[A] is bovendien een éénmans NV (prod. II conclusie van repliek). Hetzelfde geldt waarschijnlijk ook voor [B] (memorie van grieven, ad grief 3), maar dat is in de procedure niet vastgesteld, zij het ook niet bestreden.
HR, 09-06-1995, nr. 8551
ECLI:NL:HR:1995:ZC1752
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-06-1995
- Zaaknummer
8551
- LJN
ZC1752
- Roepnaam
Citco
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1995:ZC1752, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑06‑1995; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:43
ECLI:NL:PHR:1995:43, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑05‑1995
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1995:ZC1752
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑06‑1995
Inhoudsindicatie
-
9 juni 1995
Eerste Kamer
Rek.nr. 8551 (R94/32)
EL
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] , wonende op Curaçao, Nederlandse Antillen,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr R.S. Meijer,
tegen
CITCO BANK ANTILLES N.V., gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr J.K. Franx.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 27 december 1991 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie
- verder te noemen: de Bank - zich gewend tot dat Gerecht en gevorderd:
- eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - op te roepen om verklaring af te leggen van al hetgeen hij van de [A] N.V. onder zich heeft of aan deze verschuldigd is of zal worden;
- voorts, nadat die verklaring door de Bank zal zijn goedgekeurd of in geval van tegenspraak door het Gerecht zal zijn bepaald het bedrag of de hoedanigheid van hetgeen [eiser] verschuldigd is en/of zal worden of onder zich heeft en/of zal verkrijgen van [A] N.V., [eiser] te veroordelen om zodanige gelden aan de Bank af te geven onder aftrek of tegen voldoening in het eerste geval van de aan de zijde van [eiser] gevallen kosten tot het doen van de verklaring, in het tweede geval met veroordeling van [eiser] in de kosten gevallen op de verbetering van de verklaring;
- bij het in gebreke blijven van [eiser] tot het doen van de verklaring, [eiser] te veroordelen tot voldoening van het bedrag van de vordering waarvoor het beslag is gelegd, vermeerderd met de kosten, even als ware
[eiser] daarvan zuiver schuldenaar, met veroordeling van [eiser] in dat geval in de proceskosten.
[eiser] heeft bij conclusie van antwoord een verklaring afgelegd en geconcludeerd tot goedkeuring daarvan.
Bij conclusie van repliek heeft de Bank de verklaring afgekeurd.
Vervolgens heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij tussenvonnis van 12 oktober 1992 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Bij eindvonnis van 21 juni 1993 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg de vordering afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft de Bank hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. De Bank heeft haar vordering in appel vermeerderd zoals hierna in 3.2.2 is vermeld.
Bij tussenvonnis van 8 februari 1994 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [eiser] . Bij eindvonnis van 10 mei 1994 heeft het Hof het bestreden vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg vernietigd, [eiser] veroordeeld om aan de Bank af te geven een bedrag van NAf 125.134,62, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 12% vanaf 1 juni 1994 tot aan de dag van de algehele voldoening, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Beide vonnissen van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide vonnissen van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Vranken strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) De Bank heeft op 22 oktober 1990 onder [eiser] conservatoir derdenbeslag laten leggen op alle gelden, geldswaarden en goederen die [eiser] verschuldigd mocht zijn of worden aan, of onder zijn berusting mocht hebben van [A] N.V. (hierna: [A] ), ter verzekering van een vordering van de Bank op [A] groot NAf 84.808,43, te vermeerderen met rente. Het beslag is bij vonnis van 2 december 1991 van waarde verklaard; dit vonnis is aan [A] betekend.
(ii) [eiser] had op 29 maart 1990 aan [A] de opdracht verstrekt tot het bouwen van een huis voor een bedrag van NAf 304.900, --. [A] had met de bouw een aanvang gemaakt. Het huis is afgebouwd door [C] N.V. (hierna: [B] ) .
(iii) Op 15 oktober 1990 - derhalve een week voor de beslaglegging - is de statutaire doelomschrijving van [B] gewijzigd in die zin dat daaronder voortaan - naast verbouwings- en inrichtingsactiviteiten - ook bouwactiviteiten waren begrepen.
(iv) Bij brief van 22 oktober 1990 (de datum van de beslaglegging) heeft [eiser] de aannemingsovereenkomst met [A] opgezegd, op de grond dat hij "niet verder lastig gevallen wil worden met beslagen van derden". Op dezelfde dag antwoordde [A] : "Wij betreuren het ten zeerste echter dat U een beslissing heeft genomen zoals geuit in Uw brief". [eiser] en [A] hebben ter zake geen schadeclaims jegens elkaar ingediend.
( v) Eveneens op 22 oktober 1990 zijn [eiser] en [B] op voorstel van [betrokkene] - de directeur/eigenaar van zowel [A] als [B] , die namens beide vennootschappen de contacten met [eiser] heeft onderhouden - overeengekomen
(vi) [eiser] heeft op 25 oktober 1990 NAf 4.399,30, als zijnde verschuldigd aan [A] , voldaan aan de Bank.
3.2.1 De Bank heeft bij verzoekschrift van 27 december 1991 de hiervoor onder 1 vermelde vordering ingesteld. [eiser] heeft bij conclusie van antwoord een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij de aannemingsovereenkomst met [A] op 22 oktober 1990 had opgezegd, dat [A] daarmee had ingestemd, dat [eiser] de ten tijde van de beslaglegging aan [A] verschuldigde aanneemsom ad NAf 4.399,30 op 25 oktober 1990 aan de Bank had doen toekomen, en dat hij niets meer verschuldigd was aan [A] .
De Bank heeft bij conclusie van repliek de afgelegde verklaring afgekeurd en gesteld dat [eiser] veroordeeld dient te worden tot uitbetaling van hetgeen hij verschuldigd is aan [A] / [B] / [betrokkene] na de datum van het beslag. De Bank betoogde dat de opzegging van de overeenkomst met [A] en de opdracht aan [B] schijnhandelingen waren om de gevolgen van het beslag te ontlopen. [eiser] betwistte dit bij dupliek.
Nadat het Gerecht in Eerste Aanleg bij tussenvonnis [eiser] had toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij op 22 oktober 1990 aan [A] niet meer dan NAf 4.399,30 verschuldigd was, heeft het bij eindvonnis dit bewijs door de getuigenverklaringen van [betrokkene] en diens echtgenote geleverd geacht en de vordering afgewezen.
3.2.2 In hoger beroep heeft de Bank haar vordering vermeerderd in die zin dat zij vordert dat [eiser] zal worden veroordeeld om verklaring af te leggen van al hetgeen hij aan [A] alsmede aan [B] verschuldigd is. De Bank betoogde in appel niet alleen dat sprake is van schijnhandelingen, maar ook dat [A] en [B] moeten worden vereenzelvigd.
Het Hof heeft in zijn tussenvonnis op de door het middel bestreden gronden geoordeeld dat [eiser] verklaring dient af te leggen van hetgeen hij op de dag van de beslaglegging aan [A] en aan [B] verschuldigd was, waarbij het - aldus het Hof - gaat om de uiteindelijk door [eiser] voor het huis verschuldigde en betaalde aanneemsom minus het bedrag dat hij op die dag bij wijze van voorschot of termijnbetaling reeds aan [A] had betaald; voor het afleggen van die verklaring verwees het Hof de zaak naar de rol.
Na aktewisseling heeft het Hof vervolgens in zijn eindvonnis vastgesteld dat [eiser] op 22 oktober 1990 aan [A] en/of [B] verschuldigd was of zou worden een bedrag van NAf 4.399,30 plus NAf 132.987,04, en beslist dat het bedrag van de vordering van de Bank, inmiddels becijferd op NAf 125.134,62 (plus rente vanaf 1 juni 1994), aan de Bank dient te worden afgegeven. Dat [eiser] het door hem op 22 oktober 1990 aan [A] en [B] verschuldigde bedrag nadien heeft voldaan, aldus het Hof, doet daaraan niet af aangezien die betalingen jegens de Bank van onwaarde zijn.
3.3 De gronden voor de bestreden beslissing zijn uiteengezet in de rov. 4 tot en met 7 van 's Hofs tussenvonnis. De daarin ontwikkelde gedachtengang kan als volgt worden samengevat:
( a) het standpunt van de Bank dat de gehele aanneemsom onder het beslag valt, gaat alleen op indien ervan wordt uitgegaan dat hetgeen [eiser] aan [B] is verschuldigd, zijn grondslag vindt in de rechtsverhouding van [eiser] met [A] (rov. 4);
( b) slechts onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan om aan te nemen dat schulden aan de ene rechtspersoon hun grondslag vinden in de rechtsverhouding met een andere rechtspersoon (rov. 5);
( c) uit de in rov. 5 als vaststaand aangemerkte omstandigheden - hiervoor in 3.1 vermeld onder (iii) tot en met (v) - valt af te leiden dat [eiser] op de dag van beslaglegging weliswaar in naam een nieuwe overeenkomst aanging met een andere contractspartner, maar in feite dezelfde rechtsverhouding met dezelfde wederpartij voortzette: voor het opzeggen van de oude aannemingsovereenkomst en het aangaan van de nieuwe hadden [eiser] en [betrokkene] immers geen ander motief dan te voorkomen dat de nog niet vervallen termijnen van de aanneemsom onder het beslag zouden vallen, zodat deze handelingen in die zin als schijnhandelingen zijn aan te merken (rov. 6);
( d) die bijzondere omstandigheden wettigen de conclusie dat de door [eiser] aan [B] verschuldigde aanneemsom zijn grondslag vindt in de door [eiser] en [A] aangegane aannemingsovereenkomst, en dat [B] en [A] in die zin moeten worden vereenzelvigd (rov. 7).
Deze gedachtengang berust op het juiste uitgangspunt dat van het identiteitsverschil tussen twee door dezelfde persoon beheerste rechtspersonen misbruik kan worden gemaakt, en op de eveneens juiste gedachte dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd - naar 's Hofs oordeel in dit geval: het ten nadele van de beslaglegger frustreren van een beslag - in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Ook overigens geeft 's Hofs gedachtengang niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
De door het middel tegen 's Hofs beslissing aangevoerde rechtsklachten stuiten op het voorgaande af. De in het middel vervatte motiveringsklachten falen eveneens, aangezien het Hof zijn bestreden beslissing naar behoren heeft gemotiveerd. Ten aanzien van de afzonderlijke onderdelen van het middel wordt nog het volgende aangetekend.
3.4 Onderdeel 2 berust blijkens het hiervoor in 3.3 overwogene op een verkeerde lezing van 's Hofs tussenvonnis, en mist dus feitelijke grondslag, voor zover het veronderstelt dat het Hof zijn beslissing heeft gebaseerd op het oordeel dat het gaat om de vraag of er te dezen grond is voor een "doorbraak van aansprakelijkheid" en dat het Hof déze vraag bevestigend heeft beantwoord. Hetzelfde geldt voor de in het
onderdeel geopperde veronderstelling dat het Hof zijn beslissing heeft gebaseerd op een onrechtmatige daad of een paulianeuze handelwijze van [eiser] .
Anders dan in onderdeel 3 wordt aangevoerd, heeft het Hof niet miskend dat ook in het kader van een derdenbeslag slechts onder bijzondere omstandigheden sprake kan zijn van een vereenzelviging in de door het Hof aangegeven zin. Ook is niet onduidelijk wat het Hof heeft bedoeld met zijn verwijzing naar de grondslag van de rechtsverhouding: het Hof heeft het oog op de voorwaarden voor de geldigheid van een beslag op toekomstige vorderingen.
Van een innerlijke tegenstrijdigheid als in onderdeel 4 bedoeld, is geen sprake. Door te oordelen dat het opzeggen van de oude overeenkomst en het aangaan van de nieuwe overeenkomst schijnhandelingen zijn in de door het Hof aangegeven zin - te weten in die zin dat in feite dezelfde rechtsverhouding met dezelfde wederpartij werd voortgezet (rov. 6) - heeft het Hof niets anders tot uitdrukking gebracht dan dat de tussen [eiser] en [betrokkene] als directeur/aandeelhouder van [A] en [B] verrichte handelingen ertoe strekten de werkelijke rechtsverhouding te versluieren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank
begroot op f 3.100, -- aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Roelvink, Korthals Altes, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 9 juni 1995.
Voor eensluidend afschrift, De Griffier van de Hoge Raad der Nederlanden,
Conclusie 12‑05‑1995
Inhoudsindicatie
-
Rekestnummer 8.551
(Nederlandse Antillen)
Zitting 12 mei 1995
Mr. Vranken
Conclusie inzake
[eiser]
tegen
Citco Bank Antilles N. V
Edelhoogachtbaar College,
Inzet van het geschil in cassatie
1. De onderhavige zaak betreft de verklaringsprocedure inzake een derdenbeslag dat door de bank is gelegd ten laste van de aannemer [A] N.V. Het beslag is op 22 oktober 1990 gelegd onder [eiser] op alles wat deze aan [A] verschuldigd was of zou worden. Tussen [eiser] en [A] was een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een woning. Ten tijde van het beslag was de bouw nog niet voltooid. Na het beslag, maar nog dezelfde dag, heeft [eiser] de aannemingsovereenkomst met [A] opgezegd. [A] heeft de geldigheid van deze opzegging niet betwist. Vervolgens is [eiser] , eveneens nog op 22 oktober 1990, met [B] N.V. overeengekomen dat deze zijn woning zou afbouwen, hetgeen ook is geschied.
2. Verdere, in cassatie vaststaande, bijzonderheden van het onderhavige geval zijn dat [A] en [B] dezelfde directeur/eigenaar hadden ( [betrokkene 1] ) en dat deze namens beide vennootschappen de contacten met [eiser] heeft onderhouden. [betrokkene 1] had bovendien een week vóór de beslagdatum de statutaire doelomschrijving van [B] zodanig gewijzigd dat daaronder voortaan behalve verbouwings- en inrichtingsactiviteiten ook bouwactiviteiten waren begrepen. Vast staat voorts dat het afbouwen van de woning van [eiser] is geschied door dezelfde bouwvakkers met dezelfde gereedschappen en dezelfde bouwmaterialen, alsook dat [A] en [eiser] over en weer geen schadeclaims hebben ingediend terzake van de opzegging van de aannemingsovereenkomst.
3. Op 2 december 1991 heeft het Gerecht in eerste aanleg het beslag van waarde verklaard. Het vonnis is aan [A] betekend. De bank heeft op de voet van de ten deze toepasselijke art. 599-625 (604-613) NARv verklaring gevraagd van [eiser] . [eiser] heeft verklaard dat hij op 22 oktober 1990 nog een bedrag van NAf. 4.399, 30 verschuldigd was aan [A] . Dat bedrag heeft hij aan de bank betaald.
4. Het onderhavige geschil spitst zich toe op de periode na 22 oktober 1990, meer in het bijzonder op de termijnen die [eiser] aan [B] heeft betaald voor de afbouw van zijn woning. De bank heeft zich in eerste aanleg, voorzover nog relevant, op het standpunt gesteld dat de opzegging van de overeenkomst met [A] en het vervolgens in zee gaan met [B] schijnhandelingen waren om de gevolgen van het derdenbeslag te ontlopen. Om die reden claimde de bank afdracht van al hetgeen [eiser] na 22 oktober 1990 heeft betaald aan [A] / [B] / [betrokkene 1] (tussenvonnis Gerecht in eerste aanleg van 12 oktober 1992, r.o. 2). [eiser] heeft ontkend dat sprake was van schijnhandelingen. Het Gerecht in eerste aanleg heeft [eiser] in het gelijk gesteld.
5. In appel heeft de bank niet alleen gesproken over schijnhandelingen, maar ook over vereenzelviging van [A] en [B] , alsmede over onrechtmatige daden van zowel [A] als [eiser] . Zij heeft haar vordering vermeerderd in die zin dat [eiser] verklaring aflegt van wat hij aan [A] èn van wat hij aan [B] verschuldigd was of zou worden. Het hof heeft het verzet van [eiser] tegen deze vermeerdering van eis afgewezen.
6. Het standpunt van de bank was (en is) derhalve dat al hetgeen [eiser] op 22 oktober 1990 verschuldigd was en na die datum verschuldigd is geworden uit hoofde van de bouw van het huis, door het beslag is getroffen. Volgens het hof (r.o. 4 tussenvonnis) gaat dit standpunt alleen op indien hetgeen [eiser] aan [B] is verschuldigd zijn grondslag vindt in de rechtsverhouding van [eiser] met [A] . De bank bepleit, aldus het hof, een dergelijke doorbraak van aansprakelijkheid, stellende dat [A] en [B] moeten worden vereenzelvigd. Het hof merkt dit aan als de centrale vraag van het geding.
7. Bij zijn oordeelsvorming hieromtrent neemt het hof tot uitgangspunt dat rechtspersonen zelfstandig zijn en dat daarom slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding kan bestaan om aan te nemen dat schulden aan de ene rechtspersoon hun grondslag vinden in de rechtsverhouding met een andere rechtspersoon. Vervolgens loopt het hof in r.o. 5 tussenvonnis de bijzonderheden van het onderhavige geval langs - hiervoor in nr. 2 weergegeven - en concludeert daaruit in r.o. 6 tussenvonnis
"dat op de datum van de beslaglegging [eiser] weliswaar in naam een nieuwe overeenkomst aanging met een andere contractspartner, maar in feite dezelfde rechtsverhouding met dezelfde persoon voortzette. "
8. Uit hun voor het Gerecht in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen blijkt dat zowel [eiser] als [betrokkene 1] zich bewust waren van de problemen die het derdenbeslag zou hebben voor de voltooiing van de bouw van het huis: [A] zou vroeg of laat moeten afhaken. Voor [eiser] vormde dit naar eigen zeggen het motief voor zijn handelwijze. Onder deze omstandigheden houdt het hof het ervoor dat [eiser] en [betrokkene 1] geen ander motief hadden dan om te voorkomen dat de nog te vervallen termijnen van de aanneemsom onder het beslag zouden vallen. Het vervolgt dan:
"Het opzeggen van de oude aannemingsovereenkomst en het aangaan van de nieuwe, zijn in die zin als schijnhandelingen aan te merken. Het feit dat aan de opzegging van de oude overeenkomst geen juridische gevolgen zijn verbonden, waarvoor [eiser] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, vormt daarvoor evenzeer een aanwijzing. De wijziging van de statutaire doelomschrijving van [B] één week tevoren duidt op een weloverwogen aktie."
9. Op basis van het voorgaande concludeert het hof in r.o. 7 tussenvonnis dat de door [eiser] aan [B] verschuldigde aanneemsom zijn grondslag vindt in de door [eiser] en [A] aangegane aannemingsovereenkomst en dat [B] en [A] in die zin (mijn curs. JBMV) moeten worden vereenzelvigd. Na een opgave van wat hij aan [B] heeft betaald, veroordeelt het hof [eiser] tot betaling aan de bank van een bedrag van NAf. 125.134, 62, vermeerderd met rente.
10. [eiser] is van het tussen- en eindvonnis van het hof tijdig in cassatie gekomen. Hij heeft een in vier onderdelen verdeeld middel aangevoerd, waarvan het eerste een inleiding bevat en de andere drie uiteenvallen in vele sub(sub) onderdelen. Ik geef kort weer wat ze inhouden. Onderdeel 2 betoogt dat het hof de verkeerde vraag als centraal heeft aangemerkt (hiervoor nr. 6). Volgens het onderdeel gaat het niet om doorbraak of vereenzelviging, maar op zijn best om een, in een andere procedure vast te stellen, extra verhaalsrecht van de bank op [eiser] . Subsidiair, althans ervan uitgaande dat de centrale vraagstelling wèl rechtens relevant is, verwijt onderdeel 3 het hof een onjuist kriterium te hebben aangelegd, althans zijn beslissing onvoldoende te hebben gemotiveerd (hiervoor nr. 7). Onderdeel 4 keert zich tegen de overweging en beslissing van het hof omtrent de schijnhandelingen (hiervoor nr. 8). Bovendien c.q. althans is volgens het onderdeel onbegrijpelijk hoe het oordeel over schijnhandelingen zich verhoudt tot de constructie van de vereenzelviging.
11. De bank heeft tot verwerping geconcludeerd. Beide partijen hebben een schriftelijke toelichting gegeven. Er is gere- en gedupliceerd.
Vooraf
12. Alvorens met de bespreking van het cassatiemiddel te beginnen, wil ik een kanttekening plaatsen bij één aspect van de gang van zaken in deze procedure. Tot drie keer toe heeft de bank in de onderhavige procedure [eiser] verzocht bepaalde stukken in het geding te brengen. Zie het inleidend verzoek, de conclusie van repliek en de memorie van grieven, ad grief 1. [eiser] heeft hieraan niet voldaan. Het procesrecht in Nederland en in de Nederlandse Antillen voorziet niet in de mogelijkheid om hierover formeel een beslissing van de rechter uit te lokken. Procespartijen zijn wat dit betreft volledig afhankelijk van het inzicht en de opstelling van de rechter, zonder dat deze zich behoeft te verantwoorden. Het onderhavige geval laat zien hoe ongelukkig dit kan zijn. Essentiële bescheiden waarover [eiser] mòet hebben beschikt, zijn niet in het geding gekomen. In het bijzonder geldt dit voor de aannemingsovereenkomsten. Zouden deze wel in het geding zijn gebracht, dan zou het debat over de vereenzelviging zich op vastere bodem hebben kunnen afspelen. Bovendien zou dan meer duidelijkheid verkregen zijn over wat tussen [eiser] en [A] was overeengekomen voor het geval [A] de bouw niet zou kunnen voltooien (de garanties waarover de bank in de memorie van grieven sprak). Ik zou het zeer toejuichen indien in het nieuwe procesrecht een formele mogelijkheid voor partijen wordt opgenomen om de wederpartij aan te spreken bepaalde gegevens in het geding te brengen en daarover een beslissing van de rechter uit te lokken.
Bespreking van het cassatiemiddel
13. [eiser] heeft er in zijn schriftelijke toelichting de voorkeur aan gegeven het cassatiemiddel niet op de voet te volgen. Ook ik wil dat niet doen omdat ik vrees dat bij zo'n aanpak de problematiek gemakkelijk wordt stukgeslagen op de veelheid van klachten. Ik probeer de kern er uit te lichten. Die wordt mijns inziens gevormd door de afweging van de rechten en belangen van de derde-beslagene tegen die van de beslaglegger, in casu [eiser] resp. de bank. [eiser] heeft volkomen gelijk als hij zegt dat hij niet gehouden is om tegen zijn eigen rechten en belangen in ervoor te zorgen dat het derdenbeslag van de bank tot een succes wordt (zie voor dit standpunt onder meer s.t., p. 7-9). Algemeen geformuleerd: zodra onder een opdrachtgever derdenbeslag ten laste van de aannemer wordt gelegd, kan deze vermoeden dat dit de afbouw van zijn huis zal vertragen dan wel zelfs zal verhinderen. De derde-beslagene zal immers de termijnen van de aanneemsom aan de beslaglegger in plaats van aan de aannemer moeten betalen met als gevolg dat de aannemer vaak/mogelijk geen geld meer heeft om de materialen te kopen die nodig zijn voor de verdere afbouw van het huis. De bouw zal dan stil komen te liggen en dat is niet in het belang van de derde-beslagene. Overigens ook niet in dat van de beslaglegger, want als de bouw stilligt, vervallen geen termijnen en levert het derdenbeslag niets meer op.
14. In een dergelijke situatie staat het mijns inziens de derde-beslagene in beginsel vrij zijn contract met de aannemer te beëindigen om met een ander verder te gaan. Voorwaarde is wel dat hij dit doet binnen de grenzen van de wet en de aannemingsovereenkomst. Hij heeft vier mogelijkheden om zich tegen eventualiteiten te wapenen.
a. Hij kan de betaling van de termijnen aan de nieuwe aannemer opschorten indien hij bijvoorbeeld (achteraf) toch niet zeker is of het beslag kleeft (art. 6:37 BW en HR 5 april 1994, RvdW 1994, 93 inzake Roham/McGregor);
b. Betaling van de termijnen aan de verkeerde werkt bevrijdend indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger van de betaling als schuldeiser of anderszins gerechtigd was tot de prestatie (art. 6:34 BW en Asser-Hartkamp, 4 I, 1992, nr. 211-222);
c. Ten onrechte betalen onder druk van een beslag aan de beslaglegger geeft het recht tot een vordering uit onverschuldigde betaling (HR 22 april 1983, NJ 1984, 726 inzake Delta Lloyd/Ontvanger en Asser-Hartkamp 4 III, 1994, nr. 330);
d. In geval van contracts- of schuldovername kan de opdrachtgever (derde-beslagene) aan zijn medewerking resp. toestemming voorwaarden verbinden, bijvoorbeeld tot vrijwaring indien achteraf blijkt dat hij niet aan de nieuwe aannemer, maar aan de beslaglegger had moeten betalen (thans art. 6:159 en art. 6:155 BW) .
15. Ik zal niet beweren dat een opdrachtgever onder wie derdenbeslag wordt gelegd en die een situatie vreest als hier-oor in nr. 13 beschreven, altijd in een zodanige positie verkeert dat hij van een nieuwe aannemer veel garanties kan eisen terzake van de betaling aan de juiste persoon van de nog te vervallen termijnen, maar hij is zeker niet machteloos. Bovendien: indien de nieuwe aannemer geen (voor de derde- beslagene kenbare) banden heeft met de vorige en de beëindiging van de oude aannemingsovereenkomst heeft plaatsgevonden binnen de grenzen van wet en overeenkomst, is het risico dat het beslag desondanks kleeft (en de derde dus aan de verkeerde betaalt) mijns inziens niet groot.
16. Met de verwijzing naar de banden tussen de oude en de nieuwe aannemer is het trefwoord gevallen. Doet zich die situatie voor en is zij voor de derde-beslagene kenbaar, dan dient hij op zijn qui vive te zijn en zich op één van de vier geschetste wijzen te wapenen tegen mogelijke samenspanning van beide aannemers ter verkorting van de rechten van de beslaglegger. Vaak zal de band niet kenbaar zijn, althans niet tot argwaan bij de derde-beslagene behoeven te leiden. Dan is er voor hem in beginsel geen probleem, zelfs niet indien achteraf geoordeeld wordt dat het beslag, anders dan hij dacht, toch kleeft ten aanzien van de aan de nieuwe aannemer verschuldigde termijnen: hij kan zich dan immers op de bevrijdende betaling van art. 6:34 BW beroepen.
17. Het onderhavige geval ligt veel scherper. De nieuwe aannemer is weliswaar een nieuwe rechtspersoon, maar een die vele en nauwe banden heeft met de oude: dezelfde directeur1.die de contacten met [eiser] bleef onderhouden, dezelfde bouwvakkers en dezelfde materialen, terwijl ook de directievoering over de bouw van de woning en de goedkeuring van de declaraties bij dezelfde onderneming ( [C] ) bleef als voorheen. In die onderneming had de echtgenote van [betrokkene 1] het voor het zeggen. Hierbij komt nog het afzien van claims tussen [A] en [eiser] terzake van het opzeggen door de laatste van de overeenkomst, alsmede de statutenwijziging door [betrokkene 1] van [B] N.V., net een week vóór het beslag zodat deze vennootschap ook bouwactiviteiten van de soort die aan de woning van [eiser] moesten worden verricht, als doelstelling ging omvatten.
18. Veel van wat ik hiervoor heb genoemd, was bij [eiser] bekend. Waarschijnlijk niet alles, maar in de onderhavige verklaringsprocedure kan dit in het midden blijven, omdat hierin niet aan de orde is of [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld of dat hij al of niet bevrijdend aan [B] heeft betaald.
Zo de eventuele onrechtmatigheid in een verklaringsprocedure al aan de orde gesteld kan worden. Ik meen mèt [eiser] (onder meer s.t., p. 9-10 en 14-15) van niet. Wat betreft het bevrijdend betalen zou dit in beginsel wel kunnen, maar dienaangaande geldt dat [eiser] er zich niet op beroepen heeft.
Anders dan bij een procedure op een van die grondslagen is het in een verklaringsprocedure niet relevant of de derde-beslagene van de vereenzelviging op de hoogte was of behoorde te zijn.
19. In het onderhavige geval gaat het alleen om de vraag of het derdenbeslag van de bank onder [eiser] ten laste van [A] ook omvat hetgeen [eiser] aan de nieuwe aannemer [B] verschuldigd was of is geworden. Dienaangaande ben ik het met het hof eens dat indien [A] en [B] vereenzelvigd kunnen worden, de vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Gelet op r.o. 4 jo 7 tussenvonnis hof ligt daarop de nadruk en niet op de doorbraak-gedachte. Aan de beslissing van het hof doet niet af dat geen beslag ten laste van [B] is verzocht, gelegd of van waarde verklaard. Het kenmerk van vereenzelviging is immers juist dat de te vereenzelvigen rechtspersonen inwisselbaar zijn, althans in casu voorzover het betreft de positie als aannemer van de voor [eiser] te bouwen woning in het kader van een verklaringsprocedure uit hoofde van een derdenbeslag. Terecht heeft het hof deze beperking van de reikwijdte van zijn beslissing omtrent de vereenzelviging ook benadrukt door in r.o. 7 tussenvonnis te spreken over "in die zin".
20. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel stuit op het voorgaande in zijn geheel af. Meer in het bijzonder missen de sub(sub)onderdelen 2.2 tot en met 2.3.5 feitelijke grondslag omdat ze veronderstellen dat de beslissing van het hof steunt op een onrechtmatige daad of op een Paulianeuze handeling van [eiser] , hetgeen niet het geval is. Subonderdeel 2.1 faalt omdat het hof niet heeft bedoeld dat het beslag ten laste van [A] wordt uitgebreid met of wordt omgezet in een beslag ten laste van [B] , maar uitsluitend dat in de uit het ten laste [A] gelegde beslag voortvloeiende verklaringsprocedure, [eiser] ook moet verklaren wat hij voor [B] onder zich heeft of zal krijgen, indien sprake is van vereenzelviging van beide vennootschappen.
21. Ik meen voorts dat het hof bij de invulling van de maatstaf voor vereenzelviging - hetgeen [eiser] verschuldigd is aan [B] moet zijn grondslag vinden in de rechtsverhouding van [eiser] met [A] - geen blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting, ook al is deze niet of nauwelijks in bestaande rechtspraak en literatuur terug te vinden. Dat komt evenwel omdat vereenzelvigingsvragen tot nu toe (vrijwel) niet zijn toegespitst op de situatie van een verklaringsprocedure na derdenbeslag. Het meest vergelijkbaar is nog Hof Den Haag 21 mei 1980, NJ 1981, 18. In HR 11 juni 1993, NJ 1993, 563 (Hemapave/Ontvanger) speelde de kwestie wel in de feitelijke instanties, maar niet meer in cassatie. HR 4 oktober 1991, NJ 1992, 247 (Deniz/Glorywave) betrof het geval van een beslag onder een vennootschap terzake van haar pretense, op vereenzelviging gebaseerde aansprakelijkheid voor de schulden van met haar verbonden vennootschappen. De Hoge Raad heeft dit afgewezen. In HR 24 juni 1994, RvdW 1994, 139 (Mercantiel/Van der Meer) heeft hij in een geschil over een onverdeelde nalatenschap geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat iemand bestuurder en meerderheidsaandeelhouder is van een vennootschap nog geen grond voor vereenzelviging oplevert.
22. Zie meer in het algemeen over vereenzelviging het preadvies van Roelvink, NJV 1977, p. 84 jo 138-148 en over doorbraak p. 84 jo 149-162, met vervolg in o.m. de Maeijer-bundel, 1988, p. 217-226. Van vereenzelviging is sprake wanneer aan de afzonderlijke identiteit van de rechtspersoon moet worden voorbijgegaan. Daaraan bestaat behoefte, aldus Roelvink, t.a.p. 1977, p. 138, indien "de afzonderlijke identiteit van de rechtspersoon of de regel van exclusieve aansprakelijkheid het bereiken van een billijk resultaat schijnt te verhinderen." Niet nodig is dat het gevallen van misbruik van rechtspersoonlijkheid betreft. Zie ook zijn bijdrage aan de Maeijer-bundel, 1988, p. 217, waarin hij vereenzelviging afgrenst van doorbraak van aansprakelijkheid. In de dissertatie van Houwen, Schoonbrood-Wessels en Schreurs, Aansprakelijkheid in concernverhoudingen, 1993, p. 880-893 worden beide begrippen samengevat onder de term "buitenwettelijke doorbraak van aansprakelijkheid". Over vereenzelviging wordt, met veel verdere verwijzingen, geschreven op p. 882 en 889-893.
23. In het onderhavige geval heeft het hof niet miskend dat ook in het kader van een derdenbeslag slechts onder zeer· bijzondere omstandigheden sprake kan zijn van vereenzelviging. Zijn oordeel dat in casu de omstandigheden (hiervoor in nr. 17 weergegeven) zo bijzonder zijn dat aan de maatstaf is voldaan, acht ik allerminst onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en voor het overige aan toetsing in cassatie onttrokken. Derhalve faalt subonderdeel 3.2.2. Ook de onderdelen 3.1 en 3.2 jo 3.2.1 falen omdat het hof met de term grondslag gedoeld heeft op het kriterium voor derdenbeslag op toekomstige vorderingen. Subonderdeel 3.2.3 loopt vooruit op onderdeel 4, maar behoeft evenmin als dit onderdeel bespreking, hetzij omdat het oordeel over de schijnhandelingen een tweede zelfstandige grond vormt, die ook indien deze in cassatie met succes wordt bestreden, niet tot vernietiging kan leiden omdat de eerste grond (de vereenzelviging) standhoudt, hetzij omdat in de vereenzelviging ligt besloten dat feitelijk en juridisch voor [eiser] de wederpartij bij de aannemingsovereenkomst tot het bouwen van zijn huis nadat hij de overeenkomst met [A] had opgezegd en in zee was gegaan met [B] , dezelfde bleef.
24. Alles overziend meen ik dat ook het resultaat van de beslissing van het hof wenselijk is. Ik zou het althans zeer betreuren indien de constructie die in het onderhavige geval is toegepast, rechtens zou worden gehonoreerd en de beslaglegger verplicht zou zijn de derde-beslagene afzonderlijk in rechte aan te spreken uit onrechtmatige daad. Natuurlijk zijn de druiven zuur voor [eiser] die nu moet proberen zijn geld terug te krijgen van [B] , maar als gezegd in nr. 14 en 15 had hij zijn, op zichzelf begrijpelijke en rechtvaardige belangen bij een snelle voltooiing van zijn woning, anders moeten en kunnen behartigen.
25. Hoewel niet rechtstreeks op de onderhavige zaak toepasselijk, wijs ik nog op de recente uitspraak over derdenbeslag van HR 24 maart 1995, RvdW 1995, 79C (Jahn c.s./Nask) waarin is beslist dat zelfs een beslag onder de lasthebber in bepaalde omstandigheden kleeft indien betaald is aan de onderlasthebber en het geld zich nog in diens vermogen bevindt. Voorts wijs ik op de zaak rolnummer 15.708 inzake Culimer/Smokehouse, waarin ik op 7 april j.1. conclusie heb genomen. In die zaak was aan de orde een "opzetje" van twee partijen ter verkrijging van een object voor derdenbeslag. In cassatie gaat het over de vraag of dit "opzetje" rechtens door de beugel kan. Zie over derdenbeslag ook zaak rolnummer 15.719 inzake FMN/Prêt-à-porter, waarin op 28 april j.1. conclusie is genomen en waarin aan de orde was, kort gezegd, de vraag of door middel van obligatoire afspraken tussen enkele crediteuren de mogelijkheden tot derdenbeslag van andere crediteuren voor de toekomst kunnen worden verhinderd.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
( Advocaat-Generaal )
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑05‑1995