H.D. Wolsdijk, Functioneel daderschap en IJzerdraadcriteria, DD 2001, p. 1090.
HR, 24-05-2005, nr. 02557/04E
ECLI:NL:PHR:2005:AT2918
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-05-2005
- Zaaknummer
02557/04E
- Conclusie
Mr Machielse
- LJN
AT2918
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Milieurecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2005:AT2918, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑05‑2005
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT2918
ECLI:NL:HR:2005:AT2918, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑05‑2005; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT2918
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT2918
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT2918
- Wetingang
- Vindplaatsen
M en R 2005, 88 met annotatie van L.E.M. Hendriks
JM 2006/32 met annotatie van Koopmans
NbSr 2005/216
Conclusie 24‑05‑2005
Mr Machielse
Partij(en)
Nr. 02557/04/E
Mr Machielse
Zitting 29 maart 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1.
Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 28 januari 2004 voor overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) veroordeeld tot een geldboete van 400 euro, subsidiair 8 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
2.
Mr E.A.C. van Kempen, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr P.E. van Dam, advocaat te Cappelle aan den IJssel, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.1.
Het eerste middel keert zich tegen het aannemen door het hof van daderschap van verdachte. Het hof zou een verweer van die strekking enkel als een beroep op afwezigheid van alle schuld hebben aangemerkt.
Ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat verdachte in ieder geval niet zelf de olie in het water heeft geloosd. Doordat een klok van een van de stuurboordtanks defect was, is de olie via een afblaasventiel ontsnapt. De bemanning van het schip hoefde geen rekening te houden met een dergelijk defect en heeft ten aanzien van het innemen van olie evenmin inadequaat gehandeld. Nu de bemanning geen enkele blaam treft kan er geen sprake zijn, aldus de pleitnota in hoger beroep, van functioneel daderschap van verdachte.
Voorts is in hoger beroep nog aangevoerd dat in deze zaak niet voldaan was aan de criteria die de Hoge Raad in het IJzerdraadarrest heeft geformuleerd. Verdachte vermocht er niet over te beschikken dat de olie in het oppervlaktewater zou komen, nu er sprake was van het onverwachtse optreden van een defect. Evenmin kan van verdachte gezegd worden dat zij het morsen van de olie heeft aanvaard of placht te aanvaarden. Het was de eerste keer, aldus nog steeds de pleitnota in appèl, dat er olie gemorst werd en de defecte klok functioneerde bij de vorige belading nog prima.
3.2.
Het aldus gevoerde verweer kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een bewijsverweer. Gewoonlijk wordt een dergelijk verweer opgevangen door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, of anderszins in een redengevende extra bewijsoverweging.
Het hof heeft voor het bewijs twee bewijsmiddelen gebezigd. Het eerste bewijsmiddel is een relaas van verbalisanten dat, voorzover hier van belang, inhoudt dat het binnenvaartschip '[A]' toebehoort aan verdachte. Het tweede bewijsmiddel houdt de verklaring van de schipper in over de oorzaak van de verontreiniging van het oppervlaktewater.
Hoe men ook het functioneel daderschap invult, hetzij als een soort toerekening van andermans fysiek daderschap, hetzij als een ruime interpretatie van de delictshandeling1., de enkele vaststelling dat een natuurlijke persoon eigenaar is van een schip is onvoldoende om voor het lozen van olie in het oppervlaktewater zulk daderschap van die natuurlijke persoon aan te nemen. Zo een vaststelling is onvoldoende om bijvoorbeeld aan te kunnen nemen dat aan de IJzerdraadcriteria is voldaan. Evenmin laat zij toe anderszins te concluderen tot een betrokkenheid bij het feitelijk handelen die strafrechtelijke aansprakelijkheid als dader zou kunnen rechtvaardigen.
De overwegingen die het hof in zijn arrest heeft gewijd aan het beroep op afwezigheid van alle schuld kunnen deze lacune niet vullen. Het hof heeft weliswaar overwogen dat de mankementen aan het schip in beginsel voor rekening en strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eigenaar van het schip komen en dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte er alles aan heeft gedaan om het onderhavige feit te voorkomen, maar deze overweging kan niet bijdragen tot het bewijs van het daderschap van verdachte. Dat verdachte er niet alles aan zou hebben gedaan om het onderhavige feit te voorkomen steunt immers niet op de inhoud van enig wettig, door het hof aangewezen bewijsmiddel, nog daargelaten of zo een constatering voldoende is om tot functioneel daderschap te kunnen concluderen.2.
Het eerste middel is gegrond.
4.1.
Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de olie in het oppervlaktewater is gebracht "op andere wijze dan met behulp van een werk". De gedachtengang van de steller van het middel is dat de verontreiniging wel via 'een werk' is geschied nu de olie van de wal naar het schip werd gepompt en door het afblaasventiel uiteindelijk in het oppervlaktewater is terechtgekomen.
4.2.
Het eerste lid van artikel 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren luidt als volgt:
"Het is verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren."
Het derde lid opent de mogelijkheid om het op andere wijze dan met behulp van een werk in het oppervlaktewater brengen van de stoffen die in eerste lid zijn genoemd, bij algemene maatregel van bestuur te verbieden. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt in art. 4 Uitvoeringsbesluit Wvo3. waarvan het eerste lid de volgende inhoud heeft:
"Onverminderd artikel 3 is het verboden zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater te brengen, onder meer
- a.
door deze daarin te storten;
- b.
door deze onder het wateroppervlak uit te pompen, weg te pompen of te doen of te laten afvloeien;
- c.
door deze te storten, neder te leggen, te laten liggen, of te doen of te laten afvloeien op duinen, stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen, vlonders, aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed van enig oppervlaktewater;
- d.
bij het laden, lossen of overladen daarvan;
- e.
bij het uit- of inwendig reinigen van enig voertuig, vaartuig of luchtvaartuig."
Blijkens het gebruik van de woorden 'onder meer' in de aanhef van artikel 4 Uitvoeringsbesluit Wvo heeft de besluitgever geen limitatieve opsomming willen geven van de verboden handelingen.4. Het in het oppervlaktewater brengen van een verontreinigende stof via een werk is dan verboden in artikel 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren, het in het oppervlaktewater brengen op andere wijze dan via een werk is dan verboden in het Uitvoeringsbesluit. Voor de strafbedreiging maakt het niet uit of er al dan niet via een werk is geloosd. Beide delicten vallen onder het bereik van artikel 1a WED. Maar de kwalificatie is verschillend. Vandaar dat het naar mijn mening voor de strafrechtelijke betekenis van belang is of het onderdeel in de tenlastelegging "op andere wijze dan met behulp van een werk" kan worden bewezenverklaard. Vandaar ook dat naar mijn mening de rechter, die tot de conclusie komt dat wél met behulp van een werk is geloosd, dit onderdeel in de tenlastelegging niet mag schrappen en in de bewezenverklaring niet mag vervangen door de zinsnede "met behulp van een werk". Alsdan zou immers de rechter een tenlastelegging van overtreding van artikel 4 Uitvoeringsbesluit Wvo eigenhandig converteren in een overtreding van artikel 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Het ware anders indien de tenlastelegging alternatief ("al dan niet met behulp van een werk") of subsidiair ("met behulp van een werk, althans op andere wijze dan met behulp van een werk") was opgezet.
4.3.
Artikel 1 lid 1 van het oorspronkelijke ontwerp van wet, houdende regelen omtrent de verontreiniging van oppervlaktewateren5. hield een verbod in om "door middel van daartoe bestemde werken en inrichtingen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm ook, middellijk of onmiddellijk te brengen in oppervlaktewater en zonder vergunning van het krachtens deze wet daartoe bevoegde gezag".6. Het tweede lid opende de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te verbieden om op andere wijze dan door middel van daartoe bestemde werken en inrichtingen zulke stoffen in het oppervlaktewater te brengen. Volgens de memorie van toelichting was de bedoeling van artikel 1 om verontreiniging van oppervlaktewateren door lozingen door middel van gemeentelijke rioleringen en afvoerleidingen van fabrieken en bedrijven, die niet op het rioleringnet zijn aangesloten, te bestrijden.7. Als op andere wijze dan door middel van riolering en afvoerleidingen het oppervlaktewater ernstig zou worden verontreinigd zou het toenmalige tweede (thans derde) lid in stelling gebracht kunnen worden. Tijdens een mondeling overleg gaf de minister toe dat een definitie van onder meer het woord 'werk' ontbrak, maar volgens de minister bestond aan een omschrijving ook geen behoefte omdat het begrip voor zichzelf spreekt en ook zo ruim mogelijk zou moeten worden toegepast. Wel is volgens de minister voor een 'werk' wezenlijk dat het gebonden is aan vaste plaats.8.
In navolging van deze laatste woorden van de minister acht de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het voor de beantwoording van de vraag of "op andere wijze dan met behulp van een werk" op het oppervlaktewater is geloosd relevant, of de afvoer heeft plaatsgevonden via een vaste, niet verplaatsbare installatie, of via een installatie waarvan het gebruik door verplaatsbaarheid moeilijk te controleren is.9. Het ' werk' moet hetzij permanent hetzij incidenteel de bestemming hebben om naar het oppervlaktewater af te voeren.10.
4.4.
Van zo een bestemming kan hier geen sprake zijn. Als er al een vaste walinstallatie zou zijn dan zou deze bestemd zijn om schepen te laten bunkeren en niet om gasolie in het oppervlaktewater te brengen. En het afblaasventiel aan boord van het schip kan niet als een 'werk' in de zin der wet worden aangemerkt. Omdat het zich aan boord van schip bevindt heeft het geen vaste plaats en voorts kan toch ook van een afblaasventiel niet gezegd worden dat het bestemd is om gasolie in het oppervlaktewater te brengen.11.
Het tweede middel faalt.
5.1.
Het derde middel komt op tegen de verwerping van het beroep op afwezigheid van alle schuld. De steller van het middel bedoelt kennelijk te betogen dat het oordeel van het hof dat aan verdachte wel enig verwijt kan worden gemaakt onbegrijpelijk is.
De pleitnota in hoger beroep houdt onder meer in dat de verontreiniging veroorzaakt is door het feit dat de klok van een van de stuurboordtanks defect was. Daardoor is een alarmsignaal, dat waarschuwt wanneer het pompen gestopt moet worden, uitgebleven. Volgens de schipper functioneerde de klok de laatste keer dat hij werd gebruikt, twee dagen voor het tenlastegelegde, nog perfect. Aan de bemanning van het schip zou geen verwijt te maken zijn. Het schip beschikte, aldus de pleitnota, over de benodigde papieren en over een goed gekwalificeerde bemanning en het was de eerste keer dat op deze wijze olie werd gemorst.
5.2.
Het hof heeft de verwerping van dit verweer als volgt gemotiveerd:
"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld bij de verdachte door te stellen dat het optreden van een defect in een klok ten gevolge waarvan olie is gemorst een plotseling optredend gebrek was, waarmee niemand rekening kon of behoefde te houden.
Het hof verwerpt dit verweer. Als eigenares van het betrokken schip is verdachte verantwoordelijk voor de staat van onderhoud waarin het schip zich bevindt. Een mankement aan een schip komt in beginsel voor rekening en strafrechtelijke verantwoording van de eigenaar van het schip en aangezien niet aannemelijk is geworden dat de verdachte er alles aan heeft gedaan om het onderhavige feit te voorkomen, verwerpt het hof het beroep op afwezigheid van alle schuld."
5.3.
Ik begrijp de motivering van het hof, bezien tegen de achtergrond van de inhoud van het gevoerde verweer, aldus, dat het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat het enkele feit dat de klok twee dagen eerder nog wel werkte onvoldoende is om ervan uit te kunnen gaan dat alle schuld heeft ontbroken. Nu namens verdachte niet meer is gesteld dan hetgeen ik hiervoor heb aangegeven, en namens verdachte bijvoorbeeld niet is aangevoerd dat de laadapparatuur volgens een onderhoudsschema was gecontroleerd, of dat met de steigerman of controlekamer afspraken zijn gemaakt over de hoeveelheden in te nemen gasolie,12. of op welke wijze was voorzien in toezicht op het laden, acht ik de overwegingen van het hof toereikend en niet onbegrijpelijk.13.
6.
Nu het eerste middel mij gegrond voorkomt strekt deze conclusie tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑05‑2005
HR 29 mei 2001, LJN AB1817; HR 10 december 2002,NS 2003, 16; HR NJ 2004, 165; HR NJ 2004, 166.
Besluit van 28 november 1974, ter uitvoering van artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, Stb. 1974, 709.
Aldus ook Kamerstukken I 1980/81, 14963, 64b (MvA), p. 2.
Bij memorie van antwoord is een wijziging in de tekst aangekondigd: 'door middel van' werd vervangen door 'met behulp van', waardoor de woorden 'middellijk of onmiddellijk' konden worden geschrapt. Omdat 'werken' al erg ruim was werd ook 'inrichtingen' geschrapt, evenals de woorden 'van het daartoe bevoegde gezag' (Kamerstukken II 1967/68, 7884, nr. 5, p. 28).
Kamerstukken II 1967/68, 7884, nr. 9 (Verslag van mondeling overleg), p. 12.
RvS AB 1984/478.
HR NJ 1977, 616. Naar aanleiding van deze rechtspraak zijn de woorden 'daartoe bestemd' in art. 1 lid 1 Wvo geschrapt (Kamerstukken II 1977/78, 14963, nrs. 1-3, p. 16).
Steun voor het standpunt dat een verontreiniging met gasolie van oppervlaktewater bij het bunkeren door een schip niet geschiedt met behulp van een werk is te vinden in HR NJ 1994, 52, waarin kennelijk zich hetzelfde heeft voorgedaan als in de onderhavige zaak, omdat daar bewezen was verklaard dat er vanaf een motortankschip 'op andere wijze dan met behulp van een werk bij het laden van gasolie' gasolie in het oppervlaktewater in een haven was gebracht en de Hoge Raad geen grond vond om ambtshalve op dit punt te casseren.
Vgl. conclusie voor HR 12 februari 2002, nr. 00113/01/E.
Zie HR DD 97.154.
Uitspraak 24‑05‑2005
Inhoudsindicatie
De enkele omstandigheid dat verdachte eigenares was van het in de bewezenverklaring vermelde schip is niet voldoende om verdachte als (functionele) dader aan te merken. De bewezenverklaring is onvoldoende met redenen omkleed. Daaraan doet niet af hetgeen het hof onder het hoofd “strafbaarheid van de verdachte” heeft overwogen, reeds omdat ook daar omtrent de relatie van verdachte tot het schip feitelijk niet meer is vastgesteld dan dat zij eigenares daarvan is en bijv. niets omtrent haar rechtsverhouding tot de schipper en de bemanning daarvan alsmede omtrent de vraag i.h.k. van wiens bedrijfsvoering en t.b.v. wie de exploitatie van het schip plaatsvond.
Partij(en)
24 mei 2005
Strafkamer
nr. 02557/04 E
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 28 januari 2004, nummer 22/004012-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedatum] 1949, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 6 augustus 2003 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren" veroordeeld tot een geldboete van vierhonderd euro, subsidiair acht dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.E. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1.
Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de verdachte kan worden aangemerkt als dader van het haar tenlastegelegde feit.
3.2.
De tenlastelegging is toegesneden op art. 1, eerste lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). Dit art. 1 luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit, voorzover hier van belang, als volgt:
"1.
Het is verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren.
(...)
3.
Wij kunnen bij algemene maatregel van bestuur bepalen dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen. (...)."
Ten tijde van het bewezenverklaarde feit luidde art. 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo als volgt:
"Onverminderd artikel 3 is het verboden zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater te brengen, onder meer
- a.
door deze daarin te storten;
- b.
door deze onder het wateroppervlak uit te pompen, weg te pompen of te doen of te laten afvloeien;
- c.
door deze te storten, neder te leggen, te laten liggen, of te doen of te laten afvloeien op duinen, stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen, vlonders, aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed van enig oppervlaktewater;
- d.
bij het laden, lossen of overladen daarvan;
- e.
bij het uit- of inwendig reinigen van enig voertuig, vaartuig of luchtvaartuig."
3.3.1.
Het Hof heeft overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat de verdachte:
"op 17 februari 2002 te Rotterdam, als eigenaresse van een vaartuig, genaamd [A], in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, zonder vergunning een hoeveelheid blanke gasolie, op andere wijze dan met behulp van een werk in het oppervlaktewater van de Neckarhaven heeft gebracht, bij het laden, overladen van die vloeistof in genoemd vaartuig en/of door die (vloei)stof(fen) vanuit/vanaf genoemd vaartuig in dat oppervlaktewater te doen wegvloeien."
3.3.2.
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
- a.
een proces-verbaal van het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam, voorzover inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren:
"Op 17 februari 2002 zagen wij het binnentankschip '[A]' stuurboord voor de wal afgemeerd liggen in de Neckarhaven te Rotterdam. Wij zagen dat de '[A]' middels een laad-/losslang met de walinstallatie verbonden was. Tussen de wal en de '[A]' zagen wij een oliefilm op het oppervlaktewater drijven. Wij zagen dat die oliefilm kleurschakeringen vertoonde, welke gewoonlijk voorkomen bij het lozen van olie of oliehoudende producten. Aan boord van de '[A]' zagen wij dat rondom het zogenaamde afblaasventiel het dek nat was, dat de scheepshuid van de '[A]' aan stuurboordzijde vettig en nat was en dat sporen tot in het oppervlaktewater reikten. Ook op de steiger zagen wij enkele op olie gelijkende vlekken. Daar Rijkswaterstaat voor de verontreiniging geen vergunning afgeeft, werd de verdachte geacht zonder vergunning te hebben gehandeld. Het binnenvaartschip '[A]' behoort toe aan [verdachte], [a-straat 1] te [plaats], Duitsland."
- b.
een proces-verbaal van het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:
"Ik ben de schipper aan boord van het binnentankschip '[A]'. Vandaag lag het schip afgemeerd aan de Neckarhaven te Rotterdam. Ik was het schip daar aan het laden met blanke gasolie. Na ongeveer een half uur ging het afblaasventiel open en vernevelde er gasolie uit. De tank was vol en is toen door de overstortleiding naar het afblaasventiel overgelopen."
3.3.3.
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2004 gehechte pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:
- "(functioneel)
daderschap
- 6.
De politierechter heeft, conform de tenlastelegging, bewezen verklaard, dat [verdachte] als "eigenaresse van een vaartuig" olie in het water heeft gebracht. Uit het oordeel van de politierechter blijkt, dat de veroordeling van [verdachte] steunt op het oordeel, dat zij eigenaresse van het schip is. De politierechter overweegt immers, dat [verdachte] verantwoordelijk is voor het gebruik dat (door de bemanning) van het schip wordt gemaakt in de normale bedrijfsuitoefening en voor de staat (van onderhoud) waarin het schip zich bevindt en dat een handeling die het gevolg is van een mankement van of aan het schip, in beginsel voor rekening en verantwoording (ook in strafrechtelijke zin) van de eigenaar van het schip komt.
De politierechter heeft daarmee als het ware een element in de delictsomschrijving gebracht, dat daarin niet thuishoort. De toepasselijke strafbepaling, luidt immers samengevat, zoals wij hiervoor al zagen, dat het verboden is gevaarlijke stoffen in het oppervlaktewater te brengen.
Geen sprake is van een kwaliteitsdelict, dat de eigenaar van het schip verantwoordelijk houdt voor bepaalde gedragingen (i.c. het verontreinigen van oppervlaktewater), ondanks het niet zelf plegen van die strafbare gedragingen.
Indien de tenlastelegging en het vonnis van de politierechter wordt ontdaan van dit onzuivere "kwaliteitselement", blijft de "eenvoudige" delictsomschrijving over en zal voor strafbaarheid van [verdachte] dienen te worden bewezen, dat zij gevaarlijke stoffen in het oppervlaktewater heeft gebracht, of, de tenlastelegging volgend, dat feit heeft medegepleegd, of als "functionele" dader kan worden aangemerkt.
- 7.
Vast staat, dat [verdachte] niet zelf de olie in het water heeft gebracht. Zij was feitelijk niet bij de belading van het schip aanwezig of betrokken.
Voorts heeft de politierechter [verdachte] terecht vrijgesproken van het medeplegen van het ten laste gelegde delict.
De bemanning van het schip valt geen strafrechtelijk verwijt te maken. Gelet op de hiervoor geschetste feiten behoefde de bemanning geen rekening te houden met niet werkende apparatuur, oftewel de bemanning ook overigens geen foutieve handelingen heeft verricht.
Bovendien dient niet uit het oog te worden verloren, dat het pompen van de olie geschiedde door de walinstallatie en niet door het schip.
- 8.
Nu niet bewezen is dat de bemanning enige blaam treft, kan er geen sprake zijn van het zogeheten functioneel daderschap van [verdachte]. Van functioneel daderschap is immers sprake, wanneer iemand niet zelf de delictshandeling heeft verricht, maar die door een ander heeft laten uitvoeren, en hij niettemin als dader (pleger) van het delict wordt aangemerkt.
Aangezien de bemanning echter niets valt te verwijten, kan [verdachte] niet als dader worden aangemerkt van een door de bemanning van het schip uitgevoerd delict.
Nu [verdachte] niet zelf de olie in het oppervlaktewater heeft gebracht noch op grond van het leerstuk van het functionele daderschap sprake kan zijn van enige strafrechtelijke toerekening aan [verdachte], dient zij te worden vrijgesproken.
- 9.
Indien in de onderhavige casus desondanks dient te worden getoetst, of [verdachte] als functionele dader dient te worden aangemerkt, geldt, dat de rechtbank het zogeheten IJzerdraadcriterium onjuist heeft toegepast.
In het IJzerdraad-arrest (HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378) heeft de Hoge Raad voor zover relevant geoordeeld:
dat toch handelingen (...) slechts dan waren aan te merken als gedragingen van verd., indien verd. erover vermocht te beschikken, of die handelingen al dan niet plaatsvonden, en deze behoorden tot de zodanige, welker plaatsvinden blijkens den loop van zaken door verd. werd aanvaard of placht te worden aanvaard.
De politierechter heeft de twee elementen van het IJzerdraad-criterium, te weten de mogelijkheid over de strafbare handelingen te beschikken en het (plegen te) aanvaarden van dergelijke handelingen uit elkaar getrokken, door de overweging dat het laatste element buiten toepassing dient te blijven, aangezien dat zou uitgaan van een situatie waarin sprake is van (voorwaardelijk) opzet, gericht op de verboden handelingen, waarvan in casu geen sprake is. De politierechter past vervolgens slechts het eerste element van het IJzerdraad-criterium toe, inhoudende dat [verdachte] er over vermocht te beschikken of de verboden handelingen al dan niet plaatsvonden.
In de eerste plaats zijn er geen twee IJzerdraad-criteria, maar is er één (weliswaar tweeledig) IJzerdraadcriterium, hetgeen in casu wil zeggen, dat [verdachte] slechts als dader kan worden aangemerkt, indien beide elementen van het criterium worden vervuld.
In de tweede plaats is er ook geen reden het criterium uit elkaar te trekken vanwege het feit dat dat criterium niet op opzettelijk gepleegde delicten van toepassing zou zijn, omdat dat onderscheid in de jurisprudentie noch in de literatuur wordt gemaakt. De politierechter had het IJzerdraad-criterium ofwel in het geheel niet (zie nr. 8), ofwel correct moeten toepassen.
- 10.
Een juiste toepassing van het IJzerdraad-criterium leidt tot vrijspraak van [verdachte].
[Verdachte] kon er vooreerst niet over beschikken, of het in het oppervlaktewater brengen van de olie al dan niet zou plaatsvinden. Er was immers niet zozeer sprake van een handeling als wel van het optreden van een gevolg van een defect, terwijl het pompen van de olie niet door de bemanning, maar door de walinstallatie (het personeel van Vopak dat die installatie bediende) is geschied.
Bovendien heeft [verdachte] het morsen van de olie geenszins aanvaard en placht zij evenmin dergelijke handelingen c.q. gebeurtenissen te aanvaarden. Het m.t.s. beschikt over de benodigde papieren en over een goed gekwalificeerde bemanning. Bovendien was dit de eerste keer dat het morsen van olie plaatsvond, getuige de verklaring van schipper
[getuige 1], dat de bewuste klok bij de vorige belading nog goed functioneerde. Zie voor het overige de pleitnota in eerste aanleg."
3.3.4.
Het bestreden arrest houdt onder het hoofdje "strafbaarheid van de verdachte" het volgende in:
"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld bij de verdachte door te stellen dat het optreden van het defect in een klok ten gevolge waarvan olie is gemorst een plotseling optredend gebrek was, waarmee niemand rekening kon of behoefde te houden.
Het Hof verwerpt dit verweer. Als eigenares van het betrokken schip is verdachte verantwoordelijk voor de staat van onderhoud waarin het schip zich bevindt. Een mankement aan een schip komt in beginsel voor rekening en strafrechtelijke verantwoording van de eigenaar van het schip en aangezien niet aannemelijk is geworden dat de verdachte er alles aan heeft gedaan om het onderhavige feit te voorkomen, verwerpt het hof het beroep op afwezigheid van alle schuld."
3.4.
Het hiervoor onder 3.3.3 weergeven verweer strekt ertoe dat de verdachte niet als (functionele) dader kan worden aangemerkt. Daaromtrent heeft het Hof niets overwogen, terwijl de bewijsmiddelen slechts inhouden dat de verdachte eigenares was van het desbetreffende schip. Die enkele omstandigheid is echter niet voldoende om de verdachte als dader aan te merken. Gelet daarop is de bewezenverklaring voorzover inhoudende dat de verdachte de bewezenverklaarde gedraging heeft verricht, niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daaraan doet niet af hetgeen het Hof onder het hoofd "strafbaarheid van de verdachte" heeft overwogen, reeds omdat ook daar voorzover hier van belang omtrent verdachtes relatie tot het schip feitelijk niet meer is vastgesteld dan dat zij eigenares daarvan is en bijvoorbeeld niets omtrent haar rechtsverhouding tot de schipper en de bemanning daarvan alsmede omtrent de vraag in het kader van wiens bedrijfsvoering en ten behoeve van wie de exploitatie van het schip plaatsvond.
3.5.
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, dat het tweede en het derde middel geen bespreking behoeven en dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 24 mei 2005.