Einde inhoudsopgave
RvdW 1998, 216
Merkenrecht. Onderscheidend vermogen. ‘Associatiegevaar’. Bevoegdheid licentiehouder. Vragen van uitleg van art. 5 lid 1 onder b van Richtlijn 89/104, van art. 13A lid 1 onder b BMW en van art. 11D BMW.
HR 20-11-1998, ECLI:NL:PHR:1998:AD2966
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20 november 1998
- Magistraten
Roelvink, Korthals Altes, Neleman, Heemskerk, Van der Putt-Lauwers
- Zaaknummer
16665
C97/144
- Conclusie
A-G Bakels
- LJN
AD2966
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Modellen- en merkenrecht
EU-recht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1998:AD2966, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑11‑1998
ECLI:NL:PHR:1998:AD2966, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑11‑1998
- Wetingang
Essentie
Merkenrecht. Onderscheidend vermogen; ‘associatiegevaar’. Bevoegdheid licentiehouder. Vragen van uitleg van art. 5 lid 1 onder b van Richtlijn 89/104, van art. 13A lid 1 onder b BMW en van art. 11D BMW.
Bij bepaling beschermingsomvang merk aan hand onderscheidend vermogen moet steeds worden gelet op de opvattingen van het in aanmerking komende publiek op het tijdstip waarop gewraakte gebruik merk een aanvang nam. Vragen van uitleg aan Hof van Justitie EG en aan BenGH. Is ‘associatiegevaar’ wèl voldoende om een verbodsbepaling te rechtvaardigen ingeval het oudere merk hetzij van huis uit hetzij wegens zijn bekendheid bij het publiek bijzondere ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.