HR, 18-07-2025, nr. 24/01257
ECLI:NL:HR:2025:1176
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-07-2025
- Zaaknummer
24/01257
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1176, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:316
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑07‑2025
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025071807
FutD 2025-1473
NDFR Nieuws 2025/1181
NLF 2025/1518 met annotatie van Theo Hoogwout
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/801
NTFR 2025/1213 met annotatie van mr. O. Eroglu
Uitspraak 18‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 14 EVRM; art. 1 EP; art. 5.2 Wet IB 2001; Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet). Werkelijk behaalde rendement; ongerealiseerde waardeveranderingen beleggingen en tweede woning in Frankrijk (ECLI:NL:HR:2024:705).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01257
Datum 18 juli 2025
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 21 februari 2024, nr. BK-23/5011., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/3006) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
1.2
In deze zaak heeft belanghebbende per aangetekende brief een verweerschrift ingediend waarin tevens een incidenteel beroep in cassatie is opgenomen. Het stuk is opgesteld door een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener. Artikel 1 van het Besluit van 6 maart 2019, Staatsblad 2020, 992., brengt mee dat een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht is digitaal te procederen. In deze zaak had het stuk dus digitaal, via het webportaal van de Hoge Raad, moeten worden ingediend. De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener bij aangetekend verzonden brief verzocht dit stuk binnen vier weken via het webportaal van de Hoge Raad in te dienen. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door de indiener opgegeven adres. De indiener heeft geen gevolg gegeven aan het verzoek. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 8:36a, lid 5, Awb geen acht slaan op het verweerschrift en het incidentele beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2018 opgelegd naar – onder meer – een forfaitair bepaald belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: inkomen in box 3) van € 44.054.
2.2
Belanghebbende heeft in 2018 op zijn bezittingen in box 3 rente- en dividendinkomsten genoten van € 20.763,90 (€ 649,90 rente en € 20.114 dividend).
2.3
Tot het vermogen van belanghebbende in box 3 behoren onder meer bank- en spaartegoeden, aandelen en obligaties en een tweede woning in Frankrijk (hierna: de woning).
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of het inkomen in box 3 juist is vastgesteld. Tussen partijen was niet in geschil dat de Wet rechtsherstel box 3 (hierna: de Herstelwet)3.niet leidt tot een vermindering van de aanslag, aangezien het inkomen in box 3 met toepassing van de Herstelwet € 103.054 zou bedragen. Dat is hoger dan het inkomen in box 3 waarvan is uitgegaan bij het vaststellen van de aanslag.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 volgt dat de heffing van box 3 op stelselniveau in strijd is met artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in combinatie met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP), indien de heffing naar het voordeel uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, dat hiervoor een op rechtsherstel gerichte compensatie dient te worden geboden, dat die compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement, en dat niet meer behoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty’s en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst. Ongerealiseerde vermogenswinsten passen naar het oordeel van het Hof niet onder het werkelijk behaald rendement en deze dienen daarom bij de bepaling van de op rechtsherstel gerichte compensatie buiten beschouwing te worden gelaten.
3.3
Het Hof heeft vastgesteld dat de woning niet wordt verhuurd en heeft daarom bij het bepalen van het door belanghebbende behaalde rendement daarvoor geen inkomen in aanmerking genomen. Het Hof heeft de aanslag verminderd uitgaande van het hiervoor in 2.2 genoemde bedrag aan rente- en dividendinkomsten als inkomen in box 3, met handhaving van de overige elementen van de aanslag.
4. Beoordeling van het middel
4.1
Het middel richt zich in de eerste plaats tegen de oordelen van het Hof voor zover die inhouden dat aan belanghebbende rechtsherstel moet worden geboden op basis van het werkelijke rendement en dat de aanslag daartoe moet worden verminderd. Het middel betoogt daartoe in de eerste plaats dat het aan de wetgever is, en niet aan de rechter, om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met een schending van het EVRM en het EP als gevolg van het stelsel van heffing van inkomstenbelasting in box 3. In zoverre kunnen de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie).
4.2.1
Het middel is verder gericht tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt terecht dat de op rechtsherstel gerichte compensatie dient aan te sluiten bij het werkelijke rendement, en dat daarvoor ook rekening moet worden gehouden met ongerealiseerde waardeveranderingen. De Hoge Raad verwijst naar hetgeen is overwogen in zijn arrest van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, rechtsoverweging 5.4.8. Tot cassatie kan dit echter niet leiden. De klachten kunnen namelijk niet tot een voor de Staatssecretaris gunstiger resultaat leiden, gelet op het volgende.
4.2.2
Het werkelijke rendement van de in Frankrijk gelegen woning dient buiten beschouwing te blijven, gelet op hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:860, rechtsoverweging 4.4.3.
4.2.3
Met betrekking tot de waardeveranderingen van de beleggingen is van belang dat belanghebbende in zijn beroepschrift in hoger beroep heeft gesteld dat hij daarmee een waardedaling heeft behaald en de stukken van het geding geen andere slotsom toestaan dan dat de Inspecteur dit niet, althans onvoldoende heeft weersproken. Als het Hof met die waardeveranderingen rekening had gehouden, zou dat dus niet hebben geleid tot een aanslag naar een hoger bedrag dan waarvan het Hof is uitgegaan.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond, en
- verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2025.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑07‑2025
Besluit van 6 maart 2019, houdende vaststelling van het tijdstip van gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Inwerkingtredingsbesluit digitaal procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures).
Wet van 21 december 2022, Stb. 2022, 533.
Beroepschrift 18‑07‑2025
Motivering van het beroepschrift-in cassatie (rolnr. 24/01257) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (het Hof) van 21 februari 2024, nr. 23/00501, inzake [X] te [Z] betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2018.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 17 april 2024 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht dan wel van verzuim van vormen, in het bijzonder van het bepaalde in de Wet rechtsherstel box 3, artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 14 van het EVRM en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof kennelijk van oordeel is dat het door de wetgever geboden rechtsherstel, zoals vormgegeven in de Wet rechtsherstel box 3, de evenredigheidstoets van artikel 1 van het EP EVRM in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan doorstaan, dat de op rechtsherstel gerichte compensatie in het onderhavige geval dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement, dat niet meer hoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty's en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst, en dat voor de tweede woning die niet wordt verhuurd geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking hoeft te worden genomen, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte dan wel op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting op het middel
Feiten en oordeel Hof
- •
In het jaar van geschil, 2018, behoren bij belanghebbende en zijn echtgenote tot de rendementsgrondslag van artikel 5.3, eerste lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), bank- en spaartegoeden en overige bezittingen.
- •
Tot de overige bezittingen behoren aandelen, obligaties e.d. en een tweede woning in Frankrijk.
- •
Het werkelijke rendement van de spaar- en beleggingsrekening bedroeg in 2018 € 20.763,90 (€ 649,90 rente en € 20.114 dividend).
- •
De tweede woning in Frankrijk wordt niet verhuurd.
- •
De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag voor het jaar 2018 het voordeel uit sparen en beleggen vastgesteld naar een bedrag van € 44.054.1.
- •
Op basis van de Wet rechtsherstel box 32. bedraagt het voordeel uit sparen en beleggen € 103.054.3.
In afwijking van de Wet rechtsherstel box 3 heeft het Hof belanghebbende compensatie geboden door het voordeel uit sparen en beleggen voor 2018 vast te stellen op het werkelijke rendement op de bank- en spaartegoeden van € 649,90 en het werkelijke rendement op de aandelen, obligaties e.d. van € 20.114. Voor de tweede woning in Frankrijk heeft het Hof geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomen; het Hof heeft bij de bepaling van het werkelijk door belanghebbende behaalde rendement de (eventuele) waardestijging van de tweede woning en een forfaitair bepaald voordeel uit eigen gebruik daarvan buiten beschouwing gelaten.
Beschouwing
De Hoge Raad (HR) heeft in het Kerstarrest4. geoordeeld dat het box 3-stelsel dat geldt vanaf 1 januari 2017 in bepaalde gevallen in strijd is met het EVRM. Bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten dient de rechter in het algemeen aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende aanknopingspunten zijn af te leiden voor de beantwoording van de vraag hoe dit dient te geschieden, aldus de HR. Zulke aanknopingspunten aan de hand waarvan de rechter binnen het bestaande wettelijk stelsel zou kunnen vaststellen hoe de geconstateerde schending valt op te heffen, zijn in dit geval niet voorhanden. Dan is het naar het oordeel van de HR aan de wetgever om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met de geconstateerde schending. De HR is van oordeel dat het formuleren van een daartoe geschikte rechtsregel en de in dat verband te maken keuzes aan de wetgever dienen te worden overgelaten.5.
Het Kerstarrest heeft geleid tot een (politieke) discussie over de consequenties van het arrest en het te bieden rechtsherstel in box 3. In mijn brief van 15 april 20226. en tijdens het commissiedebat van 20 april 2022 zijn verschillende mogelijkheden voor het rechtsherstel in box 3 aan bod gekomen. Ik heb in de brief aangegeven dat de enige uitvoerbare en acceptabele wijze van rechtsherstel een geautomatiseerd rechtsherstel op basis van een nieuwe forfaitaire berekening is. Hierbij wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het box 3-vermogen (werkelijke vermogensmix), maar niet van het werkelijk behaalde rendement. De Belastingdienst beschikt namelijk niet over informatie van voldoende kwaliteit over het werkelijke rendement. Daarnaast zullen niet alle belastingplichtigen beschikken over informatie over in het verleden door hen behaalde werkelijke rendementen. Bovendien is ook na het Kerstarrest het gebruik van forfaits toegestaan, mits bij het vaststellen van de forfaitaire grenzen wordt getracht de werkelijkheid te benaderen; zie onderdeel 3.2.3 van het Kerstarrest en onderdeel 2.4.1.2 van het arrest HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129.
Door voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen de werkelijke vermogensmix te gebruiken en af te stappen van de forfaitaire vermogensmix wordt een belangrijk bezwaar tegen de box 3-heffing weggenomen;7. zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal (A-G) Niessen bij het Kerstarrest.8. De A-G is in onderdeel 7.7 van de conclusie van mening dat het rechtstekort in box 3 wordt opgeheven wanneer wordt uitgegaan van de daadwerkelijk aangehouden spaargelden en overige bezittingen. In mijn brief van 28 april 20229. heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd dat het kabinet heeft besloten het rechtsherstel10. in gang te zetten volgens de forfaitaire spaarvariant. Er wordt gewerkt met drie forfaits, te weten voor spaargeld, schulden en overige bezittingen. De forfaits worden toegepast op de werkelijke vermogensmix, dat wil zeggen op de werkelijke spaartegoeden, schulden en overige bezittingen. In de brief van 28 april 2022 is verder vermeld dat via een beleidsbesluit regels worden vastgelegd om de precieze vormgeving van het rechtsherstel te verankeren en dat dit besluit daarna in wetgeving wordt omgezet. Met de forfaitaire spaarvariant kan geautomatiseerd rechtsherstel geboden worden, indien de nieuwe forfaitaire berekening van het voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het oorspronkelijk berekende voordeel uit sparen en beleggen. Met de forfaitaire spaarvariant wordt het rechtsherstel toegespitst op spaarders, die meer spaargeld hebben dan volgens de forfaitaire vermogensmix. De forfaitaire spaarvariant voorkomt dat beleggers in slechte jaren geld terugkrijgen, ook als ze bezien over meerdere jaren wel een goed rendement hadden. Verder is een voordeel van de forfaitaire spaarvariant dat de budgettaire derving fors wordt beperkt.
Via een brief met dagtekening 30 juni 202211. heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd dat de precieze vormgeving van het rechtsherstel volgens de zogenoemde forfaitaire spaarvariant, vooruitlopend op wetgeving, is verankerd in het Besluit rechtsherstel box 312. (het Besluit). Het Kerstarrest heeft geleid tot een majeure hersteloperatie. Het arrest heeft directe werking en moest daarom direct uitgevoerd worden. De Belastingdienst heeft hiervoor in korte tijd grote inspanningen geleverd om de benodigde aanpassingen aan de systemen te kunnen bewerkstelligen. Het rechtsherstel is zodanig vormgegeven dat het grotendeels geautomatiseerd kan worden uitgevoerd op basis van reeds beschikbare gegevens. Burgers hoeven in beginsel zelf geen actie te ondernemen. Uit de bij het Besluit behorende uitvoeringstoets blijkt dat het geautomatiseerde rechtsherstel voor de Belastingdienst uitvoerbaar is.13. Uit de uitvoeringstoets blijkt evenwel dat de impact van het rechtsherstel voor de uitvoering groot is.
Het bieden van rechtsherstel over de kalenderjaren 2017 t/m 2020 is per 1 juli 2022 op grond van het Besluit in gang gezet. Het Besluit bevat voor de toepassing van hoofdstuk 5 Wet IB 2001 een nieuwe forfaitaire berekening van het voordeel uit sparen en beleggen. De totstandkoming van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen is in punt 1.2 van het Besluit als volgt onderbouwd:
‘Bij het rechtsherstel wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het vermogen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement, geldt voor iedere vermogenscategorie een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage. Bij de vormgeving van dit rechtsherstel zijn diverse aspecten betrokken, waaronder budgettaire, uitvoeringstechnische en maatschappelijke aspecten. Het is erop gericht om op een geautomatiseerde wijze uitvoering te geven aan het bovengenoemde arrest. Met de in dit besluit beschreven nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen wordt naar de mening van het kabinet naar redelijkheid op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel geboden.’
Met terugwerkende kracht tot 1 januari 201714. is de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen neergelegd in de Wet rechtsherstel box 3.15. De wetgever heeft de keuze om de box 3-heffing niet te baseren op het werkelijk behaalde rendement als volgt toegelicht:
‘Na de voorgestelde aanpassingen zal het voordeel uit sparen en beleggen beter aansluiten bij het werkelijk behaalde rendement. Dit geldt in het bijzonder voor belastingplichtigen met een groter aandeel banktegoeden dan forfaitair werd verondersteld. Ook na de voorgestelde aanpassingen is geen sprake van een heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement. Het werkelijke rendement van een individuele belastingplichtige kan in een belastingjaar hoger of lager zijn dan het forfaitair bepaalde rendement. De regering werkt aan de invoering van een stelsel op basis van het werkelijk behaalde rendement. Het is uitvoeringstechnisch nog niet mogelijk om op dit moment al het werkelijke rendement te belasten. Voor het rechtsherstel is gekozen voor een methode die in grote mate geautomatiseerd is uit te voeren door de Belastingdienst, waarbij belastingplichtigen zo min mogelijk aanvullende gegevens hoeven aan te leveren. Door het loslaten van een forfaitaire samenstelling van het vermogen en het hanteren van rendementspercentages, voor de hierboven beschreven vermogenscategorieën, wordt het werkelijk behaalde rendement beter benaderd. Hoewel het voorgestelde forfaitaire stelsel in een zeker opzicht ruw is, is de regering van oordeel dat het voorstel de proportionaliteitstoets van het EVRM kan doorstaan. Voor de proportionaliteitstoets is van belang dat een redelijke verhouding bestaat tussen de gehanteerde middelen en het beoogde doel van de heffing. Hierbij heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Deze redelijke verhouding is aanwezig gelet op het maatschappelijke en budgettaire belang van een heffing op vermogensinkomsten, de nadelen van overwogen alternatieven — zoals in paragraaf 5 nader beschreven — en het feit dat de regering werkt aan een zo spoedig mogelijke invoering van een heffing op basis van het werkelijke rendement. Bij de keuze voor een forfaitair stelsel is verder van belang dat bij het vaststellen van de forfaits getracht wordt de werkelijkheid te benaderen, zoals met het voorstel wordt beoogd.’
‘Een uitvraag bij alle belastingplichtigen of tegenbewijsregeling zou het nadeel kunnen wegnemen dat de belastingheffing over een hoger inkomen plaatsvindt dan over het werkelijke rendement. Hier is echter bij het rechtsherstel niet voor gekozen. Het belangrijkste argument is dat het met terugwerkende kracht aansluiten bij en uitvragen van het daadwerkelijke rendement te veel zou vergen van de uitvoering bij de Belastingdienst en van het doenvermogen van burgers. Bovendien kan de Belastingdienst door de beperkt beschikbare contra-informatie niet met zekerheid vaststellen of het werkelijke rendement op de juist[e] manier is berekend. Dat zou onder meer leiden tot niet-gebruik en oneigenlijk gebruik. Een tegenbewijsregeling betekent de facto de introductie van een stelsel op basis van werkelijk rendement vanaf 2017. Wel werkt de regering aan een zo spoedig mogelijke invoering van een stelsel op basis van het werkelijk behaalde rendement.’
Het Hof is van oordeel dat in afwijking van de Wet rechtsherstel box 3 compensatie moet worden geboden waarbij de op rechtsherstel gerichte compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement en dat niet meer hoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty's en mogelijk andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst. De wetgever heeft er echter bewust niet voor gekozen om de compensatie te laten aansluiten bij de directe, gerealiseerde vermogensopbrengst. Voor het vaststellen van het voordeel uit sparen en beleggen heeft de wetgever in de Wet rechtsherstel box 3 het werkelijke vermogen onderverdeeld in drie categorieën met voor iedere vermogenscategorie een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage, dat zoveel mogelijk aansluit bij het werkelijk behaalde rendement over de betreffende vermogenscategorie. De keuze voor forfaitaire rendementspercentages is door de wetgever als volgt toegelicht:
‘Bij de bepaling van de forfaitaire rendementspercentages is net als in het huidige box 3-stelsel uitgegaan van een breed rendementsbegrip. Het rendementsbegrip omvat zowel het directe rendement (zoals rente en dividend) als gerealiseerde en niet-gerealiseerde waardemutaties. (…) Uitgaan van het brede rendementsbegrip is in lijn met het eerder met de Tweede Kamer gedeelde advies van drie externe deskundigen. Dit rendementsbegrip ligt ook ten grondslag aan het huidige box 3 — stelsel.16.
(…)
Overwogen is om in de nieuwe berekening voor meer vermogenscategorieën (dan de in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen drie vermogenscategorieën) een afzonderlijk rendementspercentage op te nemen.17. In die variant worden voor alle rubrieken uit de belastingaangifte: spaargeld, onroerende zaken, effecten (aandelen en obligaties), contant geld, vorderingen et cetera, de forfaitaire rendementspercentages gebaseerd op de gemiddelde rendementen voor deze vermogenscategorieën in het betreffende belastingjaar. Het nadeel van deze variant is dat belastingplichtigen met beleggingen in gemiddeld genomen slechte beleggingsjaren geld terugkrijgen, ook als zij over de gehele periode 2017–2022 een hoog rendement hebben behaald. Voor jaren waarin het voordeel uit sparen en beleggen volgens de regels van rechtsherstel hoger is kan echter niet worden bijgeheven. Bovendien blijft het ook in deze variant niet mogelijk om geautomatiseerd onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld aandelen en obligaties, omdat deze posten niet worden onderscheiden in de systemen van de Belastingdienst. Gelet op het bovenstaande heeft de regering gekozen voor de voorgestelde variant, waarbij voor overige bezittingen wordt uitgegaan van het huidige meerjarige gemiddelde rendement uit rendementsklasse II.’
Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, blz. 7 en 8.
Voor de toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 behoren aandelen, obligaties e.d. en de tweede woning in Frankrijk tot de vermogenscategorie overige bezittingen. Deze categorie kent veel verschillende typen vermogensbestanddelen die op basis van de gegevens in de aangifte niet altijd te onderscheiden zijn. Bovendien kan het rendement van de verschillende vermogensbestanddelen binnen de categorie overige bezittingen per jaar sterk fluctueren, terwijl met de investering vaak op de lange termijn een rendement nagestreefd en behaald wordt. Bij het bepalen van de forfaitaire rendementspercentages is, net als in het box 3-stelsel dat gold tot 2017, uitgegaan van een breed rendementsbegrip dat niet enkel directe, gerealiseerde rendementen bevat.18. In de Wet rechtsherstel box 3 wordt uitgegaan van een breed rendementsbegrip, hetgeen in lijn is met het eerder met de Tweede Kamer gedeelde advies van drie externe deskundigen. Gelet op de moeilijkheden bij het nader uitsplitsen van deze vermogensbestanddelen en het uitgangspunt van een geautomatiseerd rechtsherstel, wordt met het gehanteerde forfait voor overige bezittingen op de meest rechtvaardig mogelijke manier aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement. Daarbij speelt ook een rol dat alle overwogen alternatieven, zoals het uitvragen van het werkelijke rendement bij belastingplichtigen of het invoeren van een tegenbewijsregeling, belangrijke nadelen kennen.19. Ten slotte is in dit kader van belang dat de Belastingdienst niet beschikt over informatie over aan-en verkopen van overige bezittingen binnen eenzelfde belastingjaar en over eventuele met die verkoop in de loop van het jaar behaalde resultaten.
Door bij het bieden van het rechtsherstel uit te gaan van een nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen heeft de wetgever een balans gevonden tussen enerzijds de noodzaak om recht te doen aan het Kerstarrest en anderzijds de praktische mogelijkheden gelet op het doenvermogen van belastingplichtigen en de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst.20. De keuze voor een geautomatiseerde regeling waarbij belastingplichtigen zo min mogelijk aanvullende gegevens hoeven aan te leveren, is gemaakt om op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel te bieden. Hoewel de beschreven methodiek in een zeker opzicht ruw is, kan deze naar mijn mening de proportionaliteitstoets van het EVRM doorstaan. Voor de proportionaliteitstoets is van belang dat een redelijke verhouding bestaat tussen de gehanteerde middelen en het beoogde doel van de heffing, waarbij de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft. De redelijke verhouding is mijns inziens aanwezig gelet op het maatschappelijke en budgettaire belang van een heffing op vermogensinkomsten, de nadelen en onmogelijkheden van overwogen alternatieven en het feit dat wordt gewerkt aan een zo spoedig mogelijke invoering van een heffing op basis van het werkelijke rendement.21. Ook de Afdeling advisering van advies van de Raad van State benadrukt het belang van een werkbare en evenwichtige afwikkeling. Een regeling die optimaal tegemoetkomt aan het Kerstarrest maar niet uitvoerbaar is, draagt uiteindelijk niet bij aan rechtsherstel voor betrokkenen. Door de omvang van de hersteloperatie kan deze naar de mening van de Afdeling alleen op uniforme, geautomatiseerde — in een wet neergelegde — wijze worden uitgevoerd.
Als het voordeel uit sparen en beleggen ingevolge de Wet rechtsherstel box 3 (het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen) lager is dan het vóór inwerkingtreding van de Wet rechtsherstel box 3 berekende voordeel uit sparen en beleggen (het oorspronkelijke voordeel uit sparen en beleggen), dan wordt het voordeel uit sparen en beleggen verminderd tot het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen. Is het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen hoger dan het oorspronkelijke voordeel uit sparen en beleggen, dan geldt het oorspronkelijke box 3-inkomen. In de voorliggende procedure is dit laatste het geval, maar het Hof gaat ten onrechte niet uit van het oorspronkelijk berekende box 3-inkomen.22. Het Hof stelt het voordeel uit sparen en beleggen van belanghebbende vast op het daadwerkelijk genoten inkomen ten aanzien van de bank- en spaartegoeden (€ 649,90), de aandelen, obligaties e.d. (€ 20.114) en de tweede woning (nihil). De kennelijke opvatting dat nu het forfaitair berekende voordeel uit sparen en beleggen door belanghebbende niet tot dat bedrag is ontvangen en dus niet mag worden belast, is niet juist. Met de invoering van box 3 in de Wet IB 2001 heeft de wetgever bepaald dat in beginsel alle bezittingen van de belastingplichtige, behalve bepaalde wettelijke uitzonderingen, bij wijze van fictie worden geacht forfaitair bepaalde inkomsten op te leveren. De omstandigheid dat het rendement op een inkomensbestanddeel op forfaitaire wijze is bepaald, maakt niet dat geen sprake is van ‘genoten’ inkomen in de zin van artikel 2.3 van de Wet IB 2001. Het is de wetgever toegestaan om zich bij een nationale bepaling te bedienen van forfaits en ficties als het onderhavige forfait. Het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 9 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4633 overwogen dat uit de wetsgeschiedenis23. blijkt dat met het begrip genoten inkomen wordt bedoeld dat het bij de belastingplichtige moet zijn opgekomen of op grond van specifieke bepalingen geacht moet worden bij de belastingplichtige te zijn opgekomen. De HR heeft in het arrest van 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1108, onder verwijzing naar zijn arresten van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 en ECLI:NL:HR:2019:817, het cassatieberoep van de belanghebbende in die procedure verworpen met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Het oordeel van het Hof dat ten aanzien van de woning geen inkomen in aanmerking hoeft te worden genomen miskent bovendien dat de HR reeds heeft beslist dat wegens het eigen gebruik van een woning voor de heffing van inkomstenbelasting de economische huurwaarde van die woning als inkomste in natura van oudsher tot de belastbare inkomsten uit vermogen wordt gerekend en er geen reden is daarover anders te oordelen onder de Wet IB 2001; zie onderdeel 2.5.2 van het arrest van 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129.
In de memorie van toelichting op het Belastingplan 2016 is in het kader van de herziening van het box 3-stelsel met ingang van 2017 al toegelicht dat het totale rendement op vermogen bestaat uit enerzijds de inkomsten uit het vermogen, zoals rente, dividend, royalty's en huur, en anderzijds de waardestijging of — daling van het vermogen.24. Ook voor het rechtsherstel (en de Overbruggingswet box 325.en26.) wordt het voordeel uit sparen en beleggen niet vastgesteld op enkel de feitelijk genoten directe vermogensopbrengst (zoals rente en dividend). De HR heeft geoordeeld dat de wetgever bij het hanteren van een forfaitair stelsel de werkelijkheid moet trachten te benaderen. Voor zover het Hof van oordeel is dat het Kerstarrest dwingt tot een box 3-heffing over het werkelijk behaalde directe rendement, vindt dat oordeel geen steun in het recht. Noch de Wet IB 2001 noch de Wet rechtsherstel box 3 bieden de mogelijkheid om het voordeel uit sparen en beleggen vast te stellen op de feitelijke opbrengst.
Het werkelijke rendement
Mocht in het kader van het te bieden rechtsherstel toch moeten worden uitgegaan van het werkelijke rendement, dan dient mijns inziens tot het werkelijke rendement niet alleen feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty's en andere vormen van direct gerealiseerde vermogensopbrengst te worden gerekend maar ook ongerealiseerde waardemutaties van de bezittingen. In dit verband verwijs ik naar de recente gemeenschappelijke bijlage bij een vijftal conclusies van de Advocaat-Generaal (A-G) Pauwels.27. Het werkelijk behaalde rendement dient naar de mening van de A-G zoveel mogelijk aan te sluiten bij het inkomen/rendement dat de wetgever heeft beoogd te treffen met het forfaitaire box 3-stelsel. Hij pleit voor een rendementsbegrip waartoe ongerealiseerde waardemutaties behoren, omdat ook het voordeel uit sparen en beleggen daarmee rekening houdt.28. Volgens de A-G lijken de gerechtshoven te zijn uitgegaan van een tegengestelde (dus zijns inziens onjuiste) opvatting, waarin het werkelijk behaalde rendement abstraheert van ongerealiseerde waardemutaties.29. In lijn met deze opvatting van de A-G meen ik dat in casu tot het werkelijke rendement tevens behoort een eventuele (ongerealiseerde) waardemutatie van de tweede woning en van de aandelen, obligaties e.d. Uit de gedingstukken blijkt niet of en hoeveel de waarde van de tweede woning en van de aandelen, obligaties e.d. in het jaar van geschil is gemuteerd. Indien het werkelijke rendement niet lager is dan het door de Inspecteur vastgestelde oorspronkelijke voordeel uit sparen en beleggen, dan bestaat geen aanleiding belanghebbende rechtsherstel te bieden.
Conclusie
Het Hof miskent dat het aan de wetgever is om invulling te geven aan het rechtsherstel. Het Hof heeft ten onrechte de Wet rechtsherstel box 3 buiten toepassing gelaten. Het Hof is kennelijk van oordeel dat met de Wet rechtsherstel box 3 geen rechtsherstel wordt geboden dat verenigbaar is met het EVRM. Die opvatting acht ik niet juist, 's Hofs oordeel gaat eraan voorbij dat de vormgeving van het rechtsherstel gepaard is gegaan met een door de wetgever gemaakte afweging van uitvoeringstechnische, maatschappelijke, politieke en budgettaire aspecten. De rechter dient de ruime beoordelingsmarge van de wetgever bij zijn afweging te respecteren, tenzij de afweging van de wetgever evident van elke redelijke grond ontbloot is.30. Van dit laatste is naar mijn mening geen sprake. Indien het voordeel uit sparen en beleggen naar het oordeel van de Hoge Raad toch dient te worden vastgesteld op het werkelijk behaalde rendement, dan is 's Hofs oordeel onjuist vanwege een verkeerde (want te beperkte) uitleg van het begrip werkelijk rendement.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑07‑2025
Zie het verweerschrift in beroep van de Inspecteur van 24 juni 2022.
Wetsvoorstel 36 203, Wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over de kalenderjaren 2017 tot met 2022 door het lager vaststellen van het voordeel in gevallen waarin dat nodig is om het voordeel in overeenstemming te brengen met de uitspraak van de HR van 24 december 2021 (Wet rechtsherstel box 3).
Zie het verweerschrift in beroep van de Inspecteur van 24 juni 2022.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Om de redenen die de HR noemt in onderdeel 3.6.2 van het Kerstarrest ziet hij zich genoodzaakt de belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde verdragsschending. Ervan uitgaande dat de rechtsbescherming een op rechtsherstel gerichte compensatie vergt waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen, biedt de HR rechtsherstel door het werkelijke rendement in de box 3-heffing te betrekken (onderdeel 3.6.3).
Conclusie van de Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen van 1 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1019.
Dit betreft het rechtsherstel voor de massaal bezwaarmakers over de jaren 2017–2020 en voor alle belastingplichtigen wiens aanslag nog niet onherroepelijk vaststond (dat zijn onder meer alle belastingplichtigen over de jaren 2021–2022). Het was nodig om voor het einde van de maand april 2022 een besluit te nemen over de variant van rechtsherstel voor de groep van circa 60.000 bezwaarmakers per jaar, zodat de Belastingdienst aan de slag kon om hen vóór 4 augustus 2022 rechtsherstel te bieden.
Brief van 30 juni 2022, met kenmerk 2022-0000180461 en Kamerstukken II 2021/22, 36 203, nr. 131.
Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 2022, nr. 2022-176296 (Stcrt. 2022, 17063).
Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 7. Vergelijk HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1892.
Ingevolge het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 december 2022, nr. 286774, (Stcrt. 2022, 31676) zijn de besluiten van 28 juni 2022, nr. 2022-176296 (Stcrt. 2022, 17063) en van 29 juli 2022, nr. 2022-199150 (Stcrt. 2022, 20318) komen te vervallen. De beleidsbesluiten hebben hun belang verloren door de inwerkingtreding van de Wet rechtsherstel box 3.
Zie in gelijke zin de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 5 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13420, waarin is geoordeeld dat, gezien de hogere (ongerealiseerde) waardestijging van de tweede woning, niet kan worden gezegd dat het behaalde werkelijke rendement lager is dan het in de box 3-heffing betrokken rendement. Dat wordt uitgegaan van de voor de bewuste onroerende zaak vastgestelde WOZ-waarden, is naar het oordeel van de Rechtbank in lijn met de uitgangspunten van de Wet IB 2001.
Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 6, blz. 2 en 3.
Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, blz. 2 en 4.
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 37, 78–79.
Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 3, bijlage A.
Kamerstukken I 2022/23, 36 204, C, blz. 6 en 7.
Gemeenschappelijke bijlage (ECLI:NL:PHR:2024:1) bij de conclusies van 9 februari 2024 in de zaken met HR nrs. 22/01571, 22/04676, 23/01022, 23/01736 en 23/02894.
Onderdeel 7.64 van de Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 9 februari 2024.
Onderdeel 7.48 van de Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 9 februari 2024.
O.a. HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:1.