HR, 20-10-1995, nr. 15789
ECLI:NL:HR:1995:ZC1849
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-10-1995
- Zaaknummer
15789
- LJN
ZC1849
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1995:ZC1849, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑10‑1995; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:40
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑10‑1995
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid advocaat. Schadevergoeding op te maken bij staat.
20 oktober 1995
Eerste Kamer
Nr. 15.789 (C 94/211)
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr J.H.F. Schultz van Haegen,
t e g e n
Mr [verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr R. Overeem.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 22 oktober 1992 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen de schade, welke hij heeft geleden ten gevolge van onrechtmatig handelen van [verweerder], op te maken bij staat.
Nadat [verweerder] tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 27 oktober 1993 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 2 juni 1994 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 [eiser] heeft van [verweerder] schadevergoeding, op te maken bij staat, gevorderd op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad, hierin bestaande dat [verweerder] als raadsman van [eiser] geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing ten laste van [eiser] over 1984.
Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank, waarbij de vordering is afgewezen, bekrachtigd.
3.2 Het Hof heeft geoordeeld:
(i) dat voor toewijzing van die vordering onder meer is vereist dat aannemelijk is dat [eiser] enige schade heeft geleden door de beweerde fout;
(ii) dat de stellingen van [eiser] onvoldoende zijn om de vordering te dragen, nu tegenover de deugdelijke betwisting van de kant van [verweerder] uit die stellingen immers niet kan volgen dat aannemelijk is dat, indien een bezwaarschrift tegen de aanslagen zou zijn ingediend, die aanslagen zouden zijn verlaagd;
(iii) dat ook anders dan door de stellingen van [eiser] niet aannemelijk is geworden dat [eiser] enige schade heeft geleden doordat geen bezwaarschrift tegen de aanslagen is ingediend.
3.3 De klachten onder a en b van het middel bestrijden deze oordelen als onjuist, omdat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat, wat het element van schade betreft, voldoende is dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, zodat [eiser] niet aannemelijk behoefde te maken dat hij enige schade heeft geleden, maar slechts aannemelijk behoefde te maken dat er een mogelijkheid is dat hij schade heeft geleden.
De klachten falen. Het Hof heeft het niet aannemelijk geoordeeld dat het indienen van een bezwaarschrift tot verlaging van de aanslagen zou hebben geleid. Het heeft daaruit afgeleid dat evenmin aannemelijk is geworden dat [eiser] enige schade heeft geleden als gevolg van het niet indienen van een bezwaarschrift. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het de mogelijkheid dat [eiser] als gevolg van het niet indienen van een bezwaarschrift schade heeft geleden, niet aanwezig achtte. Aldus heeft het Hof een juiste maatstaf aangelegd.
3.4 Onderdeel c richt een motiveringsklacht tegen het hiervoor in 3.2 onder (ii) weergegeven oordeel van het Hof. Ook deze klacht faalt, daar dit oordeel in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoefde.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op f 577,20 aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren Mijnssen, als voorzitter, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 20 oktober 1995.