Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.5.2.3
3.5.2.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587095:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie (zonder dat het begrip formele procespartij wordt gebezigd), Reehuis 1987, p. 238-239; Verdaas 2008a, nr. 431 e.v.
Zie voor de curator o.a., De Boer 2004, p. 671 e.v.
Zie voor de bewindvoerder o.a., Van der Ploeg 1945, nr. 146; Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1166; Rb. Zutphen 23 november 1989, NJ 1991, 89.
Zie HR 24 april1992, NJ 1992, 461 (Carreau Gaschereau/Sunresorts). Vgl. Asser 1999, par. 3.1; Stein/Reub 2009, par. 9.1.1.
Zie Star Busmann/Rutten 1972, nr. 133; Asser 1996, p. 262; Asser 1999, nr. 1.6 (p. 490); Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 67 (p. 78); Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 26; A-G Asser in zijn conclusie (2.14) voor HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 218 (FNV/Weltec). Zie over publiekrechtelijke rechtspersonen als procespartij, Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 27.
Op deze regel bestaat uitzonderingen. Zo volgt bijvoorbeeld uit art. 2:15 lid 4 BW dat de bestuurder ook in eigen naam aan een procedure kan deelnemen die betrekking heeft op de vernietiging van besluiten van een rechtspersoon. Wordt de bestuurder aansprakelijk gesteld, dan neemt hij in eigen naam aan de procedure deel, omdat hij dan pro se (als materiële en formele procespartij) in de procedure betrokken is.
Ook de vereffenaar van een te ontbinden rechtspersoon treedt in rechte op als de formele procespartij. De vereffenaar neemt daarmee procesrechtelijk gezien een andere positie in dan het bestuur van de rechtspersoon.
Vgl. Asser 1999, p. 490-491 (nr. 2.1 en 2.2); Snijders, Klaassen & Meijer 2007, p. 77-78 (nr. 67); Haardt 1953, p. 165.
Zie HR 24 april1992, NJ 1992, 461 (Carreau Gaschereau/Sunresorts); Winters 1997, p. 80-81; Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 65. Aarzelend: Asser 1999, par. 3.1.
Tenzij een aandeel in de nalatenschap op een rechtsverkrijger is overgegaan.
Zie B.M.E.M. Schols 2007, p. 54.
Zie ook hierna nr. 171-173.
Anders: De Boer 2004, p. 672 en p. 676, die het faillissementsvermogen als de materiële procespartij beschouwt. Bij het toekennen van procesrechtelijke rechten, zoals het recht op hoor en wederhoor, het bijwonen van een inlichtingencomparitie en het schriftelijk naar voren brengen zijn standpunt, merkt zij de gefailleerde als persoon echter als materiële procespartij aan. Zie De Boer 2004, p. 704-706. Eveneens anders: T&C Insolventierecht 2008 (F.M.J. Verstijlen), art. 25, aant. 2, die zonder het onderscheid te maken tussen materiële en formele procespartij, alleen de curator als 'partij' aanmerkt. Vgl. voorts Asser 1996, p. 269, die de curator als de formele en materiële procespartij aanmerkt en de gefailleerde als een 'latente' procespartij. Uit het betoog van Asser volgt dat hij de gefailleerde niet als de materiële procespartij aanmerkt, maar de gefailleerde daaraan grosso modo wel gelijk stelt. Vgl. zijn benadering bij een last tot inning in eigen naam, hierna nr. 124.
Vgl. De Boer 2004, p. 706 e.v.
Dit is mogelijk anders bij een schadevergoedingsvordering uit hoofde van onrechtmatige daad die door de curator wordt ingesteld tegen een derde die de gezamenlijke schuldeisers heeft benadeeld (de zogenaamde Peeters/Gatzen-vordering). Wordt aangenomen dat de vordering toebehoort aan de schuldeisers van de gefailleerde, dan zijn zij de materiële procespartij in de procedure. Zie o.a. Kortmann & Faber 1996b. Zie o.a. HR 24 april2009, JOR 2010/22 (Dekker/Lutece), m.nt. N.E.D. Faber, waarin de Hoge Raad ten overvloede overweegt dat een Peeters/Gatzen-vordering niet in de boedel valt. Zie over dit arrest ook Verstijlen 2009. Wordt echter aangenomen dat de vordering ertoe strekt het faillissementsvermogen te 'reconstrueren' en dat zij in de faillissementsboedel valt, dan is de gefailleerde de materiële procespartij. Zie o.a. Van Andel2006, p. 14-19, en p. 35-39; en HR 16 september 2005, NJ 2006, 311 (De Bont/Bannenberg), m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2006/52, m.nt. S.C.J.J. Kortmann & N.S.G.J. Vermunt, waarin de Hoge Raad besliste dat de opbrengst van de Peeters/Gatzen-vordering in de boedel valt. Deze kwestie blijft verder buiten beschouwing.
Zie Reehuis 1987, p. 239; Verdaas 2008a, nr. 431.
De rechtsgevolgen worden afgezwakt door art. 477b lid 3 Rv, dat tegelijkertijd bevestigt dat de geëxecuteerde de materiële procespartij is en de beslaglegger de formele procespartij. Zie hierna nr. 185. Vgl. voorts Hermans 1996, p. 231 e.v.
Bijvoorbeeld, een pandhouder die in eigen naam een executiekoopovereenkomst is aangegaan, een vruchtgebruiker die in eigen naam een huurovereenkomst is aangegaan of een deelgenoot, een bewindvoerder en zaakwaarnemer die in eigen naam een overeenkomst zijn aangegaan ten aanzien van het goed. Vgl. hierna nr. 414.
Wordt een bewindvoerder in persoon aansprakelijk gesteld, dan is hij de formele en de materiële procespartij. Vgl. voor hoor en wederhoor, HR 23 juni 2000, NJ 2000, 517.
Zie HR 26 juni 1985, NJ 1986, 307, m.nt. Ma; Snijders, Klaassen & Meijer 2007, nr. 65; Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 26; Mijnssen 1971, p. 931 en 933.
Zie Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 26. Vgl. A-G Wesseling-Van Gent in haar conclusie (sub 2.6 e.v.) voor HR 15 december 2006, RvdW 2007, 10.
Dat de stille cedent de formele procespartij is, als hij een reeds aanhangig gemaakte procedure voortzet nadat de vordering stil is gecedeerd, volgt reeds uit de overgang van de vordering (zie hiervoor).
Zie Asser 1999, par. 5.6 en 5.7. Zie ook A-G Asser in zijn conclusie (2.13 en 2.15) voor HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 218 (FNV/Weltec).
Zie Asser 1999, par. 5.7. Vgl. ook Asser 1999, par. 5.13 en 5.14; en A-G Asser in zijn conclusie (2.15) voor HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 218 (FNV/Weltec).
Zie Asser 1999, par. 5.9 en vgl. par. 5.8 waar Asser dit geval ook op het oog lijkt te hebben. Ook M.v.A. I, Parl. Gesch. Boek 7, p. 316 heeft op dit geval betrekking. Zie voor een voorbeeld, HR 3 mei 1991, NJ 1992, 229, m.nt. PAS. Stein gaat in zijn noot er van uit de lasthebber nakoming vordert van de vordering van de lastgever. Kortmann wijst er terecht op dat dit onjuist is. Zie Kortmann 1994a, p. 219 e.v.
Zie Asser 1999, par. 5.9.
Zie Asser 1999, par. 5.6 (p. 498 en nt. 38).
121. Wordt niet de positie van de stille cedent als oude schuldeiser als uitgangspunt genomen, maar als zijn positie als procesbevoegde lasthebber, dan komt men tot hetzelfde resultaat. Dat geldt niet alleen als de stille cessie tijdens de procedure plaatsvindt, maar ook eerst de stille cessie plaatsvindt en vervolgens pas de stille cedent een procedure aanhangig maakt. In de procedure is de stille cedent de formele procespartij en is de stille cessionaris de materiële procespartij.
In het algemeen geldt dat de inningsbevoegde derde die ten aanzien van andermans vordering procedeert als de formele procespartij wordt aangemerkt. De pandhouder,1 de vruchtgebruiker, de beslaglegger, de curator,2 de ouder en de voogd van een minderjarige, de zaakwaarnemer, de bewindvoerder,3 de vereffenaar, de executeur, de gevolmachtigde en de procederende deelgenoot of deelgenoten4 treden steeds in eigen naam op als formele procespartij, in de gevallen dat zij in rechte nakoming eisen van andermans vordering.
Het bestuur van een (privaatrechtelijke of publiekrechtelijke) rechtspersoon dat in rechte optreedt ten behoeve van de rechtspersoon vormt op het voorgaande een uitzondering. Het treedt ook in rechte op als de onmiddellijke vertegenwoordiger van de rechtspersoon. Het bestuur is niet de formele procespartij.5 De rechtspersoon is de materiële procespartij en de formele procespartij. Het bestuur valt er tussenuit.6 Wordt de procedure evenwel gevoerd door een gevolmachtigde van de rechtspersoon, dan is de gevolmachtigde de formele procespartij.7
De rechthebbende van de vordering is de materiële procespartij. In de procedure is de verbintenis tussen de schuldeiser en de schuldenaar het onderwerp van geschil. De schuldeiser en de schuldenaar zijn de materiële procespartijen. Hun rechten en verplichtingen staan in de procedure centraal. De minderjarige, de volmachtgever, de belanghebbende bij zaakwaarneming en de rechthebbende van een onder bewind gestelde vordering bijvoorbeeld zijn de materiële procespartij.8
Gaat het om een gemeenschappelijke vordering, dan zijn de gezamenlijke deelgenoten de materiële procespartijen.9 Zij zijn de gezamenlijke rechthebbenden van de vordering. Bij testamentair bewind, vereffening van nalatenschappen en executele zijn de erfgenamen de materiële procespartij.10 De nalatenschap zelf, een afgescheiden vermogen (een 'doelvermogen'), is nadrukkelijk niet de materiële procespartij.11 De executeur, de vereffenaar en de bewindvoerder handelen weliswaar voor rekening van dit afgescheiden vermogen, maar de materiële procespartij dient een persoon te zijn. De waarborgen die het burgerlijk procesrecht aan procespartijen biedt, zoals die ten dele voortvloeien uit het EVRM, kunnen alleen betrekking hebben op een persoon, niet op een (afscheiden doel)vermogen.12
Procedeert een curator in hoedanigheid, dus als formele procespartij, dan is de gefailleerde de materiële procespartij. Hier geldt hetzelfde als bij de nalatenschap: het afgescheiden faillissementsvermogen kan niet als de materiële procespartij worden aangemerkt.13 Het is geen persoon. De gefailleerde, aan wie het afgescheiden faillissementsvermogen toebehoort, kan wel als de materiële procespartij worden aangemerkt. De gezamenlijke schuldeisers zijn evenmin als de materiële procespartij te beschouwen.14 De curator verricht de proceshandelingen in hun belang, maar hun rechten en verplichtingen vormen geen onderwerp van het geschil.15 De curator procedeert ten aanzien van een vordering die zich in de faillissementsboedel bevindt. Het betreft een materiële aanspraak van de gefailleerde, niet van de gezamenlijke schuldeisers. De gezamenlijke schuldeisers hebben alleen een (indirect) belang bij de inning van de vordering.
Treedt de pandhouder of de vruchtgebruiker in rechte op jegens de schuldenaar van de bezwaarde vordering, dan zijn de pandgever respectievelijk de hoofdgerechtigde de materiële procespartij.16 De pandhouder en de vruchtgebruiker vorderen immers nakoming van een vordering die aan de pandgever respectievelijk de hoofdgerechtigde toebehoort. Als beperkt gerechtigde maken zij andermans vordering te gelde.
Heeft de derde-beslagene zijn verklaring afgelegd, maar betwist de beslaglegger de verklaring of eist hij daarvan aanvulling (art. 477a lid 2 Rv) of weigert de derde-beslagene zijn verplichting na te komen en vordert de beslaglegger daarvan in rechte nakoming of vervangende schadevergoeding (art. 477a lid 4 Rv), dan is de geëxecuteerde op vergelijkbare wijze de materiële procespartij in de procedure.17 De beslaglegger procedeert ten aanzien van de materiële aanspraak van de geëxecuteerde. Hij vordert nakoming van de verplichting van de derde-beslagene jegens de geëxecuteerde.
122. Als de pandhouder en de vruchtgebruiker uit hoofde van art. 3:245 BW respectievelijk art. 3:218 BW jegens derden een procedure beginnen ter bescherming van het bezwaarde goed, treden zij op uit hoofde van hun eigen recht. Zij zijn dan zowel de materiële als de formele procespartij. Als de pandhouder tegen andere pandhouders, beslagleggende schuldeisers en/of de curator van de pandgever procedeert, treedt hij ook op uit hoofde van zijn beperkte recht, en is hij als materiële en formele procespartij bij de procedure betrokken. In een procedure zoals bedoeld in art. 477a lid 1 Rv treedt ook de beslaglegger op als materiële en formele procespartij. De derde-beslagene komt immers zijn verplichting jegens de beslaglegger tot het afleggen van de verklaring ex art. 476a-476b Rv niet na. De beslaglegger heeft op grond daarvan een eigen aanspraak op vervangende schadevergoeding. De beslaglegger treedt in een dergelijke procedure pro se op. Ook als een persoon in eigen naam een overeenkomst aangaat ten aanzien van andermans goed,18 en uit hoofde daarvan tegen de contractspartij procedeert, procedeert hij als materiële en formele procespartij. Zijn de bevoegde derde en de rechthebbende met elkaar in een procedure verwikkeld, bijvoorbeeld omdat de laatste de eerste 'pro se' aansprakelijk stelt wegens een schending van diens zorgverplichting, dan treedt ieder der partijen aan zijn eigen kant op als materiële en formele procespartij.19
123. De lasthebber die in rechte nakoming vordert van de vordering van zijn lastgever, is de formele procespartij; de schuldeiser van de vordering en tevens lastgever is de materiële procespartij.20 Dat geldt ongeacht of de lasthebber een last tot inning in eigen naam of in naam van zijn lastgever heeft (vgl. art. 7:414 lid 2 BW), dus ongeacht of de lasthebber (buiten rechte) als onmiddellijk vertegenwoordiger optreedt of niet. In beide gevallen voert de lasthebber in eigen naam als formele procespartij de procedure.21 Hieruit volgt dat de stille cedent die (krachtens een last tot inning) de procedure voortzet of is begonnen,22 de formele procespartij is en de stille cessionaris de materiële procespartij.
124. Ten aanzien van de last tot inning in eigen naam heeft Asser een ander stand punt verdedigd. Volgens hem is de lasthebber die in eigen naam ten aanzien van andermans vordering procedeert zowel de materiële als de formele procespartij.23 Toegepast op de stille cessie zou de stille cedent in deze zienswijze zowel de materiële als de formele procespartij zijn, en de stille cessionaris (kennelijk) geen van beide. Volgens Asser kan evenwel de lastgever "voor de aan de uitspraak verbonden rechtsgevolgen op een lijn worden gesteld met een materiële procespartij." Dit geldt zijns inziens onder meer voor de bindende kracht van de uitspraak (het gezag van gewijsde), het instellen van rechtsmiddelen en de tenuitvoerlegging van de uitspraak door en tegen de lastgever en de lasthebber.24 De lastgever wordt daardoor in de belangrijkste opzichten gelijk gesteld aan een materiële procespartij. Welke gevolgen dit heeft voor de lasthebber als de veronderstelde materiële procespartij wordt niet duidelijk gemaakt.
Asser maakt in zijn uiteenzetting gebruik van het begrip cessie ter incasso, maar niet duidelijk blijkt in welke betekenis hij het begrip gebruikt. Dat is evenwel essentieel, omdat afhankelijk van de betekenis waarin dit begrip wordt gebruikt de materiële en formele procespartij verschillen.
Wordt met een cessie ter incasso een overdracht ten titel van beheer bedoeld, dan procedeert de nieuwe schuldeiser als de materiële en de formele procespartij. Wordt met een cessie ter incasso een last tot inning aangeduid, zoals bij de stille cessie, dan is de lasthebber de formele procespartij en de schuldeiser (lastgever) de materiële procespartij. Is een lastnemer in eigen naam voor rekening van de lastgever een overeenkomst aangegaan en procedeert hij ten aanzien van deze vordering, dan is de lasthebber de schuldeiser van de vordering en procedeert hij ten aanzien van de vordering als de materiële en formele procespartij.25
Asser lijkt met zijn stelling dat de lasthebber die in eigen naam procedeert de materiële en formele procespartij is, niet op het oog te hebben het geval waarin de lasthebber in eigen naam een overeenkomst is aangegaan en vervolgens procedeert. Dat geval behandelt hij namelijk afzonderlijk.26 Hij heeft kennelijk het geval op het oog dat de lasthebber in rechte nakoming vordert van een vordering van de lastgever. Asser geeft als reden voor zijn stand punt dat de lasthebber die rechtshandelingen in eigen naam verricht daardoor "slechts voor zichzelf rechtsgevolgen teweegbrengt". Maar daarbij verwijst hij naar art. 7:420 BW en art. 7:421 BW.27 Deze bepalingen zien echter alleen op de gevallen waarin een lasthebber een overeenkomst in eigen naam aangaat. In dergelijke gevallen bewerkstelligt de lasthebber (in beginsel) inderdaad alleen rechtsgevolgen voor zichzelf. Hij is de partij bij de overeenkomst, om die reden ook de schuldeiser van de vordering en treedt derhalve in een procedure als materiële en formele procespartij op. Als een lasthebber echter een vordering van zijn lastgever int, zijn art. 7:420 BW en art. 7:421 BW niet van toepassing en bewerkstelligt de lasthebber wel degelijk rechtstreeks gevolgen voor de lastgever. Bijvoorbeeld, als de lasthebber de vordering in eigen naam int, gaat de vordering van de lastgever teniet. Vanwege de verschillende vragen die het betoog van Asser oproept, verdient zijn (afwijkende) zienswijze geen navolging.