Rechtbank Den Haag 27 januari 2021, ELCI:NL:RBDHA:2021:590.
HR, 12-04-2024, nr. 23/00476
ECLI:NL:HR:2024:587
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-04-2024
- Zaaknummer
23/00476
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:587, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑04‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:1114
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:2388
ECLI:NL:PHR:2023:1114, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑12‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:587
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑03‑2023
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2024-0216
PFR-Updates.nl 2024-0080
BPR-Updates.nl 2024-0049
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0049
RFRB2024/83
Uitspraak 12‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Curatele. Mishandeling door onder curatele gestelde. Aansprakelijkheid curator? Grieks recht. Voldoende toezicht? Stelplicht en bewijslast. Hoor en wederhoor.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/00476
Datum 12 april 2024
ARREST
In de zaak van
1. [moeder van het slachtoffer],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
2. [slachtoffer],
wonende te [woonplaats], Duitsland,
EISERS tot cassatie,
hierna: [slachtoffer en moeder],
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
[moeder/curator], in de hoedanigheid van curator van haar zoon [zoon/curandus],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [moeder/curator],
advocaat: L.V. van Gardingen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/564258/HA ZA 18-1210 van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2019, 22 januari 2020 en 27 januari 2021;
b. de arresten in de zaak 200.292.255/01 van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2022 en 8 november 2022.
[slachtoffer en moeder] hebben tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[moeder/curator] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [moeder/curator] mede door G.M.C. van Breukelen. Hierbij is aan de zijde van [slachtoffer en moeder] een productie overgelegd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep voor zover dit is gericht tegen het arrest in het incident van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2022 en tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2022 en, in verband met dit laatste, tot verwijzing.
De advocaat van [moeder/curator] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [moeder/curator] is de curator van haar zoon [zoon/curandus], die is geboren op [geboortedatum] 1993. [zoon/curandus] is in 2011 onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis.
(ii) Tussen eind april en begin mei 2013 zijn [moeder/curator] en [zoon/curandus] samen met andere familieleden op Kreta geweest. Rond 5 mei 2013 is [moeder/curator] met de familie teruggekeerd naar Nederland. [zoon/curandus] is op eigen initiatief op Kreta achtergebleven om te werken in het animatieteam van het hotel waar de familie verbleef.
(iii) Op 5 mei 2013 is [moeder van het slachtoffer] met haar zoons [slachtoffer] en [broer van het slachtoffer], toen 11 en 5 jaar oud, naar Kreta gekomen. Zij verbleven in het hotel waar [zoon/curandus] in het animatieteam werkte.
(iv) In de avond van 14 mei 2013 heeft [zoon/curandus] [slachtoffer] zwaar mishandeld. [slachtoffer] heeft daarbij zeer ernstig en deels onherstelbaar letsel opgelopen.
2.2
[slachtoffer en moeder] vorderen in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, voor recht te verklaren dat [moeder/curator], in haar hoedanigheid van curator van [zoon/curandus], onrechtmatig heeft gehandeld jegens [moeder van het slachtoffer] en [slachtoffer] en gehouden is de door hen geleden en nog te lijden schade te vergoeden, en [moeder/curator], uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat. [slachtoffer en moeder] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [moeder/curator] haar zorgplicht heeft geschonden door [zoon/curandus] zonder toezicht en zonder voldoende medicatie in Griekenland achter te laten.
2.3
De rechtbank1.heeft voor recht verklaard dat [moeder/curator] in haar hoedanigheid van curator van [zoon/curandus] jegens [moeder van het slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die [moeder van het slachtoffer] en [slachtoffer] hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de mishandeling van [slachtoffer] door [zoon/curandus], en heeft [moeder/curator], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.
2.4
Het hof heeft bij tussenarrest2.het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank toegewezen. Bij eindarrest heeft het hof3.het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vorderingen van [slachtoffer en moeder] afgewezen en [slachtoffer en moeder] veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen door [moeder/curator] krachtens het bestreden vonnis is betaald. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen.
Tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering op grond van art. 4 lid 1 en art. 15 Verordening Rome II4.beoordeeld moet worden naar Grieks recht, hebben partijen geen bezwaar gemaakt. Het hof zal Grieks recht toepassen. (rov. 6.2)
Volgens de rapportage van het Internationaal Juridisch Instituut bepaalt art. 923 Grieks Burgerlijk Wetboek (hierna: GBW) het volgende: “Whoever has the supervision of a person under age or of a person placed under judicial assistance is liable for the damage that such persons unlawfully cause to a third party, unless he proves that he has exercised properly the duty of supervision or that the damage could not have been avoided.”. (rov. 6.14)
Toepassing van art. 923 GBW vereist dat een plicht bestaat om toezicht te houden. In dit geval zou sprake kunnen zijn van een dergelijke plicht gezien de rechtsgeldige ondercuratelestelling van [zoon/curandus], met benoeming van [moeder/curator] als curator. (rov. 6.15)
Voor de rechtsfiguur van de Nederlandse curatele geldt dat bij de vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangenbehartiging, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, ook (enig) feitelijk toezicht van de curator op het doen en laten van de curandus verwacht kan worden. De omvang van de zorgplicht van de curator als toezichthouder wordt enerzijds bepaald door het risico dat de curandus, gezien de aard van zijn stoornis, voor derden veroorzaakt en anderzijds de bezwaarlijkheid van de eventueel door de curator te nemen voorzorgsmaatregelen. Voorts moet het risico dat de curandus voor derden veroorzaakt voor de curator kenbaar zijn of behoren te zijn. (rov. 6.16-6.17)
De door [moeder/curator] in haar hoedanigheid van curator te betrachten zorgplicht geldt ook buiten Nederland. Art. 923 GBW kan daarom worden toegepast op een situatie waarin sprake is van een Nederlandse ondercuratelestelling. Beoordeeld moet worden of [moeder/curator] in haar hoedanigheid van curator van [zoon/curandus] voldoende toezicht heeft gehouden op [zoon/curandus], of dat de schade niet voorkomen had kunnen worden als bedoeld in art. 923 GBW. (rov. 6.18-6.20)
[moeder/curator] heeft de zorg betracht die in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar kon worden verlangd. Geen van de stoornissen van [zoon/curandus] (lichte vorm van autisme, beperkte borderline stoornis en een concentratiestoornis (ADHD)) brengt een verhoogd risico op gewelddadig gedrag mee. Daarnaast heeft [zoon/curandus] een verstandelijke beperking, wat op zichzelf evenmin een verhoogd risico op gewelddadig gedrag vormt. [zoon/curandus] gebruikte ten tijde van de mishandeling als medicatie al geruime tijd Concerta met als werkzame stof methylfenidaat. Van deze stof is volgens de bijsluiter die [moeder/curator] heeft overgelegd als bijwerking bekend dat bij gebruik ervan sprake kan zijn van agressief gedrag, maar in de bijsluiter is niets vermeld over agressief gedrag wanneer het gebruik van het medicijn plotseling wordt gestaakt. [moeder/curator] heeft onweersproken aangevoerd dat [zoon/curandus] vóór de mishandeling, ook in de jaren na de periode van zijn behandeling in een instelling die in 2011 was afgerond, geen intensieve begeleiding in het dagelijkse leven kreeg, zelfstandig naar school en stage ging, zelfstandig met vrienden omging en vaker zelfstandig met vakantie ging. [moeder/curator] heeft ten slotte onweersproken gesteld dat [zoon/curandus] zich niet eerder aan gewelddadig gedrag schuldig had gemaakt. Het risico op mishandeling van [slachtoffer], als [zoon/curandus] zonder haar toezicht in Griekenland zou achterblijven, was daarom niet voorzienbaar voor [moeder/curator]. (rov. 6.22)
[moeder/curator] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij met (de staf en de directeur van) het hotel afspraken heeft gemaakt over het verblijf van [zoon/curandus], zijn medicatie en zijn werkzaamheden in het hotel. De medische achtergrond van [zoon/curandus] was niet zodanig dat van [moeder/curator] meer verwacht had mogen worden dan ze stelt te hebben gedaan. Weliswaar wordt door [slachtoffer en moeder] (gedeeltelijk) betwist dat [moeder/curator] de door haar gestelde afspraken met het hotel heeft gemaakt, maar die betwisting hebben [slachtoffer en moeder] niet of onvoldoende nader onderbouwd. Tussen partijen staat bovendien niet ter discussie dat [moeder/curator] aan medewerkers van het hotel heeft duidelijk gemaakt dat [zoon/curandus] wegens zijn ondercuratelestelling niet handelingsbekwaam was, wat impliceert dat zij met hen gesproken zal hebben over de vereiste zorg en aandacht voor [zoon/curandus]. (rov. 6.23)
Bovendien is voldoende aannemelijk gemaakt dat [moeder/curator] de mishandeling van [slachtoffer] feitelijk ook niet had kunnen voorkomen als zij met [zoon/curandus] in Griekenland zou zijn gebleven. Haar was immers onbekend dat [zoon/curandus] zo extreem gewelddadig kon zijn, noch kende zij de aanleiding voor het in deze zaak gepleegde geweld. [moeder/curator] heeft betwist dat haar bekend was dat [zoon/curandus] op Kreta een mes had aangeschaft dat hij bij zich droeg. De mishandeling moet bovendien in zeer korte tijd gepleegd zijn. Uit niets blijkt verder dat [zoon/curandus] niet gewelddadig was geworden wanneer [moeder/curator] er dagelijks op had toegezien dat hij zijn medicatie innam. Voor zover [slachtoffer en moeder] een ander standpunt aan de vordering ten grondslag hebben gelegd, hebben zij dat, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [moeder/curator], onvoldoende onderbouwd. Ook ontbreekt een gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt. (rov. 6.24)
Rekening houdend met het overwegend beschermende karakter van de ondercuratelestelling naar Nederlands recht, is [moeder/curator] in haar rol van curator niet tekortgeschoten en heeft zij voldoende toezicht op [zoon/curandus] gehouden. [moeder/curator] was niet gehouden tot het (persoonlijk) uitoefenen van permanent toezicht op [zoon/curandus]. Voor haar was immers geenszins voorzienbaar dat [zoon/curandus] zonder permanent toezicht (extreem) gevaarlijk gedrag zou (kunnen) vertonen. [moeder/curator] heeft door afspraken te maken met medewerkers van het hotel op Kreta over het verblijf van [zoon/curandus] na haar eigen vertrek uit Griekenland voldoende gedaan om te voorzien in de zorg en aandacht die [zoon/curandus] nodig had. Op [moeder/curator] rustte in haar hoedanigheid van curator geen verplichting om [zoon/curandus] te dwingen met haar terug te keren naar Nederland. [moeder/curator] heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd dat zij het gewelddadig optreden van [zoon/curandus] evenmin had kunnen voorkomen wanneer zij met [zoon/curandus] in Griekenland was achtergebleven. [moeder/curator] is niet op grond van art. 923 GBW aansprakelijk voor de schade die [slachtoffer en moeder] hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de mishandeling van [slachtoffer] door [zoon/curandus]. (rov. 6.25)
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Het middel richt diverse klachten tegen het oordeel van het hof.
3.1.2
Voor zover het middel berust op stellingen naar aanleiding van een voor het eerst in cassatie overgelegde ‘legal opinion’ over Grieks recht, kan het niet tot cassatie leiden. Een onderzoek van die stellingen stuit af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO.5.
3.2.1
De onderdelen 1A en 1C van het middel klagen onder meer dat het hof – anders dan het in rov. 6.22 van het eindarrest heeft gedaan – niet mocht uitgaan van de juistheid van de stelling van [moeder/curator] in haar memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep dat uit de bijsluiter van de door [zoon/curandus] gebruikte medicatie zou volgen dat het staken van het gebruik van de medicatie geen gewelddadig gedrag zou veroorzaken of beïnvloeden, althans dat de bijsluiter niet vermeldt dat agressie, geweld of woede het gevolg zijn van het abrupt staken van het gebruik van de medicatie, zonder [slachtoffer en moeder] in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
3.2.2
Deze klachten slagen. Partijen hebben na de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, waarbij [moeder/curator] de bijsluiter als productie heeft overgelegd, geen proceshandelingen meer verricht. Het hof heeft vervolgens arrest gewezen en heeft in rov. 6.22 de inhoud van de bijsluiter en hetgeen [moeder/curator] daarover heeft gesteld aan zijn beslissing ten grondslag gelegd. Het beginsel van hoor en wederhoor, neergelegd in art. 19 Rv en mede gewaarborgd in art. 6 lid 1 EVRM, brengt mee dat het hof niet mocht uitgaan van de juistheid van de stellingen van [moeder/curator] en de inhoud van de bijsluiter, zonder [slachtoffer en moeder] in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.6.
3.3.1
Gegrondbevinding van de hiervoor in 3.2.1 vermelde klachten van de onderdelen 1A en 1C brengt mee dat de oordelen van het hof in het eindarrest dat [moeder/curator] de zorg heeft betracht die in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar kon worden verlangd (rov. 6.21) en dat het risico op mishandeling van [slachtoffer], als [zoon/curandus] zonder het toezicht van [moeder/curator] in Griekenland zou achterblijven, niet voorzienbaar was voor [moeder/curator] (rov. 6.22) niet in stand kunnen blijven. Na verwijzing zullen deze kwesties opnieuw beoordeeld moeten worden, mede in het licht van de vraag of plotseling staken van medicatie een (voor [moeder/curator]) voorzienbaar risico op agressief gedrag meebracht. Voor zover onderdeel 2A en onderdeel 3A een op de onderdelen 1A en 1C voortbouwende klacht richten tegen deze oordelen van het hof, slagen zij.
3.3.2
Voor zover de klachten van onderdeel 2A en onderdeel 3A feitelijke vaststellingen bestrijden die het hof in rov. 6.22 van het eindarrest heeft gedaan falen zij, omdat deze vaststellingen aan het hof als feitenrechter zijn voorbehouden en niet onbegrijpelijk zijn. Deze feitelijke vaststellingen zijn dus bij de hiervoor in 3.3.1 bedoelde beoordeling na verwijzing uitgangspunt.
3.4.1
Onderdeel 5C klaagt onder meer dat het oordeel van het hof in rov. 6.24 van het eindarrest onbegrijpelijk is omdat ingevolge art. 923 GBW de stelplicht en bewijslast van de stelling dat de mishandeling niet had kunnen worden voorkomen, op [moeder/curator] rusten.
3.4.2
Deze klacht slaagt. Het hof heeft in rov. 6.14 van het eindarrest vastgesteld dat art. 923 GBW bepaalt (in de Engelse vertaling): “Whoever has the supervision of a person under age or of a person placed under judicial assistance is liable for the damage that such persons unlawfully cause to a third party, unless he proves that he has exercised properly the duty of supervision or that the damage could not have been avoided” (zie hiervoor in 2.4). In het licht van deze bepaling is onbegrijpelijk de overweging van het hof dat [slachtoffer en moeder], voor zover zij een ander standpunt aan de vordering ten grondslag zouden hebben gelegd, dat standpunt, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [moeder/curator], onvoldoende hebben onderbouwd. Daarmee is het hof immers klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat het op grond van art. 923 GBW aan [slachtoffer en moeder] was om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de mishandeling had kunnen worden voorkomen.
3.5
Bij deze stand van zaken behoeven de klachten van onderdeel 5A geen behandeling.
3.6
De overige klachten die het middel aanvoert tegen het tussenarrest en het eindarrest kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep voor zover gericht tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2022;
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 november 2022;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [moeder/curator] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [slachtoffer en moeder] begroot op € 485,74 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [moeder/curator] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 12 april 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑04‑2024
Gerechtshof Den Haag 1 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:448.
Gerechtshof Den Haag 8 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2388.
Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEG 2007, L 199/40.
Vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9446, rov. 3.5.3.
Vgl. bijv. HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2263, rov. 5.2.
Conclusie 08‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad. Internationaal Privaatrecht. Procesrecht. Aansprakelijkheid curator voor door curandus in het buitenland gepleegde mishandeling. Schending tweeconclusieregel? Schending hoor en wederhoor (art. 19 Rv). Stelplicht en bewijslast volgens Grieks recht; motiveringsklachten (art. 79 lid 1, onder b, RO).
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00476
Zitting 8 december 2023
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
1. [eiseres 1] , wonende te [plaats] (Duitsland)
(hierna: [eiseres 1] )
2. [eiser 2] , wonende te [plaats] (Duitsland)
(hierna: [eiser 2] )
(gezamenlijk aangeduid als: [eisers] )
tegen
[verweerster] q.q.
(hierna: [verweerster] )
1. Inleiding
1.1
Een in Nederland onder curatele gestelde jongmeerderjarige mishandelt op Kreta een Russisch kind, die met zijn moeder aldaar met vakantie is. Het kind en zijn moeder zijn woonachtig in [plaats] . Als gevolg van deze mishandeling is het kind blijvend invalide. De moeder van de dader is in haar hoedanigheid van curator aansprakelijk gesteld voor de schade van het mishandelde kind. De rechtbank Den Haag heeft zich bevoegd verklaard en heeft de vordering toegewezen. In hoger beroep heeft het hof Den Haag de vordering afgewezen. Het hof heeft Grieks recht toegepast en geoordeeld dat de curator voldoende toezicht heeft gehouden. De moeder van het kind komt in cassatie met verschillende klachten, onder meer de klacht dat het recht van hoor en wederhoor is geschonden, omdat het hof zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op een door de moeder van de dader in een laat stadium overgelegde productie waarop de wederpartij niet meer heeft kunnen reageren.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan kort samengevat van het volgende worden uitgegaan.1.[verweerster] is de moeder van [betrokkene 1] , die geboren is op [geboortedatum] 1993. [betrokkene 1] is bij beschikking van 26 mei 2011 door de kantonrechter in de rechtbank Arnhem onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis. [verweerster] is daarbij benoemd tot curator.
2.2
In de periode tussen ongeveer 28 april 2013 en 5 mei 2013 waren [verweerster] en [betrokkene 1] samen met andere familieleden met vakantie op Kreta. Rond 5 mei 2013 is [verweerster] met de andere familieleden teruggekeerd naar Nederland. [betrokkene 1] is op eigen initiatief op Kreta achtergebleven om te werken in het animatieteam van het hotel waar de familie tijdens hun vakantie had gelogeerd.
2.3
Op 5 mei 2013 is [eiseres 1] met haar zoons [eiser 2] en [betrokkene 2] (toen 11 en 5 jaar oud) met vakantie gegaan naar Kreta.
2.4
In de avond van 14 mei 2013 heeft [betrokkene 1] , die op dat moment werkte in het animatieteam van het hotel waar [eiseres 1] en haar zoons verbleven, [eiser 2] zwaar mishandeld. [betrokkene 1] heeft hem verschillende keren met een mes gestoken in zijn romp, borst, ledematen en hoofd. [eiser 2] heeft daarbij zeer ernstig en deels onherstelbaar letsel opgelopen.
2.5
[eiseres 1] heeft [verweerster] bij exploot van 12 april 2018 aansprakelijk gesteld voor de kosten en schade die [eiseres 1] en [eiser 2] hebben geleden, lijden en nog zullen lijden als gevolg van de mishandeling en, voor zover nodig, de verjaring van haar vordering gestuit.
2.6
In november 2018 heeft [eiseres 1] , zowel pro se als in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de toen nog minderjarige [eiser 2] , [verweerster] – voor zover in cassatie van belang – in haar hoedanigheid van curator gedagvaard voor de rechtbank Den Haag.
2.7
Bij tussenvonnis van 6 februari 2019 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bevolen, die heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2019.
2.8
Bij tussenvonnis van 22 januari 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de hand van het Griekse recht dient te worden beoordeeld of [verweerster] aansprakelijk is voor de schade van [eisers] en – zo ja – welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) verzocht antwoord te geven op een aantal vragen over de inhoud van het Griekse recht.
2.9
Bij eindvonnis van 27 januari 20212.heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [verweerster] in haar hoedanigheid van curator van [betrokkene 1] jegens [eiseres 1] aansprakelijk is voor de schade die [eiser 2] en [eiseres 1] hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de mishandeling van [eiser 2] door [betrokkene 1] . De rechtbank heeft [verweerster] veroordeeld tot vergoeding aan [eiseres 1] van die schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 mei 2013, op te maken bij staat, en tot betaling van de proceskosten. De rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.10
[verweerster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen onder aanvoering van verschillende grieven. [eisers] hebben de grieven bestreden en ‘voor zover nodig’ voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld ‘met betrekking tot de feiten’. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel hoger beroep.
2.11
Kort nadat [verweerster] haar memorie van grieven heeft ingediend, heeft [eiseres 1] een schadestaatprocedure aanhangig gemaakt. Volgens [eiseres 1] is de toekomstige schade daarin becijferd op € 24.000.000, maar zij heeft haar vordering vooralsnog beperkt tot betaling van de verzekerde som onder de aansprakelijkheidsverzekering van [verweerster] , zijnde € 2.500.000, exclusief rente. In reactie hierop heeft [verweerster] bij wege van incident gevorderd dat het hof de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het bestreden vonnis opschort totdat in de hoofdzaak zal zijn beslist.
2.12
Bij tussenarrest van 1 maart 20223.heeft het hof Den Haag het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank toegewezen.
2.13
Bij eindarrest van 8 november 20224.heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van [eisers] afgewezen en [eisers] veroordeeld tot terugbetaling aan [verweerster] van hetgeen door [verweerster] krachtens het bestreden vonnis is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente, en tot betaling van de proceskosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof heeft het arrest, voor wat betreft de veroordelingen, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.14
Het hof heeft, voor zover in cassatie relevant, hiertoe het volgende overwogen. Tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering op grond van art. 4 lid 1 en art. 15 Rome II-Verordening5.beoordeeld moet worden naar Grieks recht, is door partijen geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof Grieks recht zal toepassen (rov. 6.2). Het hof beoordeelt of [verweerster] in haar hoedanigheid van curator aansprakelijk kan worden gesteld op grond van art. 923 Grieks BW, dat kan worden toegepast op een situatie waarin sprake is van een Nederlandse ondercuratelestelling (rov. 6.15-6.19). Daarom dient te worden beoordeeld of [verweerster] in haar hoedanigheid van curator van [betrokkene 1] voldoende toezicht heeft gehouden op [betrokkene 1] of dat de schade niet voorkomen had kunnen worden als bedoeld in artikel 923 Grieks BW (rov. 6.20). Het hof heeft het volgende overwogen (het hof heeft het Grieks BW aangeduid als GBW):
‘6.21 Het hof zal eerst beoordelen of [verweerster] haar zorgplicht ten aanzien van [betrokkene 1] heeft geschonden door hem zonder toezicht en voldoende medicatie in Griekenland achter te laten, zoals [eisers] hebben betoogd. De vraag is of [verweerster] verweten kan worden dat zij het risico op gewelddadig optreden van [betrokkene 1] , als hij zonder haar toezicht in Griekenland zou achterblijven, had kunnen voorzien en of zij dit gewelddadig optreden had kunnen vermijden. Die vraag wordt door het hof ontkennend beantwoord. [verweerster] heeft naar het oordeel van het hof de zorg betracht die in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar kon worden verlangd.
6.22
Daartoe acht het hof het volgende redengevend. Tussen partijen staat vast dat [betrokkene 1] een (lichte) vorm van autisme heeft, en tevens een beperkte borderline stoornis en een concentratiestoornis (ADHD). Geen van deze stoornissen brengt een verhoogd risico op gewelddadig gedrag mee. Daarnaast heeft [betrokkene 1] een verstandelijke beperking, wat op zichzelf evenmin een verhoogd risico op gewelddadig gedrag vormt. [betrokkene 1] gebruikte ten tijde van de mishandeling als medicatie al geruime tijd Concerta, met als werkzame stof methylfenidaat. Van deze stof is volgens de bijsluiter die [verweerster] heeft overgelegd als bijwerking weliswaar bekend dat bij gebruik ervan sprake kan zijn van agressief gedrag, maar uit de bijsluiter volgt ook dat als het gebruik van het medicijn plotseling wordt gestaakt, zoals volgens [eisers] in dit geval is gebeurd, de symptomen van ADHD kunnen terugkomen of juist effecten als langdurige somberheid of depressie kunnen optreden. In de bijsluiter is niets vermeld over agressief gedrag wanneer het gebruik van het medicijn plotseling wordt gestaakt. [verweerster] heeft onweersproken aangevoerd dat [betrokkene 1] vóór de mishandeling, ook in de jaren na de periode van zijn behandeling in de instelling “ [de instelling] ” die in 2011 was afgerond, geen intensieve begeleiding in het dagelijkse leven kreeg. [betrokkene 1] ging zelfstandig naar school en stage, ging zelfstandig met vrienden om en ging vaker zelfstandig met vakantie. Hij was in 2013 eerder met een vriendin in Griekenland met vakantie geweest, en daarbij hadden zich geen problemen voorgedaan die [verweerster] tot het besef hadden moeten brengen dat zij [betrokkene 1] niet in Griekenland kon achterlaten. Haar toenmalige echtgenoot, en de vader van [betrokkene 1] , achtte [betrokkene 1] ook in staat om zelfstandig in Griekenland te blijven. [verweerster] heeft ten slotte onweersproken gesteld dat [betrokkene 1] zich niet eerder aan gewelddadig gedrag schuldig had gemaakt. Het risico op mishandeling van [eiser 2] , als [betrokkene 1] zonder haar toezicht in Griekenland zou achterblijven, was daarom naar het oordeel van het hof niet voorzienbaar voor [verweerster] .
6.23
Het hof acht verder door [verweerster] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij met (de staf en de directeur van) het hotel afspraken heeft gemaakt over het verblijf van [betrokkene 1] , zijn medicatie en zijn werkzaamheden in het hotel. Van een ‘aan zijn lot overlaten’, als door [eisers] gesteld, is hier geen sprake geweest, althans is dat verwijt, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan, onvoldoende onderbouwd. De medische achtergrond van [betrokkene 1] was niet zodanig dat van [verweerster] meer verwacht had mogen worden dan ze stelt te hebben gedaan. Weliswaar wordt door [eisers] - gedeeltelijk - betwist dat [verweerster] de door haar gestelde afspraken met het hotel heeft gemaakt, maar die betwisting hebben [eisers] niet of onvoldoende nader onderbouwd. Als voldoende gemotiveerde betwisting kan niet gelden het aanhalen - uit niet door een beëdigde vertaler/tolk opgestelde vertalingen - van wat de leidinggevende van het animatieteam […] en de hotelmanager […] zouden hebben verklaard als getuige tijdens de strafzaken op Kreta. Tussen partijen staat bovendien niet ter discussie dat [verweerster] aan medewerkers van het hotel heeft duidelijk gemaakt dat [betrokkene 1] wegens zijn ondercuratelestelling niet handelingsbekwaam was, wat impliceert dat zij met hen gesproken zal hebben over de vereiste zorg en aandacht voor [betrokkene 1] , die uitging boven wat normaliter verwacht mag worden van een werkgever ten aanzien van een buitenlandse, jongvolwassen medewerker.
6.24
Het hof acht bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat [verweerster] de mishandeling van [betrokkene 1] feitelijk ook niet had kunnen voorkomen als zij met [betrokkene 1] in Griekenland zou zijn gebleven. Haar was immers onbekend dat [betrokkene 1] zo extreem gewelddadig kon zijn, noch kende zij de aanleiding voor het in deze zaak gepleegde geweld. [verweerster] heeft betwist dat haar bekend was dat [betrokkene 1] op Kreta een mes had aangeschaft dat hij bij zich droeg. De mishandeling moet bovendien in zeer korte tijd gepleegd zijn. Uit niets blijkt verder dat [betrokkene 1] niet gewelddadig was geworden wanneer [verweerster] er dagelijks op had toegezien dat hij zijn medicatie innam. Voor zover [eisers] een ander standpunt aan de vordering ten grondslag hebben gelegd, hebben zij dat, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [verweerster] , onvoldoende onderbouwd. Ook ontbreekt een gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt.
6.25
Rekening houdend met het overwegend beschermende karakter van de ondercuratelestelling naar Nederlands recht, concludeert het hof dat [verweerster] in haar rol van curator niet is tekortgeschoten en voldoende toezicht op [betrokkene 1] heeft gehouden. [verweerster] was niet gehouden tot het (persoonlijk) uitoefenen van permanent toezicht op [betrokkene 1] . Voor haar was immers geenszins voorzienbaar dat [betrokkene 1] zonder permanent toezicht (extreem)gevaarlijk gedrag zou - kunnen - vertonen. Het hof gaat daarom voorbij aan het citaat uit de legal opinion (blz. 9) van mevrouw […] die [eisers] bij memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel hebben overgelegd als productie 5. [verweerster] heeft door afspraken te maken met medewerkers van het hotel op Kreta over het verblijf van [betrokkene 1] na haar eigen vertrek uit Griekenland voldoende gedaan om te voorzien in de zorg en aandacht die [betrokkene 1] nodig had. Volgens het hof rustte op [verweerster] in haar hoedanigheid van curator geen verplichting om [betrokkene 1] te dwingen met haar terug te keren naar Nederland. De situatie en de achtergrond van [betrokkene 1] gaven daartoe geen aanleiding. [verweerster] heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd dat zij het gewelddadig optreden van [betrokkene 1] evenmin had kunnen voorkomen wanneer zij met [betrokkene 1] in Griekenland was achtergebleven. De conclusie is dus dat de in artikel 923 GBW bedoelde uitzondering - mocht die al gelden - zich voordoet. Het vorenstaande betekent dat [verweerster] niet aansprakelijk is voor de schade die [eisers] hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de mishandeling van [eiser 2] door [betrokkene 1] op grond van artikel 923 GBW.
6.26
Toegevoegd wordt nog, na het voorgaande ten overvloede, dat in het rapport van het IJI is vastgesteld dat volgens de geraadpleegde Griekse expert tot op de dag van vandaag geen Griekse rechtspraak bestaat over de casuspositie die in deze zaak voorligt, namelijk de aansprakelijkheid van een naar buitenlands recht benoemde toezichthouder (curator) op grond van artikel 923 GBW voor extreem gewelddadige gedragingen van een (meerderjarige) onder curatele gestelde. In Griekse zaken waarin artikel 923 GBW werd toegepast, ging het telkens om aansprakelijkheid in de context van ofwel verkeersongevallen ofwel in het algemeen schadeveroorzakend gedrag door minderjarigen. Niet geheel zeker is hoe in de Griekse rechtspraak over de aansprakelijkheid in een geval als het onderhavige geoordeeld zou worden, aldus de Griekse expert. Ook om die reden is er geen aanleiding om [verweerster] in weerwil van al het voorgaande in dit geval wel aansprakelijk te achten voor het onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] .’
2.15
[eisers] hebben (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest van 1 maart 2022 en het eindarrest van 8 november 2022. [verweerster] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat negen onderdelen.
3.2
Onderdeel 1 valt in vier subonderdelen (1A t/m 1D) uiteen. Onderdeel 1A is gericht tegen rov. 6.22, waarin het hof heeft verwezen naar de bijsluiter van het medicijn Concerta, die [verweerster] heeft overgelegd als productie 1 bij haar memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Volgens het onderdeel is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door de stelling van [verweerster] te behandelen dat – kort gezegd – uit de bijsluiter niet volgt dat het staken van het medicijn leidt tot gewelddadig gedrag. Het onderdeel betoogt dat het gaat om een nieuwe grief die is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat door het staken van het gebruik van Concerta het gewelddadig gedrag is veroorzaakt of beïnvloed. Deze grief had op grond van de tweeconclusieregel in de memorie van grieven aangevoerd moeten worden. Daarnaast zag het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep op de verjaring en gaf het geenszins aanleiding voor [verweerster] om met voornoemde stelling te reageren. Ook om die reden had het hof deze stelling buiten beschouwing moeten laten. Het onderdeel stelt voorts dat geen sprake was van aanvaarding van de rechtsstrijd door [eisers] aangezien de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep het laatste processtuk was en naar vaste jurisprudentie van een procespartij niet mag worden verlangd dat deze een akte neemt of pleidooi verzoekt uitsluitend om bij memorie van antwoord aangevoerde feiten te bestrijden. Het hof had op grond van de jurisprudentie bovendien niet mogen uitgaan van de juistheid van de stelling van [verweerster] , althans [eisers] in de gelegenheid moeten stellen om op de stelling en de inhoud van de bijsluiter te reageren. Het onderdeel betoogt dat sprake is van een essentiële stelling: indien de stelling niet was toegelaten of indien [eisers] in de gelegenheid waren gesteld daarop te reageren, was er een reële kans dat het hof tot een andere beslissing was gekomen. Bovendien speelt deze stelling een dragende, althans belangrijke rol in de overweging van het hof dat het risico op mishandeling van [eiser 2] naar het oordeel van het hof niet voorzienbaar was voor [verweerster] , aldus het onderdeel.
3.3
Over de klacht dat het hof de tweeconclusieregel heeft geschonden, merk ik het volgende op. De tweeconclusieregel is gericht op de beperking van het processuele debat in hoger beroep en brengt mee dat grieven, een eisverandering of -vermeerdering, en nieuwe feiten en stellingen in beginsel uiterlijk in de eerste conclusie mogen worden aangevoerd.6.Ook voor verweren die door geïntimeerde worden aangevoerd tegen de vordering van de oorspronkelijk eiser, geldt dat wijziging of uitbreiding daarvan dient plaats te vinden in de eerste conclusie in hoger beroep.7.Op deze in beginsel strakke regel zijn een drietal uitzonderingen aanvaard, namelijk in het geval dat (i) de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd8., (ii) onverkorte toepassing van de regel in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde (zoals bij een apparaatsfout9.of nieuwe ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard10.), en (iii) de bijzondere aard van de procedure dat meebrengt.11.Ook voor die uitzonderingsgevallen blijft echter gelden dat dit niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. De tweeconclusieregel staat er niet aan in de weg dat reeds ingenomen grieven, stellingen en verweren later worden uitgewerkt of gepreciseerd12.of dat appellant, bij betwisting van de door hem gestelde feiten door geïntimeerde, bij akteverzoek met betrekking tot die feiten alsnog bewijsstukken in geding brengt of bewijs aanbiedt.13.De beoordeling of sprake is van een toelaatbare uitwerking of precisering berust op uitleg van de processtukken, die is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht.14.
3.4
In haar memorie van grieven heeft [verweerster] gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van het noodzakelijke causale verband tussen de schade van [eiser 2] en het nalaten van [verweerster] . [verweerster] heeft daartoe onder meer gesteld:
‘43. Niet onderzocht of vastgesteld is dat het niet gebruiken van de medicatie zodanige gevolgen zou hebben of heeft gehad dat daardoor het risico is ontstaan dat [betrokkene 1] gewelddadig zou worden. Van het staken van het medicijn Concerta is niet bekend dat het lijdt [lees: leidt, A-G] tot gewelddadig gedrag.
(…)
49. Omgekeerd is in deze procedure niet gebleken waarom [betrokkene 1] zo gewelddadig is geweest als het geval was. Nergens blijkt uit dat [verweerster] , ook als zij bijvoorbeeld in Griekenland bij hem zou zijn gebleven en [betrokkene 1] van medicatie had voorzien, dit had kunnen voorkomen. Net zo min als ergens uit blijkt dat in die situatie, dit onrechtmatige geweld niet was toegepast. Nergens blijkt uit dat dit door het veronderstelde gestaakte gebruik van ‘Concerta’ is veroorzaakt.’
3.5
[eisers] hebben in hun memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld:
‘2.4. [eisers] stellen voor zover nodig, voorwaardelijk appel in met betrekking tot de feiten. De rechtbank heeft deze immers summier vastgesteld. In hoger beroep zullen deze feiten worden aangevuld en er zullen nieuwe feiten worden gesteld.’
3.6
Vervolgens hebben [eisers] in die memorie van antwoord onder het kopje ‘feiten’ gesteld:
‘3.17 Van belang is ook zijn medicatiegebruik: sedert jaren slikte [betrokkene 1] het medicijn Concerta, een merknaam dat de werkzame stof methylfenidaat bevat dat chemisch lijkt op amfetamine en ook wel bekend staat als hard drug speed. (…) De dagelijkse dosis voor [betrokkene 1] was 36 milligram, een relatief hoge dosis, gangbaar is 18 milligram per dag. Deze medicatie wordt door artsen voorgeschreven om hyperactief en impulsief gedrag te beheersen; zoals [verweerster] het noemde tijdens de comparitie op 18 oktober 2018 om hem rustig te houden in zijn hoofd.
(…)
Het gebruik van Concerta heeft ook bijwerkingen. Zo heeft het abrupt staken, zeker bij een relatief hoge dosis, ernstige gevolgen op de gemoedstoestand van de patiënt. Het gebuikt [lees: gebruik, A-G] van alcohol is dan een sterke contra-indicatie.’
3.7
[verweerster] heeft hierop gereageerd in de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep. In de paragraaf over “De gestelde aanvulling van ‘feiten’” heeft [verweerster] ten aanzien van het gebruik van het medicijn Concerta het volgende gesteld:
‘21. [verweerster] overlegt als PRODUCTIE 1 de bijsluiter van Concerta, welk medicijn [betrokkene 1] door artsen is voorgeschreven en hij al lang gebruikte. Tot de mogelijke andere bijwerkingen van Concerta behoort agressief, opgewonden, angstig, depressief, geïrriteerd, gespannen, zenuwachtig gevoel en abnormaal gedrag. Van agressief gedrag was [verweerster] dus nooit gebleken. Het is bovendien irrelevant, want de betwiste beslissing van de rechtbank is dat door het staken van het gebruik van Concerta, het gewelddadig gedrag zou zijn veroorzaakt of beïnvloed, dus niet door het gebruik ervan. Daarover vermeldt de bijsluiter echter het tegendeel, althans niet dat agressie of geweld of woede het gevolg zijn van het abrupt staken van het gebruik ervan:
“Als u of uw kind plotseling stopt met dit medicijn, kunnen de symptomen van ADHD terugkomen of er kunnen ongewenste effecten zoals langdurige somberheid (depressie) optreden. Het kan zijn dat uw arts de hoeveelheid medicijn die elke dag wordt ingenomen geleidelijk wil verminderen alvorens er volledig mee te stoppen.”’
3.8
Uit deze processtukken volgt dat het hof geenszins is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de tweeconclusieregel door de stelling van [verweerster] te behandelen dat – kort gezegd – uit de bijsluiter niet volgt dat het staken van het medicijn leidt tot gewelddadig gedrag. Het hof heeft de stelling van [verweerster] kennelijk beoordeeld als een uitwerking van haar grief dat van het staken van het gebruik van Concerta niet bekend is dat het leidt tot gewelddadig gedrag, dan wel als een verweer tegen de door [eisers] in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingenomen stelling dat het abrupt staken van Concerta ernstige gevolgen heeft voor de gemoedstoestand.15.Dit oordeel berust op een uitleg van de processtukken, die is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. De klacht faalt.
3.9
Voor zover het onderdeel klaagt dat het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [eisers] was beperkt tot de verjaring en geenszins aanleiding voor [verweerster] gaf om met voornoemde stelling te reageren, merk ik op dat deze klacht geen steun vindt in de processtukken, gelet op de inhoud en strekking van het voorwaardelijk incidenteel appel. De klacht faalt.
3.10
Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof niet had mogen uitgaan van de juistheid van de stelling van [verweerster] , althans [eisers] in de gelegenheid had moeten stellen om op de stelling en de inhoud van de bijsluiter te reageren, merk ik het volgende op. In zijn arrest van 9 november 201216.heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht van hoor en wederhoor, zoals ook neergelegd in art. 19 Rv, het recht van partijen omvat om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken. Daarbij is het in beginsel niet van belang of – en zo ja, in welke mate – gegevens en bescheiden waarvan partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen dan wel daadwerkelijk van invloed zijn (geweest) op de beslissing van de rechter. Gelet op voormeld uitgangspunt is het immers niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie. Het uitgangspunt lijdt uitzondering indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak, aldus de Hoge Raad.
3.11
De omstandigheid dat een partij niet meer heeft gereageerd op de conclusie van dupliek of memorie van antwoord brengt niet mee dat de rechter het daarin aangevoerde of de daarbij in het geding gebrachte producties automatisch (als niet of onvoldoende weersproken) als juist mag aanvaarden. Deze regel heeft als ratio dat van een procespartij niet mag worden gevergd dat deze steeds een akte ter rolle neemt of steeds pleidooi vraagt, uitsluitend om te voorkomen dat deze feiten en stellingen als vaststaand zullen gelden. Volgens de Hoge Raad is noch een goede procesorde, noch enig ander rechtsbelang hiermee gediend.17.
3.12
Tjon Tjin Tai merkt in dit verband op (voetnoten weggelaten):
‘Wanneer de partij die als laatste aan het woord komt, daarbij nog gegevens in het geding brengt, zal de rechter daarmee ingevolge de tweede zin van [art. 19 lid 1 Rv] niet ten nadele van de andere partij rekening mogen houden. (…) De rechter zal deze gegevens derhalve ofwel buiten beschouwing moeten laten, ofwel aan de wederpartij alsnog gelegenheid moeten geven daarop te reageren. Dit zal er in de praktijk op neerkomen dat de rechter die dergelijke gegevens aan zijn beslissing ten grondslag wil leggen, de wederpartij zal moeten laten reageren.’18.
3.13
Blijkens het door [eisers] overgelegde afschrift van het roljournaal19.hebben partijen na de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, waarbij de bijsluiter van het medicijn Concerta als productie is overgelegd, en na afloop van de gebruikelijke termijn van twee weken voor beraad20., arrest gevraagd. Het hof heeft vervolgens arrest gewezen en in rov. 6.22 uitdrukkelijk verwezen naar de overgelegde bijsluiter. Het recht van hoor en wederhoor brengt mee dat het hof ofwel de stelling van [verweerster] met betrekking tot deze bijsluiter en de inhoud daarvan buiten beschouwing had moeten laten, ofwel [eisers] de gelegenheid had moeten geven daarop te reageren. Anders dan [verweerster] betoogt in haar schriftelijke toelichting (onder 4.18), volgt uit rov. 6.22 dat het hof zijn oordeel dat het risico op mishandeling van [eiser 2] in het geval dat [betrokkene 1] zonder toezicht van [verweerster] in Griekenland zou achterblijven, niet voorzienbaar was voor [verweerster] , mede heeft gebaseerd op zijn vaststelling dat de bijsluiter niet vermeldt dat een abrupte staking van het medicijn Concerta agressief gedrag tot gevolg kan hebben. Uit het voorgaande volgt dat de klacht slaagt, omdat het hof niet mocht uitgaan van de juistheid van de stelling van [verweerster] en de inhoud van de bijsluiter zonder [eisers] in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
3.14
Onderdeel 1B is gericht tegen rov. 6.22 waarin het hof heeft overwogen dat [verweerster] onweersproken heeft gesteld dat:
i. [betrokkene 1] vóór de mishandeling, ook in de jaren na de periode van zijn behandeling in de instelling “ [de instelling] ” die in 2011 was afgerond, geen intensieve begeleiding in het dagelijkse leven kreeg, dat hij zelfstandig naar school en stage ging, met vrienden omging en vaker zelfstandig met vakantie ging;
ii. [betrokkene 1] in 2013 eerder met een vriendin in Griekenland met vakantie geweest, en dat zich daarbij geen problemen hadden voorgedaan die [verweerster] tot het besef hadden moeten brengen dat zij [betrokkene 1] niet in Griekenland kon achterlaten.
Volgens het onderdeel zijn deze stellingen pas door [verweerster] aangevoerd, althans aangevuld, in de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel beroep. Het hof had daaraan voorbij moeten gaan, althans [eisers] in de gelegenheid moeten stellen daarop te reageren. De stellingen zijn bovendien essentieel nu de mate van zelfstandigheid van [betrokkene 1] relevant is geweest voor het oordeel van het hof, aldus het middel.
3.15
Anders dan het onderdeel stelt, zijn de genoemde stellingen door [verweerster] reeds ingenomen in de memorie van grieven.21.Daarmee faalt het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.16
Onderdeel 1C bouwt op de vorige onderdelen voort. Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat het [eisers] in de gelegenheid had moeten stellen te reageren op de overlegde bijsluiter en de hierover door [verweerster] ingenomen stelling, slaagt de klacht in het voetspoor van onderdeel 1A. Voor zover het onderdeel stelt dat het hof [eisers] de gelegenheid had moeten geven om te reageren op de in onderdeel 1B genoemde stellingen, deelt het in het lot van dat onderdeel.
3.17
Onderdeel 1D stelt dat het hof de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep had moeten weigeren, althans passeren, behoudens het deel dat op voorwaardelijk incidenteel hoger beroep toezag, nu het grotendeels om een verkapte repliek gaat hetgeen in strijd is met de tweeconclusieregel en art. 347 lid 3 Rv.
3.18
Het onderdeel betoogt – gelezen in samenhang met onderdeel 1A – kennelijk dat het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep was beperkt tot de verjaring. Het onderdeel faalt op de gronden die bij onderdeel 1A zijn uiteengezet.
3.19
Onderdeel 2 valt uiteen in drie subonderdelen. Onderdeel 2A richt een motiveringsklacht tegen rov. 6.22 waarin het hof heeft overwogen dat [verweerster] onweersproken heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] vóór de mishandeling geen intensieve begeleiding in het dagelijks leven kreeg, zelfstandig naar school en stage ging, met vrienden omging en vaker zelfstandig met vakantie ging. Het onderdeel betoogt dat [eisers] een en ander gemotiveerd hebben weersproken met de stellingen die in het onderdeel worden opgesomd. Voor zover het hof van mening zou zijn dat deze stellingen een onvoldoende betwisting inhouden, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van [verweerster] , aldus het onderdeel. Onderdeel 2B stelt dat het hof ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de stelling van [eisers] dat [betrokkene 1] nog nooit alleen op vakantie was geweest, maar altijd met iemand anders. Onderdeel 2C klaagt dat de overweging van het hof dat de vader van [betrokkene 1] hem ook in staat achtte om zelfstandig in Griekenland te blijven, onbegrijpelijk is.
3.20
Bij het slagen van de klacht van onderdeel 1A dat sprake is van schending van het recht van hoor en wederhoor, zal het debat bij het verwijzingshof gaan over de vraag of het staken van het medicijn Concerta heeft geleid tot gewelddadig gedrag bij [betrokkene 1] . Het verwijzingshof zal in dat geval moeten oordelen of het risico op mishandeling van [eiser 2] door [betrokkene 1] voorzienbaar was voor [verweerster] , waarbij het verwijzingshof – gelet op het in hoge mate feitelijke karakter van deze beoordeling – de stellingen van partijen kan laten meewegen die zij hebben ingenomen, waaronder de stellingen die [eisers] in onderdeel 2 aan de orde stellen. Dit betekent dat de Hoge Raad de klachten van onderdeel 2 buiten behandeling kan laten met het oog op de procedure na vernietiging en verwijzing.22.
3.21
Onderdeel 3 valt uiteen in drie subonderdelen. Onderdeel 3A betoogt dat, gelet op hetgeen in de voorgaande onderdelen is aangevoerd, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn de conclusies van het hof in o.a. rov. 6.21 en 6.22 dat het risico op de mishandeling van [eiser 2] in het geval dat [betrokkene 1] zonder toezicht in Griekenland zou achterblijven, onvoorzienbaar of onvermijdbaar was en dat [verweerster] de zorg heeft betracht die in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar kon worden verlangd. Het onderdeel verwijst hierbij naar verschillende stellingen van [eisers]
3.22
Onderdeel 3A bouwt voort op onderdeel 2 en kan om dezelfde reden buiten behandeling blijven.
3.23
Onderdeel 3B stelt dat het hof heeft miskend dat naar (Grieks) bewijsrecht de stelplicht en bewijslast bij [verweerster] rusten. Volgens het onderdeel hielden de in de vorige (sub)onderdelen behandelde stellingen een gemotiveerde betwisting in van de stellingen van [verweerster] over de onvoorzienbaarheid/onvermijdbaarheid, zodat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof (impliciet) oordeelt dat [verweerster] heeft bewezen dat is voldaan aan de ‘tenzij-bepaling’ van art. 923 Grieks BW, althans waarom het risico op de mishandeling onvoorzienbaar of onvermijdbaar was. Het gaat hier bovendien om een (pseudo)risicoaansprakelijk of wettelijk bewijsvermoeden waarbij kennelijke bescherming van het slachtoffer wordt beoogd. Daarbij past het niet om te strenge eisen te stellen aan de betwisting door het slachtoffer of te soepele eisen aan de stelplicht van de toezichthouder, aldus het onderdeel. Verder betoogt het onderdeel dat zelfs als [verweerster] niet heeft kunnen voorzien dat [betrokkene 1] zonder toezicht zo gewelddadig zou worden, dit nog steeds niet het vermoeden weerlegt dat zij als curator verwijtbaar heeft gehandeld en dat er een causaal verband is met de schade nu [eisers] gemotiveerd hebben gesteld dat [verweerster] is tekortgeschoten in haar ‘duty of supervision’. Het onderdeel wijst op een in de bijlage van het rapport van het IJI geciteerde gelijksoortige zaak waarin het hof van Thessaloniki een in Duitsland achtergebleven vader aansprakelijk hield voor een door zijn zoon in Griekenland gepleegde moord ‘because he neglected to insist on his son’s medical treatments’, zodat het daarom onbegrijpelijk is waarom het hof van oordeel is dat [verweerster] zich op de ‘tenzij-bepaling’ kan beroepen, aldus het middel. Onderdeel 3C betoogt dat het hof op grond van art. 25 Rv jo. art. 10:2 BW ambtshalve aandacht had moeten besteden aan deze Griekse uitspraak.
3.24
Voor zover onderdeel 3B voortbouwt op de vorige onderdelen, behoeft het geen behandeling. Voor zover het onderdeel klaagt over verdeling van de bewijslast, merk ik het volgende op. In art. 10:3 BW is bepaald dat het Nederlandse recht van toepassing is op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter. Art. 1 lid 3 Rome II-Verordening bepaalt dat deze verordening niet van toepassing is op de bewijsvoering en de rechtspleging, onverminderd art. 21 en 22. In art. 22 lid 1 Rome II-Verordening is het volgende bepaald:
‘Het recht dat van toepassing is op de niet-contractuele verbintenis krachtens deze verordening is van toepassing voor zover het ter zake van niet-contractuele verbintenissen wettelijke vermoedens vestigt of de bewijslast regelt.’
3.25
In rov. 6.14 heeft het hof art. 923 Grieks BW geciteerd uit het rapport van het IJI:
‘Uit de rapportage van het IJI blijkt dat artikel 923 GBW het volgende bepaalt: “Whoever has the supervision of a person under age or of a person placed under judicial assistance is liable for the damage that such persons unlawfully cause to a third party, unless he proves that he has exercised properly the duty of supervision or that the damage could not have been avoided. (...)”. (…)’
3.26
Uit art. 22 lid 1 Rome II-Verordening volgt, kort gezegd, dat op de bewijslast van toepassing is het recht dat de onrechtmatige daad beheerst (de lex causae). Art. 22 ziet op materiële kwesties van bewijsrecht, waaronder de bewijslastverdeling, en heeft geen betrekking op kwesties met betrekking tot de formele aspecten van het bewijsrecht, zoals de toelaatbaarheid van bewijs en de bewijswaardering.23.Deze aspecten zijn ingevolge art. 10:3 BW onderworpen aan Nederlands recht als het recht van de aangezochte rechter (lex fori).24.
3.27
In de rechtsoverwegingen van het hof ligt besloten dat het de bijzondere bewijslastverdeling van art. 923 Grieks BW heeft toegepast door op [verweerster] de bewijslast te leggen. Voor zover het middel klaagt dat het hof deze bepaling onjuist heeft toegepast, stuiten de klachten af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO, evenals de motiveringsklachten die zich niet laten beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof over de inhoud en uitleg van het Griekse recht te betrekken.25.Hetzelfde geldt voor de klachten van onderdeel 3C dat het hof ambtshalve aandacht had moeten besteden aan de uitspraak van het hof van Thessaloniki en dat het oordeel van het hof in het licht van deze uitspraak onbegrijpelijk is. De onderdelen 3B en 3C falen derhalve.
3.28
Onderdeel 4 klaagt eveneens over de toepassing van (Grieks) bewijsrecht. Het onderdeel is gericht tegen rov. 6.23, waarin het hof heeft overwogen dat [verweerster] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij met het hotel afspraken heeft gemaakt over het verblijf van [betrokkene 1] , zijn medicatie en zijn werkzaamheden in het hotel. Volgens het hof is van een ‘aan zijn lot overlaten’ als door [eisers] gesteld, geen sprake geweest, althans dat verwijt is, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan, onvoldoende onderbouwd. Het onderdeel betoogt dat het hof hiermee heeft miskend dat de stelplicht en de bewijslast op basis van Grieks bewijsrecht, zoals volgt uit art. 923 Grieks BW, bij [verweerster] rusten. Het onderdeel betoogt verder dat het hof te strenge eisen heeft gesteld aan de betwisting van [eisers] door te oordelen dat als voldoende gemotiveerde betwisting niet kan gelden het aanhalen – uit niet door een beëdigd vertaler/tolk opgestelde verklaringen – van wat de leidinggevenden van het animatieteam en hotelmanager zouden hebben verklaard als getuige tijdens de strafzaak op Kreta. Dit is volgens het onderdeel des te meer onbegrijpelijk nu het hof in rov. 6.9 wel verwijst naar eveneens niet door een beëdigd vertaler/tolk opgestelde verklaringen van tijdens de strafprocedure in Griekenland afgelegde getuigenverklaringen. Bovendien heeft het hof miskend dat [eisers] recht op tegenbewijs hebben, althans bij akte in eerste instantie gemotiveerd hebben aangegeven dat zij om proceseconomische redenen hebben afgezien van het inschakelen van een beëdigd tolk/vertaler en in dat verband uitdrukkelijk bewijs hebben aangeboden. Verder betoogt het onderdeel dat ook indien ervan wordt uitgegaan dat [verweerster] afspraken heeft gemaakt met het hotel over [betrokkene 1] , het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geconcludeerd dat de medische achtergrond van [verweerster] niet zodanig was dat van haar meer verwacht had mogen worden dan zij stelt te hebben gedaan. Het hof had nader moeten reageren op de stellingen die [eisers] in dit verband hebben aangevoerd, onder meer dat [verweerster] [betrokkene 1] voor het eerst alleen, zonder toezicht en zonder voldoende medicatie in Griekenland heeft achtergelaten, terwijl zij wist dat hij onrustig of moeilijk was zonder medicatie. Volgens het onderdeel zijn deze stellingen essentieel voor het oordeel of aan de ‘tenzij-bepaling’ van art. 923 Grieks BW is voldaan.
3.29
Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof het Griekse recht onjuist heeft toegepast door de verdeling van de stelplicht en de bewijslast te miskennen die uit art. 923 Grieks BW voortvloeit, bouwt het voort op onderdeel 3B en faalt het in het voetspoor daarvan.
3.30
Voor zover in het onderdeel (procesinleiding onder 25) de klacht moet worden gelezen dat het hof de verklaringen van de leidinggevenden van het animatieteam en de hotelmanager buiten beschouwing heeft gelaten, omdat de vertalingen ervan niet door een beëdigde vertaler/tolk zijn opgesteld, mist de klacht feitelijke grondslag. Uit rov. 6.23 volgt niet dat het hof deze verklaringen buiten beschouwing heeft gelaten, maar dat het hof het aanhalen van deze verklaringen niet als een voldoende gemotiveerde betwisting heeft beoordeeld van de door [verweerster] gestelde afspraken met het hotel.
3.31
Voor zover in het onderdeel een klacht moet worden gelezen over de bewijswaardering door het hof, merk ik op dat dit onderwerp krachtens art. 10:3 BW is onderworpen aan Nederlands recht als lex fori. Op grond van art. 152 lid 2 Rv is de waardering van bewijs aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. Dit voorschrift houdt in dat de rechter vrij is om naar eigen inzicht te bepalen welke bewijskracht aan een bepaald bewijsmiddel moet worden toegekend en te beslissen wanneer het bewijs is geleverd.26.De bewijswaardering is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.27.Hoewel in algemene zin geldt dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang28., behoeft de rechter niet te motiveren waarom hij meer waarde hecht aan het ene bewijsmiddel dan aan het andere bewijsmiddel.29.De klacht faalt daarom.
3.32
Het onderdeel klaagt verder dat het hof had moeten reageren op de stellingen van [eisers] , waaronder dat [verweerster] [betrokkene 1] voor het eerst alleen, zonder toezicht en zonder voldoende medicatie in Griekenland heeft achtergelaten, terwijl zij wist dat hij onrustig of moeilijk was zonder medicatie, aangezien deze stellingen essentieel zijn voor het oordeel of aan de ‘tenzij-bepaling’ is voldaan. Deze klacht kan buiten behandeling blijven om de redenen die ik heb uiteengezet bij de bespreking van onderdeel 2.
3.33
Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 6.24 en valt uiteen in drie subonderdelen. Onderdeel 5A klaagt, kort samengevat, dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat [verweerster] de mishandeling van [eiser 2] feitelijk ook niet had kunnen voorkomen als zij met [betrokkene 1] in Griekenland zou zijn gebleven.
3.34
Uit rov. 6.24 volgt dat het hof aan zijn oordeel dat de mishandeling van [eiser 2] feitelijk niet door [verweerster] had kunnen worden voorkomen als zij met [betrokkene 1] in Griekenland was gebleven, mede ten grondslag heeft gelegd dat uit niets blijkt dat [betrokkene 1] niet gewelddadig was geworden wanneer [verweerster] er dagelijks op had toegezien dat hij zijn medicatie nam. Het hof heeft dat oordeel kennelijk mede gebaseerd op de inhoud van de bijsluiter van het medicijn Concerta, waarop [eisers] niet hebben kunnen reageren. Deze klacht bouwt voort op onderdeel 2 en kan bij het slagen van de klacht over schending van het recht op hoor en wederhoor, opgenomen in onderdeel 1A, buiten behandeling blijven. Na vernietiging van het bestreden arrest zal het verwijzingshof opnieuw moeten oordelen of de mishandeling van [eiser 2] had kunnen worden voorkomen door [verweerster] .
3.35
Onderdeel 5B klaagt dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van [eisers] dat de mishandeling was uitgebleven als [betrokkene 1] met [verweerster] mee naar huis was gegaan. Volgens het middel had het hof moeten reageren op deze stelling omdat beantwoording daarvan essentieel is in het kader van de vraag of aan de ‘tenzij-clausule’ van art. 923 Grieks BW is voldaan.
3.36
Het hof heeft in rov. 6.25 overwogen dat op [verweerster] in haar hoedanigheid van curator geen verplichting rustte om [betrokkene 1] te dwingen met haar terug te keren naar Nederland. In dat licht is het niet onbegrijpelijk dat het hof, bij zijn beoordeling of [verweerster] haar zorgplicht heeft vervuld en of de mishandeling voorkomen had kunnen worden, is uitgegaan van de situatie zoals deze zich heeft voorgedaan, namelijk de situatie waarin [betrokkene 1] in Griekenland is gebleven. Dat de mishandeling van [eiser 2] was uitgebleven als [betrokkene 1] niet in Griekenland was geweest, is evident, maar het hof hoefde daarop, gelet op het voorgaande, niet afzonderlijk te reageren. De klacht faalt daarom.
3.37
Onderdeel 5C klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 6.24 onjuist of onbegrijpelijk is in het kader van de toepassing van art. 923 Grieks BW, waarbij de stelplicht en de bewijslast op [verweerster] rusten.
3.38
Uit art. 923 Grieks BW volgt dat op [verweerster] de stelplicht en de bewijslast rusten of aan de ‘tenzij-clausule’ is voldaan. Daarmee zijn de twee laatste zinnen van rov. 6.24 in strijd, nu het hof daarin de stelplicht en de bewijslast lijkt te leggen bij [eisers] door te overwegen:
‘Voor zover [eisers] een ander standpunt aan de vordering ten grondslag hebben gelegd, hebben zij dat, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [verweerster] , onvoldoende onderbouwd. Ook ontbreekt een gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt.’
Nog buiten beschouwing gelaten dat (mij) niet duidelijk is wat het hof heeft bedoeld met de passage ‘voor zover [eisers] een ander standpunt aan de vordering ten grondslag hebben gelegd’, is deze rechtsoverweging onbegrijpelijk in het licht van de door het hof toegepaste bewijslastverdeling overeenkomstig het Griekse recht, zodat de klacht slaagt.
3.39
Onderdeel 6 bestrijdt rov. 6.25 en valt uiteen in twee subonderdelen. Onderdeel 6A stelt dat het onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof rekening houdt met het ‘overwegend beschermende karakter van de ondercuratelestelling naar Nederlands recht’ nu het hof Grieks recht moet toepassen. Volgens het onderdeel is slechts beslissend of sprake is van ‘supervision (…) of a person under judicial assistance’, welke vraag door het hof bevestigend is beantwoord in rov. 6.19. Vervolgens is slechts relevant of aan de ‘tenzij-bepaling’ van art. 923 Grieks BW is voldaan, waarbij het Nederlandse recht verder geen rol speelt. Het onderdeel klaagt dat eveneens onjuist of onbegrijpelijk zijn de voortbouwende conclusies van het hof dat [verweerster] niet gehouden was tot het persoonlijk uitoefenen van permanent toezicht op [betrokkene 1] en dat zij geen verplichting had hem te dwingen terug te keren naar het buitenland, nu het hof zich hierbij op het Nederlandse recht baseert.
3.40
Ik merk over dit onderdeel het volgende op. Het hof heeft in rov. 6.2 overwogen dat het Grieks recht zal toepassen op de vordering van [eisers] In rov. 6.15 t/m rov. 6.19 heeft het hof onderzocht of [verweerster] de plicht had om toezicht te houden op [betrokkene 1] in de zin van art. 923 Grieks BW. Het hof is hierbij ingegaan op de bepalingen in het Nederlandse BW inzake de curatele (rov. 6.16). Het hof heeft overwogen dat uit deze bepalingen blijkt dat de rechtsfiguur van de Nederlandse curatele primair is gericht op het behartigen van de vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen van de curandus en dat van de curator ook wel – enig – feitelijk toezicht op de curandus kan worden verwacht. De omvang van de zorgplicht van de curator als toezichthouder wordt naar het oordeel van het hof enerzijds bepaald door het risico dat de curandus voor derden veroorzaakt en anderzijds de bezwaarlijkheid van de eventueel door de curator te nemen voorzorgsmaatregelen (rov. 6.17). Het hof heeft vervolgens overwogen dat de zorgplicht die [verweerster] op zich heeft genomen als curator ook geldt buiten Nederland (rov. 6.18) en dat art. 923 Grieks BW kan worden toegepast in de situatie waarin sprake is van een Nederlandse ondercuratelestelling. In rov. 6.20 heeft het hof overwogen dat onder meer beoordeeld dient te worden of [verweerster] in haar hoedanigheid van curator voldoende toezicht heeft gehouden op [betrokkene 1] . In rov. 6.25 heeft het hof geconcludeerd dat, rekening houdend met het overwegend beschermende karakter van de ondercuratelestelling naar Nederlands recht, [verweerster] in haar rol van curator niet is tekortgeschoten en voldoende toezicht op [betrokkene 1] heeft gehouden. [verweerster] was volgens het hof niet gehouden tot het (persoonlijk) uitoefenen van permanent toezicht op [betrokkene 1] omdat het voor haar immers geenszins voorzienbaar was dat [betrokkene 1] zonder permanent toezicht (extreem) gevaarlijk gedrag zou – kunnen – vertonen en zij afspraken heeft gemaakt met het hotel om te voorzien in de zorg en aandacht die [betrokkene 1] nodig had. Op [verweerster] rustte volgens het hof in haar hoedanigheid van curator geen verplichting om [betrokkene 1] te dwingen met haar terug te keren naar Nederland omdat de situatie en achtergrond van [betrokkene 1] daartoe geen aanleiding gaven.
3.41
Uit deze overwegingen leid ik af dat het hof heeft overwogen dat het rekening houdt met het overwegend beschermende karakter van de ondercuratelestelling naar Nederlands recht. Echter, voor de vraag of [verweerster] in haar hoedanigheid van curator voldoende toezicht heeft gehouden – en dus voor de maatstaf van de mate van toezicht – heeft het hof de omstandigheden van het geval bepalend geacht, waaronder de voorzienbaarheid van de gedraging die tot schade heeft geleid. Of het hof hiermee de juiste maatstaf heeft gehanteerd voor de mate van toezicht, moet worden beoordeeld naar Grieks recht en kan in cassatie gelet op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO, niet worden getoetst.30.De klacht dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op Nederlands recht, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Onderdeel 6A kan dus niet tot cassatie leiden.
3.42
Onderdeel 6B klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 6.25 verder onjuist of onbegrijpelijk is, omdat het hof zonder nadere motivering de met een legal opinion onderbouwde stellingen van [eisers] heeft gepasseerd. Aangezien Grieks bewijsrecht van toepassing is, had het hof deze stellingen niet mogen passeren zonder te onderzoeken of de vaststellingen van de Griekse strafrechter naar Grieks recht dwingende bewijskracht hebben, althans niet zonder voldoende kenbaar de overwegingen van de Griekse strafrechter in zijn oordeelsvorming te betrekken, aldus het onderdeel.
3.43
Het onderdeel stuit wat betreft het Griekse bewijsrecht af op het bepaalde in art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO. Het oordeel van het hof is voorts niet onbegrijpelijk in het licht van de met een legal opinion onderbouwde stellingen van [eisers] , waarnaar het middel verwijst, nu die niet inhouden dat de vaststellingen van de Griekse rechter op grond van Grieks recht dwingende bewijskracht hebben in een civiele procedure. Het onderdeel faalt dus.
3.44
Onderdeel 7 is gericht tegen rov. 6.26. Deze overweging is ten overvloede gegeven, zodat [eisers] bij dit onderdeel geen belang hebben.
3.45
Onderdeel 8 bevat een voortbouwklacht die geen bespreking behoeft.
3.46
Onderdeel 9 is gericht tegen het tussenarrest van het hof van 1 maart 2022 in het incident tot schorsing. Het onderdeel stelt dat dit tussenarrest en het incident nauw verbonden zijn met de hoofdzaak en dat indien het arrest in de hoofdzaak wordt vernietigd, dat ook geldt voor het arrest in incident.
3.47
Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld over de vordering van [verweerster] op de voet van art. 351 Rv tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het veroordelende vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 januari 2021. Het oordeel van het hof is gebaseerd op een belangenafweging, die losstaat van het oordeel in de bodemzaak over de aansprakelijkheid van [verweerster] . In zoverre treft het onderdeel geen doel.
3.48
Het onderdeel klaagt ook dat het hof in het tussenarrest in rov. 10 onder (i) is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de civielrechtelijke beschermingsmaatregel van ondercuratelestelling van een meerderjarige, met daarbij een benoeming van een ouder tot curator, niet uit de aard der zaak een (quasi) kwalitatieve aansprakelijkheid van de curator met zich brengt voor de gevolgen van (strafbare) handelingen van curandus. Volgens het onderdeel past het hof hierbij Nederlands recht toe, terwijl de rechtbank had geoordeeld dat Grieks recht van toepassing was en in hoger beroep alle partijen, inclusief het hof, daarvan zijn uitgegaan. Het hof had de zaak in het kader van art. 923 Grieks BW moeten beoordelen. Bovendien waren partijen het in de onderhavige procedure ermee eens dat dit artikel een (pseudo)risicoaansprakelijkheid bij de curator neerlegt. Mocht het hof dit niet hebben miskend dan is onbegrijpelijk hoe het hof tot zijn conclusie komt terwijl uit art. 923 Grieks BW wel degelijk een strikte vorm van aansprakelijkheid volgt, aldus het onderdeel.
3.49
Het hof heeft in rov. 8 van het tussenarrest bij de beoordeling van de vordering op de voet van art. 351 Rv aansluiting gezocht bij het toetsingskader zoals door de Hoge Raad uiteengezet in het Strandhotel-arrest.31.Vervolgens heeft het hof in rov. 10 van het tussenarrest een belangenafweging ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat de incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring dient te worden toegewezen. Het hof heeft immers geoordeeld dat [verweerster] er belang bij heeft om, met behoud van de bestaande toestand, de toetsing in hoger beroep van de door de rechtbank aangenomen aansprakelijkheid naar Grieks recht af te wachten, welk belang zwaarder weegt dan het belang van [eiseres 1] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing. Anders dan het onderdeel betoogt, is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en is zijn oordeel evenmin onbegrijpelijk. De klacht van onderdeel 9 stuit hierop af.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep voor zover dit is gericht tegen het arrest in het incident van het hof Den Haag van 1 maart 2022 en tot vernietiging van het arrest van het hof Den Haag van 8 november 2022 en, in verband met dit laatste, tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑12‑2023
Zie hof Den Haag 8 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2388, onder 3. Het hof heeft de feitenvaststelling van rechtbank Den Haag 22 januari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14197, rov. 2.1 t/m 2.8 tot uitgangspunt genomen.
Verordening (EG) nr. 864/2007 van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbEG 2007, L 199/40.
Zie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders, rov. 4.2.2-4.2.3; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154, m.nt. H.J. Snijders, rov. 2.4.1-2.4.2; zie ook onder 2.3 van mijn conclusie van 13 mei 2022 (ECLI:NL:PHR:2022:455) vóór HR 25 november 2023, ECLI:NL:HR:2022:1758.
Zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, NJ 2018/31, rov. 3.3.2.
Zie HR 11 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4687, NJ 1984/298; HR 19 juni 2009, reeds aangehaald, rov. 2.4.4; HR 22 december 2017, reeds aangehaald, rov. 3.3.3.
Zie HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, m.nt. W.D.H. Asser.
Zie HR 19 juni 2009, reeds aangehaald, rov. 2.4.4; HR 26 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0225, NJ 1992/407, m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.5.
Zie HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7619, NJ 2007/333, m.nt. M.R. Mok, rov. 4.3; HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, NJ 2012/293; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:281, JBPr 2017/35, m.nt. G.C.C. Lewin.
Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/116 onder verwijzing naar HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0834, NJ 1993/216, rov. 3.2.
Zie HR 19 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2672, NJ 1998/671, rov. 3.3; HR 23 maart 2007, reeds aangehaald, rov. 4.3.
Zie Memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel zijdens [eisers] onder 3.7, 3.17 en 4.3.
ECLI:NL:HR:2012:BX5882, NJ 2012/637, rov. 3.2.3.
Zie o.a. HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0865, NJ 2004, 520; conclusie A-G Wesseling-van Gent onder 2.19-2.20 vóór HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7327, NJ 2005/246, m.nt. H.J. Snijders en rov. 3.4 van dat arrest; HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2452, NJ 1998, 472, m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.4; HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1806, NJ 1996, 20, rov. 3.3; Snijders/Wendels, Civiel Appel 2009/178; Van Mierlo/Lock, T&C Rv, art. 19.
Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 19 Rv, aant. 5 (Tjong Tjin Tai).
Opgenomen als bijlage bij de procesinleiding in cassatie.
Zie art. 2.23 Procesreglement voor de gerechtshoven.
MvG zijdens [verweerster] (processtuk 17 in zowel het A-dossier als het B-dossier), randnummers 20-24, 39, 40.
Zie in dit verband o.a. J.F. de Groot, A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: B.T.M. van der Wiel, Cassatie 2019/317; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2018, p. 132-133; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/331.
Vgl. N. Peters, artikel 10:13 BW, in: P. Vlas en M. Zilinsky, Sdu Commentaar Burgerlijk Wetboek (Boek 10), 2020, aant. 1; B.J. van het Kaar, IPR-bewijsrecht en bewijsverkrijging, diss. VU, Deventer 2008, p. 49; Magnus/Mankowski/Ilaria Queirolo, Rome II Regulation (2019), art.22, Randnr. 8; Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2022/984.
Zie ook J.A. Pontier, Onrechtmatige daad en andere niet-contractuele verbintenissen, (Praktijkreeks IPR), 2015/195.
Vgl. HR 4 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1952, RvdW 2021/2, rov. 3.7.2; HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9228, NJ 2015/376, m.nt. N.J. Schrijver, rov. 3.15.5.
Zie HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3967, NJ 2002/105, m.nt. D.W.F. Verkade, rov. 3.5.4. Zie ook V.C.A. Lindijer, De goede procesorde, 2006/317.
Zie o.a. HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2219, NJ 2018/470, rov. 3.3.2 (tijdelijke nihilstelling alimentatie); HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2743, NJ 1999/7, rov. 3.5 (bewijsoordeel); HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659, m.nt. D.W.F. Verkade, rov. 3.4 (kort geding).
Zie HR 11 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1262, NJ 1994/651, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2. Zie ook nr. 3.6 van de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2015:457) vóór HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1732, RvdW 2015/807 (art. 81 lid 1 RO).
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/425, m.nt. A.I.M. van Mierlo.
Beroepschrift 10‑03‑2023
PROCESINLEIDING
Eisers tot cassatie zijn:
- —
mevrouw [moeder van het slachtoffer] en
- —
de heer [slachtoffer]
beide wonende te [woonplaats] (Duitsland) en hierna te noemen: ‘[slachtoffer en moeder] c.s.’
te dezer zake domicilie kiezende te Leiden aan de Rijnsburgerweg nr. 141 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. N.C. van Steijn kantoorhoudende aan de Rijnsburgerweg 141 te Leiden (Postadres: Postbus 788, 2300 AT Leiden), die in deze zaak tot advocaat wordt aangewezen om hen als zodanig in na te melden geding in cassatie te vertegenwoordigen
Verweerster in cassatie is:
- —
mevrouw [moeder/curator] in de hoedanigheid van curator van haar zoon [zoon/curandus] wonende te [woonplaats], hierna te noemen: ‘[moeder/curator]’ laatstelijk woonplaats gekozen hebbende te 5613 AM Eindhoven aan de Prof. Dr. Dorgelolaan 30 ten kantore van mr. B.M. Stroetinga (Holla N.V.)
[slachtoffer en moeder] c.s. stellen door indiening van deze procesinleiding op de voet van art. 407 (nieuw) Rv beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 november 2022 en het tussenarrest van 1 maart 2022 beiden met zaaknummer 200.292.255/01
[moeder/curator] kan in cassatie ten laatste verschijnen op vrijdag 10 maart 2023 niet in persoon maar door tussenkomst van en vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 van het Besluit orde van dienstgerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken (STCRT. 2017/5928) om 10:00 uur. De behandeling van de zaken vindt plaats in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 (2511EK) te Den Haag.
Middel van cassatie
[slachtoffer en moeder] c.s. kunnen zich met de arresten waarvan beroep niet verenigen en voeren daartegen het navolgende middel aan:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het gerechtshof heeft overwogen en beslist als vermeld in de arresten waarvan beroep, ten onrechte, om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
Onderdeel 1A
1.
In r.o. 6.22 verwijst het hof naar de bijsluiter die [moeder/curator] heeft overgelegd als productie 1 bij haar memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. In deze memorie van antwoord heeft [moeder/curator] in nr. 21 de beslissing van de rechtbank bestreden met de stelling dat uit de bijsluiter zou volgen dat het staken van het gebruik van de medicatie geen gewelddadig gedrag zou veroorzaken of beïnvloeden, althans dat de bijsluiter niet vermeld dat agressie, geweld of woede het gevolg zijn van het abrupt staken van het gebruik van de medicatie (Concerta). Het hof verwijst vervolgens naar het citaat van [moeder/curator] uit de bijsluiter zoals opgenomen in voornoemde memorie van antwoord.1.
2.
Voornoemde memorie van antwoord was het laatste processtuk dat partijen hebben uitgewisseld. Nadien hebben partijen arrest gevraagd (zie een uitdraai van het roljournaal in productie 1).
3.
Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door voornoemde stelling van [moeder/curator] te behandelen. Het gaat in de eerste plaats om een nieuwe grief nu deze stelling (gelet op de formulering daarvan) is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat door het staken van het gebruik van Concerta het gewelddadig gedrag is veroorzaakt of beïnvloed.2. Deze grief had op grond van de twee conclusie regel in de memorie van grieven aangevoerd moeten worden.3. Daarbij komt dat het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [slachtoffer en moeder] c.s. beperkt was tot vaststelling en aanvulling van de feiten zoals in de memorie van antwoord gesteld en tot vernietiging van de door de rechtbank in het eindvonnis in r.o. 2.6 vastgestelde feiten ten aanzien van het moment van bekendheid van de ouders van [v].4. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep zag dus toe op de verjaring en gaf dus geenszins aanleiding voor [moeder/curator] om met voornoemde stelling te reageren. Ook om die reden had het hof deze stelling buiten beschouwing moeten laten.5.
4.
Van aanvaarding van de rechtsstrijd door [slachtoffer en moeder] c.s. was geen sprake aangezien dit het laatst uitgewisselde stuk was voor arrest. Naar vaste jurisprudentie mag van een procespartij niet worden verlangd dat deze een akte neemt of pleidooi verzoekt uitsluitend om bij memorie van antwoord aangevoerde feiten te bestrijden zodat de appelrechter niet op grond van de enkele omstandigheid dat niet meer op de memorie van antwoord is gereageerd mag oordelen dat het daarin gestelde als niet betwist is komen vast te staan.6.
5.
Op grond van voornoemde jurisprudentie had het hof bovendien niet uit mogen gaan van de juistheid van de stelling van [moeder/curator], althans van de deze stelling en de inhoud van de bijsluiter zonder [slachtoffer en moeder] c.s. in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
6.
Bij het voorgaande is van belang dat het om een essentiële stelling gaat nu de beslissing van de rechtbank over de aansprakelijkheid met name was gebaseerd op het zonder begeleiding en steun achterlaten van [zoon/curandus] in een voor hem onbekende omgeving in de wetenschap dat hij op het moment dat hij werd achtergelaten niet beschikte over voldoende medicatie, terwijl hij die medicatie dagelijks nodig had om in balans te blijven.7.8. Bovendien speelt deze stelling een dragende, althans belangrijke rol in de overweging van het hof dat het risico op mishandeling van [slachtoffer] naar het oordeel van het hof niet voorzienbaar was voor [moeder/curator].9. Indien de desbetreffende stelling niet was toegelaten of indien [slachtoffer en moeder] c.s. in de gelegenheid waren gesteld daarop te reageren was er immers een reële kans dat het hof tot een andere beslissing was gekomen.10.
Onderdeel 1B
7.
Hetgeen in het vorige onderdeel is aangevoerd geldt op overeenkomstige wijze voor de volgende stellingen:
- i.
de stellingen in r.o. 6.22 dat [moeder/curator] onweersproken heeft aangevoerd dat [zoon/curandus] vóór de mishandeling, ook in de jaren na de periode van zijn behandeling in de instelling ‘Karakter’ die in 2011 was afgerond, geen intensieve begeleiding in het dagelijks leven kreeg, dat hij zelfstandig naar school en stage ging, met vrienden omging en vaker zelfstandig met vakantie ging.
- ii.
de stellingen in r.o. 6.22 dat [zoon/curandus] in 2013 eerder met een vriendin in Griekenland met vakantie is geweest en dat zich daarbij geen problemen hadden voorgedaan die [moeder/curator] tot het besef hadden moeten brengen dat zij hem niet in Griekenland kon achterlaten.
8.
Deze stellingen zijn eveneens pas door [moeder/curator] aangevoerd, althans aangevuld in de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.11. Het hof had daaraan voorbij dienen te gaan, althans [slachtoffer en moeder] c.s. in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Deze stellingen zijn bovendien aan essentieel nu de mate van zelfstandigheid van [zoon/curandus] relevant is geweest voor het oordeel van het hof.
Onderdeel 1C
9.
Ook wanneer zou worden geoordeeld dat één of meer van de in onderdeel 1A en 1B stellingen reeds een basis hadden in de memorie van grieven of eerdere stukken en dat sprake zou zijn van een nadere uitwerking dan nog brengt het feit dat het hof op deze stellingen in onderling verband reageert zoals deze zijn opgenomen de in memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met zich mee dat het hof [slachtoffer en moeder] c.s. in de gelegenheid had moeten stellen daarop te reageren. Het feit dat het hof verwijst naar de pas door [moeder/curator] bij voornoemde memorie overgelegde bijsluiter in combinatie met de andere daarin opgenomen stellingen en het onweersproken zijn daarvan wijst er immers op dat het hof voornoemde memorie als uitgangspunt voor zijn oordeel heeft genomen, waardoor of het hof ten onrechte is uitgegaan van onvoldoende betwisting door [slachtoffer en moeder] c.s. of het door art. 6 EVRM gewaarborgde beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.
Onderdeel 1D
10.
Bovendien had het hof voornoemde memorie behoren te weigeren, althans te passeren behoudens het deel dat op voorwaardelijk incidenteel appel toezag12., nu het grotendeels om een verkapte repliek gaat hetgeen in strijd is met de twee conclusie regel en artikel 347 lid 3 Rv.13.14.
Onderdeel 2A
11.
Dat het hof in r.o. 6.22 overweegt dat [moeder/curator] onweersproken heeft aangevoerd dat [zoon/curandus] vóór de mishandeling, ook in de jaren na de periode van zijn behandeling in de instelling ‘Karakter’ die in 2011 was afgerond, geen intensieve begeleiding in het dagelijks leven kreeg, dat hij zelfstandig naar school en stage ging, met vrienden omging en vaker zelfstandig met vakantie ging is onbegrijpelijk. [slachtoffer en moeder] c.s. hebben dit wel degelijk gemotiveerd met de volgende stellingen weersproken, namelijk dat:
- i.
[slachtoffer en moeder] c.s. betwisten dat [zoon/curandus] geen constante begeleiding nodig had, nu uit zijn medische voorgeschiedenis in het onderzoek door psychiater [psychiater] blijkt dat er evident sprake was van een ernstige psychiatrische problematiek waarvoor [zoon/curandus] voortdurende begeleiding behoefte, alsmede dat [moeder/curator] in de strafzaak heeft verklaard dat zij hem altijd onder haar hoede had en dat hij als een tienjarige functioneert en dat hij anders was dan anderen; [zoon/curandus] had volgens haar het verstand van een kind van 13 jaar; bovendien is hij gedurende 11 maanden vanaf augustus 2010 tot juli 2011 klinisch opgenomen geweest in een instelling voor kinderen en jeugdpsychiatrie genaamd Karakter; hij stond daar onder voortdurend toezicht. Na ontslag (negen maanden voordat de mishandeling plaatsvond) waren dat toezicht en de begeleiding nog steeds nodig;15.
- ii.
hij kort voor de mishandeling daarvoor 11 maanden in die instelling was behandeld;16.
- iii.
hij op meerdere terreinen was aangewezen op intensieve begeleiding in het dagelijks leven, in het kader waarvan hij in 2011 onder curatele vastgesteld wegens een geestelijke stoornis;17.
- iv.
In zijn behandelplan van 14 februari 2011 is door Karakter geadviseerd om de cognitieve gedragstherapie voort te zetten en realisatie van een traject richting begeleid zelfstandig wonen vanuit 24-uurs zorg in een LVG (LichtVerstandelijkGehandicapt) setting voort te zetten, zodat [moeder/curator] goed geïnformeerd was dat [zoon/curandus] niet zelfstandig kon wonen en werken;18.
- v.
[moeder/curator] wist van zijn geestelijke stoornis, zijn kwetsbaarheid zijn gedragsproblematiek en zijn belaste voorgeschiedenis, waarbij hij ontregeld raakte bij een ingrijpende gebeurtenis;19.
- vi.
[moeder/curator] — onbetwist — voor het gerechtshof in de Griekse strafzaak heeft verklaard dat zij het hotel/animatieteam heeft afgeraden [zoon/curandus] aan te nemen waarbij zij heeft verklaard dat zij ‘zeker wist dat [zoon/curandus] het onvermogen had om zich te gedragen als een normaal persoon en om alleen te werken in een vreemd land’;.20.
- vii.
Psychiater [psychiater] heeft gerapporteerd dat [zoon/curandus] woede uitbarstingen vertoonde en vanwege zijn kwetsbaarheid en beperkingen vrijwel nooit alleen zonder toezicht was geweest;21.
- viii.
[zoon/curandus] ook zelf heeft gewezen op het gevaar van gewelddadig gedrag;22.
- ix.
de achtergrond en context van de eerdere vakantie in Griekenland niet bekend zijn bij [slachtoffer en moeder] c.s. maar dat hij niet alleen had gereisd maar met een vriendin, alsmede dat hij voor de mishandeling de facto vrijwel nooit alleen was geweest maar altijd onder toezicht stond van derden zoals ook bevestigd door Psychiater [psychiater]:
‘ (…) Met uitzondering van zeven dagen in de zomer van 2012 en 10 dagen voor zijn delict heeft hij nooit alleen gewoond zonder toezicht van het gezin (…)’.23.
Voorover het hof van mening zou zijn dat deze stellingen een onvoldoende gemotiveerde betwisting zouden inhouden is dat zonder nadere motivering eveneens onbegrijpelijk.
12.
Voornoemd oordeel van het hof is temeer onbegrijpelijk omdat [moeder/curator] op de comparitie bij de rechtbank onder meer heeft verklaard:
- i.
Mijn zoon is al vanaf zijn zesde gediagnosticeerd met ADHD en later met PDD-NOS en ik was zijn enige vertrouwenspersoon. Ik vecht mijn hele leven al en moet hem altijd beschermen en altijd alert blijven en hem in de gaten houden.24.
- ii.
Hij heeft toen hij 17 — 18 jaar was in een psychiatrische instellingkarakter gewoond, hij werd daar begeleid. Dit was ook in combinatie met school, in de weekenden was hij thuis. Daarna is hij op kamertraining gegaan. Daar heeft hij drie jaar gezeten; het is een soort internaat met school, in de weekenden was hij thuis. Er was 24-uurs begeleiding, ook was er therapie om te praten en te leren omgaan met zijn PDD-NOS. Sinds 2012 was hij weer thuis. Er kwam toen twee keer in de week een maatschappelijk werker van de stichting MEE.25.
- iii.
De tweede dag van onze vakantie was het animatieteam mensen aan het polsen of de kinderen wilde meedoen aan iets. Als grapje gingen ze mee doen. Dezelfde avond vroeg het hoofd van het animatieteam of [zoon/curandus] niet mocht blijven, omdat ze hem zo leuk vonden. De hele week riep [zoon/curandus] dat hij het zo leuk vond, en hij vroeg of hij het mocht proberen. Ik zei van ‘zou je dat nu wel doen want ik ben er niet en je zit met je medicatie’. Ik moest er goed over nadenken, ik had mijn bedenkingen erbij. Hij is gek op kinderen maar ik vroeg me af of hij de druk wel aan zou kunnen. Ik heb veel gesproken met de eigenaar van het hotel. Ik heb gezegd dat hij ziek was en dat hij zijn medicatie moest slikken.26.
- iv.
De rechtbank vraagt mij wat ik dacht dat er zou gebeuren als [zoon/curandus] onder druk zou komen te staan. Ik wist dat niet, er is nooit iets gebeurd in Nederland wat aanleiding gaf om te denken dat dit zou kunnen gebeuren. [zoon/curandus] kon bij wijze van spreken nog geen vlieg doodslaan. Ik vond het alleen niet verstandig, omdat hij iedere 3 maanden iets anders leuk vond. Ik heb er over nagedacht het te verbieden. Hij was 20 en ik was zijn curator dus ik had het, denk ik, kunnen verbieden. Maar mijn kinderen zeiden dat hij het moest proberen. Ik weet niet wat er gebeurd was als ik het zou verbieden. Met de staf van het hotel en de directeur heb ik besproken wat er met [zoon/curandus] aan de hand was, dat hij zijn Concerta moest slikken, dat hij niet 8 uur per dag kon werken, dat hij niet onder druk moest staan en dat ze mij moesten bellen als het mis zou gaan of hij het niet meer leuk zou vinden. Het hotel had een interne dokter die zou zorgen dat er Concerta kwam. Op het moment dat ik hem achterliet had hij er nog 3 of 4. Hij zou drie weken blijven, dan zou ik weer terugkomen om hem op te halen. Hij had net eindexamen gedaan dus hij was vrij. Die medicatie zou geregeld worden via die dokter, die kon een recept uitschrijven. Je kan Concerta daar gewoon kopen. [zoon/curandus] zou in het hotel verblijven. Wij verbleven in een hotel [A], maar hij is al snel naar hotel [B] gegaan. Hij is intern overgeplaatst want het was dezelfde hotelketen. Hij sprak Engels en in [B] zaten veel Russen die Engels spraken. Ik wist niet dat hij overgeplaatst was. Ik heb wel via de chat van Facebook contact met [zoon/curandus] gehad. Hij zei dan dat het goed ging en dat hij het druk had en dat hij niet mocht bellen. Ik heb met het hotel contact gehad tot de dag dat zij hem overgeplaatst hebben, dit was de dag voordat er gebeurd is. Ik heb niet aan [zoon/curandus] gevraagd of hij de pillen had gekregen, ik heb het ook niet gecontroleerd bij het hotel. Ik wist niet dat [zoon/curandus] een mes had.27.
13.
Daarnaast heeft [moeder/curator] in de CvA gesteld dat het niet haar wens en die van zijn vader was om [zoon/curandus] achter te laten.28. Dit sluit aan bij de hierboven geciteerde — onbetwiste — stelling van [slachtoffer en moeder] c.s. dat [moeder/curator] voor het gerechtshof in de Griekse strafzaak heeft verklaard dat zij het hotel/ animatieteam heeft afgeraden [zoon/curandus] aan te nemen waarbij zij heeft verklaard dat zij ‘zeker wist dat [zoon/curandus] het onvermogen had om zich te gedragen als een normaal persoon en om alleen te werken in een vreemd land’.29. Nadat volgens [moeder/curator] tevergeefs was getracht hem op andere gedachten te brengen hebben de ouders zich uitvoerig verstaan met de directie van het hotel en aangegeven dat hij in die zin begeleiding nodig had dat zijn dagritme werd bepaald, dat hij niet teveel en 's nachts zou moeten werken. De ouders hebben gesteld dat zij over zijn beperktere verstandelijke vermogens hebben gesproken en dat hij in zichzelf gekeerd kon zijn alsmede dat hij medicatie (die nog voorhanden was) benodigde. De hoteldirectie heeft de ouders toen gerustgesteld; men was op [zoon/curandus] gesteld en zegde toe de nodige begeleiding en toezicht op het gebruik van medicatie te zullen verhogen. Om dat te controleren regelde [moeder/curator] zo goed als meteen een volgende reis naar Griekenland waar ze drie weken later zou arriveren.30.
14.
In het licht van de hierboven genoemde stellingen van zowel [slachtoffer en moeder] c.s. als van [moeder/curator] zelf is de in dit onderdeel aangevallen rechtsoverweging zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Uit de stellingen van [slachtoffer en moeder] c.s. volgt immers wel degelijk een voldoende gemotiveerde betwisting van de stellingen van [moeder/curator] dat [zoon/curandus] vóór de mishandeling geen intensieve begeleiding in het dagelijks leven kreeg, dat hij zelfstandig naar school en stage ging, zelfstandig met vrienden omging en vaker zelfstandig met vakantie ging, waaronder in 2013 met een vriendin in Griekenland.31. Daarbij komt dat ook uit de stellingen van [moeder/curator] — waaronder ook haar verklaring voor de Griekse strafrechter -zelf volgt dat hij wel degelijk toezicht nodig had in zijn dagelijks leven en zij ook regelingen voor het getroffen zowel na de behandeling in de instelling als met de directie van het hotel op vakantie, waarbij zij grote twijfels had over het alleen achtergelaten van [zoon/curandus] in Griekenland.
Onderdeel 2B
15.
Bovendien is het hof ongemotiveerd voorbijgegaan aan de essentiële — met een verklaring van de psychiater [psychiater] onderbouwde — stelling van [slachtoffer en moeder] c.s. dat [zoon/curandus] nog nooit alleen op vakantie was geweest maar altijd met iemand anders, zoals de besproken vriendin.32. Deze stelling is essentieel omdat het alleen zonder adequaat toezicht achterlaten mede redengevend was voor de rechtbank om aansprakelijkheid aan te nemen en dit een belangrijk element vormt in het oordeel of [moeder/curator] had voldaan aan de ‘tenzij bepaling’ van artikel 923 BW in het kader van haar ‘duty of supervision’.33. De mate van zelfstandigheid van [zoon/curandus] is, zoals hiervoor al gesteld, bovendien relevant geweest voor het oordeel van het hof.
Onderdeel 2C
16.
Onbegrijpelijk is ook de overweging van het hof dat de vader van [zoon/curandus] hem ook in staat achtte om zelfstandig in Griekenland te blijven. Uit de verklaring van [moeder/curator] tijdens de comparitie bij de rechtbank en uit de hiervoor geciteerde stellingen van de ouders in de CvA34. blijkt immers dat het niet hun wens was dat [zoon/curandus] alleen zou achter blijven en dat zij tevergeefs hebben getracht hem op andere gedachten te brengen. Zij hebben zich laten overhalen en hem uiteindelijk — naar eigen zeggen — pas achtergelaten na uitvoerig overleg en instructies inzake begeleiding en toezicht aan de directie van het hotel. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk waarom het hof dan toch, althans zonder enige nuancering, concludeert dat zijn ouders hem in staat achten om zelfstandig in Griekenland te blijven.35.
Onderdeel 3A
17.
Gelet op hetgeen in de voorafgaande (sub)onderdelen is aangevoerd is onbegrijpelijk de conclusies van het hof in o.a. r.o. 6.21 en 6.22 dat het risico op de mishandeling van [slachtoffer], als [zoon/curandus] zonder toezicht in Griekenland zou achterblijven, onvoorzienbaar of onvermijdbaar was en dat zij de zorg heeft betracht die in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar kon worden verlangd, althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van het voorafgaande. Daarbij speelt verder een rol de stellingen van [slachtoffer en moeder] c.s. dat:
- i.
zoals hiervoor gesteld [zoon/curandus] nog nooit alleen op vakantie was gegaan of achtergelaten;
- ii.
dit ook tegen de wens van zijn ouders was en [moeder/curator] daarom stelde dat zij afspraken heeft gemaakt met de hoteldirectie;
- iii.
Psychiater [psychiater] heeft gerapporteerd dat [zoon/curandus] woede uitbarstingen vertoonde en vanwege zijn kwetsbaarheid en beperkingen vrijwel nooit alleen zonder toezicht was geweest;36.
- iv.
namens [zoon/curandus] tijdens het strafproces ook is gewezen op het gevaar van gewelddadig gedrag;37.
- v.
[zoon/curandus] kenmerken heeft van een psychopathiesyndroom met oligofrenie; oligofrene is een aangeboren of vroegtijdig verworven geestelijke achterstand die zich uit in lage intelligentie en gedragsstoornissen met van tijd tot tijd ernstige woede-uitbarstingen en agressie;38.
- vi.
ook uit het behandelplan van Karakter van 14 februari 2011 blijkt dat met de ouders afspraken zijn gemaakt voor het geval [zoon/curandus] een gevaar kan vormen voor zichzelf of voor zijn omgeving bv. bij fysieke en verbale agressie en dat [moeder/curator] daar dus voor het misdrijf al mee bekend was;39.
- vii.
de zus van [zoon/curandus] als getuige in de Griekse strafzaak heeft verklaard dat [zoon/curandus] aangenaam was met medicatie, maar anders moeilijk en dat hij bij intense stress zich niet kon concentreren niet weet hoe hij tegengas moet geven en denkt dat ze hem niet begrijpen.40.
- viii.
[moeder/curator] op de zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat de medicatie nodig was ‘om hem rustig te houden in zijn hoofd’.41.
- ix.
[moeder/curator] eveneens heeft verklaard dat zij hem met te weinig medicatie heeft achtergelaten voor de resterende weken.42.
- x.
[moeder/curator] haar toezichthoudende taak als curator na vertrek — volgens haar eigen stelling — heeft gedelegeerd aan het hotelmanagement waarvan niet blijkt dat dit management bekend was met de problematiek van [zoon/curandus] of competent was om daarmee om te gaan, terwijl zij niet heeft gecontroleerd of het management de gestelde afspraken over medicatie en toezicht correct is nagekomen.43.
- xi.
[slachtoffer en moeder] c.s. gemotiveerd en door [moeder/curator] onbestreden hebben gesteld dat [zoon/curandus] op de avond van het misdrijf teveel alcohol had gedronken.44.
18
. In het licht van deze stellingen en omstandigheden is het zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom het hof oordeelt dat is voldaan aan de ‘tenzij bepaling’ van art. 923 GBW, althans waarom het risico op de mishandeling van [slachtoffer], als [zoon/curandus] zonder toezicht in Griekenland zou achterblijven, onvoorzienbaar of onvermijdbaar was. [moeder/curator] heeft (in haar hoedanigheid als curator) wel degelijk een risico genomen door [zoon/curandus], terwijl zij grote twijfels had, voor het eerst alleen, zonder (voldoende) toezicht en zonder voldoende medicatie in Griekenland achter te laten terwijl zij wist dat hij onrustig of moeilijk was zonder medicatie en Karakter voor het misdrijf al met de ouders had gesproken over gewelddadig gedrag en ook de psychiater [psychiater] gewelddadig gedrag in het verleden had gerapporteerd.45.
Onderdeel 3B
19.
Het hof heeft miskend dat naar (Grieks) bewijsrecht — zoals dat volgt uit 923 GBW — de stelplicht en bewijslast bij [moeder/curator] rust.46. In het UI rapport staat vermeld dat op grond van 923 GBW geldt dat indien de onder toezicht gestelde onrechtmatig schade heeft veroorzaakt, het verondersteld is dat de toezichthouder verwijtbaar nagelaten heeft te voldoen in het toezicht.47. Nu de in de vorige (sub)onderdelen behandelde stellingen van [slachtoffer en moeder] c.s. een gemotiveerde betwisting inhielden van de stellingen van [moeder/curator] over de onvoorzienbaarheid/ onvermijdbaarheid is het onjuist of onbegrijpelijk dat het hof (impliciet) oordeelt dat [moeder/curator] heeft bewezen dat is voldaan aan de ‘tenzij bepaling’ van art. 923 GBW, althans waarom het risico op de mishandeling van [slachtoffer], als [zoon/curandus] alleen zonder toezicht en voldoende mediatie in Griekenland zou achterblijven, onvoorzienbaar of onvermijdbaar was. Het gaat hier bovendien om een (pseudo) risicoaansprakelijkheid48. of wettelijk bewijsvermoeden waarbij — net als in het Nederlands recht — kennelijk bescherming van het slachtoffer wordt beoogd. Daarbij past niet om te strenge eisen te stellen aan de betwisting door het slachtoffer of te soepele eisen aan de stelplicht van toezichthouder.
20.
Daarbij komt dat zelfs als [moeder/curator] niet heeft kunnen voorzien dat [zoon/curandus] zonder toezicht zo gewelddadig zou worden — zoals het hof meermaals overweegt in r.o. 6.21 t/m 6.25 dit nog steeds niet het vermoeden weerlegt dat zij als curator verwijtbaar heeft gehandeld en er causaal verband is met de schade nu [slachtoffer en moeder] c.s. gemotiveerd hebben gesteld dat zij is tekortgeschoten in haar ‘duty of supervision’ nu zij [zoon/curandus], terwijl zij grote twijfels had, voor het eerst alleen, zonder (voldoende) toezicht en zonder voldoende medicatie in Griekenland achter te laten terwijl zij wist dat hij onrustig of moeilijk was zonder medicatie en Karakter ook agressief gedrag had gerapporteerd. Mede bezien in het licht van de in de bijlage bij het UI rapport geciteerde gelijksoortige zaak waarin het hof van Thessaloniki een in Duitsland achtergebleven vader aansprakelijkheid hield voor een door zijn zoon in Griekland gepleegde moord ‘because he neglected to insist on his son's medical treatements49.’ is het daarom onbegrijpelijk waarom het hof van oordeel was dat [moeder/curator] zich (zonder nadere bewijsvoering) op de ‘tenzij bepaling’ kan beroepen. Zonder nadere motivering kan immers niet worden geconcludeerd dat zij onder deze omstandigheden naar Grieks recht voldoende toezicht heeft uitgeoefend zelfs als het geweld voor haar onvoorzienbaar zou zijn.
Onderdeel 3C
21.
Bovendien had het hof ex art. 25 Rv. jo. 10: 2 BW ambtshalve aandacht behoren te besteden aan voornoemde uitspraak nu het hier gaat — voor zover bekend — de enige gepubliceerde uitspraak van een Grieks hof over de aansprakelijkheid van een toezichthouder onder omstandigheden die gelijk zijn aan de onderhavige casus.50. De relevantie van deze uitspraak voor de onderhavige casus blijkt uit de volgende (vertaalde) passage51. die niet is opgenomen in het IJI rapport:
‘Due to his close father-child relation and their common residence, the defendant was obliged to take all appropriate measures for securing the proper exercise of his due care towards his son.
In particular, he ought to surveil and, supervise his son constantly, and provide him with the proper care, so that he is under constant medical attention and uninterrupted medication, his treatment and, therapy becomes possible, and that any acts of violence against himself or third persons could have been avoided.
However, the defendant showed no interest and did nothing. As a consequence, his son did not follow the medication recommended by the doctor; his health condition did deteriorate gradually, a fact which led the son to feelings of abandonment and helplessness, a prey of his morbid phantasies and mental delusions caused by his illness. Eventually, he was led inevitably to the commitment of the homicide against the son of the claimants.’
22.
Met deze uitspraak had het hof rekening moeten houden: indien een Griekse hogere rechter in dezelfde of soortgelijke omstandigheden52. — los de voorzienbaarheid — een vader die geen curator was, veroordeelt tot vergoeding van de door zijn meerderjarige zoon veroorzaakte schade, moet hetzelfde gelden voor [moeder/curator], die zowel moeder als curator van [zoon/curandus] was. Door voornoemd arrest buiten beschouwing te laten, heeft de hof een beslissing genomen terwijl duidelijk is dat het Griekse recht anders luidt dan door het hof is aangenomen.53.
Onderdeel 4
23.
In het licht van de voorgaande (sub)onderdelen zijn de overwegingen in r.o. 6.23 eveneens onjuist/ onbegrijpelijk.
24.
Het hof overweegt dat [moeder/curator] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij met het hotel afspraken heeft gemaakt over het verblijf van [zoon/curandus], zijn medicatie en zijn werkzaamheden in het hotel. Van een ‘aan zijn lot overgelaten’ als door [slachtoffer en moeder] c.s. gesteld is volgens het hof geen sprake geweest, althans dat verwijt is, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan, onvoldoende onderbouwd. Het hof miskent met deze overwegingen dat de stelplicht en bewijslast op basis van (Grieks) bewijsrecht — zoals dat volgt uit 923 GBW — bij [moeder/curator] rust. Het is aan [moeder/curator] te stellen en te bewijzen dat zij heeft voldaan aan de ‘tenzij bepaling’ van 923 GBW. In het kader daarvan hebben [slachtoffer en moeder] c.s. — gelet op de in de vorige (sub)onderdelen behandelde stellingen — voldoende gemotiveerd betwist dat [moeder/curator] niet heeft voldaan aan haar ‘duty of supervision’ en dat de ‘damage could not have been avoided’. Het was daarom aan [moeder/curator] om te stellen en bewijzen dat de betreffende afspraken zijn gemaakt en dat [zoon/curandus] niet aan zijn ‘lot was overgelaten’.
25.
In deze zin is evenzeer onjuist/ onbegrijpelijk de overweging van het hof dat [slachtoffer en moeder] c.s. hun betwisting dat [moeder/curator] de door haar gestelde afspraak met het hotel heeft gemaakt niet of onvoldoende nader hebben onderbouwd, waarbij het hof oordeelt dat als voldoende gemotiveerde betwisting niet kan gelden het aanhalen — uit niet door een beëdigd vertaler/tolk opgestelde vertalingen — van wat de leidinggevenden van het animatieteam en hotelmanager zouden hebben verklaard als getuige tijdens de strafzaak op Kreta.54. Het valt niet in te zien — mede vanwege het feit dat de stelplicht en bewijslast op [moeder/curator] rust — waarom dit aanhalen niet kan worden gezien als een onvoldoende onderbouwing van de betwisting. Het hof stelt hier te strenge eisen aan de betwisting. Dit is des te meer onbegrijpelijk nu het hof in r.o. 6.9 wel verwijst naar eveneens niet door een beëdigd vertaler/tolk opgestelde vertalingen van tijdens de strafprocedure in Griekenland afgelegde getuigenverklaringen waaronder die van [moeder/curator] en van medewerkers van het animatieteam.55. Bovendien heeft het hof miskend dat [slachtoffer en moeder] c.s. recht op tegenbewijs hebben, althans bij akte in eerste instantie gemotiveerd hebben aangegeven dat zij om proces-economische redenen hebben afgezien van het inschakelen van een beëdigd tolk/vertaler en in dat verband uitdrukkelijk bewijs hebben aangeboden.56.
26.
Maar ook indien er vanuit wordt gegaan dat [moeder/curator] afspraken heeft gemaakt met het hotel over het verblijf van [zoon/curandus], zijn medicatie en zijn werkzaamheden, dan nog is de conclusie van het hof onbegrijpelijk dat de medische achtergrond van [moeder/curator] niet zodanig was dat van haar meer verwacht had mogen worden dan zij stelt te hebben gedaan. Dit neemt immers nog steeds niet weg dat [moeder/curator] [zoon/curandus], terwijl zij twijfels had, voor het eerst alleen, zonder toezicht en zonder voldoende medicatie in Griekenland achter heeft laten terwijl zij wist dat hij onrustig of moeilijk was zonder medicatie en Karakter voor het misdrijf al met de ouders had gesproken over 24 uurs toezicht en gewelddadig gedrag en ook de psychiater [psychiater] gewelddadig gedrag in het verleden had gerapporteerd.57. Zoals het hof vaststelt was [zoon/curandus] wegens zijn ondercuratelestelling niet handelsbekwaam. Het past niet bij de ‘duty of supervision’ om de zorg vervolgens af te schuiven op medewerkers van het hotel en erop te vertrouwen dat het wel goed zal gaan.58. Het hof had nader moeten reageren op deze stellingen aangezien deze essentieel zijn voor het oordeel of aan de ‘tenzij bepaling’ is voldaan.
Onderdeel 5A
27.
Mede voortbouwend op de vorige (sub)onderdelen is de overweging in r.o. 6.24 onbegrijpelijk dat [moeder/curator] de mishandeling van [slachtoffer] feitelijk ook niet had kunnen voorkomen als zij met [zoon/curandus] in Griekenland zou zijn gebleken. Het was haar volgens het hof immers onbekend dat [zoon/curandus] zo extreem gewelddadig kon zijn, noch kende zij de aanleiding voor het in deze zaak gepleegde geweld. [moeder/curator] heeft betwist dat zij bekend was dat [zoon/curandus] een mes had aangeschaft dat hij bij zich droeg. De mishandeling moet bovendien in zeer korte tijd gepleegd zijn. Uit niets blijkt volgens het hof verder dat [zoon/curandus] niet gewelddadig was geworden wanneer [moeder/curator] er dagelijks op had toegezien dat hij zijn medicatie innam. Deze overwegingen zijn onbegrijpelijk in het licht van de in de vorige (sub)onderdelen genoemde stellingen van [slachtoffer en moeder] c.s.59.
28.
De door het hof genoemde omstandigheden dat:
- i.
[moeder/curator] onbekend was dat [zoon/curandus] zo extreem gewelddadig kon zijn;
- ii.
zij de aanleiding voor het in deze zaak gepleegde geweld niet kende;
- iii.
zij heeft betwist dat haar bekend was dat [zoon/curandus] op Kreta een mes had aangeschaft dat hij bij zich droeg;
- iv.
behandeling in zeer korte tijd gepleegd moet zijn
- v.
uit niets blijkt dat [zoon/curandus] niet gewelddadig was geworden wanneer [moeder/curator] er
dagelijks op had toegezien dat hij zijn medicatie innam, zijn onvoldoende dragend voor het oordeel van het hof dat [moeder/curator] de mishandeling feitelijk niet had kunnen voorkomen als zij met [zoon/curandus] in Griekenland was achtergebleven of voldoende gemotiveerd betwist door [slachtoffer en moeder] c.s. Zoals hiervoor al besproken waren er wel degelijk — door [slachtoffer en moeder] c.s. onderbouwd gestelde — aanwijzingen dat [zoon/curandus] gewelddadig kon zijn60., hij wilsonbekwaam was en hij niet eerder alleen en zonder voldoende medicatie in een vreemd land was achtergelaten, terwijl [moeder/curator] grote twijfels had en wist dat hij onrustig of moeilijk was zonder medicatie en bekend was met zijn agressief gedrag.61. Tegen deze achtergrond is het onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat [moeder/curator] voldoende heeft gesteld en bewezen dat zij de mishandeling feitelijk ook niet had kunnen voorkomen als zij met [zoon/curandus] in Griekenland was gebleven.
Onderdeel 5B
29.
Het hof gaat bovendien in r.o. 6.24 slechts in op het scenario dat [moeder/curator] bij [zoon/curandus] was gebleven en gaat geheel voorbij aan de stelling van [slachtoffer en moeder] c.s. dat de mishandeling was uitgebleven als [zoon/curandus] gewoon mee naar huis was gegaan.62. Daarover had de rechtbank — onbestreden — geoordeeld dat [moeder/curator] dit als curator in haar macht had.63. En ook [moeder/curator] zelf heeft dat gesteld, maar dat zij zich ondanks haar twijfels heeft laten overhalen.64. Het hof had moeten reageren op deze stelling omdat beantwoording daarvan essentieel is in het kader van de vraag of aan de ‘tenzij clausule’ van artikel 923 GBW is voldaan.65.
Onderdeel 5C
30.
Tot slot is het oordeel van het hof in r.o. 6.24 onjuist of onbegrijpelijk in het kader van de toepassing van (Grieks) bewijsrecht — zoals dat volgt uit 923 GBW — waarbij de stelplicht en bewijslast bij [moeder/curator] rust. Het oordeel van het hof dat [moeder/curator] haar stelling ‘voldoende aannemelijk’ heeft gemaakt is onvoldoende dragend voor de conclusie dat zij bewijs heeft geleverd van haar stelling. Het hof miskent dit ook in de laatste twee zinnen van r.o. 6.24. Daarin gaat het hof er immers ten onrechte vanuit dat de stelplicht en bewijslast bij [slachtoffer en moeder] c.s. rusten. Voorzover het hof zou hebben bedoeld dat [slachtoffer en moeder] c.s. de stellingen van [moeder/curator] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist ziet het hof over het hoofd dat [slachtoffer en moeder] c.s. dat — gelet op hetgeen hiervoor in de vorige (sub)onderdelen is aangevoerd — dat wel hebben gedaan.
31.
Bovendien miskent het hof in de laatste zin dat [slachtoffer en moeder] c.s. tegenbewijs hebben aangeboden waarvoor de eis van specificatie niet geldt.66.
Onderdeel 6A
32.
De conclusies van het hof in r.o. 6.25 bouwen voort op de hiervoor aangevallen oordelen en kunnen bij het slagen daarvan niet in stand blijven.
33.
Onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof rekening houdt met het ‘overwegend beschermende karakter van de ondercuratelestelling naar Nederlands recht’ nu het hof Grieks recht moet toepassen. Daarbij is slechts beslissend of sprake is van ‘supervision… of a person under judicial assitance’, welke vraag door het hof bevestigend is beantwoord in r.o. 6.19. Vervolgens is slechts relevant of aan de ‘tenzij bepaling’ van artikel 9.23 GBW is voldaan waarbij het Nederlandse recht verder geen rol speelt. Evenzeer onjuist of onbegrijpelijk zijn de voortbouwende conclusies van het hof dat [moeder/curator] niet gehouden was tot het persoonlijk uitoefenen van permanent toezicht op [zoon/curandus] en dat zij geen verplichting had om hem te dwingen terug te keren naar het buitenland nu het hof zich hierbij op het Nederlands recht baseert.
34.
Voor wat betreft de overige (voortbouwende) conclusies van het hof over onder meer de zorgplicht, de voorzienbaarheid en of de mishandeling voorkomen had kunnen worden wordt — om voortdurende herhaling te voorkomen — verwezen naar de voorgaande (sub)onderdelen. Dat geldt ook voor het oordeel dat de situatie en achtergrond van [zoon/curandus] geen aanleiding gaven voor [moeder/curator] om [zoon/curandus] te dwingen met haar terug te keren naar Nederland. Ook dit oordeel is immers onvoldoende gemotiveerd in het kader van de hiervoor aangevoerde stellingen van zowel [slachtoffer en moeder] c.s. als [moeder/curator].67.
Onderdeel 6B
35.
Het oordeel van het hof in r.o. 6.25 is verder onjuist of onbegrijpelijk omdat het hof zonder nadere motivering de met een legal opinion van mevrouw [naam 1] onderbouwde stellingen van [slachtoffer en moeder] c.s. passeert inhoudende dat op grond van de vaststellingen in het Griekse strafvonnis [moeder/curator] op grond van art. 923 GBW aansprakelijk is.68. Mevrouw [naam 1] stelt daarover: ‘…it has already been ruled that there is a negligent neglect of supervision by […] [moeder/curator] […] and the casual link between the neglect of supervision and the harmful behavior of the supervised [[zoon/curandus]] which is presumably combative. […] Consequently, the conditions of art. 923 of the Civil Code are met and the supervising mother [[moeder/curator]] is obliged to compensate the injured party [[slachtoffer en moeder]] …’69. Aangezien Grieks bewijsrecht van toepassing is had het hof deze stelling niet mogen passeren zonder te onderzoeken of de vaststellingen van de Griekse strafrechter naar Grieks recht dwingende bewijskracht hebben, althans niet zonder voldoende kenbaar de overwegingen van de Griekse strafrechter inzake de ‘negligence’ van [moeder/curator] in zijn oordeelsvorming te betrekken.70.71.
Onderdeel 7
36.
In r.o. 6.26 overweegt het hof ten overvloede dat het niet geheel zeker is hoe in de Griekse rechtspraak over de aansprakelijkheid ex art. 923 GBW in een geval als het onderhavige geoordeeld zou worden. Ook om die reden is er volgens het hof geen aanleiding om [moeder/curator] aansprakelijk te houden. Deze onzekerheid is echter onvoldoende grond om de vordering af te wijzen. Het hof miskent dat de rechter niet mag weigeren te beslissen (art. 26 Rv.) en is gehouden om ambtshalve buitenlands recht toe te passen (art. 10:2 BW).
37.
Bovendien gaat het hof er — onbegrijpelijk — aan voorbij dat:
- (i)
in de bijlage bij het IJI rapport wordt gewezen op een gelijksoortige zaak waarin het hof van Thessaloniki een vader aansprakelijkheid gehouden voor de een door zijn zoon gepleegde moord ‘because he neglected to insist on his son's medical treatements72.’, en;
- (ii)
. de vordering van [slachtoffer en moeder] c.s. zoals door de rechtbank opgevat en beoordeeld mede was gebaseerd op artikel 914 GBW (algemene aansprakelijkheid) welke grondslag het hof in het kader van de devolutieve werking in hoger beroep had moeten behandelen.
Onderdeel 8
38.
Bij het slagen van de voorgaande (sub)onderdelen kunnen de daarop voortbouwende en samenhangende overwegingen niet in stand blijven. Dat betreft onder meer r.o. 6.21 (waar het hof vooruitloopt op zijn conclusie) en r.o. 6.27 voorzover [slachtoffer en moeder] c.s. tegenbewijs hebben aangeboden (verwezen wordt naar de (sub)onderdelen waarin dit aan de orde is gesteld), de conclusie en proceskostenveroordeling in r.o. 6.28 en de beslissing in r.o. 7.
Onderdeel 9 (tussenarrest)
39.
Ook kan dan het tussenarrest van 1 maart 2022 in het incident tot schorsing niet in stand blijven. Dit arrest en het incident zijn immers nauw verbonden aan de hoofdzaak. Indien het arrest in de hoofdzaak wordt vernietigd geldt dat ook voor het arrest in het incident.
40.
Daarbij is het hof in het tussenarrest in r.o. 10 sub i uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de civielrechtelijke beschermingsmaatregel van ondercuratelestelling van een meerderjarige, met daarbij een benoeming van een ouder tot curator, niet uit de aard der zaak een (quasi) kwalitatieve aansprakelijkheid van de curator met zich meebrengt voor de gevolgen van (strafbare) handelingen van curandus. Het hof past hierbij immers Nederlands recht toe, terwijl de rechtbank had geoordeeld dat Grieks recht van toepassing was en in hoger beroep alle partijen, inclusief het hof, daarvan uit zijn gegaan. Het hof had de zaak in het kader van art. 923 BW moeten beoordelen. Bovendien waren partijen het er in de onderhavige procedure mee eens zijn dat dit artikel een (pseudo) risicoaansprakelijkheid bij de curator neerlegt.73. Mocht het hof dit niet hebben miskend dat is onbegrijpelijk hoe het hof tot zijn conclusie komt terwijl uit art. 923 BW wel degelijk een strikte vorm van aansprakelijkheid volgt.74.
Mitsdien
het de Hoge Raad der Nederlanden moge behagen de bestreden arresten op grond van het daartegen aangevoerde middel te vernietigen, met zodanige uitspraak als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens, waarbij wordt gevorderd dat de proceskosten worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf 14 dagen na de datum van het arrest van de Hoge Raad.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑03‑2023
zie nr. 21 memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
eindvonnis r.o. 2.27 en 2.30
zie Hammerstein in T&C Rv. art. 347 aant. 3f onder verwijzing naar: HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6699 en HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:210
memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel, p. 17
zie Hammerstein in T&C Rv. art. 347 aant. 1f onder verwijzing naar: HR 23 oktober 1998. NJ 199/114 en HR 14 oktober 2005, NJ 2006/620
r.o. 2.27 en 2.30 van het eindvonnis van de rechtbank
daarnaast hebben [slachtoffer en moeder] c.s. er in de MvA/ VWA nr. 3.17 op gewezen dat de medicatie wordt voorgeschreven om hyperactief en impulsief gedrag te beheersen, in de woorden van [moeder/curator]: ‘om hem rustig te houden in zijn hoofd’
zie r.o. 6.22 en 6.24
het feit dat de bijsluiter niets vermeld over agressief gedrag betekent nog niet dat dit zich niet kan voordoen na het staken van de medicatie of dat de symptomen van ADHD of langdurige somberheid of depressie niet tot agressie kunnen leiden; uit de uitgebreidere samenvatting van de productkenmerken volgt in elk geval dat na beëindiging van de behandeling zorgvuldige supervisie noodzakelijk is (zie p. 10, in te zien via de website van het College ter beoordeling van geneesmiddelen: [website]), zie verder ook de stelling van [slachtoffer en moeder] c.s. in MvA/VWA nr. 3.17 over de ernstige gevolgen op de gemoedstoestand van de patiënt bij abrupt staken, zeker bij een relatief hoge dosis
nrs. 28 en 29
dat was gericht op vaststelling en aanvulling van de feiten zoals in de memorie van antwoord gesteld en tot vernietiging van de door de rechtbank in het eindvonnis waarvan beroep in r.o. 2.6 vastgestelde feiten ten aanzien van het moment van bekendheid van de ouders van [zoon/curandus]; aldus dient de memorie van antwoord in voorwaardelijke incidenteel hoger beroep te worden beperkt tot nrs. 1, 2, 4 t/m 15, 35
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29-11-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10235
van instemming was geen sprake zoals hiervoor al aangevoerd
MvA/VWA, nr. 4.2
MvA/VWA nr. 4.8
Idem
inl. dagv. p. 7 en bijbehorende productie 7 (zie kopje ‘bespreking en conclusie staf’) en tussenvonnis rechtbank r.o. 3.2
MvA/VWA nr. 6.4
dagvaarding, p. 4 sub B, laatste alinea en p. 8
Idem, zie het rapport in Productie 5 bij MvA/VWA onder : ‘sociale achtergrond’ en ‘crimineel/ psychiatrisch forensisch verleden’, zie ook nrs. 3.10 t/m 3.13 MvA/VWA
MvA/ VWA nr. 3.14 onder verwijzing naar het vonnis in de strafzaak p. 8–13 (prod. 2 bij MvA/ VWA)
MvA/VWA nr. 4.4 verwijzend naar voornoemd rapport (zie ‘sociale achtergrond’)
PV van de zitting van 18 oktober 2019 bij de rechtbank, p. 5 nr. 3
PV p. 5, nr. 4
PV p. 6, nr. 7
PV p. 6, nr. 8
zie ook de brief van [moeder/curator] aan de rechten van 19 september 2019 sub 2
dagvaarding, p. 4 sub B, laatste alinea en p. 8
Zie CvA nr. 17
verwezen wordt naar de in dit onderdeel geciteerde stellingen, zie alleen al het behandelplan en advies van voor 24 uurszorg aan de ouders van Karakter subonderdeel 11, nr. iv
zie de stellingen genoemd in subonderdeel nr. 12 sub vii en ix
zie ook MvA/ VWA nr. 3.16
CvA nr. 17
zie CvA nr. 17 en PV p. 6, nr. 7
Idem, zie het rapport in Productie 5 bij MvA/VWA onder : ‘sociale achtergrond’ en ‘crimineel/ psychiatrisch forensisch verleden’, zie ook nrs. 3.10 t/m 3.13 en 6.4 MvA/VWA
MvA/VWA nr. 3.14
MvA/VWA nr. 3.15
zie inl. dagv. p. 8 (bovenaan) en bijbehorende productie 7 bij inl. dagv. kopje: ‘bespreking ouders en/of jongeren d.d. 14-02-2011-afspraken vanuit BP1’
MvA/VWA nr. 4.2
PV, p. 5, nr. 4, vonnis rechtbank r.o. 2.25
PV p. 6, nr. 8, vonnis rechtbank r.o. 2.27, MvA/ VWA nr.3.17
zie r.o. 2.27 vonnis rechtbank en MvA/ VWA nrs. 3.17 en 4.8
MvA/ VWA nrs. 3.17 en 6.5
zie de stellingen i t/m ix hiervoor in subonderdeel 11
p. 2 IJI rapport, sub 2
partijen zijn het daar over eens: MvG [moeder/curator] nr. 36 en MvA/ VWA nr. 6.3
Bijlage ‘legal information on Greek law on torts’, p. 11/12 onder verwijzing naar: Thessaloniki Court of Appeal nr. 554/2008, Armenopoulos 2008 pp. 1035 et seq,
in januari 2023 is een monografie verschenen over dit onderwerp waarin inzake het betreffende onderwerp alleen naar genoemde uitspraak wordt verwezen: Kalliope Christakakou — Fotiadi, The libalilty of the minor and the supervising persons in the law of torts (2023) P.N. Sakkoulas publishing house 2nd edtion, passim
door Dr. Apostolos Anthimos advocaat te Thessaloniki
waarbij met name speelt dat: de daders allebei medicatie behoeften vanwege een geestelijke stoornis, bij de daders onvoldoende zorg krijgen van hun ouder/ curator nu deze in het buitenland verbleven zij daardoor vanwege de afstand onvoldoende toezicht konden houden
Zie het pleidooi van mr. F. Vermeulen in Liber Amicorum voor Harmen de Mol van Otterloo ‘Wie is de Mol?’, p. 248
MvA/VWA nr. 4.6
zie MvA/VWA nr. 3.9 waar is vermeld dat voor de vertaling is gebruikgemaakt van een vertaalprogramma en dat is afgezien van het laten opstellen van gecertificeerde vertalingen vanwege een gebrek aan financiële middelen
akte van [slachtoffer en moeder] c.s. van 29 juli 2020 nrs. 4 en 5 en MvA/VWA nr. 3.9
zie de voorgaande (sub) onderdelen en daarin genoemde vindplaatsen, in het bijzonder onderdeel 2A t/m C en onderdeel 3A (subonderdeel 17 sub i t/m xi) en 3B
MvA/VWA nrs. 6.5 en 6.6
om herhaling te voorkomen wordt verwezen naar nr. 26 van deze procesinleiding en de daarin genoemde vindplaatsen
zie onderdeel 2A, nr. 11, iv t/m viii en onderdeel 3A nr. 17 iii t/m vii
zie eveneens nr. 26 van deze procesinleiding en de daarin genoemde vindplaatsen
MvA/VWA nr. 7.2
r.o. 2.17 van het eindvonnis
PV p. 6, nr. 8 en CvA nr. 17
het hof beantwoordt deze vraag niet in r.o. 6.25 want daar overweegt het hof dat er geen verplichting op [moeder/curator] in haar hoedanigheid van curator zou rusten om hem te dwingen met haar terug te keren naar Nederland, terwijl de situatie en de achtergrond van [zoon/curandus] daartoe volgens het hof geen aanleiding gaven, zie verder onderdeel 6A
Inleidende dagvaarding nr. 6, akte 29 juli 2020 nr. 5, MvA/VWA nr. 8
zie o.a. onderdeel 2A t/m C en onderdeel 3A en 3B
MvA/ VWA nrs. 6.1 — 6.2 en bijbehorende productie 5
Zie haar legal opinion in productie bij MvA/VWA, pp. 8 en 9 waarin zij citaten heeft opgenomen van de overwegingen van de Griekse strafrechters
zie ook r.o.6.9 waar het hof citeert uit de Griekse procedure en onderdeel 4
Bijlage ‘legal information on Greek law on torts’, p. 11/12 onder verwijzing naar: Thessaloniki Court of Appeal nr. 554/2008, Armenopoulos 2008 pp. 1035 et seq,
MvG [moeder/curator] nr. 36 en MvA/ VWA nr. 6.3, de MvG was al genomen ten tijde van het tussenarrest, terwijl [slachtoffer en moeder] c.s. hun memorie als concept in het incident als productie één hebben overgelegd (zie ook nr. 2.1 MvA/ VWA)
of dat nu een (quasi) kwalitatieve aansprakelijkheid of (pseudo) risicoaansprakelijkheid wordt in het midden gelaten nu duidelijk is dat sprake is van een meer dan een schuldaansprakelijkheid