NJB 2022/187:Ontnemingsprocedure en gebondenheid ontnemingsrechter aan eerder oordeel van de rechter in de strafzaak: heeft in casu het hof zich in de ontnemingsprocedure niet gebonden geacht aan het oordeel van het hof in de strafzaak dat het bij de betrokkene aangetroffen contante geldbedrag afkomstig is uit eerdere door hem begane soortgelijke misdrijven? Herhaling van HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077, r.o. 2.5.2, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1501, r.o. 2.4.3 (inzake hanteren van de berekeningswijze van de (eenvoudige) kasopstelling bij de toepassing van art. 36e lid 2 Sr). Voorts herhaling van HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523 (inzake oordeel dat ‘voldoende aanwijzingen’ bestaan in de zin van art. 36e lid 2 Sr en de onschuldpresumptie). De Hoge Raad wijst de opvatting af dat het oordeel in de strafzaak dat het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een geldbedrag niet kan worden gekwalificeerd als witwassen omdat dat geldbedrag uit eigen misdrijf afkomstig is, zonder meer met zich brengt dat vaststaat dat dit geldbedrag is verkregen door middel van of uit de baten van feiten als bedoeld in art. 36e lid 2 (oud) Sr. Het is immers aan de rechter in de ontnemingsprocedure om vast te stellen of dergelijke feiten buiten redelijke twijfel kunnen worden vastgesteld.