Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Rb. Den Haag, 21-05-2026, nr. NL26.18529
ECLI:NL:RBDHA:2026:12900
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
21-05-2026
- Zaaknummer
NL26.18529
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:12900, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 21‑05‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 21‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Dublin Zwitserland. Beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18529
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. Wieman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1.In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland. Hiertoe voert eiser aan dat hij in Zwitserland geen toegang had tot gefinancierde rechtsbijstand en dat hij zelf geen advocaat kon betalen. Verder voert eiser aan dat in Zwitserland sprake is van ernstige racisme en discriminatie tegenover vluchtelingen uit Afrika. De autoriteiten van Zwitserland treden hieromtrent niet handhavend op. Ter onderbouwing wijst eiser op rapporten van Amnesty International uit mei 20212.en 2022/20233.en op een rapport van de “Working Group of Experts on People of African Descent on its mission to Switserland” van 4 oktober 2022. De minister had volgens eiser, gelet op de door hem ingebrachte informatie, op zijn minst nader onderzoek moeten verrichten, zoals uit het MSS-arrest voortvloeit.
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Zwitserland bevestigd in de uitspraken van 12 juli 20244.en 24 januari 20255.. Dit betekent dat de minister in beginsel ervanuit mag gaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Zwitserland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
7. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Uit artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat lidstaten kosteloze rechtsbijstand afhankelijk mogen maken van de kans van slagen van het rechtsmiddel. In de Procedurerichtlijn is opgenomen dat de autoriteiten van een lidstaat het recht op (kosteloze) rechtsbijstand mogen beperken.Verder is niet gesteld of gebleken dat eiser zelf slachtoffer is geweest van racisme en discriminatie in Zwitserland. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk te maken zal krijgen racisme en discriminatie. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Zwitserse autoriteiten. Er is niet gebleken dat dit voor hem niet mogelijk zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Indirect refoulement
8. Voor zover eiser stelt dat hij bij overdracht aan Zwitserland vreest voor indirect refoulement, overweegt de rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van het Hof van 30 november 20236.en de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 12 juni 20247.volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan ten aanzien van Zwitserland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij onder behandeling staat voor tuberculose en dat hij hiervoor ook medicatie inneemt. Het is voor eiser van groot belang dat hij het behandelingstraject in Nederland kan afmaken. Ter onderbouwing heeft eiser een medisch journaal overgelegd. Hieruit blijkt dat hij van 12 december 2025 tot en met 29 december 2025 opgenomen is geweest in het ziekenhuis en dat hij medicatie dient te nemen tot en met 15 juni 2026.
10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Zwitserland onevenredig hard is. Eiser stelt dat hij onder behandeling staat voor tuberculose. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden de medische voorzieningen in Zwitserland van voldoende kwaliteit geacht te zijn en mag ook worden aangenomen dat deze voorzieningen ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Uit de stukken volgt niet dat de benodigde medicatie in Zwitserland niet aanwezig is of niet aan Dublinclaimanten beschikbaar wordt gesteld. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo. Verder volgt uit artikel 32 van de Dvo dat de minister, met toestemming van eiser, zijn medische gegevens kan delen met Zwitserland, zodat de autoriteiten hiervan op de hoogte zijn op het moment dat eiser wordt overgedragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑05‑2026
Amnesty International, Switserland: Violance and racism in asylum centres run by private security companies.
International Report van Amnesty International.