Zie daarnaast bijvoorbeeld ook HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3117, NJ 2018/2017, m.nt. Wolswijk.
HR, 18-02-2025, nr. 22/03795
ECLI:NL:HR:2025:291
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-02-2025
- Zaaknummer
22/03795
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:291, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑02‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:8616
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1329
ECLI:NL:PHR:2024:1329, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:291
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑02‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0064
NJ 2025/120 met annotatie van A.J. Machielse
Uitspraak 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Poging tot doodslag (art. 287 Sr) en eendaadse samenloop van medeplegen poging tot doodslag (art. 287 Sr) en openlijke geweldpleging in vereniging (art. 141.1 Sr). (Putatief) noodweer(exces), art. 41.1 Sr. Zijn gedragingen van verdachte aanvallend van aard? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BK4788 en HR:2016:456, inhoudende dat beroep op noodweer niet kan worden aanvaard wanneer gedraging niet kan worden aangemerkt als “verdediging” maar als aanvallend moet worden gezien. Hof heeft confrontatie tussen verdachte en slachtoffer onderscheiden in deel dat voorafging aan vluchtpoging van slachtoffer en deel dat daarop volgde. Hof heeft beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces voor beide delen van confrontatie verworpen, omdat “verdachte na klappen met boksbeugel confrontatie heeft gezocht en is blijven zoeken.” Daarmee heeft hof kennelijk toepassing willen geven aan uitzondering dat bij aanvallende gedragingen beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces niet kan worden aanvaard. Wat betreft eerste deel van confrontatie tussen verdachte en slachtoffer is ’s hofs oordeel dat gedragingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als “verdediging” maar als aanvallend moeten worden gezien niet z.m. begrijpelijk, in aanmerking genomen dat ’s hofs feitelijke vaststellingen, zoals deze o.m. volgen uit als bewijsmiddel gebruikt p-v van bevindingen, inhouden dat stekende en zwaaiende bewegingen met mes door verdachte in richting van slachtoffer, direct volgden op harde klap van slachtoffer met boksbeugel tegen hoofd van verdachte en dat deze verder plaatsvonden in situatie van door hen beiden over en weer gepleegde geweldshandelingen. Wat betreft tweede deel van confrontatie tussen verdachte en slachtoffer is ’s hofs oordeel dat gedragingen van verdachte niet kunnen worden aangemerkt als “verdediging” maar als aanvallend moeten worden gezien, toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat ’s hofs vaststellingen over dit deel van confrontatie o.m. inhouden dat slachtoffer voorafgaand aan het door verdachte en mededaders gepleegde geweld heeft geprobeerd te vluchten, dat deze vluchtpoging door mededaders van verdachte, die hem te hulp waren geschoten, met geweld werd verhinderd en dat verdachte zelf pas weer geweldshandelingen op slachtoffer heeft uitgeoefend nadat mededaders diverse geweldshandelingen tegen slachtoffer hadden gepleegd en verdachte zich samen met mededaders tegenover slachtoffer in overtalsituatie bevond. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. beslissingen over eerste deel van confrontatie en strafoplegging, en terugwijzing. CAG: algehele vernietiging. Samenhang met 22/03794 (niet gepubliceerd; art. 80a RO).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03795
Datum 18 februari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 oktober 2022, nummer 21-002138-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.P.J. Tuma, advocaat in Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer en noodweerexces.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. Primair
Voor wat betreft het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets
a) hij op of omstreeks 10 augustus 2020 te Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- met een mes;
- meermalen zwaaiende en/of snijdende en/of stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer] ;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
en
Voor wat betreft het tweede deel, ná de vluchtpoging met de bromfiets
b) hij op 10 augustus 2020 te Enschede tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, immers hebben hij verdachte en zijn mededader(s):
- die [slachtoffer] naar de grond gewerkt en (vervolgens) meermalen, met een of meer mes(sen), althans (een) daarop gelijkende scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerp(en) in het bovenlichaam en het onderlichaam gestoken en/of gesneden, terwijl die [slachtoffer] al dan niet op de grond lag; en
- die [slachtoffer] meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd geschopt/getrapt en/of op het hoofd gestampt en/of op/tegen het (boven)lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 10 augustus 2020 te Enschede openlijk, te weten, op [a-straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] immers hebben verdachte en zijn mededaders:
- die [slachtoffer] naar de grond gewerkt en (vervolgens) meermalen, met een of meer mes(sen), althans (een) daarop gelijkende scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerp(en) in het bovenlichaam en het onderlichaam gestoken en/of gesneden, terwijl die [slachtoffer] al dan niet op de grond lag; en
- die [slachtoffer] meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd geschopt/getrapt en/of op het hoofd gestampt en/of op/tegen het (boven)lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-202037831-54 opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op pagina’s 105-106, voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als relaas van deze verbalisant:
Op pagina 105:
Op 10 augustus 2020 vond op [a-straat] te [plaats] een vechtpartij plaats, waarbij zes personen betrokken waren, te weten 5 mannen en 1 vrouw. Bij deze vechtpartij werd gebruik gemaakt van steekwapens. Door een collega in vrije tijd werden met de telefoon opnamen gemaakt van de vechtpartij. Deze beelden werden voor het onderzoek ter beschikking gesteld.
Op 11 augustus 2020 werden door mij de betreffende beelden uitgekeken, waarbij door mij het volgende werd waargenomen:
Aan het begin van het fragment is een scooter te zien die op de rijbaan ligt. Vlakbij staan vijf mannen heftig te discussiëren.
Nummer 1 is een licht getinte man met een donker sikje, gekleed in een zwarte korte broek en zwart T-shirt. Op z’n hoofd draagt hij een grijs petje van het merk Gucci met een soort blokjesmotief ([slachtoffer] ).
Nummer 2 is een licht getinte man met een dun donker baardje, gekleed in een zwarte korte broek en zwart T-shirt met print. Hij draagt een donkergrijze pet ( [verdachte] ).
Nummer 3 is een licht getinte man met kort zwart haar, gekleed in een wit T-shirt en een grijze korte broek (verdachte [betrokkene 1] ).
Nummer 4 is een licht getinte man met kort zwart haar, gekleed in een wit T-shirt en blauwgrijze korte broek (naam onbekend).
Nummer 5 is een licht getinte man met kort zwart haar, gekleed in een korte broek en een blauw poloshirt (verdachte [betrokkene 3] ).
Nummer 6 is een licht getinte vrouw met lang donker haar, gekleed in een grijs met zwarte jurk. ( [betrokkene 4] ).
Na enkele seconden gaat de groep uit elkaar en lopen nummers 3 ( [betrokkene 1] ), 4 en 5 ( [betrokkene 3] ) weg richting een auto die wat verderop staat. Enkelen hebben een voorwerp in de hand. Nummer 5 ( [betrokkene 3] ) heeft in z’n linkerhand een gevarendriehoek en in de rechterhand een onbekend voorwerp. Nummer 3 ( [betrokkene 1] ) raapt, voordat hij wegloopt nog een voorwerp van de grond. Nummer 1 ( [slachtoffer] ) en nummer 2 ( [verdachte] ) staan nog een tijd te praten.
Nadat 1 minuut en 23 seconden verstreken zijn zet [slachtoffer] de scooter rechtop en start deze. Vervolgens haalt hij iets uit z’n rechterbroekzak, een boksbeugel. Daarna haalt hij uit met rechts en stompt [verdachte] hard tegen de linkerzijde van het hoofd. [verdachte] stapt achteruit en haalt ook iets uit z’n rechterbroekzak. Dit blijkt een mes.
Op pagina 106:
Je hoort het mes openklappen en dan is te zien dat [verdachte] met het mes een zwaaiende bewegingen maakt richting [slachtoffer] . Dan schopt [slachtoffer] met rechts richting [verdachte] en even later spuugt [slachtoffer] in de richting van [verdachte] . [verdachte] haalt nogmaals uit met het mes en maakt daarmee twee keer over een zwaaiende beweging ter hoogte van de hals van [slachtoffer] . Dan stompt [slachtoffer] nogmaals [verdachte] tegen z’n hoofd. [verdachte] maakt nogmaals een zwaaiende beweging met het mes naar [slachtoffer] en ook nu reageert deze door [verdachte] tegen het hoofd te stompen. Nadat [verdachte] nogmaals met het mes ter hoogte van de hals van [slachtoffer] heeft uitgehaald, vlucht [slachtoffer] . Hij rent naar zijn scooter die met draaiende motor klaar staat, pakt de scooter en probeert al rennend op de scooter te springen.
Op dat moment komt nummer 4 hem tegemoet rennen en in het voorbijgaan steekt hij met een mes of ander steekvoorwerp richting de rug van [slachtoffer] . Dan komt nummer 6 ( [betrokkene 4] ) in beeld. Zij probeert [slachtoffer] tegen te houden en hij komt met de scooter ten val. Dan komt nummer 3 ( [betrokkene 1] ) erbij en hij maakt met een mes of ander steekvoorwerp een stekende beweging in de richting van de op de grond liggende [slachtoffer] . Dan komt een zwarte auto aangereden, die pal voor de groep stopt. Nummer 5 ( [betrokkene 3] ) stapt uit.
[slachtoffer] krabbelt overeind en wordt vastgepakt door nummer 6 ( [betrokkene 4] ). Ze bewegen achteruit en vallen beiden over de achter liggende scooter. Dan wordt de op de grond liggende [slachtoffer] drie keer geslagen door nummer 6 ( [betrokkene 4] ). [slachtoffer] wordt vier keer geschopt door nummer 3 ( [betrokkene 1] ) en één keer door nummer 4 en ook nummer 5 ( [betrokkene 3] ) slaat hem nog twee keer. Dan stapt [verdachte] in de auto en gaat achter het stuur zitten. Nummers 3 ( [betrokkene 1] ), 4, 5 ( [betrokkene 3] ) en 6 ( [betrokkene 4] ) lopen richting de auto.
Nummer 3 ( [betrokkene 1] ) draait zich nog één keer om en steekt [slachtoffer] met een mes of ander steekvoorwerp in de onderrug. Vervolgens rijdt de auto weg. Daarbij is te zien dat de auto is voorzien van het Belgische kenteken [...] .
2. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2020375831-74, opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op pagina’s 76-77, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:
Op pagina 76:
Naar aanleiding van het opgeven van valse gegevens heb ik dit proces-verbaal opgemaakt.
In dit gehele dossier hoort de betrokkene [betrokkene 1] te zijn: [betrokkene 1] .
In dit gehele dossier hoort de betrokkene [betrokkene 4] te zijn: [betrokkene 4] .
3. de eigen waarneming van de rechtbank, zoals weergegeven op pagina 3 in het proces-verbaal betreffende de terechtzitting van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 13 april 2021, zakelijk weergeven inhoudende:
De rechtbank neemt bij het bekijken van de camerabeelden ter terechtzitting waar dat op tijdstip 01:51 en 01:52 van de camerabeelden te zien is dat verdachte [verdachte] , nadat [slachtoffer] is opgestaan na zijn val met de scooter, in zijn rechterhand een mes heeft en twee stekende bewegingen maakt in de bil/het bovenbeen van [slachtoffer] .
4. een proces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd PL0600-2020375831-78, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op pagina’s 339-344, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [slachtoffer] :
Op pagina 342:
Ik stapte op mijn scooter en reed weg. Ik moest langs man 1 (het hof begrijpt uit bewijsmiddel 1: de onbekend gebleven man) maar deze trok mij van mijn scooter af. Toen ik eenmaal op de grond lag voelde ik dat ik tegen mijn hoofd werd getrapt en dat ik in mijn been werd gestoken. Ik werd getrapt, geslagen, alles. Iedereen deed wel wat. Ik werd in mijn linkerzij, bil en linkeroksel gestoken. Zelfs de vrouw begon mij te slaan.
5. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2020375831-109, opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op pagina 80-1, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:
Op 12 augustus 2020 heeft verbalisant [verbalisant 5] , Forensisch Opsporing, een onderzoek ingesteld in de zwarte Golf, voorzien van het Belgisch kenteken [...] . [verbalisant 5] heeft een vouwmes, voorzien van een blauw handvat en een zwart lemmet van ongeveer 10 cm aangetroffen. Dit mes vertoonde bloedsporen. [verbalisant 5] heeft een tweede mes aangetroffen in een opbergvak aan de achterzijde van de bijrijdersstoel. Dit mes betrof een vouwmes, voorzien van een gevlekt zwart handvat en een lemmet van ongeveer 11,5 cm. Het mes vertoonde eveneens bloedsporen.
6. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring, als bijlage op pagina 373, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Geneeskundige informatie betreffende [slachtoffer] .
Onderzoek op 18 augustus 2020.
Uitwendig waargenomen letsel: Wond oksel links, wond bil, wond neus, wond rechterarm, schaafwond hals, wond linkerknie, wond rug.
Overige van belang zijnde informatie: ingeklapte long links.
Geschatte genezingsduur: drie maanden.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“De videobeelden die door de verbalisant in bewijsmiddel 1 zijn beschreven, maken deel uit van het dossier. Het hof heeft geconstateerd dat de beschrijving van de videobeelden in bewijsmiddel 1 grotendeels overeenkomt met wat daadwerkelijk op die beelden te zien is. De aanleiding voor de confrontatie tussen [slachtoffer] en de verdachten is niet zonder meer duidelijk geworden. Die aanleiding speelt zich af vóórdat werd gestart met het maken van de videobeelden. De gebeurtenissen die op de videobeelden zichtbaar zijn, spelen zich af in een relatief kort tijdsbestek. Het hof ziet evenwel, met de advocaat-generaal, aanleiding om de geweldshandelingen uit te splitsen. Een kantelpunt in deze confrontatie is dat [slachtoffer] op enig moment heeft geprobeerd te vluchten, reden waarom het hof de gebeurtenissen voor en na die vluchtpoging afzonderlijk zal bespreken.
Het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets
Voor het deel vóór de vluchtpoging met de bromfiets leidt het hof het volgende uit de bewijsmiddelen af.
Nadat zich een (eerste) treffen heeft voorgedaan tussen een aantal verdachten en [slachtoffer] , lijken alle betrokkenen hun eigen weg te gaan. [slachtoffer] en [verdachte] blijven bij de bromfiets nog wat napraten tot [slachtoffer] op enig moment een boksbeugel uit zijn broekzak pakt en [verdachte] daarmee tegen het hoofd slaat. [verdachte] pakt in reactie daarop een mes en begint daarmee een tegenaanval in de richting van [slachtoffer] . Daarbij haalt [verdachte] met zijn mes meerdere keren naar [slachtoffer] uit, onder andere ter hoogte van diens hals/hoofd. [verdachte] en [slachtoffer] bevinden zich op dat moment ongeveer op armlengte afstand van elkaar, hetgeen mede blijkt uit het door [slachtoffer] ontwijken van deze aanvallen door naar achteren te stappen, terwijl [verdachte] telkens richting [slachtoffer] gaat om opnieuw in diens richting uit te halen. Uiteindelijk rent [slachtoffer] terug naar zijn bromfiets en probeert weg te rijden.
(...)
Het tweede deel, ná de vluchtpoging met de bromfiets
Voor het tweede deel ná de vluchtpoging met de bromfiets leidt het hof het volgende uit de bewijsmiddelen af.
Nadat [slachtoffer] in het hiervoor beschreven handgemeen met [verdachte] verzeild is geraakt, probeert hij te vluchten op zijn bromfiets. Tijdens die vlucht komt hij langs een onbekend gebleven man uit de groep van [verdachte] . Deze steekt [slachtoffer] met een mes in zijn rug, waarna [slachtoffer] zijn balans verliest. Op dat moment komt [betrokkene 4] [slachtoffer] tegemoet en probeert hem tegen te houden, waardoor [slachtoffer] ten val komt. Wanneer hij wil opstaan, pakt [betrokkene 4] hem vast. Op dat moment steekt [betrokkene 1] [slachtoffer] minimaal éénmaal. Hierna maakt [verdachte] een tweetal stekende bewegingen met een mes richting de bil/het bovenbeen van [slachtoffer] . Kort daarop vallen [betrokkene 4] en [slachtoffer] achterover over de bromfiets die achter hen op de grond ligt. Zij belanden samen op de grond. [betrokkene 4] stompt [slachtoffer] daarna drie keer op zijn hoofd, [betrokkene 1] geeft [slachtoffer] vier schoppen, waarbij de onbekend gebleven man [slachtoffer] nog één schop en [betrokkene 3] hem nog twee vuistslagen geeft. Dit geweld richt zich vooral op het bovenlichaam en hoofd van [slachtoffer] . Hierna lopen de verdachten richting [verdachte] ’s auto, maar op dat moment draait [betrokkene 1] zich om naar [slachtoffer] en steekt hem één keer in zijn onderrug. Daarna vertrekken alle vijf personen in [verdachte] ’s auto.
Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar van gezamenlijk uitgevoerd geweld tegen [slachtoffer] nadat die zich even daarvoor juist probeerde te onttrekken aan [verdachte] ’s aanval. [verdachte] heeft hierbij niet alleen zelf opnieuw significant geweld gebruikt door twee keer te steken, maar heeft ook geen enkele poging gedaan om de overige verdachten ervan te weerhouden door te gaan met hun geweldsuitoefening tegen [slachtoffer] , ook niet nadat [slachtoffer] achterover was gevallen. Voor het hof staat daarmee vast dat [verdachte] niet alleen de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij door zijn handelen ook opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldsexplosie tegen [slachtoffer] en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde daarom bewezen.
De vraag die het hof voorts te beantwoorden heeft, is of ook het impliciet cumulatief onder 1 primair tenlastegelegde in de variant medeplegen bewezen kan worden verklaard, voor zover het betrekking heeft op de laatste twee gedachtestreepjes. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daarbij als volgt.
Voor wat betreft de aanmerkelijke kans op de dood overweegt het hof dat het, anders dan de raadsman lijkt te veronderstellen, niet gaat om de vraag of de handelingen van [verdachte] in het tweede deel - het tweemaal steken richting bil/bovenbeen - op zichzelf kunnen worden aangemerkt als een poging tot doodslag, maar of de geweldshandelingen zoals die in zijn geheel beschouwd tegen [slachtoffer] zijn uitgeoefend als zodanig kunnen worden aangemerkt en of [verdachte] in dat verband kan worden aangemerkt als medepleger van dat feit.
In dat verband heeft het hof er acht op geslagen dat [slachtoffer] zich aan het begin van de tweede fase van het incident aan het geweld probeert te onttrekken. De verdachten willen dit kennelijk voorkomen en beginnen vervolgens ieder voor zich, maar ook tezamen en in wisselende samenstellingen min of meer gelijktijdig, met het uitoefenen van geweld tegen [slachtoffer] . Dit geweld bestaat uit het steken, schoppen/trappen en slaan/stompen, ook nadat [slachtoffer] op de grond ligt. Voordat [slachtoffer] over de bromfiets struikelt, kiest [verdachte] ervoor om zich opnieuw in het handgemeen met [slachtoffer] te mengen terwijl die al wordt aangevallen door [betrokkene 1] en [betrokkene 4] . Het geweld richt zich, zowel voor het vallen over de bromfiets als daarna, op het onderlichaam, het bovenlichaam en het hoofd van [slachtoffer] . Het met kracht slaan/stompen en schoppen/trappen op of tegen het hoofd en het bovenlichaam en het steken in het boven- en onderlichaam, stuk voor stuk kwetsbare lichaamsdelen met vitale organen en lichaamsaderen daarin, kan naar algemene ervaringsregels leiden tot de dood van een slachtoffer. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van een aanmerkelijke kans op de dood, die [verdachte] door zijn aandeel in de gezamenlijke uitvoering van het geweld op de koop heeft toegenomen.
De voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking leidt het hof af uit de gezamenlijke uitvoering van het geweld tegen [slachtoffer] bij en na diens poging om met de bromfiets te vluchten.
Samenvattend komt het hof voor het tweede deel tot een bewezenverklaring van het impliciet cumulatief onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde, een en ander zoals hieronder weergegeven in de bewezenverklaring.”
2.2.4
Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“Door en namens verdachte is subsidiair aangevoerd dat aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer toekomt. Hij is door [slachtoffer] tweemaal met kracht met een boksbeugel tegen zijn hoofd geslagen. Tegen de aanval mocht verdachte zich verdedigen, althans door deze aanval en de daardoor ontstane emoties is verdachte te ver gegaan in de noodzakelijke verdediging, dan wel verkeerde verdachte door deze emoties in de veronderstelling dat hij (steeds) werd aangevallen.
(...)
Onder verwijzing naar de vastgestelde feiten zoals het hof deze hierboven heeft weergegeven onder het kopje ‘Bewijsmiddelen’ en de overwegingen van het hof zoals weergegeven onder het kopje ‘Het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets’, in het bijzonder de eerste alinea van die tekst, is het hof van oordeel dat verdachte na de klappen met de boksbeugel de confrontatie heeft gezocht en is blijven zoeken. Dit staat in de weg aan het aannemen van enige noodweersituatie, ook bij een beroep op noodweerexces of putatief noodweer. (vgl. HR 8 juni 2010. ECLI:NL:HR:2010:BK4788 en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2043). Die is dan ook niet aannemelijk geworden.”
2.3
Artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht luidt:
“1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.”
2.4
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard wanneer de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. In zo een geval kan ook een beroep op noodweerexces niet slagen. (Vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788 en HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.3 en 3.6.1.)
2.5
Het hof heeft de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] onderscheiden in een deel dat voorafging aan de vluchtpoging van [slachtoffer] en een deel dat daarop volgde. Het hof heeft het beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces voor beide delen van de confrontatie verworpen, omdat de “verdachte na de klappen met de boksbeugel de confrontatie heeft gezocht en is blijven zoeken.” Daarmee heeft het hof kennelijk toepassing willen geven aan de hiervoor onder 2.4 bedoelde uitzondering dat bij aanvallende gedragingen een beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces niet kan worden aanvaard.
2.6.1
Wat betreft het eerste deel van de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] – dat correspondeert met wat onder 1 primair onder a ten laste van de verdachte is bewezenverklaard – is het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als ‘verdediging’ maar als aanvallend moeten worden gezien in de onder 2.4 bedoelde zin niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat de feitelijke vaststellingen van het hof, zoals deze onder meer volgen uit het als bewijsmiddel 1 gebruikte proces-verbaal van bevindingen, inhouden dat de stekende en zwaaiende bewegingen met een mes door de verdachte in de richting van [slachtoffer] , direct volgden op de harde klap van [slachtoffer] met een boksbeugel tegen het hoofd van de verdachte en dat deze verder plaatsvonden in een situatie van door hen beiden over en weer gepleegde geweldshandelingen.
2.6.2
Wat betreft het tweede deel van de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] – dat correspondeert met wat onder 1 primair onder b en onder 2 ten laste van de verdachte is bewezenverklaard – is het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als ‘verdediging’ maar als aanvallend moeten worden gezien, toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de vaststellingen van het hof over dit deel van de confrontatie onder meer inhouden dat [slachtoffer] voorafgaand aan het door de verdachte en zijn mededaders gepleegde geweld heeft geprobeerd te vluchten, dat deze vluchtpoging door de mededaders van de verdachte, die hem te hulp waren geschoten, met geweld werd verhinderd en dat de verdachte zelf pas weer geweldshandelingen op [slachtoffer] heeft uitgeoefend nadat zijn mededaders diverse geweldshandelingen tegen [slachtoffer] hadden gepleegd en de verdachte zich samen met zijn mededaders tegenover [slachtoffer] in een overtalsituatie bevond.
2.6.3
Het cassatiemiddel slaagt voor zover het ziet op het eerste deel van de confrontatie. Het cassatiemiddel faalt voor zover het ziet op het tweede deel van de confrontatie. Dat brengt mee dat alleen de beslissingen ten aanzien van het onder 1 primair onder a tenlastegelegde en de strafoplegging niet in stand kunnen blijven.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 primair onder a tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2025.
Conclusie 10‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling wegens poging tot doodslag en de eendaadse samenloop van medeplegen van poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Het cassatiemiddel komt op tegen 's hofs verwerping van het beroep op noodweer(exces). Volgens de AG slaagt het middel, nu het oordeel van het hof dat ook in de fase sprake was van een aanvallende gedraging van de verdachte niet zonder meer begrijpelijk is. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03795
Zitting 10 december 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 10 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens onder 1 primair en onder a) “poging tot doodslag” en onder 1 primair en onder b) en onder 2 “de eendaadse samenloop van medeplegen van poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals nader bepaald in het arrest.
In de samenhangende zaak (22/03794) is door de Hoge Raad arrest gewezen op 30 mei 2023.
Namens de verdachte heeft V.P.J. Tuma, advocaat in Amersfoort, één middel van cassatie voorgesteld.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. Primair
Voor wat betreft het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets
a) hij op of omstreeks 10 augustus 2020 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- met een mes
- meermalen zwaaiende en/of snijdende en/of stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [slachtoffer] ;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
en
Voor wat betreft het tweede deel, ná de vluchtpoging met de bromfiets
b) hij op 10 augustus 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, immers hebben hij verdachte en zijn mededader(s):
- die [slachtoffer] naar de grond gewerkt en (vervolgens) meermalen, met een of meer mes(sen), althans daarop gelijkende scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerp(en) in het bovenlichaam en het onderlichaam gestoken en/of gesneden, terwijl die [slachtoffer] al dan niet op de grond lag; en
- die [slachtoffer] meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd geschopt/getrapt en/of op het hoofd gestampt en/of op/tegen het (boven)lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
Hij op 10 augustus 2020 te [plaats] , te weten, op [A] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] immers hebben verdachte en zijn mededaders:
- die [slachtoffer] naar de grond gewerkt en (vervolgens) meermalen, met een of meer mes(sen), althans daarop gelijkende scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerp(en) in het bovenlichaam en het onderlichaam gestoken en/of gesneden, terwijl die [slachtoffer] al dan niet op de grond lag; en
- die [slachtoffer] meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd geschopt/getrapt en/of op het hoofd gestampt en/of op/tegen het (boven)lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-202037831-54 opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op pagina’s 105-106, voor zover inhoudende – zakelijk weergeven – als relaas van verbalisant:
Op pagina 105:
Op 10 augustus 2020 vond op [A] te [plaats] een vechtpartij plaats, waarbij zes personen betrokken waren, te weten 5 mannen en 1 vrouw. Bij deze vechtpartij werd gebruik gemaakt van steekwapens. Door een collega in vrije tijd werden met de telefoon opnamen gemaakt van de vechtpartij. Deze beelden werden voor het onderzoek ter beschikking gesteld.
Op 11 augustus 2020 werden door mij de betreffende beelden uitgekeken, waarbij door mij het volgende werd waargenomen:
Aan het begin van het fragment is een scooter te zien die op de rijbaan ligt. Vlakbij staan vijf mannen te discussiëren.
Nummer 1 is een licht getinte man met een donker sikje, gekleed in een zwarte korte broek en zwart T-shirt. Op z’n hoofd draagt hij een grijs petje van het merk Gucci met een soort blokjesmotief ( [slachtoffer] ).
Nummer 2 is een licht getinte man met een dun donker baardje, gekleed in een zwarte korte broek en zwart T-shirt met print. Hij draagt een donkergrijze pet ( [verdachte] ).
Nummer 3 is een licht getinte man met kort zwart haar, gekleed in een wit T-shirt en een grijze korte broek (verdachte [betrokkene 1] ).
Nummer 4 is een licht getinte man met kort zwart haar, gekleed in een wit T-shirt en blauwgrijze korte broek (naam onbekend).
Nummer 5 is een licht getinte man met kort zwart haar, gekleed in een korte broek en een blauw poloshirt (verdachte [betrokkene 3] ).
Nummer 6 is een licht getinte vrouw met lang donker haar, gekleed in een grijs met zwarte jurk. ( [betrokkene 4] ).
Na enkele seconden gaat de groep uit elkaar en lopen nummers 3 ( [betrokkene 1] ), 4 en 5 ( [betrokkene 3] ) weg richting een auto die wat verderop staat. Enkelen hebben een voorwerp in de hand. Nummer 5 ( [betrokkene 3] ) heeft in z’n linkerhand een gevarendriehoek en in de rechterhand een onbekend voorwerp. Nummer 3 ( [betrokkene 1] ) raapt, voordat hij wegloopt nog een voorwerp van de grond. Nummer 1 ( [slachtoffer] ) en nummer 2 ( [verdachte] ) staan nog een tijd te praten.
Nadat 1 minuut en 23 seconden verstreken zijn zet [slachtoffer] de scooter rechtop en start deze. Vervolgens haalt hij iets uit z’n rechterbroekzak, een boksbeugel. Daarna haalt hij uit met rechts en stompt [verdachte] hard tegen de linkerzijde van het hoofd. [verdachte] stapt achteruit en haalt ook iets uit z’n rechterbroekzak. Dit blijkt een mes.
Op pagina 106:
Je hoort het mes openklappen en dan is te zien dat [verdachte] met het mes een zwaaiende bewegingen maakt richting [slachtoffer] . Dan schopt [slachtoffer] met rechts richting [verdachte] en even later spuugt [slachtoffer] in de richting van [verdachte] . [verdachte] haalt nogmaals uit met het mes en maakt daarmee twee keer over een zwaaiende beweging ter hoogte van de hals van [slachtoffer] . Dan stompt [slachtoffer] nogmaals [verdachte] tegen z’n hoofd. [verdachte] maakt nogmaals een zwaaiende beweging met het mes naar [slachtoffer] en ook nu reageert deze door [verdachte] tegen het hoofd te stompen. Nadat [verdachte] nogmaals met het mes ter hoogte van de hals van [slachtoffer] heeft uitgehaald, vlucht [slachtoffer] . Hij rent naar zijn scooter die met draaiende motor klaar staat, pakt de scooter en probeert al rennend op de scooter te springen.
Op dat moment komt nummer 4 hem tegemoet rennen en in het voorbijgaan steekt hij met een mes of ander steekvoorwerp richting de rug van [slachtoffer] . Dan komt nummer 6 ( [betrokkene 4] ) in beeld. Zij probeert [slachtoffer] tegen te houden en hij komt met de scooter ten val. Dan komt nummer 3 ( [betrokkene 1] ) erbij en hij maakt met een mes of ander steekvoorwerp een stekende beweging in de richting van de op de grond liggende [slachtoffer] . Dan komt een zwarte auto aangereden, die pal voor de groep stopt. Nummer 5 ( [betrokkene 3] ) stapt uit.
[slachtoffer] krabbelt overeind en word vastgepakt door nummer 6 ( [betrokkene 4] ). Ze bewegen achteruit en vallen beiden over de achter liggende scooter. Dan wordt de op de grond liggende [slachtoffer] drie keer geslagen door nummer 6 ( [betrokkene 4] ). [slachtoffer] wordt vier keer geschopt door nummer 3 ( [betrokkene 1] ) en één keer door nummer 4 en ook nummer 5 ( [betrokkene 3] ) slaat hem nog twee keer. Dan stapt [verdachte] in de auto en gaat achter het stuur zitten. Nummers 3 ( [betrokkene 1] ), 4, 5 ( [betrokkene 3] ) en 6 ( [betrokkene 4] ) lopen richting de auto.
Nummer 3 ( [betrokkene 1] ) draait zich nog één keer om en steekt [slachtoffer] met een mes of ander steekvoorwerp in de onderrug. Vervolgens rijdt de auto weg. Daarbij is te zien dat de auto is voorzien van het Belgische [kenteken] .
2. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2020375831-74, opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op pagina’s 76-77, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:
Op pagina 76:
Naar aanleiding van het opgeven van valse gegevens heb ik dit proces-verbaal opgemaakt.
In dit gehele dossier hoort de betrokkene [betrokkene 1] te zijn: [betrokkene 1] .
In dit gehele dossier hoort de betrokkene [betrokkene 4] te zijn: [betrokkene 4] .
3. de eigen waarneming van de rechtbank, zoals weergegeven op pagina 3 in het proces-verbaal betreffende de terechtzitting van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 13 april 2021, zakelijk weergeven inhoudende:
De rechtbank neemt bij het bekijken van de camerabeelden ter terechtzitting waar dat op tijdstip 01:51 en 01:52 van de camerabeelden te zien is dat verdachte [verdachte] , nadat [slachtoffer] is opgestaan na zijn val met de scooter, in zijn rechterhand een mes heeft en twee stekende bewegingen maakt in de bil/het bovenbeen van [slachtoffer] .
4. een proces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd PL0600-2020375831-78, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , beiden hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op pagina’s 339-344, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [slachtoffer]:
Op pagina 342:
Ik stapte op mijn scooter en reed weg. Ik moest langs man 1 (het hof begrijpt uit bewijsmiddel 1: de onbekend gebleven man) maar deze trok mij van mijn scooter af. Toen ik eenmaal op de grond lag voelde ik dat ik tegen mijn hoofd werd getrapt en dat ik in mijn been werd gestoken. Ik werd getrapt, geslagen, alles. Iedereen deed mij wat. Ik werd in mijn linkerzij, bil en linkeroksel gestoken. Zelfs de vrouw begon mij wat te slaan.
5. een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2020375831-109, opgemaakt door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Oost-Nederland, als bijlage op pagina 80-1, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisant:
Op 12 augustus 2020 heeft verbalisant [verbalisant 5] , Forensisch Opsporing, een onderzoek ingesteld in de zwarte Golf, voorzien van een blauw handvat en een zwart lemmet van ongeveer 10 cm aangetroffen. Dit mes vertoonde bloedsporen. [verbalisant 5] heeft een tweede mes aangetroffen in een opbergvak aan de achterzijde van de bijrijdersstoel. Dit mes betrof een vouwmes, voorzien van een gevlekt zwart handvat en een lemmet van ongeveer 11,5 cm. Het mes vertoonde eveneens bloedsporen.
6. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring, als bijlage op pagina 373, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
Geneeskundige informatie betreffende [slachtoffer] .
Onderzoek op 18 augustus 2020.
Uitwendig waargenomen letsel: Wond oksel links, wond bil, wond neus wond rechterarm, schaafwond hals, wond linkerknie, wond rug.
Overige van belang zijnde informatie: ingeklapte long links.
Geschatte genezingsduur: drie maanden.”
6. Het hof heeft met betrekking tot het bewijs, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“[…]
De videobeelden die door de verbalisant in bewijsmiddel 1 zijn beschreven, maken deel uit van het dossier. Het hof heeft geconstateerd dat de beschrijving van de videobeelden in bewijsmiddel 1 grotendeels overeenkomt met wat daadwerkelijk op die beelden te zien is. De aanleiding voor de confrontatie tussen [slachtoffer] en de verdachten is niet zonder meer duidelijk geworden. Die aanleiding speelt zich af vóórdat werd gestart met het maken van de videobeelden. De gebeurtenissen die op de videobeelden zichtbaar zijn, spelen zich af in een relatief kort tijdsbestek. Het hof ziet evenwel, met de advocaat-generaal, aanleiding om de geweldshandelingen uit te splitsen. Een kantelpunt in deze confrontatie is dat [slachtoffer] op enig moment heeft geprobeerd te vluchten, reden waarom het hof de gebeurtenissen voor en na die vluchtpoging afzonderlijk zal bespreken.
Het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets
Voor het deel vóór de vluchtpoging met de bromfiets leidt het hof het volgende uit de bewijsmiddelen af.
Nadat zich een (eerste) treffen heeft voorgedaan tussen een aantal verdachten en [slachtoffer] , lijken alle betrokkenen hun eigen weg te gaan. [slachtoffer] en [verdachte] blijven bij de bromfiets nog wat napraten tot [slachtoffer] op enig moment een boksbeugel uit zijn broekzak pakt en [verdachte] daarmee tegen het hoofd slaat. [verdachte] pakt in reactie daarop een mes en begint daarmee een tegenaanval in de richting van [slachtoffer] . Daarbij haalt [verdachte] met zijn mes meerdere keren naar [slachtoffer] uit, onder andere ter hoogte van diens hals/hoofd. [verdachte] en [slachtoffer] bevinden zich op dat moment ongeveer op armlengte afstand van elkaar, hetgeen mede blijkt uit het door [slachtoffer] ontwijken van deze aanvallen door naar achteren te stappen, terwijl [verdachte] telkens richting [slachtoffer] gaat om opnieuw in diens richting uit te halen. Uiteindelijk rent [slachtoffer] terug naar zijn bromfiets en probeert weg te rijden.
[…]
Het tweede deel, ná de vluchtpoging met de bromfiets
Voor het tweede deel ná de vluchtpoging met de bromfiets leidt het hof het volgende uit de bewijsmiddelen af.
Nadat [slachtoffer] in het hiervoor beschreven handgemeen met [verdachte] verzeild is geraakt, probeert hij te vluchten op zijn bromfiets. Tijdens die vlucht komt hij langs een onbekend gebleven man uit de groep van [verdachte] . Deze steekt [slachtoffer] met een mes in zijn rug, waarna [slachtoffer] zijn balans verliest. Op dat moment komt [betrokkene 4] [slachtoffer] tegemoet en probeert hem tegen te houden, waardoor [slachtoffer] ten val komt. Wanneer hij wil opstaan, pakt [betrokkene 4] hem vast. Op dat moment steekt [betrokkene 1] [slachtoffer] minimaal éénmaal. Hierna maakt [verdachte] een tweetal stekende bewegingen met een mes richting de bil/het bovenbeen van [slachtoffer] . Kort daarop vallen [betrokkene 4] en [slachtoffer] achterover over de bromfiets die achter hen op de grond ligt. Zij belanden samen op de grond. [betrokkene 4] stompt [slachtoffer] daarna drie keer op zijn hoofd, [betrokkene 1] geeft [slachtoffer] vier schoppen, waarbij de onbekend gebleven man [slachtoffer] nog één schop en [betrokkene 3] hem nog twee vuistslagen geeft. Dit geweld richt zich vooral op het bovenlichaam en hoofd van [slachtoffer] . Hierna lopen de verdachten richting [verdachte] auto, maar op dat moment draait [betrokkene 1] zich om naar [slachtoffer] en steekt hem één keer in zijn onderrug. Daarna vertrekken alle vijf personen in [verdachte] auto.
Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar van gezamenlijk uitgevoerd geweld tegen [slachtoffer] nadat die zich even daarvoor juist probeerde te onttrekken aan [verdachte] aanval. [verdachte] heeft hierbij niet alleen zelf opnieuw significant geweld gebruikt door twee keer te steken, maar heeft ook geen enkele poging gedaan om de overige verdachten ervan te weerhouden door te gaan met hun geweldsuitoefening tegen [slachtoffer] , ook niet nadat [slachtoffer] achterover was gevallen. Voor het hof staat daarmee vast dat [verdachte] niet alleen de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij door zijn handelen ook opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldsexplosie tegen [slachtoffer] en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde daarom bewezen.
[…]
Strafbaarheid van de verdachte
Door en namens verdachte is subsidiair aangevoerd dat aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer toekomt. Hij is door [slachtoffer] tweemaal met kracht met een boksbeugel tegen zijn hoofd geslagen. Tegen de aanval mocht verdachte zich verdedigen, althans zonder deze aanval en de daardoor ontstane emoties is verdachte te ver gegaan in de noodzakelijke verdediging, dan wel verkeerde verdachte door deze emoties in de veronderstelling dat hij (steeds) werd aangevallen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat van enigerlei noodweer-situatie geen sprake kan zijn, nu verdachte degene is geweest die gekozen heeft voor de aanval.
Onder verwijzing naar de vastgestelde feiten zoals het hof deze hierboven heeft weergegeven onder het kopje ‘Bewijsmiddelen’ en de overwegingen van het hof zoals weergegeven onder het kopje ‘Het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets’, in het bijzonder de eerste alinea van die tekst, is het hof van oordeel dat verdachte na de klappen met de boksbeugel de confrontatie heeft gezocht en is blijven zoeken. Dit staat in de weg aan het aannemen van enige noodweersituatie, ook bij een beroep op noodweerexces of putatief noodweer, (vgl. HR 8 juni 2010. ECLI:NL:HR:2010:BK4788 en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2043). Die is dan ook niet aannemelijk geworden.
Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die hem niet strafbaar zou doen zijn.”
Het verweer van de verdediging
7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 september 2022 heeft de raadsman namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer(exces). De door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting voorgedragen en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota houdt daaromtrent het volgende in:
“Subsidiair
Subsidiair stelt de verdediging dat cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een beroep op noodweer dan wel noodweerexces. De directe oorzaak van de aan cliënt ten laste gelegde feiten zijn immers gelegen in een zeer heftige ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval tegen cliënt, bestaande uit het tot twee maal toe met harde kracht met een boksbeugel te slaan tegen het meest kwetsbare deel van zijn hoofd, de slaap. Van belang is dat dit ook duidelijk op de betreffende videobeelden is te zien. Van belang is tevens dat aangever cliënt op deze wijze heeft aangevallen op het moment dat cliënt de situatie wilde de-escaleren.
Op het moment dat cliënt tot twee maal toe met een boksbeugel hard tegen zijn slaap werd geslagen door aangever ontstond een situatie van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De daarop volgende handelingen van cliënt zijn een reactie op de handelingen van aangever.
De verdediging kan zich voorstellen dat Uw Hof tot het oordeel komt dat cliënt te ver is gegaan in zijn verdediging en hij de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden. De reden hiervan is evenwel gelegen in een hevige gemoedsbeweging die indirect is ontstaan door de heftige aanval door aangever op cliënt middels het tot twee maal toe slaan met een boksbeugel tegen het meest kwetsbare deel van het hoofd: de slaap.
Edelgrootachtbare leden van het Hof: een dergelijke aanval kan niet anders worden gekwalificeerd dan als een poging doodslag. Het is dan ook meer dan aannemelijk dat een dergelijke zware aanval bij een cliënt een dusdanige heftige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt als gevolg waarvan hij te ver is gegaan in zijn verdediging. Van belang hierbij is dat, hoewel we de feitelijke handelingen van zowel aangever als cliënt op de beelden hebben kunnen zien, doch niet de hevige gemoedsbeweging die zich bij cliënt in zijn hoofd manifesteerde door de twee harde klappen die hij tegen zijn slaap kreeg met een boksbeugel. Client heeft het jegens Uw Hof zo verwoord dat hij - in retrospectief bezien - door de aanval van aangever op hem, en de daardoor ontstane hevige gemoedsbeweging, hij in de veronderstelling verkeerde dat hij gedurende de door hem verrichte handelingen richting aangever in de veronderstelling verkeerde dat de aanval steeds plaatsvond. Door deze heftige aanval en de daardoor bij cliënt ontstane hevige gemoedsbeweging kan cliënt dit evenwel niet worden toegerekend, om welke reden ik u verzoek hem te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer c.q. noodweerexces.”
IV. Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
8. Het middel klaagt dat het hof het verweer strekkende tot noodweer c.q. noodweerexces heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet zonder meer kunnen dragen, zodat de verwerping van het verweer ontoereikend is gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat de verdachte als eerste door de aangever is aangevallen met twee zeer harde slagen met een boksbeugel tegen de slaap van de verdachte. Volgens de steller van het middel is daarom geen sprake van een ‘tegenaanval’. Voorts zou het hof hebben miskend dat als onmiddellijk gevolg van de aanval door de aangever een hevige gemoedsbeweging is ontstaan bij de verdachte.
Het juridisch kader
9. Het oordeel van het hof dat de verdachte aanvallend heeft gehandeld, is een feitelijk oordeel dat in cassatie op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Voorts dienen hier de volgende vooropstellingen uit het overzichtsarrest van HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316, m.nt. Rozemond tot uitgangspunt te worden genomen:
“Inleiding
[…]
3.1.2.
Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.
Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.
Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
[…]
Verdediging van specifieke rechtsgoederen
3.3.
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
[…]
Noodweerexces
3.6.1.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een ‘overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging’, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
3.6.2.
Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging alleen sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel als
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), maar zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
[…]
Enkele bijzondere onderwerpen
‘Culpa in causa’
3.7.1.
Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.”
10. Uit rechtspraak van de Hoge Raad die is gewezen ná het hiervoor weergegeven overzichtsarrest, valt af te leiden dat bepaaldelijk motiveringseisen worden gesteld aan het oordeel van de feitenrechter dat sprake is van, naar de kern bezien, aanvallend handelen van de verdachte en dit om die reden in de weg staat aan een succesvol beroep op noodweer(exces). Ik wijs daarbij in het bijzonder op de volgende uitspraken van de Hoge Raad.1.
11. In het arrest van 14 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:715, NJ 2019/218 werd het oordeel van het hof dat het beroep op noodweer faalt door de Hoge Raad vernietigd. Het hof had vastgesteld dat niet alleen vanuit de Opel Signum, waarin de verdachte en de medeverdachte zich bevonden, op de Fiat 500 met inzittenden was geschoten, maar dat, omgekeerd, eveneens op de Opel Signum was geschoten, terwijl niet was komen vast te staan dat de verdachte en/of de medeverdachte als eerste had(den) geschoten. Daarom achtte de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk het mogelijke oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte niet als verdedigend, maar in de kern als aanvallend moesten worden gezien en dat het beroep op noodweer daarop afstuitte (rov. 2.4.2). Ook de mogelijke opvatting van het hof dat sprake was geweest van ‘culpa in causa’, oordeelde de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk, aangezien uit de motivering van het hof niet naar voren kwam dat voorafgaand aan het vuurwapengeweld tussen de inzittenden van de Opel Signum en de Fiat 500 de verdachte en de medeverdachte zich zodanig hadden gedragen, dat sprake was van bijzondere omstandigheden die aan het slagen van het beroep op noodweer in de weg stonden (rov. 2.4.3). De Hoge Raad overwoog voorts (rov. 2.4.4) dat de omstandigheid dat de verdachte had ontkend te hebben geschoten of het schieten te hebben willen medeplegen, de verwerping van het verweer niet (zelfstandig) kon dragen, omdat zo’n omstandigheid op zichzelf het slagen van een beroep op noodweer niet uitsluit. Wel kan, aldus de Hoge Raad, de omstandigheid dat de verdachte ontkent van belang zijn voor het door rechter te verrichten onderzoek of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van een beroep op noodweer(exces) is voldaan, aangezien in dat verband immers betekenis kan toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten.
12. In HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2043, NJ 2021/226, m.nt. Jörg had het hof aan de verwerping van het beroep op noodweer ten grondslag gelegd dat de gedragingen van de verdachte een aanvallend karakter hadden. Zijn oordeel dat het door de verdachte tegen twee anderen (ik noem ze hier A en B) uitgeoefend geweld aanvallend was zodat dit aan de aanvaarding van een beroep op noodweer in de weg stond, was volgens de Hoge Raad echter niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij werd door de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het hof had vastgesteld dat de verdachte voordat hij achter A aanrende, zelf was gestoken door een persoon uit het groepje waartoe A en B behoorden, dat op het moment dat de verdachte achter A aanrende sprake was van een aanval van A op de medeverdachte, en dat daarna B op de verdachte en de medeverdachte was komen afrennen. Aangezien het hof ook geen nauwkeurige vaststellingen had gedaan over bijvoorbeeld het tijdsverloop tussen de vastgestelde incidenten of het moment waarop, en de context waarin, de verdachte het geweld jegens A en B had uitgeoefend, was ontoereikend gemotiveerd de verwerping van het beroep op noodweer op grond van het aanvallende karakter van het gedrag van de verdachte.
13. Tot slot HR 7 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1828, NJ 2022/20, m.nt. Machielse. In deze zaak was door de verdediging naar voren gebracht dat geen sprake was van een (tegen)aanval van de verdachte omdat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte was voortgekomen uit het direct daaraan voorafgegane door twee anderen tegen hem uitgeoefende geweld. Voorts zou de opmerking dat hij “verhaal wilde halen” uit haar verband zijn gerukt. Het oordeel van het hof dat geen sprake was van noodweer(exces) wegens aanvallend handelen van de verdachte (de tegenaanval), was volgens de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij wees de Hoge Raad erop dat het hof geen aandacht had besteed aan wat in dit verband door de verdediging in hoger beroep naar voren was gebracht.
De bespreking van het middel
14. Het hof heeft de verwerping van het namens de verdachte gedane beroep op noodweer(exces) gegrond op zijn oordeel “dat de verdachte na de klappen met de boksbeugel de confrontatie heeft opgezocht en is blijven opzoeken” en “dit in de weg [staat] aan het aannemen van enige noodweersituatie, ook bij een beroep op noodweerexces of putatief noodweer”. Deze verwerping heeft het hof nader gemotiveerd met een verwijzing naar de vastgestelde feiten zoals weergegeven in de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van het hof onder het kopje “Het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets”. Met name uit het eerste bewijsmiddel blijken de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets. De verdachte stond met vier mannen, waaronder de aangever, te discussiëren. Vlakbij lag een scooter op de rijbaan. Na enkele seconden ging de groep uit elkaar. De medeverdachten liepen weg richting een auto en de verdachte en de aangever bleven over. De verdachte en de aangever praatten enige tijd met elkaar, waarna de aangever de scooter rechtop zette en deze startte. Vervolgens haalde de aangever uit zijn rechterbroekzak een boksbeugel. Daarmee haalde hij met rechts uit en stompte de verdachte hard tegen de linkerzijde van zijn hoofd. De verdachte stapte achteruit en haalde een mes uit zijn broekzak. Hiermee maakte hij zwaaiende bewegingen richting de aangever, waarna de aangever richting de verdachte schopte en later in zijn richting spuugde. De verdachte haalde hierop nogmaals uit met het mes en maakte twee zwaaiende bewegingen ter hoogte van de hals van de aangever. De aangever stompte de verdachte daarna opnieuw tegen het hoofd. Nadat de verdachte wederom met zijn mes ter hoogte van de nek van de aangever uithaalde, vluchtte de aangever naar zijn scooter en probeerde al rennend op de scooter te springen. In zijn bewijsoverweging vat het hof deze gang van zaken als volgt samen (voor de leesbaarheid citeer ik deze overweging nogmaals):
“Nadat zich een eerste treffen heeft voorgedaan tussen een aantal verdachten en [slachtoffer] , lijken alle betrokkenen hun eigen weg te gaan. [slachtoffer] en [verdachte] blijven bij de bromfiets nog wat napraten tot [slachtoffer] op enig moment een boksbeugel uit zijn broekzak pakt en [verdachte] daarmee tegen het hoofd slaat. [verdachte] pakt in reactie daarop een mes en begint daarmee de tegenaanval in de richting van [slachtoffer] . Daarbij haalt [verdachte] met zijn mes meerdere keren naar [slachtoffer] uit, onder andere ter hoogte van diens hals/hoofd. [verdachte] en [slachtoffer] bevinden zich op dat moment ongeveer op armlengte afstand van elkaar, hetgeen mede blijkt uit het door [slachtoffer] ontwijken van deze aanvallen door naar achteren te stappen, terwijl [verdachte] telkens richting [slachtoffer] gaat om opnieuw in diens richting uit te halen. Uiteindelijk rent [slachtoffer] terug naar zijn bromfiets en probeert weg te rijden.”
15. Met zijn aan de verwerping van het beroep op noodweer(exces) ten grondslag gelegde oordeel en zijn in dat kader neergelegde nadere overweging, heeft het hof kennelijk toepassing willen geven aan de in de rechtspraak van de Hoge Raad aangeduide uitzondering dat in geval van een naar de kern bezien aanvallende gedraging zijdens de verdachte een beroep op noodweer(exces) niet kan worden aanvaard.
16. In het licht van de hierboven onder het kopje ‘Het juridisch kader’ aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad, is het bestreden oordeel van het hof dat het door de verdachte gebruikte geweld in de kern aanvallend van aard was, naar het mij voorkomt niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof bij zijn beoordeling van het beroep van de verdachte op noodweer c.q. noodweerexces al bij het eerste deel, vóór de vluchtpoging, spreekt van een tegenaanval – en niet pas bij het tweede deel, dus ná de vluchtpoging –, terwijl het hof niet alleen heeft vastgesteld dat de verdachte met een mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt richting de aangever, maar óók dat de verdachte eerder door de aangever met een boksbeugel tegen de zijkant van zijn hoofd geslagen was. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de aangever als eerste geweld heeft gebruikt. Het hof is daarbij niet (voldoende) ingegaan op het verweer van de verdediging dat het direct voorafgaande tegen de verdachte gerichte geweld heeft geleid tot de gedragingen van de verdachte.
17. Gelet op het voorgaande was een nadere motivering mijns inziens vereist voor het oordeel dat het beroep op noodweer(exces) niet kan worden aanvaard op de grond dat het gedrag van de verdachte naar de kern bezien als aanvallend moet worden aangemerkt. Aangezien deze nadere motivering ontbreekt, acht ik het middel terecht voorgesteld.
V. Slotsom
18. Het middel slaagt.
19. Ambtshalve merk ik op dat de behandeltermijn in cassatie is overschreden nu de Hoge Raad de zaak niet binnen de daarvoor gestelde termijn van twee jaren kan afdoen. De rechter naar wie de zaak wordt teruggewezen kan daarmee rekening houden.
20. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑12‑2024
Beroepschrift 13‑02‑2023
Aan Hoge Raad der Nederlanden
's‑GRAVENHAGE
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 21 juni 2018
Geacht College,
Rekwirant in cassatie:
De heer [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1973, ter deze zake domicilie kiezende aan de Ruimtesonde 1 (3824 MZ) te Amersfoort, ten kantore van zijn advocaat mr. V.P.J. Tuma, die door rekwirant bepaaldelijk is gevolmachtigd onderhavig cassatieschriftuur op te stellen in te dienen;
Heeft hierbij de eer aan Uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 21-002138-21 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem dd. 10 oktober 2022.
Cassatiemiddel
Schending en/of verkeerde toepassing van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven of de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder zijn de artikelen 338, 342 lid 2, 344, 358, 359 en 360 van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 41 lid 1 en lid 2, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, in samenhang met artikel 6 EVRM, geschonden doordat het Gerechtshof het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens noodweer c.q. noodweerexces heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet zonder meer kunnen dragen, zodat de verwerping van dit verweer niet zonder meer toereikend is gemotiveerd.
Toelichting:
De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep dd. 26 september 2022 een verweer gevoerd strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens noodweer c.q. noodweerexces. Namens de verdediging is hiertoe het navolgende aangevoerd (pleitnota, pagina 2 en 3):
‘Subsidiair stelt de verdediging dat cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een beroep op noodweer dan wel noodweerexces. De directe oorzaak van de aan cliënt ten laste gelegde feiten zijn immers gelegen in een zeer heftige ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval tegen cliënt, bestaande uit het tot twee maal toe met harde kracht met een boksbeugel te slaan tegen het meest kwetsbare deel van zijn hoofd, de slaap. Van belang is dat dit ook duidelijk op de betreffende videobeelden is te zien. Van belang is tevens dat aangever cliënt op deze wijze heeft aangevallen op het moment dat cliënt de situatie wilde de-escaleren.
Op het moment dat cliënt tot twee maal toe met een boksbeugel hard tegen zijn slaap werd geslagen door aangever ontstond een situatie van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De daarop volgende handelingen van cliënt zijn een reactie op de handelingen van aangever.
De verdediging kan zich voorstellen dat Uw Hof tot het oordeel komt dat cliënt te ver is gegaan in zijn verdediging en hij de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden. De reden hiervan is evenwel gelegen in een hevige gemoedsbeweging die direct is ontstaan door de heftige aanval door aangever op cliënt middels het tot twee maal toe slaan met een boksbeugel tegen het meest kwetsbare deel van het hoofd: de slaap.
Edelgrootachtbare leden van het Hof: een dergelijke aanval kan niet anders worden gekwalificeerd dan als een poging doodslag. Het is dan ook meer dan aannemelijk dat een dergelijke zware aanval bij een cliënt een dusdanige heftige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt als gevolg waarvan hij te ver is gegaan in zijn verdediging. Van belang hierbij is dat, hoewel we de feitelijke handelingen van zowel aangever als cliënt op de beelden hebben kunnen zien, doch niet de hevige gemoedsbeweging die zich bij cliënt in zijn hoofd manifesteerde door de twee harde klappen die hij tegen zijn slaap kreeg met een boksbeugel. Client heeft het jegens Uw Hof zo verwoord dat hij — in retrospectief bezien — door de aanval van aangever op hem en de daardoor ontstane hevige gemoedsbeweging, hij in de veronderstelling verkeerde dat hij gedurende de door hem verrichte handelingen richting aangever in de veronderstelling verkeerde dat de aanval steeds plaatsvond. Door deze heftige aanval en de daardoor bij cliënt ontstane hevige gemoedsbeweging kan cliënt dit evenwel niet worden toegerekend, om welke reden ik u verzoek hem te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer c.q. noodweerexces.’
Het Gerechtshof heeft dit verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens noodweer c.q. noodweerexces verworpen op grond van de navolgende overweging (Arrest Gerechtshof, p. 12):
‘Onder verwijzing naar de vastgestelde feiten zoals het hof deze hierboven heeft weergegeven onder het kopje ‘Bewijsmiddelen’ en de overwegingen van het hof zoals weergegeven onder het kopje ‘Het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets’, in het bijzonder de eerste alinea van die tekst, is het hof van oordeel dat verdachte na de klappen met de boksbeugel de confrontatie heeft gezocht en is blijven zoeken. Dit staat in de weg aan het aannemen van enige noodweersituatie, ook bij een beroep op noodweerexces of putatief noodweer, (…). Die is dan ook niet aannemelijk geworden.’
Rekwirant stelt dat het Hof dit verweer ten onrechte heeft verworpen, althans dat het Hof dit verweer heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet zonder meer kunnen dragen.
Onder het kopje ‘Overwegingen met betrekking tot het bewijs’ — ‘Het eerste deel, vóór de vluchtpoging met de bromfiets’, heeft het Hof het navolgende overwogen:
‘Nadat zich een (eerste) treffen heeft voorgedaan tussen een aantal verdachten en [slachtoffer], lijken alle betrokkenen hun eigen weg te gaan. [slachtoffer] en [verdachte] blijven bij de bromfiets nog wat napraten tot [slachtoffer] op enig moment een boksbeugel uit zijn broekzak pakt en [verdachte] daarmee tegen het hoofd slaat. [verdachte] pakt in reactie daarop een mes en begint daarmee een tegenaanval in de richting van [slachtoffer]. Daarbij haalt [verdachte] met zijn mes meerdere keren naar [slachtoffer] uit, onder andere ter hoogte van diens hals/hoofd.’
Rekwirant stelt evenwel dat het Hof hiermee enerzijds heeft miskent dat hij degene was die als eerste door aangever is aangevallen middels een tweetal zeer harde slagen met een boksbeugel tegen zijn slaap, zijnde het meest kwetsbare deel van het hoofd. Om deze reden was er geen sprake van een ‘tegenaanval’, zoals het Hof heeft overwogen, doch van een noodzakelijke verdediging van het eigen lijf van rekwirant tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever bestaande uit een tweetal zeer harde slagen met een boksbeugel tegen zijn slaap.
Anderzijds heeft het Hof blijkens de gebezigde overweging tot verwerping van het noodweer- c.q. noodweerexces-verweer miskent dat er bij rekwirant — als onmiddellijk gevolg van de twee harde slagen met een boksbeugel tegen zijn slaap door aangever — een hevige gemoedsbeweging is ontstaan waardoor hij zich heeft verdedigd op een wijze die mogelijk verder ging dan op dat moment geboden was.
Rekwirant stelt dat in voornoemde overwegingen van het Hof met name op geen enkele wijze de ernst van de wederrechtelijke aanranding door aangever tot uiting is gekomen en het (onmiddellijke) gevolg die deze aanranding op de (mentale) gemoedstoestand van rekwirant had, namelijk een hevige gemoedsbeweging.
Het tot twee maal toe met een boksbeugel tegen het meest kwetsbare deel van het hoofd slaan kan immers niet anders worden gekwalificeerd dan een poging tot doodslag. Het is meer dan aannemelijk dat rekwirant als gevolg van een door deze slagen met een boksbeugel tegen zijn slaap veroorzaakte hevige gemoedsbeweging buiten zinnen is geraakt en daardoor (a) terecht in de veronderstelling is komen te verkeren dat hij wederechtelijk werd aangerand tegen welke aanranding hij zich mocht verdedigen en (b) als gevolg van een — door de heftigheid van de aanranding veroorzaakte — hevige gemoedsbeweging de grenzen van een noodzakelijke verdediging wellicht heeft overschreden.
Om deze redenen is de verwerping van door het Gerechtshof van het door de verdediging gevoerde noodweer c.q. noodweerexces-verweer onbegrijpelijk, althans kan uit de door het Gerechtshof gebezigde motivering deze verwerping niet zonder meer volgen, om welke reden deze verwerping niet zonder meer toereikend is gemotiveerd.
Redenen waarom:
Rekwirant uw Hoge Raad verzoekt met toepassing van artikel 440 Wetboek van Strafvordering het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem dd. 10 oktober 2022 geheel of gedeeltelijk, hetzij op aangevoerde, hetzij op andere gronden te vernietigen.
Indien en voor zover uw Raad de bestreden uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem dd. 10 oktober 2022 vernietigt, verzoekt rekwirant uw Hoge Raad de zaak zelf af te doen, indien dit mogelijk is zonder een nieuw onderzoek naar de feiten te houden, dan wel verzoekt rekwirant uw Hoge Raad na vernietiging van de bestreden uitspraak de zaak — teneinde met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad opnieuw, dan wel verder te worden berecht en afgedaan — te verwijzen naar de daartoe aangewezen instantie.
Amersfoort, 13 februari 2023
V. Tuma