Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/5.4:5.4 Conclusie en rechtsvergelijking
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/5.4
5.4 Conclusie en rechtsvergelijking
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90940:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De reikwijdte van de voorrangspositie van rechtswege hangt samen met het nauwe band-vereiste. De nauwe band tussen de prestatie van de leverancier en de daartegenover staande koopprijsvordering vormt de rechtvaardiging voor de voorrangspositie die de kredietverstrekkende leverancier van rechtswege heeft of kan bedingen. De leverancier maakt namelijk de verkrijging van de zaken mogelijk en verkrijgt tot zekerheid van voldoening van de tegenprestatie door de koper een eerste aanspraak op de zaken. Dit leidt niet tot een benadeling van andere schuldeisers, omdat de leverancier een zekerheidsrecht verkrijgt met betrekking tot zaken die hij toevoegt aan het vermogen van de koper.1
Deze rechtvaardiging vormt ook de begrenzing van de reikwijdte van het recht van reclame en het voorrecht in het Nederlandse, Belgische en Amerikaanse recht. Deze rechtsfiguren secureren slechts de koopprijsvordering van de geleverde en onbetaalde zaak.2Is slechts een gedeelte van de zaken onbetaald, dan kan de leverancier zijn recht van reclame of voorrecht voor dat gedeelte uitoefenen.
De nauwe band vormt eveneens de rechtvaardiging voor de consensuele voorrangspositie voorleverancierskrediet. De verschillen in de reikwijdte van de voorrangspositie in de vier rechtsstelsels tonen echter dat deze nauwe band door de wetgevers verschillend wordt ingevuld.
In het Belgische recht strekt het eigendomsvoorbehoud tot zekerheid van de koopprijsvordering van de geleverde zaak.3 Een verruiming van het eigendomsvoorbehoud tot andere vorderingen is niet toegestaan. De nauwe band die de voorrangspositie die het eigendomsvoorbehoud rechtvaardigt, heeft tegelijkertijd tot gevolg dat verruimingen niet zijn toestaan.
Hetzelfde geldt voor het Amerikaanse recht, met een uitzondering voor inventory. In het kader van inventory kan een purchase-money security interest strekken tot zekerheid van huidige en toekomstige koopprijsvorderingen door middel van een cross-collateralization clause.4 De ontwerpers van de UCC hebben deze verruiming slechts toegestaan voor inventory, omdat dit type zaken bestemd is voor doorverkoop of verwerking en het risico op verlies van de purchase-money security interest vooral bij deze zaken speelt. De ontwerpers trachten met deze verruiming de levering van inventory op krediet te faciliteren.
In het Nederlandse recht is op vergelijkbare gronden het kredieteigendomsvoorbehoud ingevoerd, inhoudende dat een eigendomsvoorbehoud kan worden bedongen tot zekerheid van de tegenprestatie voor geleverde of te leveren zaken, vorderingen uit hoofde van wanprestatie en werkzaamheden. Met dit ruime eigendomsvoorbehoud beoogt de wetgever om het verlies van zekerheid voor de leverancier als gevolg van natrekking, eigenlijke en oneigenlijke vermenging, zaaksvorming en doorverkoop (enigszins) te ondervangen. Dit geschiedt doordat de koopprijs- en nevenvordering voor zaken die niet meer (herkenbaar) aanwezig zijn, worden gesecureerd door de voorbehouden eigendom van andere geleverde zaken.
Dit betekent niet dat in het Nederlandse recht het nauwe band-vereiste is losgelaten. Dit vereiste wordt alleen ruimer ingevuld dan in het Belgische en Amerikaanse recht. Het Nederlandse recht vereist namelijk wel enige mate van samenhang tussen de voorbehouden eigendom van de zaken en de gesecureerde vorderingen. Dit kan worden afgeleid uit de beperkingen in art. 3:92 lid 2 BW.
Ook het Duitse recht kent ruime mogelijkheden voor de leverancier om een verruimd eigendomsvoorbehoud overeen te komen. In het Duitse recht kan het eigendomsvoorbehoud naast de koopprijsvorderingen van geleverde en nog te leveren zaken zelfs ook andere type huidige en toekomstige vorderingen secureren. De geldigheid van de verruiming wordt gebaseerd op de fiduciaire eigendomsoverdracht die eenzelfde ruime reikwijdte kent.
Het Duitse recht lijkt daarmee ruimer te zijn dan de andere rechtsstelsels. Dit is echter niet steeds het geval. Het Duitse recht beperkt het kredieteigendomsvoorbehoud namelijk aan de ‘achterkant’ in tegenstelling tot de restricties aan de ‘voorkant’ in de andere drie betrokken rechtsstelsels. Dit geschiedt door het leerstuk van Übersicherung, de Kontoausgleich en de toekenning van een Absonderungsrecht aan de leverancier wiens voorbehouden eigendom nog slechts andere dan de koopprijsvordering secureert. Deze restricties hebben tot gevolg dat de nauwe band tussen de prestatie van de leverancier en de gesecureerde vordering in economische zin hersteld wordt.5
Het Nederlandse recht biedt tot slot nog een extra zekerheidsmogelijkheid voor de leverancier: het voorbehouden pandrecht. Anders dan het eigendomsvoorbehoud kent het geen beperkingen die vergelijkbaar zijn met art. 3:92 lid 2 BW en dit zekerheidsrecht kan het elk type vordering secureren.6 Wellicht dat daarom ook geen nauwe band wordt vereist tussen het onderpand en de gesecureerde vordering.
Alles overziend lijkt de leverancier in het Nederlandse recht de sterkste kaarten in handen te hebben. Het eigendomsvoorbehoud is ruimer dan in het Belgische en Amerikaanse recht. Daarentegen omvat het minder categorieën vorderingen dan het Duitse recht, maar het kent anderzijds niet de drie beperkingen uit het Duitse recht. Daarnaast heeft de leverancier met het voorbehouden pandrecht nog een extra troef in handen.
Hieruit kan echter nog niet de conclusie worden getrokken dat het Nederlandse of Duitse recht steeds een ruimere voorrangspositie biedt dan het Belgische of Amerikaanse recht qua vorderingen die gesecureerd kunnen worden. Het belang van de reikwijdte hangt namelijk ten eerste samen met de concrete omstandigheden van het geval. Zo bestaat bij objectfinanciering door de leverancier die verder geen vorderingen verkrijgt op de koper minder noodzaak voor een kredieteigendomsvoorbehoud. Ten tweede is het relevant of natrekking, eigenlijke en oneigenlijke vermenging, zaaksvorming en doorverkoop leiden tot het verlies van de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Een kredieteigendomsvoorbehoud kan bijvoorbeeld dienen ter voorkoming van oneigenlijke vermenging of ter ondervanging van het verlies van de voorbehouden eigendom van één van de geleverde en onbetaald gebleven zaken in deze situaties, omdat de leverancier tot zekerheid van de koopprijsvordering van deze zaak nog zijn eigendomsvoorbehoud met betrekking tot de andere zaken kan uitoefenen. Behoudt de leverancier in deze gevallen echter zijn voorrangspositie of verlengt deze zich tot het surrogaat van de geleverde zaken, dan is een kredieteigendomsvoorbehoud minder relevant. Hiermee bevestigt dit hoofdstuk, evenals de andere hoofdstukken in dit tweede deel, dat de uitwerking van één leerstuk invloed heeft op de mate waarin een voorrangspositie wordt gecreëerd voor leverancierskrediet, en tegelijkertijd samenhangt met de andere componenten van deze voorrangspositie.