Met ingang van deze datum zijn de Wet van 14 oktober 1993, Stb.1993,555 en het nieuwe Besluit Burgerlijke Stand 1994 van kracht geworden. Zie ook Kampers/Geuzinge/Post/De Vries, Inleiding tot de burgerlijke stand⁹, 1995, p.18 en art. 68 BBS 1994.
HR, 10-05-1996, nr. 8743
ECLI:NL:HR:1996:ZC2075
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-05-1996
- Zaaknummer
8743
- LJN
ZC2075
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1996:ZC2075, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑05‑1996; (Cassatie, Beschikking)
ECLI:NL:PHR:1996:59, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑03‑1996
- Wetingang
art. 429n Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Vindplaatsen
NJ 1997, 356 met annotatie van H.J. Snijders
Uitspraak 10‑05‑1996
10 mei 1996
Eerste Kamer
Rek.nr. 8743 (R95/116HR)
EVL
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr G.J. de Lange,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr A.L.H. Hoevers.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 16 december 1994 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift heeft thans verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank met het verzoek de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Voorburg te gelasten de akte van 4 juli 1994, houdende inschrijving van het echtscheidingsvonnis tussen haar en thans verzoeker tot cassatie - verder te noemen : de man - door te halen.
De man heeft in zijn verweerschrift verzocht het verzoek van de vrouw toe te wijzen.
De Officier van Justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Bij beschikking van 1 maart 1995 heeft de Rechtbank het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft hij verzocht de beschikking van de Rechtbank te vernietigen en het inleidend verzoek van de vrouw alsnog toe te wijzen. Bij beschikking van 25 augustus 1995 heeft het Hof de man niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans het beroep te verwerpen met zodanige verdere beslissingen als de Hoge Raad zal vermenen te behoren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Asser strekt ertoe dat de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 augustus 1995 en de beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 1 maart 1995 worden vernietigd en dat de doorhaling zal worden gelast van de inschrijving van het ten processe bedoelde echtscheidingsvonnis in het desbetreffende register van de Burgerlijke Stand.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 15 februari 1993 tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en de man veroordeeld om aan de vrouw een bijdrage van f 900, -- per maand voor haar levensonderhoud te betalen.
De man heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. In zijn memorie van grieven heeft hij uitsluitend grieven tegen de beslissing van de Rechtbank omtrent de door hem te betalen alimentatie aangevoerd. De vrouw heeft in haar op 16 december 1993 genomen memorie van antwoord zich ertoe beperkt deze grieven te bestrijden; zij heeft geen incidenteel hoger beroep tegen de beslissing omtrent de echtscheiding ingesteld.
Bij arrest van 22 april 1994 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd, en in zoverre opnieuw recht doende het bedrag dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud diende te betalen, bepaald op f 465, -- per maand.
3.2 In december 1994 heeft de vrouw zich gewend tot de Rechtbank te 's-Gravenhage met een op art. 1:29 (oud) BW gegrond verzoek de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Voorburg te gelasten de akte van 4 juli 1994, waarbij voormeld echtscheidingsvonnis was ingeschreven, door te halen. Zij grondde dit verzoek op de stelling dat het verzoek tot inschrijving niet was gedaan binnen de in art. 1:163 lid 3 gestelde termijn van zes maanden na de dag waarop het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan. De Rechtbank heeft het verzoek bij beschikking van 1 maart 1995 afgewezen.
De man heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de man bij beschikking van 25 augustus 1995 niet ontvankelijk verklaard op de grond dat hij in eerste aanleg geen partij was.
3.3 Het tegen deze beschikking gerichte middel klaagt terecht dat het Hof aldus heeft miskend dat in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige, waarop de art. 429a e. v. Rv. van toepassing zijn, ingevolge art. 429n lid 2 iedere belanghebbende hoger beroep kan instellen, en dat de man moet worden aangemerkt als belanghebbende, nu de akte waarvan de doorhaling is verzocht, betrekking heeft op een tussen hem en de vrouw uitgesproken echtscheidingsvonnis. Het Hof heeft derhalve ten onrechte de man niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat hij in eerste aanleg geen partij in de procedure was.
3.4 De vrouw heeft echter bij verweerschrift in cassatie betoogd dat de man niettemin niet ontvankelijk is in zijn hoger beroep op de grond dat hij de onderhavige procedure, althans de beroepsmogelijkheden daarvan, gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is, respectievelijk zijn gegeven en dusdoende misbruik maakt van (proces) recht dan wel handelt in strijd met een goede procesorde of met hetgeen de redelijkheid en billijkheid jegens de vrouw meebrengt.
Dit verweer faalt. Gelijk volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 15 juli 1986, NJ 1987, 933, moeten, gelet op de betekenis die te dezen toekomt aan de eisen van rechtszekerheid, beide (voormalige) echtelieden geacht worden een rechtmatig belang erbij te hebben dat de registers van de burgerlijke stand niet een onjuist antwoord bevatten op de vraag of en, zo ja, op welk tijdstip hun huwelijk door echtscheiding is ontbonden. Daaraan wordt niet afgedaan door het hiervoor weergegeven betoog van de vrouw.
3.5 Het vorenoverwogene brengt mede dat 's Hofs beschikking niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
3.6 De Rechtbank heeft het betoog van de vrouw dat het verzoek tot inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 15 februari 1993 niet binnen de in art. 1:163 lid 3 gestelde termijn van zes maanden was gedaan, verworpen op, kort samengevat, de volgende gronden :
(a) De man is van het vonnis in de echtscheidingszaak in hoger beroep gekomen met een appeldagvaarding, waarvan de conclusie strekt tot afwijzing van de hele vordering van de vrouw, "dus echtscheiding en nevenvorderingen".
(b) Hoewel de man vervolgens zijn grieven slechts richtte tegen de door de Rechtbank te zijnen laste vastgestelde alimentatie, moet het, nu de man in het petitum van zijn memorie van grieven opnieuw heeft verzocht het vonnis van de Rechtbank te vernietigen, ervoor worden gehouden dat ook de vordering tot echtscheiding in zijn hoger beroep werd betrokken.
(c) Ook de man zelf is destijds, althans aanvankelijk, uitgegaan van een hoger beroep in volle omvang, hetgeen volgens de Rechtbank valt af te leiden uit het feit dat hij op 5 april 1994, bijna een jaar na de appeldagvaarding, een akte van berusting heeft ondertekend, met welke eenzijdige wilsverklaring hij aangaf dat "wat hem betrof het vonnis van de Rechtbank vervroegd in kracht van gewijsde kon gaan".
(d) De vrouw heeft op 18 mei 1994 een akte van berusting ondertekend, zodat in elk geval op 18 mei 1994 de echtscheiding onherroepelijk is geworden en de termijn van zes maanden daags daarna is gaan lopen; de inschrijving op 4 juli 1994 is derhalve tijdig geschied.
(e) Aan dit een en ander doet volgens de Rechtbank niet af het oordeel van het Hof in zijn arrest van 22 april 1994 dat de man uitsluitend van dat vonnis in appel was gekomen, voor zover hij daarbij was veroordeeld tot betaling van alimentatie, welk uitgangspunt, aldus de Rechtbank, gegeven de gedingstukken van de man in hoger beroep, "minder juist" is.
3.7 De door de man tegen de hiervoor weergegeven oordelen van de Rechtbank gerichte grieven, welke zich lenen voor gezamenlijke behandeling, zijn gegrond. Het stond de Rechtbank niet vrij om 's Hofs oordeel omtrent de omvang van het door de man ingestelde hoger beroep als "minder juist" ter zijde te stellen en "het ervoor te houden" dat de man ook de vordering tot echtscheiding in zijn hoger beroep had betrokken.
3.8 Nu blijkens het vorenoverwogene tot uitgangspunt moet worden genomen dat het appel van de man slechts was gericht tegen de alimentatiebeslissing, en de vrouw, zoals hiervoor in 3.1 is overwogen, bij haar op 16 december 1993 genomen memorie van antwoord uitsluitend de door de man aangevoerde grieven heeft bestreden en harerzijds geen incidenteel beroep heeft ingesteld tegen de beslissing omtrent de echtscheiding, is het vonnis voor wat betreft de echtscheiding op 16 december 1993 in kracht van gewijsde gegaan, zodat de in art. 1:163 lid 2 bedoelde termijn toen een aanvang heeft genomen.
3.9 Het ten processe overgelegde verzoek tot inschrijving van het echtscheidingsvonnis, gericht tot de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Voorburg, is ongedateerd. Deze ambtenaar, door de Rechtbank ter gelegenheid van de voortgezette mondelinge behandeling op 8 februari 1995 gehoord, heeft blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal verklaard niet te kunnen zeggen op welke datum vorenbedoeld verzoek bij de burgerlijke stand te Voorburg was binnengekomen. Gelijk door de vrouw in eerste aanleg en door de man in hoger beroep is betoogd, moet evenwel worden aangenomen dat bij voormeld verzoek tot inschrijving is overgelegd de - eveneens ten processe overgelegde - verklaring van de griffier van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 juni 1994, volgens welke het vonnis voor wat betreft de echtscheiding op 16 december 1993 in kracht van gewijsde was gegaan, en dat dit verzoek dus eerst ná 21 juni 1994 en mitsdien ná het verstrijken van de bij art. 1:163 lid 3 gestelde termijn is gedaan. Het echtscheidingsvonnis is derhalve ten onrechte in de registers van de burgerlijke stand te Voorburg ingeschreven.
Uit het vorenoverwogene volgt dat ook de beschikking van de Rechtbank moet worden vernietigd en dat moet worden beslist als in het dictum van dit arrest is vermeld.
4. Beslissing
De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 augustus 1995;
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 1 maart 1995;
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Voorburg de inschrijving van het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 15 februari 1993, waarbij tussen [de man] en [de vrouw] echtscheiding is uitgesproken, door te halen.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes en Neleman en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 10 mei 1996.
Conclusie 28‑03‑1996
DA/MR
Rekestnr.8743
Parket, 28 maart 1996
Mr Asser
Conclusie inzake:
[de man]
tegen:
[de vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. Inleiding
1.1. Een wat merkwaardige zaak die aan Uw Raad wordt voorgelegd. Partijen - de man en de vrouw - waren aanvankelijk eensgezind in wat zij met deze procedure wilden bereiken maar verschillen nu danig van mening over hoe het in de feitelijke instanties voor hen beiden ongunstig besliste geding moet aflopen. Enfin, in cassatie - kan thans van de volgende - door het Hof tot uitgangspunt genomen - feiten worden uitgegaan.
1.1.1. De man (thans de verzoeker tot cassatie) - de man - en de vrouw (de verweerster in cassatie) zijn in 1983 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
1.1.2. Bij vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 15 februari 1993 is tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken. De man is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Over de omvang van dit appel kom ik straks nog te spreken.
1.1.3. Bij arrest van 22 april 1994 heeft het hof het vonnis vernietigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw bepaald op f 465, - per maand.
1.2. Deze procedure zal ik hierna (niet helemaal zuiver maar gemakshalve) verder aanduiden met: de echtscheidingszaak.
1.3. De vrouw heeft de rechtbank bij verzoekschrift van 16 december 1994 verzocht de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Voorburg te gelasten de akte van 4 juli 1994 houdende de inschrijving van voormeld echtscheidingsvonnis door te halen.
1.4. De rechtbank heeft bij beschikking van 1 maart 1995 het verzoek van de vrouw afgewezen.
1.5. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld waarbij hij heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende - kort gezegd - de ambtenaar te gelasten de inschrijving van het echtscheidingsvonnis door te halen.
1.6. Op 26 juli 1995 is de zaak mondeling behandeld. De man en vrouw zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.7. Het hof heeft de man bij beschikking van 25 augustus 1995 niet ontvankelijk verklaard omdat hij in eerste aanleg geen partij was.
1.8. Tegen deze beschikking heeft de man tijdig cassatieberoep ingesteld onder aanvoering van één cassatiemiddel. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Ik zou voorop willen stellen dat in de echtscheidingszaak tussen partijen het voor 1 januari 1993 geldende echtscheidingsprocesrecht van toepassing was en dat ook het recht betreffende de registers van de Burgerlijke Stand, zoals dat tot 1 januari 1995 van toepassing was1., is toegepast2..
2.2. Het middel klaagt erover dat het hof de man niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep. Daarmee is art. 429n lid 1 juncto lid 2 Rv. geschonden, nu het hof heeft miskend dat niet alleen een partij in het geding hoger beroep kan instellen maar ook iedere belanghebbende, aldus kort samengevat het middel.
2.4. Degene die hoger beroep instelt hoeft geen partij te zijn. Voldoende is dat hij belanghebbende is in de zin van art. 429n lid 2 Rv4.. Wie tot de belanghebbenden conform deze bepaling zijn te rekenen is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid5..
2.5. Aan een bij voorbaat beperkte kring van belanghebbenden is het recht van appel toegekend in een procedure betreffende levensonderhoud: art.828i (oud) Rv noemt alleen de verzoeker en de verweerder ("partijen" in de zin van art.828c lid 1). Derhalve geldt een van art. 429n, tweede lid, afwijkende regel: slechts partijen kunnen in hoger beroep komen6..
2.6. Ik kan mij niet helemaal aan de indruk onttrekken dat het hof zich bij zijn beslissing door deze regel heeft laten leiden. Het gebruik van het woord "partij" suggereert dat tenminste. Maar daarmee heeft het hof eraan voorbij gezien dat het in deze zaak niet gaat om een verzoek betreffende de vaststelling van alimentatie maar om een verzoek van geheel andere aard, namelijk tot doorhaling van een inschrijving in de registers van de Burgerlijke Stand.
2.7. Onder belanghebbenden in de zin van art. 1:24 (1:29 (oud) ) BW, dat kort gezegd aan "belanghebbenden" het recht geeft een van de in die bepaling genoemde verzoeken te doen, worden verstaan allen, wier naam in de akte voorkomt en verder diegenen, die een zedelijk, maatschappelijk of geldelijk belang hebben7.. Het is dus duidelijk dat de man, die direct belanghebbende bij de inschrijving van het echtscheidingsvonnis is - hij is daarbij immers "partij" -, belanghebbende is in de zin van art.1:24 BW en daarom zou ik er ook niet aan willen twijfelen dat hij in de zin van art.429n belanghebbende is in een procedure als de onderhavige.
2.8. In HR 8 oktober 1976, NJ 1977, 284 (m.nt.E.A.A.Luijten) en tien jaar later in HR 15 juli 1986, NJ 1987,933 (m.nt.W.H.Heemskerk) is trouwens ook uitdrukkelijk uitgesproken dat een van de partijen bij de echtscheiding (toen de vrouw, nu in elk geval ook de man) er een rechtmatig belang bij heeft of geacht kan worden te hebben dat de registers van de Burgerlijke Stand niet een onjuistheid bevatten ten aanzien van het tijdstip waarop zijn of haar huwelijk met de andere partij door echtscheiding is geëindigd.
2.9. In de beschikking van 8 oktober 1976 is bovendien om die reden overwogen dat het verzoek van de vrouw in die zaak tot verbetering van het desbetreffende register van de Burgerlijke Stand niet kon worden afgewezen op grond van de overweging dat dit verzoek misbruik van recht zou opleveren of in strijd zou zijn met de goede trouw of met de voor de vrouw uit het huwelijk voortspruitende verplichtingen jegens de man. Hieruit leid ik af dat naar het oordeel van Uw Raad de bevoegdheid van een van de (ex-)echtgenoten om verbetering te verzoeken van de registers van de Burgerlijke Stand met het oog op de juistheid van die registers aangaande de vraag of het huwelijk door echtscheiding is geëindigd, naar haar aard niet kan worden misbruikt (art. 3:13 lid 3 BW) .
2.10. Op een en ander stuit reeds af het thans vanwege de vrouw bij verweerschrift in cassatie gehouden betoog dat de man misbruik maakt van (proces)recht dan wel handelt in strijd met de goede procesorde of met hetgeen de redelijkheid en billijkheid jegens de vrouw met zich brengt, en in ieder geval geen in redelijkheid te honoreren belang heeft bij het instellen van het hoger beroep en thans het cassatieberoep.
2.11. Nu de vraag of de echtscheiding is geeffectueerd en of de registers van de Burgerlijke Stand dienaangaande juist zijn, zich onttrekt aan de vrije beschikkingsmacht van partijen, wordt het zojuist opgemerkte, naar het mij voorkomt, niet anders indien in aanmerking wordt genomen dat, anders dan thans, in de casus van de beschikking van 8 oktober 1976 het ging om een echtscheidingsvonnis bij verstek dat (op grond van een griffiersverklaring van non-verzet) was ingeschreven op een moment dat daartegen reeds verzet was ingesteld en dat dus nog niet in kracht van gewijsde was gegaan. Hier moeten, met name vanwege het grote gewicht van de rechtszekerheid8., algemene regels prevaleren boven meer op de casuïstische verscheidenheid gerichte beslissingen, zou ik menen.
2.12. Een en ander betekent dat het middel terecht is voorgesteld. Gelet op het belang van partijen bij spoedige zekerheid in deze zaak lijkt het me aangewezen om het bij die constatering niet te laten en te onderzoeken wat de verdere gevolgen moeten zijn.
2.13. De rechtbank heeft in de onderhavige zaak onder meer overwogen dat - de man van het vonnis in de echtscheidingszaak van 15 februari 1993 in hoger beroep was gekomen met in de appeldagvaarding "de conclusie tot afwijzing van de hele vordering" van de vrouw, "dus echtscheiding en nevenvorderingen";
- dat hoewel de man vervolgens zijn grieven inhoudelijk slechts richtte tegen de te zijnen laste vastgestelde alimentatie, nu de man in het petitum van zijn memorie van grieven opnieuw verzocht het vonnis van de rechtbank te vernietigen, het er voor moest worden gehouden dat ook de vordering tot echtscheiding in zijn hoger beroep werd betrokken;
- dat met name de man ook zelf, althans aanvankelijk, is uitgegaan van een hoger beroep in volle omvang, wat afgeleid wordt uit het feit dat hij op 5 april 1994, bijna een jaar na zijn appeldagvaarding, de akte van berusting ter zake van de echtscheiding heeft getekend en dat hij met deze eenzijdige wilsverklaring uitdrukkelijk aangaf dat "wat hem betrof het vonnis van de rechtbank vervroegd in kracht van gewijsde kon gaan" ;
- dat de vrouw hiermee volgde op 18 mei 1994, waardoor in elk geval toen de echtscheiding onherroepelijk is geworden; - dat daags daarna "de inschrijvingstermijn van 6 maanden ging lopen" en dat de inschrijving op 4 juli 1994 dus tijdig is geschied; - dat hieraan niet afdoet het oordeel van het hof in het appel van het echtscheidingsvonnis dat de man uitsluitend van dat vonnis in appel was gekomen voor zover hij daarbij was veroordeeld tot alimentatie, welk uitgangspunt gegeven de gedingstukken van de man in hoger beroep "minder juist" wordt geacht;
- dat het arrest van het hof impliceert dat de man ter zake van de echtscheiding bij gebreke van daartegen gerichte grieven niet ontvankelijk was in zijn hoger beroep.
2.14. De man heeft met zijn appelgrieven er over geklaagd - ik vat samen - dat de rechtbank in de onderhavige zaak geen vrijheid had de omvang van het door de man in de echtscheidingsprocedure ingestelde appel aldus ruimer te beoordelen dan in dat appel het hof had gedaan.
2.15. Laat ik vooropstellen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat het oordeel van het hof aangaande de omvang van het door de man ingestelde appel partijen en ook de rechter in een ander geding binden. Of zulke oordelen gezag van gewijsde hebben in de zin van art.67 Rv9.laat ik rusten, met dien verstande dat ik wel zou menen dat beslissingen die in het kader van de bepaling van de rechtsstrijd de aan de rechter voorgelegde rechtsbetrekking in geschil nader omlijnen, niet zonder meer gezag van gewijsde ontzegd kan worden.
2.16. Het stond de rechtbank dus niet vrij om het oordeel van het hof in de echtscheidingszaak over de omvang van de rechtsstrijd in appel op zijn juistheid te beoordelen.
2.17. Iets anders is de vrijheid van de rechter in een ander geding om door interpretatie van een onduidelijke uitspraak de inhoud en reikwijdte daarvan nader te bepalen, indien partijen daarover van mening verschillen.
2.18. Maar in de onderhavige procedure laten de stellingen van partijen in eerste aanleg geen andere conclusie toe dan dat zij allerminst van mening verschilden over de vraag naar de omvang van het door de man ingestelde appel10.. De vrouw heeft zelf in de onderhavige procedure gesteld dat het vonnis voor wat betreft de echtscheiding in kracht van gewijsde was gegaan op het tijdstip dat zij haar memorie van antwoord had genomen. De rechtbank is dus met haar oordeel aangaande de juistheid van wat het hof heeft overwogen eigenlijk dan ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
2.19. Maar wat daarvan zij, er bestaat naar ik meen ook geen redelijke twijfel over dat het hof in zijn arrest in de echtscheidingszaak heeft geoordeeld dat de man zijn hoger beroep niet mede tegen de echtscheidingsbeslissing heeft gericht. Dit blijkt niet alleen uit het expliciete en ondubbelzinnige oordeel van het hof in het genoemde arrest dat de man uitsluitend van dat vonnis in appel was gekomen voor zover hij daarbij was veroordeeld tot alimentatie. Het komt ook naar voren uit r.o.1 van het arrest, waarin ervan wordt uitgegaan dat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken tijdig is of zal zijn ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand. Daarin ligt immers besloten dat het hof van oordeel was dat dat vonnis in zoverre in kracht van gewijsde was gegaan.
2.20. De onderhavige zaak verschilt naar ik meen dan ook duidelijk van die waarin Uw Raad op 22 maart 1996 onder rolnummer 15.927, na conclusie van mijn collega Vranken, uitspraak heeft gedaan. Daarin was de echtscheiding, waartegen geen grieven waren gericht, wel door het hof als onderdeel van de rechtsstrijd in appel beschouwd. Omdat de uitspraak nog niet in druk is verschenen11., citeer ik hier de belangrijkste passages :
"3.2 In cassatie gaat het uitsluitend om de vraag of de door de Rechtbank op vordering van de man uitgesproken echtscheiding door het hoger beroep aan het oordeel van het Hof is onderworpen. De vrouw neemt het standpunt in dat dit inderdaad het geval is. ( ... )
3.3 Het Hof heeft in zijn bestreden arrest onder 1.2 vastgesteld dat de vrouw heeft geconcludeerd dat het Hof "de vonnissen zal vernietigen voor wat betreft de daarin vastgestelde alimentatie en de uitgesproken echtscheiding", zulks in overeenstemming met de hiervoor onder 1 geciteerde passage in de appeldagvaarding12., waarvan in de memorie van grieven niet is afgeweken.
In rov. 4.11, in het kader van zijn overwegingen omtrent het "pensioenverweer", heeft het Hof vervolgens overwogen:
"De vrouw is, hoewel uit het vonnis van 19 november 1991 blijkt dat de pensioenvoorziening nog niet was afgesloten, niet in hoger beroep gekomen van dat vonnis, voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken. Dat brengt mee dat het vonnis in zoverre in stand blijft."
Het middel strekt ten betoge dat het Hof in rov. 4.11 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn beslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd.
3.4 Het middel kan niet tot cassatie leiden omdat het berust op een verkeerde lezing van 's Hofs arrest. Mede gelet op voormelde vaststelling in zijn arrest onder 1.2, heeft het Hof in rov. 4.11 klaarblijkelijk slechts tot uitdrukking willen brengen dat de vrouw geen grief heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Rechtbank de echtscheiding uit te spreken, en dat het vonnis van 19 november 1991 daarom ook in zoverre dient te worden bekrachtigd. Het Hof heeft de echtscheiding derhalve wel als onderdeel van de rechtsstrijd in appel beschouwd, maar wegens het ontbreken van een daartegen gerichte grief de desbetreffende beslissing van de Rechtbank in stand gelaten".
2.21. De situatie in onze zaak ligt dus wel anders, nu de man niet uitdrukkelijk ook van de echtscheiding had geappelleerd.
Zoals moge blijken uit wat ik hierboven heb opgemerkt zie ik geen, althans te weinig aanknopingspunten voor een lezing van het arrest van het hof in de echtscheidingszaak op een wijze als in deze uitspraak aangegeven en ook door de rechtbank in onze zaak gegeven.
2.22. Bij deze stand van zaken kan op basis van wat in de literatuur en feitelijke rechtspraak wordt aangenomen13., worden betoogd dat het echtscheidingsvonnis - voor wat betreft de echtscheiding - in kracht van gewijsde is gegaan op het tijdstip waarop de vrouw in die procedure haar memorie van antwoord nam. Daaruit bleek namelijk dat zij niet incidenteel appelleerde tegen de echtscheiding. In de onderhavige procedure stellen beide partijen zich ook op dit standpunt, zoals hierboven al aangestipt.
2.23. Het huidige art. 820 Rv gaat eveneens van dat stelsel uit. Het wil immers de onduidelijkheid die onder het sedert 1971 geldende regime als gevolg van de mogelijkheid van incidenteel appel tegen de echtscheiding nogal eens voorkwam aangaande het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde ging, voorkomen en heeft tot gevolg dat indien het (principaal) appel slechts betrekking heeft op de nevenvoorzieningen de beschikking voor zover zij de echtscheiding betreft in kracht van gewijsde gaat14..
2.24. Ik zie dus geen reden om een ander stelsel aan te bevelen, ook al brengt het - met deze zaak geïllustreerde - onzekerheden mee die men, gelet op het grote belang van de rechtszekerheid, liever zou vermijden.
2.25.Al met al leidt het voorgaande tot de slotsom dat de grieven van de man in de onderhavige zaak opgaan.
2.26. Voor het geval dat Uw Raad met mij van oordeel mocht zijn dat de aangevallen beschikking van het hof gecasseerd moet worden en dat de appelgrieven van de man opgaan, stel ik dan ook voor de zaak zelf af te doen en, rechtdoende in het appel, de beschikking van de rechtbank te vernietigen en alsnog de doorhaling te gelasten overeenkomstig het verzoek van de man in appel.
3. CONCLUSIE
Deze strekt er toe dat de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 augustus 1995 en de beschikking van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 1 maart 1995 worden vernietigd en dat de doorhaling zal worden gelast van de inschrijving van het ten processe bedoelde echtscheidingsvonnis in het desbetreffende register van de Burgerlijke Stand.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑03‑1996
Vgl. Kampers/Geuzinge/Post/De Vries, p. 81.
Val. (m.b.t. het voorlopig getuigenverhoor) HR 6 februari 1987, NJ 1988, 1 en HR 15 september 1995, RvdW 1995, 170 C.
HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 149, m.nt. J.M.M.Maeijer; zie daarover losbl. Burg. Rechtsvordering (Doek/Wesseling-van Gent), art.429n, aant.6; Boekman, De verzoekschriftprocedure, 1996, nr.2.2.1 en (voor het nieuwe familieprocesrecht) 2.2.2.
Zie HR 30 november 1979, NJ 1980, 134; HR 15 juni 1990, NJ 1990, 608.
Zie Asser/De Ruiter/Moltmaker, 1992, nr. 85.
Daarop wordt gehamerd in de al genoemde uitspraak HR 15 juli 1986, NJ 1987, 933 (m.nt.W.H.Heemskerk).
Vgl. Y.E.M. Beukers, Eenmaal andermaal?, diss. EUR 1994, nr.4.5 over het gezag van gewijsde van wat zij noemt voorbeslissingen
Zie het inleidend verzoekschrift van de vrouw onder 5 en de pleitnotities van de kant van de man.
Zij wordt niet opgenomen in de Rechtspraak van de Week maar valt wel al te raadplegen op CJ Online van Kluwer Datalex.
Deze passage luidt: 'In de appeldagvaarding concludeerde zij, voor zover in cassatie van belang, tot vernietiging van die vonnissen 'voor wat betreft de hierin vastgestelde alimentatie en de uitgesproken echtscheiding'.
G.W.Breuker, Over het moment waarop een echtscheidings- vonnis in kracht van gewijsde gaat, in: Ars Aequi 1991, p.459 e.v. met veel oudere gegevens; I.S.Joppe in Rechtsvragenru- briek, WPNR 6002 (1991), p.268 e.v .; Asser/De Ruiter/Moltma- ker, nr. 662; Rutgers, Herziening scheidingsprocesrecht, 1993, nr. 41; Kampers/Geuzinge/Post/de Vries, Inleiding tot de burgerlijke stand', 1995, p. 214; zie ook uitgebreider de achtste druk, 1991, p.193.
Zie de Memorie van Toelichting bij de Wet van 1 juli 1992, Stb.373, Bijl.Hand.II, 1990-1991, 21 881, nr.3, art.820 Rv, p.7; Rutgers, Herziening scheidingsprocesrecht, nr. 41; vgl. ook Vademecum Burgerlijk Procesrecht, Personen- en familiezaken (Gijbels), 43.7 in fine en 44.1; losbl. Burg. Rechtsvordering (Rutgers), art.820, aant.4. Voor 1971 gold ingevolge rechtspraak van de Hoge Raad (HR 20 januari 1956, NJ 1957,434-436) dat wanneer geappelleerd was van een beslissing over nevenvorderingen, incidenteel appel tegen de echtschei- ding niet toelaatbaar was. Thans is dus weer tot dat stelsel teruggekeerd op grond van het nieuwe art.820 Rv.