavige percelen grond en de daarop en daarin gestichte werken als afzonderlijke en zelfstandige onroerende goederen worden aangemerkt, respectievelijk in de zin van artikel 3, aanhef en 1, letter b, en van artikel 3, aanhef en 1, letter a, van de Verordening ;
dat deze wetsinterpretatie in overeenstemming is met het systeem van de Verordening, waarin vergelijkbare veronderstelde feitelijke splitsingen als vorenbedoeld, zij het in een iets ander verband, zijn opgenomen in de leden 4, 5 en 6 van artikel 4;
dat het vorenoverwogene inhoudt, dat de aanslagen nummers 7048 en 7049 betreffende de lokaties Borgsweer en Schaapbulten telkens zijn opgelegd wegens feitelijk gebruik van twee zelfstandige onroerende goederen, te weten het perceel grond en de daarop en daarin gestichte werken;
dat de gemeente, dusdoende, heeft gehandeld in strijd met de artikelen 1 en 3 van de Verordening, welke bepalingen - voor zover hier van belang - inhouden, dat aan een belastingplichtige wegens het feitelijk gebruik van twee (zelfstandige) onroerende goederen ook twee afzonderlijke aanslagen moeten worden op- gelegd;
dat daarom beide voormelde aanslagen wegens strijd met de wettelijke regelen moeten worden vernietigd;
dat derhalve het beroep gegrond is;";
Overwegende dat het Hof op deze gronden de uitspraak van Burgemeester en Wethouders en de aanslagen heeft vernietigd;
Overwegende dat Burgemeester en Wethouders 's Hofs uitspraak bestrijden met de navolgende middelen van cassatie:
"I. . Schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 1, 2, 5, 7, 8 en 19 van de Mijnwet 1810 en van de artikelen 556, 643 en 656 van het Derde Boek van het Burgerlijk Wetboek en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in de bestreden uitspraak is weergegeven, ten onrechte om de navolgende, zonodig in onderling verband en samenhang te lezen redenen.
a ) Anders dan het Hof in de rechtsoverwegingen 2 en 3 beslist, is de eigendom van de onderhavige boven- en ondergrondse werken niet onderscheiden van de eigendom van de in die rechtsoverwegingen bedoelde percelen grond, doch volgt de eigendom van die werken (als gevolg van natrekking) de eigendom van de grond, waarop en waarin die werken zijn gesticht.
b) Als gevolg van de in rechtsoverweging 2 bedoelde concessie moet slechts de eigendom van de mijn, zijnde het aardgas-voorkomen (les masses de substances, bedoeld in artikel 1 van de Mijnwet 1810), onderscheiden worden van de eigendom van de grond, niet de boven- en ondergrondse werken als door het Hof bedoeld.
c) Onjuist is, dat de door het Hof bedoelde boven- en ondergrondse werken deel uitmaken van de mijn (zijnde het aardgas-voorkomen), in die zin, dat zij (zonder meer) eigendom zijn van belanghebbende, die als gevolg van de door het Hof genoemde concessie eigenares is van de mijn.
d) Niet begrijpelijk is, wat het Hof bedoelt met de beslissing, dat de onderhavige boven- en ondergrondse werken per 1 januari 1976 deel uitmaakten van de mijn; en/of is niet begrijpelijk, althans niet zonder nadere motivering dat en/of waarom elk van de door het Hof bedoelde en in zijn uitspraak onder de vaststaande feiten omschreven werken deel zou uitmaken van de mijn en/of eigendom van de eigenaar (concessionaris) van de mijn zou zijn.
II. Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 273 van de gemeentewet en artikel 3 van de verordening onroerendgoedbelastingen van de gemeente Termunten (hierna: de Verordening ) en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in de bestreden uitspraak is weergegeven, ten onrechte om de navolgende, zonodig in onderling verband en samenhang te lezen redenen.
Het Hof overweegt in rechtsoverweging 6, dat de onderhavige percelen grond en de daarop en daarin gestichte werken als afzonderlijke en zelfstandige onroerende goederen moeten worden aangemerkt, respectievelijk in de zin van artikel 3, aanhef en onder 1, letter b, en van artikel 3, aanhef en onder 1, letter a, van de Verordening. Het Hof komt vervolgens tot de slotsom, dat ter zake van het feitelijk gebruik van de locaties Borgsweer en Schaapbulten telkens twee aanslagen hadden moeten worden opgelegd.
a. a) Ook al zou juist zijn, dat de eigendom van de grond enerzijds en de daarop en daarin gestichte werken anderzijds is gesplitst, zoals door het Hof aangenomen, dan brengt dat niet mede, dat de betreffende percelen grond en de daarop en daarin gestichte werken als afzonderlijke en zelfstandige onroerende goederen in de zin van artikel 3 van de Verordening moeten worden aangemerkt.
De vraag, wat volgens artikel 3 onder ""een onroerend goed dan wel het onroerend goed"" wordt verstaan, dient beantwoord te worden aan de hand van feitelijke omstandigheden en met name of en in hoeverre het betreffende onroerend goed als één of meer zelfstandige eenheden kan worden gebruikt. Gezien hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de locatie Borgsweer en omtrent de locatie Schaapbulten, vormt ieder van die locaties slechts één onroerend goed in de zin van artikel 3 van de Verordening;
en/of heeft het Hof door op grond van de enkele eigendomssplitsing, zoals die naar het oordeel van het Hof bestaat, te beslissen, dat de grond en de daarop en de daarin gestichte werken als afzonderlijke en zelfstandige onroerende goederen in de zin van artikel 3 moeten worden aangemerkt, bij de toepassing van artikel 3 van de Verordening een verkeerde maatstaf aangelegd.
b) Het Hof beslist in de rechtsoverwegingen 4 en 5, dat de bedoelde werken gebouwde eigendommen zijn in de zin van artikel 3, aanhef en onder 1, letter a, van de Verordening.
Met die beslissing is in strijd de beslissing van het Hof in rechtsoverweging 6, dat de onderhavige percelen grond en de daarop en daarin gestichte werken als afzonderlijke en zelfstandige onroerende goederen in de zin van artikel 3 moeten worden aangemerkt .
Volgens het in artikel 3, aanhef en onder 1, letter a, bepaalde is onder het daar genoemde gebouwde eigendom uitdrukkelijk de ondergrond van dit eigendom begrepen. Die ondergrond kan dus geen zelfstandig onroerend goed in de zin van artikel 3 van de Verordening zijn.
Met de beslissing, dat bedoelde werken gebouwde eigendom zijn, is eveneens onverenigbaar de beslissing, dat de percelen grond, waarop en waarin de werken zijn gesticht, zelfstandige onroerende goederen zijn in de zin van artikel 3, aanhef en onder 1, letter b, nu daarin immers uitdrukkelijk is bepaald, dat letter b niet ziet op de ondergrond (of een aanhorigheid ) van een gebouwd eigendom.
Vorenbedoelde beslissingen van het Hof zijn innerlijk tegenstrijdig en/of onbegrijpelijk.";
Overwegende ten aanzien van middel I:
dat aan de onderdelen a tot en met c van dit middel de opvatting ten grondslag ligt dat degene aan wie voor een mijn een concessie als bedoeld in de artikelen 5 en volgende van de Loi concernant les Mines, les Minières et les Carrières du 21 Avril 1810 (Bulletin des Lois, numéro 285), hierna te noemen de Mijnwet 1810, is verleend, daardoor op grond van artikel 19 van die wet slechts eigenaar is geworden van de aanwezige delfstoffen waarop de concessie betrekking heeft en dat de boven- en ondergrondse mijnwerken als gevolg van natrekking zijn blijven toebehoren aan de eigenaar van de grond waarop of waarin die werken zijn aangelegd;
dat echter voor een zodanige beperking van het door voormeld artikel 19 aan de concessionaris toegekende eigendomsrecht geen grond bestaat;
dat, gelet op het bepaalde in artikel 2 en in het eerste lid van artikel 8 van de Mijnwet 1810, veeleer moet worden aangenomen dat artikel 19 aan de concessionaris een - voor bezwaring met hypotheek vatbaar - eigendomsrecht heeft willen toekennen niet alleen op de delfstoffen maar ook op de boven- en ondergrondse mijnwerken;
dat blijkens de bewoordingen van artikel 3, derde lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73) de makers van die wet het voorwerp van het eigendomsrecht van de concessionaris eveneens ruim hebben opgevat;
dat de onderdelen a tot en met c mitsdien ongegrond zijn; dat het Hof, in het licht van hetgeen namens Burgemeester en Wethouders voor het Hof is aangevoerd, niet gehouden was nader te motiveren waarom elk van de onderhavige boven- en ondergrondse werken - waarmede door het Hof kennelijk zijn bedoeld de in zijn uitspraak onder de vaststaande feiten nader omschreven werken - deel uitmaakte van de mijn en derhalve eigendom van belanghebbende was;
dat onderdeel d van het middel derhalve evenmin doel treft;
Overwegende ten aanzien van middel II:
dat artikel 3 van de Verordening bij de regeling van wat als een onroerend goed moet worden beschouwd, in overeenstemming met artikel 273, eerste lid, van de gemeentewet, geen onderscheid maakt tussen de heffing wegens feitelijk gebruik en die wegens genot krachtens zakelijk recht;
dat derhalve wat voor de heffing wegens genot krachtens zakelijk recht als twee onderscheiden onroerende goederen moet worden beschouwd, niet voor de heffing wegens feitelijk gebruik als één onroerend goed kan worden aangemerkt ;
dat evengenoemd artikel 3, voor zover inhoudende dat voor de bepaling van wat onder een onroerend goed of het onroerend goed moet worden verstaan de ondergrond van een gebouwd eigendom en van zijn gebouwde aanhorigheden tezamen met dat gebouwde eigendom en die aanhorigheden één onroerend goed vormt, slechts ziet op het normale geval waarin een zelfde belastingplichtige zowel van een gebouwd eigendom en zijn gebouwde aanhorigheden als van de ondergrond het genot krachtens zakelijk recht heeft, doch dat voorschrift niet belet de ondergrond als een zelfstandig onroerend goed aan te merken in gevallen waarin degene die van het gebouwde eigendom en zijn gebouwde aanhorigheden het genot krachtens zakelijk recht heeft niet dezelfde is als degene aan wie van de ondergrond het genot krachtens zakelijk recht toekomt;
dat het bij de mondelinge toelichting op het middel ter sprake gebrachte artikel 3, onder 1, letter c, - welke bepaling kennelijk is ontleend aan en overeenstemt met artikel 3, onder 1, letter c, van de Modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten - blijkens de toelichting op die modelverordening slechts de strekking heeft om, naar de in deze bepaling gegeven maatstaf, voor de heffing van de onroerendgoedbelastingen te splitsen hetgeen zonder die bepaling als één onroerend goed zou moeten gelden, maar niet om voor dit doel samen te voegen wat zonder die bepaling als twee of meer afzonderlijke onroerende goederen dient te worden aangemerkt; dat het middel derhalve in beide onderdelen faalt;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heren Van Dijk, Vice-President, Van Vucht, Van der Vorm, Bloembergen en Baardman, Raden, en door de Vice- President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van de zeventiende november 1900 twee en tachtig, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Mees.
Conclusie 08‑07‑1982
Inhoudsindicatie
-
V.R.
Nr . 21.248.
Derde Kamer B.
Mr. Mok.
Conclusie inzake:
GEMEENTEBESTUUR VAN TERMUNTEN
tegen
[X] B.V.
Edelhoogachtbare heren,
1. Korte beschrijving van de zaak.
Opnieuw wordt de Hoge Raad een probleem voorgelegd, samenhangend met de verhouding tussen de heffing van gemeentelijke onroerendgoedbelastingen en de winning van aardgas.
De gemeente Termunten heeft de [X] (hierna te noemen: [X] ) over het jaar 1976 twee (op één aanslagbiljet verenigde ) aanslagen opgelegd wegens feitelijk gebruik van twee onroerende goederen in die gemeente In het huidige stadium van het geschil speelt belasting wegens genot krachtens zakelijk recht geen rol meer. De betrokken percelen. zijn door de [X] van de grondeigenaren gehuurd. Op het ene perceel ligt de locatie "Borgsweer", geheel gelegen binnen de gemeente Termunten. Op dit perceel zijn in het verleden drie putten geboord. Een daarvan is buiten gebruik gesteld, de beide andere worden gebruikt om het bij gasdroging vrijkomende water in de aarde terug te voeren. Op het tweede perceel ligt de locatie "Schaapbulten". Deze ligt slechts gedeeltelijk binnen de gemeente Termunten. De ondergrondse putten die zich in die locatie bevinden, zijn alle buiten de gemeente Termunten gelegen. Op het gedeelte van de locatie dat. tot Termunten behoort bevinden zich een brandvlam, containers, en een aantal terreinvoorzieningen.
Buiten geschil is dat de boven- en ondergrondse werken van Borgsweer en de bovengrondse werken van Schaapbulten gebouwd eigendom vormen in de zin van de Verordening op de heffing van onroerendgoedbelastingen van de gemeente Termunten (verder te noemen: de Verordening). Beide locaties maken deel uit van de aardgas- en aardolieconcessie "Groningen", waarvoor bij K.B. van 30 mei 1963; nummer 39, aan de [X] concessie is verleend.
Het aan het gerechtshof te Leeuwarden voorgelegde geschil betrof de waardering van de goederen. De [X] stelde zich op het standpunt dat slechts de agrarische waarde in aanmerking mocht worden genomen. De gemeente was tot een aanzienlijk hogere waarde gekomen, rekening houdend met de werken voor de aardgaswinning, die zij had getaxeerd volgens de zgn. retrospectieve waarderingsmethode. Blijkens de bestreden uitspraak van het hof was de gemeente zich daarbij bewust van het feit dat die waarderingsmethode door de Hoge Raad was afgewezen. B. en w. van Termunten hebben daarover opgemerkt: "dat de recente jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot incourante objecten als de onderhavige afwijkt van de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever; dat derhalve aan die oorspronkelijke bedoeling in het onderhavige geschil recht moet worden gedaan".
2. De bestreden uitspraak.
Het. hof heeft overwogen dat, op grond van de mijnwetgeving, de [X] door de concessieverlening de eigendom heeft verkregen van de als "mijn" aangeduide boven- en ondergrondse werken. Deze eigendom moet onderscheiden worden van die van de percelen grond. Het feitelijk gebruik door belanghebbende van de mijn berust op haar eigendomsrecht, het feitelijk gebruik van de grond op huur.
De eigendomssplitsing werkt door in die zin dat de percelen grond en de daarop en daarin gestichte werken als afzonderlijke en zelfstandige onroerende goederen moeten worden aangemerkt. Elk van beide locaties bestaat dus uit twee zelfstandige onroerende goederen, zodat wegens feitelijk gebruik in totaal vier aanslagen hadden behoren te worden opgelegd.
Op grond van die overweging heeft het hof het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de uitspraak van b. en. w. van Termunten en de aanslagen vernietigd.
3. Het cassatie beroep.
Tegen de uitspraak van het hof hebben b. en w. van Termunten beroep in cassatie aangetekend. Op 21 april 1982 hebben beide partijen hun standpunt doen bepleiten.
Het geschil dat thans aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen beperkt zich tot de vraag of, per locatie, wegens feitelijk gebruik één dan wel twee aanslagen hadden behoren te worden opgelegd. Aan het geschil betreffende de waardering is het hof niet toegekomen, zodat dit in cassatie niet .aan de orde is.
4. Een of meer onroerende goederen?
In het (eerste) arrest-Denekamp (10 december 1980, N.J. 1981, 623, m.n. W.M. Kleijn, B.N.B .. 1981/45, m.n. H.J. Hofstra) hebt u overwogen dat, omdat in die zaak op de peildatum nog geen concessie was verleend, op dat tijdstip de eigendom van de mijn nog niet ingevolge het bepaalde in artikel 19 van de Mijnwet 1810 was te onderscheiden van die van de bodem.
De pleiter voor de gemeente heeft thans verdedigd dat hieruit niet a contrario mag worden gelezen dat de mijnwetgeving wel een bijzondere regeling inhoudt met betrekking tot afsplitsing van de eigendom van bovengrondse werken, indien de concessie wel is verleend. In de zaak- Denekamp behoefde uw Raad immers slechts te beslissen over het geval waarin geen concessie was gegeven. Op zich zelf lijkt die stelling mij juist, maar men moet daar wel onmiddellijk aan toevoegen dat de tekst van de Mijnwet voor het geval wel concessie is verleend, duidelijk lijkt:
"Artikel 19. Vanaf het ogenblik dat voor een mijn concessie is verleend, zelfs aan de, bodemeigenaar, is deze eigendom onderscheiden van die van de bodem en wordt vervolgens beschouwd als nieuwe eigendom, ( ..... )"1..
In zijn noot onder het arrest in de N.J. concludeert Kleijn dan ook dat, als een concessie als bedoeld in die Mijnwet (van 1810) is verleend de hoofdregel van het B.W. wordt doorbroken en de mijn een zelfstandige zaak wordt, eigendom van degeen aan wie de concessie is verleend. Uit het verband blijkt dat Kleijn hier spreekt over de eigendom van een boorlocatie; volledigheidshalve vermeld ik dat hij zich, behalve op artikel 19, ook beroept op artikel 7 van de Mijnwet van 18102..
Het gemeentebestuur van Termunten geeft echter een andere uitleg aan de genoemde wetsbepalingen. Het meent dat de Mijnwet met betrekking tot de eigendomssituatie van de werken geen enkele bijzondere regel geeft en slechts de eigendom van het aardgasvoorkomen afsplitst van de grondeigendom. Volgens het stelsel van de Mijnwet van 1810 zou de concessionaris eigenaar van de mijnwerken worden doordat hij ze neerzet met toestemming van de grondeigenaar of krachtens andere titel. Bij dit laatste heeft de, pleiter voor de gemeente gewezen op artikel 553 van de Code Civil (occupatierecht). Deze bepaling is niet in ons B.W. overgenomen; daarvoor in de plaats zijn de artikelen 655 en 656 gekomen. Het hier bedoelde stelsel zou in Nederland zijn beëindigd bij het arrest H.R. 4 december 1903, W. 801043.. Sindsdien zou voor het Nederlandse recht de duidelijke hoofdregel gelden dat de grondeigenaar ook eigenaar is van hetgeen op of in de grond is gebouwd (met inbegrip van mijnwerken, zelfs als deze door de concessionaris met toestemming van de grondeigenaar zijn gebouwd).
De vraag of deze redenering juist is vormt het kernprobleem van de onderhavige zaak.
Naar het mij voorkomt berust de redenering op de gedachte dat men in artikel 19 van de Mijnwet onder eigendom (propriété slechts de delfstoffen dient te verstaan. Nu slaat het woord eigendom onmiskenbaar op "mijn" (mine). Dit begrip is in de wet (artikel 2) gedefinieerd, en wel, voor zover hier van belang, als volgt: "als mijnen worden beschouwd, die waarvan men weet dat ze, in de vorm van aders, lagen of hopen, bevatten: ( ...... ) bitumina ( ..... )"4.. Dit wijst er reeds op dat de wet onder "mijn" meer verstaat dan de delfstoffen.
In dit verband wijs ik ook op artikel 8 dat verklaart dat mijnen onroerend zijn en dat ook onder meer de daartoe behorende gebouwen onroerend door bestemming zijn5.. Deze bepaling zou onbegrijpelijk zijn indien de gebouwen bij de grond zouden horen (vgl. . artikel 562. B.W. ).
Daar staat tegenover dat Boekhold6., vooral op grond van de wetsgeschiedenis, meent dat van een afgescheiden eigendom geen sprake is. Hij meent (paragraaf 123,op p. 115) dat de grondeigenaar zijn recht van eigendom over de mijn blijft behouden en dat de concessionaris slechts een (zakelijk) ius in re aliena krijgt. Dezelfde schrijver meent dat men aan de tekst van de wet niet te veel waarde mag hechten, omdat deze wet op veel plaatsen vrij slordig is geredigeerd (p. 93). De opvatting van Boekhold betekent dat de concessionaris wel een zelfstandig recht heeft, maar dat er geen afgescheiden goed is.
Inmiddels komt het mij voor dat de wetsgeschiedenis (ook de door Boekhold zelf weergegeven passages) niet onomstotelijk in de richting van zijn conclusie wijzen. Deze wetsgeschiedenis is uitvoerig beschreven in
het werk van baron Locré7.. Ik wijs in het bijzonder op de volgende passage uit de toelichting, gegeven door graaf Regnaud (p. . 493):
"Concédées par un acte délibérés au Conseil d'Etat, elles seront, comme je l'ai dit, des propriétés immobilières nouvelles, associées à toute l'inviolabilité, toute la sainteté des anciennes.
Tout ce qui sert à leur exploitation, fera partie de l'immeuble.même".
In het bijzonder de tweede geciteerde regel lijkt mij van belang. In de ogen van Regnaud (en hij is hierin niet tegengesproken) vormt de mijn een zelfstandig onroerend goed (immeuble) en de hulpmiddelen die bij de exploitatie van de mijn worden gebruikt, behoren daartoe8..
J. de Boer, die een studie heeft gemaakt van de voorgeschiedenis. van de Mijnwet van 18109.komt op p. 251 eveneens tot de conclusie dat de eigendom van de mijn, waaronder hij - blijkens het verband méér verstaat dan de delfstoffen - scherp gescheiden is van de eigendom van de bovengrond: hij is in beginsel volledig gelijkgesteld met de eigendom van "normale" onroerende zaken.
Ook de wetgever van 1903 lijkt aangenomen te hebben dat de mijn een afzonderlijk onroerend goed vormt. Aanwijzingen hiertoe vindt men in artikel 3, lid 3 aanhef en onder a van de Mijnwet 1903. In.de aanhef van artikel 3, lid .3, is sprake van "de gerechtelijke verkoop van de mijn en van alles wat, zowel onder als boven de grond, naar aard of bestemming, daarmede een onroerend goed uitmaakt". In de passage onder a wordt gesproken over "de aard der van de mijn deel uitmakende onroerende goederen". 'In de memorie van toelichting10.wordt op p. 6 gesteld:
"Men moet zich de werking der mijnconcessie, in het stelsel der wet van 1810 aldus voorstellen, dat door haar de eigendom der mijn wordt verkregen, doch een eigendom, waarmede de bepalingen van de. concessie, welke hem deed ontstaan onafscheidelijk verbonden zijn. ( ...... ) Die verkoop zal moeten omvatten de mijn, benevens datgene, wat naar aard of bestemming, in den zin van artikel 8 der Mijnwet, daarmede een onroerend geheel uitmaakt. "
Het. geheel overziende meen ik dat men de mijn, met inbegrip van de daartoe behorende boven- en ondergrondse werken als een afzonderlijk onroerend goed moet beschouwen, dat als zodanig te onderscheiden is van de grond waarop en waarin de mijn zich bevindt.
5. Middel I.
De onderdelen a tot en met c verdedigen dat de boven- en ondergrondse werken op de boorlocaties geen zelfstandig onroerend goed vormen, doch door natrekking de eigendom van de grond volgen. Het middel gaat uit van de opvatting dat slechts de delfstoffen (het aardgasvoorkomen). de mijn vormen. Uit de in de vorige paragraaf gegeven beschouwingen blijkt dat ik deze. opvatting niet deel.
Onderdeel d bevat een motiveringsklacht. Deze is goeddeels afhankelijk van de in de onderdelen a-c verdedigde stelling. Evenwel heeft de pleiter voor de gemeente het standpunt ingenomen dat de motiveringsklacht ook geldt indien de Hoge Raad zou aannemen, dat enige speciale wetsbepaling zou meebrengen of kunnen meebrengen, dat de eigendom van bepaalde ontginningswerken is afgescheiden van de eigendom van de grond. In dat geval zou het hof in elk geval hebben nagelaten te onderzoeken op welke werken die speciale wetsbepaling van toepassing is en waarom. De genoemde pleiter heeft hier nog aan toegevoegd dat het hof de werken niet als een onzelfstandig deel van het, aardgasvoorkomen ziet, die daarmee één zaak vormen. Het hof zou de werken zien als aparte zaken, waarop de concessionaris een eigendomsrecht heeft; dit zou blijken uit rechtsoverweging 3.
Om met dit laatste te beginnen: het komt mij voor dat hier over het hoofd gezien wordt dat het geschil gaat om de heffing van onroerendgoedbelasting wegens feitelijk gebruik. In de bedoelde rechtsoverweging heeft het hof niet anders gedaan dan aangeven op welke rechtsgrond de belanghebbende. het feitelijk gebruik van de werken heeft. Die rechtsgrond is haar eigendomsrecht van de mijn, waarvan de werken volgens het hof deel uitmaken (dus géén aparte zaak vormen) .
Voor wat de motiveringsklacht verder betreft wijs ik erop dat het hof heeft beslist dat elk van de twee boorlocaties uit twee afzonderlijke onroerende goederen bestaat. Voor het feitelijk gebruik van elk van die goederen diende een afzonderlijke aanslag te worden opgelegd. Aangezien dat niet is gebeurd heeft het hof de opgelegde aanslagen (evenals de uitspraak van b. en w. in bezwaar) vernietigd. Voor die beslissing was m .. i. niet nodig nauwkeurig aan te geven wat tot het ene en wat tot het andere onroerend goed behoort. Overigens heeft het hof dat wel degelijk gedaan, door in r.o. 6 te beslissen "dat de onderhavige percelen grond en de daarop en daarin gestichte werken als afzonderlijke en zelfstandige onroerende goederen worden aangemerkt". Het door mij gecursiveerde bepalend lidwoord geeft aan dat volgens het hof alle werken tot de mijn behoren.
Ik meen dat het middel in geen van zijn onderdelen doel treft.
6. Middel II.
Dit middel heeft naar zijn aard een subsidiair karakter. Het komt er op neer dat, ook al zou voor elk van beide boorlocaties een eigendomssplitsing gelden, dit niet uitmaakt voor het feitelijk gebruik. Wegens feitelijk gebruik zou (zo interpreteer ik het middel en de daarop bij pleidooi gegeven toelichting) toch slechts één aanslag per locatie te hoeven worden opgelegd: Artikel 3 van de Verordening (waarvan de tekst in de
bestreden uitspraak is opgenomen en dat gelijkluidend is aan artikel 3 van de Modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten) "bakent het belastingobject af, onafhankelijk van de eigendomssituatie, doch uitsluitend aan de hand van het feitelijk gebruik, de gebruikseenheid".
Om te. beginnen moet ik opmerken dat ik in het bedoelde artikel 3 een afbakening van het belastingobject, als in de hierboven geciteerde passage uit de pleitnota van de advocaat voor de gemeente, niet kan lezen. Ook de in diezelfde pleitnota geciteerde toelichting op de Modelverordening wijst naar mijn mening. geenszins in de richting die de gemeente verdedigt. "Het belastbare object moet zowel voor de zakelijk gerechtigde als voor de gebruiker dezelfde omvang hebben." Ik lees daarin dat eigendomssplitsing (hier ten gevolge van het mijnrecht) automatisch splitsing van het gebruiksobject meebrengt.
Zou artikel 3 van de Verordening moeten worden geïnterpreteerd zoals het gemeentebestuur van Termunten heeft doen verdedigen, dan zou het in strijd met de wet zijn. Artikel 273, lid i onder a, van de gemeentewet spreekt immers over de heffing van een belasting van degenen die het onroerend goed feitelijk gebruiken.
Volgens vaste rechtspraak moet (wegens genot krachtens zakelijk recht en)wegens feitelijk gebruik van elk onroerend goed een afzonderlijke aanslag worden opgelegd. Onroerend goed is hierbij te verstaan in eigendomsrechtelijke en niet in technische zin. Het door de raadsman van de gemeente genoemde arrest H.R. 8 maart 1978, B.N.B. 1978/122, m.n. H.J. Hofstra is een voorbeeld waaruit deze rechtspraak blijkt, en bepaald niet het tegendeel, zoals de gemeente heeft doen aanvoeren. Ik teken overigens aan dat de rechtspraak gewoonlijk betrekking heeft op een casuspositie, omgekeerd aan.de onderhavige, namelijk dat meer aanslagen zijn opgelegd; zowel wegens genot krachtens zakelijk recht als wegens feitelijk gebruik, van wat als één onroerend goed moet worden beschouwd (zie bij voorbeeld H.R.
30 januari 1980, B.N.B. 1980/90, m.n. H.J. Hofstra), maar aan het principe doet dat niet af.
In onderdeel b van het middel wordt bezwaar gemaakt tegen het feit dat het hof enerzijds overweegt dat de bedoelde werken gebouwde eigendommen zijn (rechtsoverwegingen 4 en 5), anderzijds dat sprake is van afzonderlijke en zelfstandige onroerende goederen. Het middel wijst erop dat volgens artikel 3, aanhef en onder 1, a, onder gebouwde eigendom uitdrukkelijk de ondergrond van dit eigendom is begrepen.
De bedoelde bepaling is m.i. een uiting van het streven bij de onroerendgoedbelastingen, anders dan bij de grondbelasting het geval was, de ondergrond van gebouwen niet afzonderlijk als ongebouwde eigendom in de belasting te betrekken. Die bepaling in de Verordening ziet echter niet op het geval waarin sprake is van eigendomssplitsing krachtens een bijzondere wettelijke regeling, i.c. de Mijnwet van 1810, en zou daaraan overigens ook geen afbreuk kunnen doen.
Ik meen dat ook middel II vergeefs is voorgesteld.
7. Conclusie.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
Parket, 8 juli 1982.
De Procureur-Generaal bij de. Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑07‑1982
Evenals Asser-Beekhuis, Zakenrecht, 2e deel, 10e dr. 1977, p. 63.
Zie hierover Asser-Beekhuis, t.a.p. p. 60 en p. 228.
'Seront considérées commes mines celles connues pour contenir. en filons, en. couches ou en amas, ( ..... ) des bitumes ( ..... )'. Aardgas valt onder bitumina.
Art. 524. van de Code Napoléon regelt welke goederen onroerend door bestemming zijn.
B.F. Boekhold, Mijnrecht, diss. Leiden 1912.
Baron Locré, La législation civile, commerciale et criminelle de la France ou Commentaire et complément. des.code français, Tome neuvième, Appendice du Livre II du Code civil.
Zie in het geciteerde werk van Locré voorts: p. 207-209 (sub 13) p. 460-461 (sub 4) . p. 515-516 (sub. 11).
J. de Boer, De winning van delfstoffen in het Romeinse recht, de middeleeuwse juridische .literatuur en het Franse recht tot 1810, diss. Leiden, 1978.
Zitting 1902-1903, 62 , no. 3, p. 6.