Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4158.
Rb. Den Haag, 07-05-2026, nr. NL25.4617
ECLI:NL:RBDHA:2026:10815
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
07-05-2026
- Zaaknummer
NL25.4617
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:10815, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 07‑05‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 07‑05‑2026
Inhoudsindicatie
MK Jemen. Beleidsregels die gelden op moment van beslissen asielaanvraag, moeten worden toegepast. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat de asielmotieven rekrutering en lening van vrienden en daaruit voortvloeiende problemen onvoldoende zwaarwegend zijn. De rechtbank is van oordeel dat minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor de provincie Taiz in Jemen geen sprake is van hoogste gradatie van willekeurig geweld. Ook is de humanitaire situatie in Jemen onvoldoende betrokken. Het beroep is gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4617
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. W.J. Poot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is van Jemenitische nationaliteit, afkomstig uit de provincie Taiz, en is geboren op [geboortedatum] 1995. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 23 oktober 2025. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.
4. Eiser heeft nadere stukken ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op een tweede zitting op 10 maart 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W. Fadl als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Eiser heeft kort voor de zitting nog een aantal nadere stukken ingediend. Nu de minister, voor zover deze stukken van belang zijn, hierop ter zitting heeft gereageerd, betrekt de rechtbank ook deze stukken bij de beoordeling. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor de provincie Taiz in Jemen geen sprake is van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Jemen verlaten in 2019 en is toen naar Saoedi-Arabië gegaan omdat eiser bang was gerekruteerd te worden door de Houthi’s. De Houthi’s zouden tweemaal aan de deur geweest zijn toen eiser niet thuis was in 2019. Zij hebben gezegd dat eiser zich moest melden. Eiser is in 2022 vanuit Saoedi-Arabië naar Nederland gereisd en heeft de onderhavige aanvraag gedaan. Hij vreest bij terugkeer gedwongen gerekruteerd te worden, gevangengezet te worden of als eiser weigert de dienstplicht te vervullen, te worden gedood. Daarnaast stelt eiser geld geleend te hebben van vrienden om zijn reis te betalen en willen zij nu hun geld terug. Om deze reden is de vader van eiser twee weken gevangengezet en dreigt de vader van eiser afstand te doen van eiser als zoon.
Het bestreden besluit
8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende motieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Rekrutering door de Houthi’s;
3. Lening van vrienden en de daaruit volgende problemen.
De minister vindt alle asielmotieven van eiser geloofwaardig. Deze problemen zijn echter onvoldoende zwaarwegend om eiser een asielvergunning te verlenen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Houthi’s eiser bij zijn terugkeer naar Jemen nog een keer gaan rekruteren. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de lening en de daaruit volgende problemen zullen leiden tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De omstandigheid dat eiser uit Jemen komt is ook onvoldoende om eiser als vluchteling aan te merken. Daarnaast is de algemene situatie in Jemen geen reden om in aanmerking te komen voor een asielvergunning. Er is sprake van een hoge mate van willekeurig geweld, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers in Jemen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Benadeling door gewijzigd beleid
9. Eiser voert aan dat hij is benadeeld doordat de minister zijn aanvraag in de verlengde asielprocedure heeft behandeld. Indien direct op de asielaanvraag was beslist, had eiser op grond van het oude landenbeleid van vóór 24 april 2024 in het bezit moeten worden gesteld van een verblijfsvergunning omdat destijds voor Jemen nog een uitzonderlijk niveau van geweld werd aangenomen. Hierbij wijst de gemachtigde van eiser erop dat een andere cliënt van hem uit Jemen die op een andere locatie in Nederland ongeveer gelijktijdig een asielaanvraag heeft gedaan, wel direct een asielvergunning heeft gekregen.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komt, onvoldoende is om van het uitgangspunt af te wijken dat bij het nemen van een besluit op bezwaar de beleidsregels worden toegepast zoals die op dat moment gelden. Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.1.Dit uitgangspunt geldt ook voor beslissingen op asielaanvragen. De rechtbank oordeelt dat van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake is. De enkele omstandigheid dat op een andere aanvraaglocatie een asielaanvraag van een asielzoeker uit Jemen wel direct zou zijn behandeld en ingewilligd, is naar het oordeel van de rechtbank niet dermate bijzonder dat dit een uitzondering op voormeld uitgangspunt rechtvaardigt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Rekrutering
11. Over de rekrutering heeft eiser aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de eerdere geloofwaardig bevonden rekruteringspogingen geen reden zijn om aan te nemen dat er voor eiser bij terugkeer naar Jemen een reëel risico is op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet tot de groep personen hoort die voornamelijk door de Houthi’s worden gerekruteerd. De tegenwerping van de minister dat eiser onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan naar zijn vrees voor rekrutering is tegenstrijdig met het geloofwaardig vinden van zijn asielmotief. De omstandigheid dat eiser drie keer is teruggekeerd naar Jemen betekent niet dat hij daarom niet te vrezen heeft voor rekrutering, omdat hij toen maar een korte tijd in Jemen heeft verbleven en in die periode binnen bleef. Daarom heeft hij toen geen problemen gekregen. Verder heeft eisers voormalige vriend [naam] zich aangesloten bij de Houthi's en weet hij van eisers verleden.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer vanwege mogelijke rekrutering sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat in het Algemeen Ambtsbericht over Jemen van 2022 is beschreven dat de rekrutering van de Houthi’s op lokaal niveau plaatsvond en dat die grotendeels was gericht op mannen in de leeftijd van 18 tot 22 jaar. De meeste rekruten waren analfabeet en afkomstig van de armste lagen van de bevolking.2.Uit de Algemene Ambtsberichten van 20233.en van 20254.blijkt dat er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden voor wat betreft de rekrutering. Ook volgt uit deze ambtsberichten niet dat alle jonge mannen in Jemen het risico lopen om slachtoffer te worden van gedwongen rekrutering door de Houthi’s. Dit betekent dat eiser zelf aannemelijk moet maken dat hij om individuele redenen een risico loopt op rekrutering. Daarin is eiser niet geslaagd. De eerdere geloofwaardige rekruteringspogingen in 2019 zijn hiertoe onvoldoende. Daarvoor heeft de minister terecht erop gewezen dat eiser inmiddels 30 jaar oud is en kan lezen en schrijven, wat maakt dat hij in het geheel niet meer valt binnen de categorie mannen op wie de rekrutering is gericht. Ook heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat nog wordt gezocht naar eiser voor rekrutering. Eiser heeft hierover geen concrete informatie overgelegd of onderzoek naar verricht. Ook heeft de minister mogen betrekken dat eiser stelt vanuit Saoedi-Arabië na 2019 nog meermalen kort naar Jemen te zijn teruggekeerd, ondanks het door hem gestelde risico. Over de voormalige vriend [naam] heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat niet duidelijk is waarom de problemen met [naam] relevant zijn voor de vrees voor wat betreft de rekrutering. Dit is in beroep ook niet duidelijk geworden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Lening vrienden
13. Eiser heeft ook aangevoerd dat de lening die hij had bij vrienden om zijn reis te financieren en de daaruit volgende problemen een risico opleveren bij terugkeer naar Jemen. Gelet op de cultuur van eer- en bloedwraak in Jemen en het feit dat een van zijn voormalige vrienden, [naam] , zich bij de Houthi’s heeft aangesloten, loopt eiser een reëel risico op ernstige schade, zo stelt eiser. Hij verwijst hierbij naar wat hierover in de zienswijze is aangevoerd.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij een risico loopt op bloed- en eerwraak vanwege het niet terugbetalen van de lening aan vrienden. De verwijzing naar de zienswijze is hiervoor onvoldoende, nu het aan eiser is om te motiveren waarom de reactie hierop in het bestreden besluit onvoldoende is. In het bestreden besluit is hierover gesteld dat, samengevat weergegeven, het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij door problemen met zijn vriend [naam] vanwege een geldlening bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade, en dat hij dit niet met documenten heeft onderbouwd en met zijn verklaringen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, kan hieraan niet afdoen. Dat in Jemen bloed- en eerwraak voorkomt, betekent nog niet dat dit ook bij eiser zal gebeuren. De rechtbank is met de minister van oordeel dat eiser de vrees vanwege deze reden onvoldoende heeft geconcretiseerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Politieke overtuiging
15. Verder heeft eiser aangevoerd dat de weigering van eiser van rekrutering door de Houthi’s zal worden gezien als een daad van politieke overtuiging als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Kwalificatierichtlijn. In dit verband verwijst eiser naar overweging 34 en 35 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 12 januari 2023.5.De minister heeft in de besluitvorming ten onrechte geen (toegedichte) politieke overtuiging aangenomen, aldus eiser.
16. De rechtbank volgt dit niet en is van oordeel dat de verwijzing naar de uitspraak van het HvJEU niet opgaat. In overweging 34 en 35 staat het volgende opgenomen:
‘34. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de uiting – door handelen of nalaten – van bepaalde opvattingen, gedachten of meningen die geen rechtstreeks en onmiddellijk politiek karakter hebben, naargelang van de specifieke context van het land van herkomst van de verzoeker, de „actoren van vervolging” ertoe kan brengen om het karakter van „politieke overtuiging” in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2, van deze richtlijn toe te schrijven aan zulke opvattingen, gedachten of meningen.
35. Dienaangaande heeft het Hof verduidelijkt dat er in de context van een gewapend conflict – met name bij een burgeroorlog – en wanneer er geen wettelijke mogelijkheid is om zich aan militaire verplichtingen te onttrekken, een sterk vermoeden bestaat dat de autoriteiten van het betrokken derde land een weigering om de militaire dienst te vervullen zullen opvatten als een daad van politiek verzet, ongeacht de mogelijkerwijs ingewikkeldere persoonlijke motieven van de betrokkene en onder voorbehoud van de verificatie door de autoriteiten van de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming is ingediend of een dergelijke weigering aannemelijk in verband kan worden gebracht met de betrokken vervolgingsgrond [arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel), C238/19, EU:C:2020:945, punten 47, 48, 60 en 61].’
17. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het in deze uitspraak van het HvJEU gaat over een militaire dienstplicht, die in zekere mate georganiseerd wordt opgelegd en waarvan aannemelijk is dat de weigering dan wel ontduiking ervan bekend wordt bij de (centrale) autoriteiten die de dienstplicht hebben opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat op zichzelf staande rekruteringspogingen, zoals in deze zaak, hiermee niet op één lijn kunnen worden gesteld. Hierbij is ook van belang dat eiser geen details heeft kunnen geven over de precieze omstandigheden van de rekrutering. De minister heeft dan ook terecht in de ontduiking van eiser van de eerdere rekruteringspogingen geen reden gezien voor het aannemen van een (toegedichte) politieke overtuiging bij eiser en dit ook niet als een apart asielmotief hoeven te beoordelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn
18. Verder heeft eiser aangevoerd dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor het gebied Taiz geen hogere mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn is vastgesteld.
Juridisch kader
19. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (artikel 15c) biedt bescherming in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een ernstige en individuele bedreiging van het leven.
20. In de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 20256.heeft de Afdeling eerst het toetsingskader van artikel 15c weergegeven. Artikel 15c gaat over de situatie waarin een gewapend conflict willekeurig geweld meebrengt en waarin de mate van geweld dermate hoog is dat kan worden aangenomen dat iemand die terugkeert, alleen al door zijn aanwezigheid in een land of gebied, een reëel risico op schade zou lopen ongeacht zijn identiteit en persoonlijke situatie. Het artikel kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. In dat geval moet niet alleen naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst worden gekeken, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 15c zijn verschillende elementen relevant. Alle omstandigheden moeten globaal in aanmerking worden genomen. In elk geval is van belang of de bij het gewapende conflict betrokken partijen zich richten tegen burgers of vechten op een manier die het risico op willekeurige burgerslachtoffers vergroot, of de geweldpleging wijdverspreid is, of het gewapende conflict al dan niet beperkt is tot bepaalde gebieden, en ook hoeveel burgers slachtoffer zijn geworden van het geweld of als gevolg daarvan ontheemd zijn geraakt.
21. Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister bij het beoordelen van de toepassing van artikel 15c ook rekening moet houden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict. Ten aanzien van Jemen heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister met het landenbeleid in paragraaf C7/19 van de Vreemdelingencirculaire 2000 van 24 april 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De minister ging bij dit landenbeleid uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in heel Jemen. Van vreemdelingen vereiste de minister dat zij aan de hand van individuele omstandigheden aannemelijk maken waarom specifiek zij een risico lopen om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld in Jemen. De Afdeling is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de toepassing van artikel 15c niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking heeft genomen. De minister heeft namelijk ten onrechte geen rekening gehouden met:
- -
De slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieven;
- -
De recente confrontaties tussen strijdende partijen;
- -
Het verhoogde percentages ontheemden;
- -
Het gebied van terugkeer van betrokkene;
- -
De humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlandse gewapende conflict in Jemen.
Het nieuwe landenbeleid ten aanzien van Jemen
22. Op 17 oktober 2025 is het landenbeleid ten aanzien van Jemen gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat de minister heeft beoordeeld welk niveau van willekeurige geweld geldt. De minister geeft aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de provincies Abyan, Aden, Al Bayda, Al Dhale, Al Hudayda, Al Jawf, Ibb, Lahj, Marib, Sa’da, Sana’a (stad), Sana’a (provincie), Shabwa en Taiz. De minister neemt aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de provincies Al Mahwit, Amran, Dhamar, Hajjah en Raymah. Voor de overige provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra geldt volgens de minister dat er geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De minister neemt verder in beginsel een binnenlands beschermingsalternatief aan in de provincies Al Mahra en Hadramaut indien vreemdelingen een reëel risico lopen op ernstige schade vanwege het willekeurige geweld in een andere regio.
Oordeel van de rechtbank
23. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit van 9 januari 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is ingegaan op 24 april 2024. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 kan dat besluit geen stand houden. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit van 9 januari 2025. In het beroep heeft de minister in zijn verweerschrift van 21 oktober 2025 uiteengezet dat toepassing van het voor Jemen gewijzigde landgebonden beleid dat geldt vanaf 17 oktober 2025, voor wat betreft de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Taiz een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank ziet daarom aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand moeten worden gelaten.
24. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het nieuwe landenbeleid niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. In het nieuwe beleid is onvoldoende ingegaan op de specifieke situatie in de verschillende provincies en is verder onvoldoende duidelijk hoe de slechte humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Gebied van terugkeer in Jemen
25. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat het gebied van terugkeer van de betrokken vreemdeling ook betrokken moet worden bij de beoordeling. In de Bijlage 15c beoordeling Jemen bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 is weliswaar wat betreft de groep provincies waar volgens de minister sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, in algemene zin een analyse gemaakt van een aantal relevante elementen die van belang zijn voor de beoordeling in het kader van artikel 15c, maar er is niet voor elke provincie specifiek een beoordeling gemaakt. De rechtbank stelt over deze groep provincies, waarvoor een relatief hoger niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen, vast dat uit de landeninformatie volgt dat er aanzienlijke verschillen zijn wat betreft de indicatoren voor het willekeurig geweld tussen de provincies binnen die groep. Specifiek voor de provincie Taiz, waar eiser naar terug zou moeten keren, geldt dat naar het oordeel van de rechtbank er substantiële verschillen zijn met de andere provincies in diezelfde groep. Zo staat op pagina 9 van de Bijlage 15c beoordeling Jemen het aantal burgerslachtoffers genoemd per provincie. Het verschil in burgerslachtoffers loopt van 20 burgerdoden in Aden tot 189 in Taiz, terwijl ten aanzien van beide provincies dezelfde mate van willekeurig geweld wordt aangenomen. Ook andere informatie over Taiz geeft aanleiding voor twijfel of de situatie aldaar gelijksoortig is met provincies uit dezelfde groep. Zo volgt uit het Algemeen Ambtsbericht van april 2025 dat Taiz het economische hart is van Jemen en aan de belangrijkste handelsroute ligt van Sana’a naar Aden en de Rode Zee kust. Vanwege de strategische waarde is volgens dit ambtsbericht vanaf 2014 onafgebroken gevochten om de controle in Taiz. De bestandslijnen zijn de langstlopende en nog meest actieve bestandslijnen van het land.7.Tijdens de verslagperiode was eerst een daling van geweldsincidenten te zien, maar de laatste paar maanden van de verslagperiode was er weer een stijging te zien van het aantal geweldsincidenten in Taiz.8.Ter zitting heeft de minister geen duidelijke verklaring voor de verschillen tussen de provincies in dezelfde groep kunnen geven. Gezien het ontbreken van een specifieke beoordeling per provincie in combinatie met de geconstateerde verschillen tussen de afzonderlijke provincies in dezelfde groep wat betreft de veiligheidssituatie, is de rechtbank van oordeel dat de minister zijn standpunt over de mate van willekeurig geweld in Taiz onvoldoende heeft gemotiveerd.
Humanitaire omstandigheden
26. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025 ook aangegeven dat de minister de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het binnenlandse gewapende conflict in Jemen onvoldoende heeft betrokken bij de 15c beoordeling. Het is niet tussen partijen in geschil dat de humanitaire situatie in Jemen zeer schrijnend is. De rechtbank vindt dat de minister ook in het nieuwe beleid deze slechte humanitaire situatie onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken. Op pagina 1-3 van de Bijlage Beoordeling 15c Jemen is de minister ingegaan op de humanitaire situatie in Jemen. Dit betreft - samengevat weergegeven - een schets van de slechte humanitaire situatie in Jemen sinds 2008, de vaststelling dat daarnaast ook de strijdende partijen methoden gebruikten die invloed hadden op toegang tot voedsel en water en vervolgens een conclusie van de minister dat in sommige situaties de slechte humanitaire situatie direct wordt beïnvloed door de strijdende partijen, maar dat de slechte humanitaire situatie ook moet worden bezien in de context dat er in Jemen ook al voor de burgeroorlog van een slechte humanitaire situatie sprake was. De rechtbank vindt dit een onvoldoende concrete beoordeling van of de actuele humanitaire omstandigheden in de betreffende provincie het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van de strijdende partijen. Weliswaar zal voor veel actuele humanitaire omstandigheden, zoals tekorten aan water en voedsel, gebrek aan hulp en slechte economische omstandigheden, gelden dat daaraan een combinatie van factoren en oorzaken ten grondslag ligt waarvan de invloed niet makkelijk van elkaar is te onderscheiden, maar dit neemt niet weg dat de huidige motivering te algemeen van aard is en onvoldoende specifiek ten aanzien van de verschillende provincies, waartussen, zoals hiervoor is overwogen, behoorlijke verschillen bestaan. Ook op dit punt is daarom naar het oordeel van de rechtbank sprake van een motiveringsgebrek.
Conclusie
27. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor de provincie Taiz in Jemen geen sprake is van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt. Wat eiser in het kader van zijn beroep op artikel 15c nog heeft aangevoerd over zijn individuele omstandigheden, behoeft daarom geen bespreking meer. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand laten. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen.
Conclusie en gevolgen
28. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
29. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
30. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan twee zittingen heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en mr. D. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑05‑2026
Algemeen Ambtsbericht Jemen van augustus 2022, p. 30.
Algemeen Ambtsbericht Jemen van september 2023, p. 37.
Algemeen Ambtsbericht Jemen van april 2025, p. 89-90.
Zie pagina 58-59 van het Algemeen Ambtsbericht Jemen van april 2025.
Zie pagina 59 van het Algemeen Ambtsbericht Jemen van april 2025.