NJB 2026/857:Een veertienjarige is in verzekering gesteld geweest. Zij vordert schadevergoeding bij de burgerlijke rechter. Hoge Raad: 1. Terughoudende toets. De burgerlijke rechter moet de afweging die de (hulp)officier van justitie bij het bevel inverzekeringstelling heeft gemaakt, met terughoudendheid toetsen. De burgerlijke rechter kan slechts ingrijpen indien de keuzes die de (hulp)officier van justitie heeft gemaakt, in redelijkheid niet navolgbaar zijn. Het hof heeft deze terughoudendheid niet in acht genomen. 2. Feitelijke grondslag. Het hof heeft in strijd met art. 24 Rv gehandeld en is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. 3. Motivering. Zonder nadere motivering valt niet in te zien hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen dat er geen aanwijzingen zijn dat de Staat heeft stilgestaan bij het belang van de minderjarige. 4. Duur inverzekeringstelling minderjarige. Het oordeel van het hof dat de zinsnede “uiterlijk binnen drie dagen en vijftien uur” in art. 59a lid 1 (oud) Sv, wanneer het gaat om een veertienjarig meisje, moet worden uitgelegd als “binnen 24 uur” is in zijn algemeenheid onjuist. 4. Taakverdeling strafrechter-burgerlijke rechter. Indien daarvoor grond is, kan de burgerlijke rechter een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding toewijzen dan de strafrechter in de art. 89 (oud) Sv-procedure heeft gedaan.