Dit is gesteld door Euribrid (memorie van grieven p. 41), doch betwist door de bank (conclusie van dupliek p. 40 en memorie van antwoord p. 43).
HR, 24-03-1995, nr. 15622
ECLI:NL:HR:1995:ZC1680
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-03-1995
- Zaaknummer
15622
- LJN
ZC1680
- Roepnaam
Crediteurenbelangen Hollander's/Rabo Domburg
Hollander’s Kuikenbroederij
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1995:ZC1680, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 24‑03‑1995; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1995:11
ECLI:NL:PHR:1995:11, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑01‑1995
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1995:ZC1680
- Vindplaatsen
NJ 1996, 158 met annotatie van W.M. Kleijn
AA19950705 met annotatie van J. Hijma
RV 2014/78 met annotatie van prof. mr. S.E. Bartels, mr. A.J. van der Lely, prof. mr. A.I.M. van Mierlo
JOR 2021/107 met annotatie van
Uitspraak 24‑03‑1995
Inhoudsindicatie
Goederenrecht. Kuikenbroederij levert bij voorbaat toekomstig goed (kuikens/hennen) aan achtereenvolgens bank en voeder-en broedeierenleveranciers, welke laatste zich de eigendom van de eieren heeft voorbehouden. Na faillissement verkoopt bank hennen. Welke levering bij voorbaat prevaleert? Omvang eigendomsvoorbehoud. Zaaksvorming. Vruchttrekking. Voorrecht vordering tot behoud van een goed voederleveranciers. Latere levering heeft geen werking tegen eerdere verkrijger in geval van wilswijziging vervreemder m.b.t. houderschap. Dat kan anders zijn indien degene die roerende zaken ingevolge een eerdere levering bij voorbaat in beginsel zou verkrijgen, met de vervreemder is overeengekomen dat deze de vrijheid heeft zich eenzijdig te onttrekken aan de verplichting om de zaken voor eerstgenoemde te gaan houden. Niet blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting is het oordeel dat eieren en kuikens/hennen verschillende zaken zijn omdat een kuiken door het ei te verlaten een zodanige gedaantewisseling ondergaat dat een zaak ontstaat die naar verkeersopvattingen een eigen, van die van de oorspronkelijke zaak te onderscheiden, identiteit heeft. Dit geldt evenzeer voor het oordeel dat de behandeling van de eieren door de kuikenbroederij als een vorming voor zichzelf van nieuwe zaken, te weten de kuikens, moet worden aangemerkt en dat de kuikenbroederij daardoor eigenaar van de kuikens is geworden. Het oordeel van het hof, dat de kuikens die zijn geboren uit eieren die zijn afgeleverd aan de kuikenbroederij en daar in het kader van de bedrijfsvoering kunstmatig zijn uitgebroed, naar verkeersopvatting niet als vruchten kunnen worden aangemerkt van de kippen die de eieren hebben gelegd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
24 maart 1995
Eerste Kamer
Nr. 15.622
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting STICHTING CREDITEURENBELANGEN HOLLANDER'S ,
gevestigd te 's-Gravenhage ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr R.S. Meijer,
t e g e n
de rechtspersoonlijkheid bezittende coöperatieve vereniging COÖPERATIEVE RAIFFEISSENBANK "DOMBURG " B.A.,
gevestigd te Domburg ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr A.W. Kist.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Stichting - heeft bij exploit van 22 april 1986 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de Rechtbank te Middelburg en gevorderd de Bank te veroordelen om aan de Stichting te betalen een bedrag van f 6.456.711,04, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 1985, althans vanaf de eerste rechtens mogelijke datum, doch in ieder geval vanaf de dag van de dagvaarding.
Nadat de Bank tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 7 december 1988 de Stichting voor een deel niet ontvankelijk verklaard in haar vordering en de vordering voor het overige ontzegd.
Tegen dit vonnis heeft de Stichting hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Bank heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 16 december 1993 heeft het Hof in het principale en incidentele hoger beroep het bestreden vonnis vernietigd voor zover de Stichting niet ontvankelijk is verklaard. Opnieuw rechtdoende heeft het Hof de vorderingen van de Stichting ontzegd voor zover zij daarin door de Rechtbank niet ontvankelijk was verklaard. Voor het overige heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de Stichting beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de stichting mede door mr T.H. Tanja-van den Broek, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 29 mei 1985 zijn Hollander's Kuikenbroederij en opfokbedrijven B.V. (verder: Hollander's Kuikenbroederij ) en Hollander's Pluimvee B.V. beide gevestigd te Oostkapelle , in staat van faillissement verklaard.
(ii) De activiteiten van Hollander's Kuikenbroederij bestonden uit het uitbroeden van broedeieren (waarmee telkens ongeveer 3 weken waren gemoeid) en het door een aantal opfokbedrijven voor rekening en risico van Hollander's Kuikenbroederij laten opfokken van de ééndagskuikens tot leghennen. Een klein gedeelte van de opfok vond plaats in de bedrijven van Hollander's Kuikenbroederij en Hollander's Pluimvee B.V. De opfokkers ontvingen een vooraf afgesproken opfokvergoeding. Hollander's Kuikenbroederij verkocht de hennen als leghennen na een opfokperiode van ongeveer 18 weken.
(iii) In het algemeen betaalde Hollander's Kuikenbroederij de leveranciers bij wie zij de voor de opfok benodigde eieren en het voor de opfok benodigde voer had gekocht, pas na verkoop van de hennen.
(iv) Bij akte van 9 augustus 1978, met de aanhef "vrije pluimveefinancieringsregeling", heeft de Bank aan Hollander's Kuikenbroederij crediet in rekening-courant verstrekt tot een bedrag van ten hoogste f 1.400.000,— voor de financiering van pluimvee.
(v) De onder (iv) genoemde akte hield onder meer in:
"II. EIGENDOMSOVERDRACHT VAN PLUIMVEE
Tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar boeken, (...), van de kredietnemer te vorderen heeft of te eniger tijd te vorderen mocht krijgen:
op de eerste plaats terzake van bovenvermeld krediet in rekening-courant;
op de tweede plaats uit welken anderen hoofde ook, verklaart de kredietnemer in eigendom over te dragen aan de bank , welke verklaart in eigendom aan te nemen al het pluimvee, hetwelk deel uitmaakt en alsnog deel zal gaan uitmaken van zijn bedrijf c.q. zijn bedrijven, verder in deze akte aangeduid als bedrijf, en in het kader van de onderhavige regeling worden en zullen worden gefinancierd.
De levering van het pluimvee, hetwelk op heden deel uitmaakt van het bedrijf van de kredietnemer heeft plaatsgehad doordat de kredietnemer het pluimvee vanaf heden voor de bank als eigenares is gaan houden met de bevoegdheid het pluimvee als bruiklener te gebruiken.
De levering van het pluimvee, hetwelk in de toekomst deel zal gaan uitmaken van het bedrijf van de kredietnemer zal geschieden doordat de kredietnemer het pluimvee vanaf het ogenblik waarop het pluimvee deel gaat uitmaken van het bedrijf van de kredietnemer voor de bank als eigenares zal gaan houden met de bevoegdheid het pluimvee als bruiklener te gebruiken, zullende de wil tot het voor de bank als eigenares gaan houden van het pluimvee met evenomschreven bevoegdheid tot gebruik, blijken uit het enkele feit van toevoeging door de kredietnemer aan zijn bedrijf.''
(vi) Hollander's Kuikenbroederij heeft in de periode van 1982 tot 1985 een aantal malen, bij akte, bestaande en toekomstige voorraden hennen, in één geval alleen de - toen - bestaande voorraad, tot zekerheid overgedragen aan de voederleveranciers en aan de leverancier van broedeieren Euribrid (verder: Euribrid ).
(vii) Euribrid heeft zich bij overeenkomst met Hollander's Kuikenbroederij de eigendom van door haar afgeleverde eieren voorbehouden.
(viii) Zeven voederleveranciers en Euribrid B.V. hadden op de datum van de faillietverklaring ter zake van leveranties vorderingen op Hollander's Kuikenbroederij gezamenlijk tot een bedrag van f 6.456.711,04.
(ix) De onder (viii) bedoelde vorderingen zijn aan de Stichting overgedragen.
(x) De Bank heeft in de periode van 29 mei tot en met 14 juni 1985, met toestemming van de curatoren van Hollander's Kuikenbroederij , hennen verkocht.
3.2 De Stichting heeft gevorderd de Bank te veroordelen tot betaling van het onder (viii) genoemde bedrag. Zij heeft deze vordering doen steunen op een aantal grondslagen, door de Rechtbank in haar weergave daarvan, op het voetspoor van de inleidende dagvaarding, aangeduid met de letters A tot en met M. De Rechtbank heeft de Stichting niet ontvankelijk verklaard voor zover haar vordering steunde op de grondslagen K en M, en de vordering voor het overige ontzegd. In appel heeft het Hof haar vonnis vernietigd voor zover de stichting daarbij niet ontvankelijk was verklaard, maar ook de grondslagen K en M ondeugdelijk bevonden. Ook de overige grondslagen oordeelde het Hof ondeugdelijk. Het middel van de stichting stelt in cassatie opnieuw de grondslagen E, H en K aan de orde.
3.3.1 Onderdeel 1 van het middel, dat uit twee subonderdelen bestaat, is gericht tegen de rov. 16 en 17 van het Hof. Daarin bespreekt het Hof grondslag E, te weten de stelling van de Stichting , samengevat weergegeven, dat de levering bij voorbaat van pluimvee aan de leveranciers werkt tegen de Bank omdat Hollander's Kuikenbroederij op het tijdstip van de geboorte van de hennen, in afwijking van hetgeen zij met de Bank was overeengekomen, de hennen wilde gaan houden voor de leveranciers. Het Hof heeft die stelling verworpen. Hetgeen het Hof daartoe heeft overwogen kan aldus worden weergegeven dat ook al zou moeten worden aangenomen dat Hollander's Kuikenbroederij haar wil ten aanzien van de overdracht tot zekerheid zou hebben gewijzigd, deze wilswijziging niet relevant is nu Hollander's Kuikenbroederij door het enkele feit van de geboorte van de hennen geacht wordt de hennen voor de Bank te hebben willen gaan houden omdat Hollander's Kuikenbroederij zich daartoe bij de akte van 9 augustus 1978 uitdrukkelijk jegens de Bank had verbonden en niet gesteld of gebleken is dat Hollander's Kuikenbroederij en de Bank anderszins zijn overeengekomen.
3.3.2 Subonderdeel 1.1 voert daartegen aan dat het Hof heeft miskend dat Hollander's Kuikenbroederij zich bij de in 3.1 onder (iv) en (v) bedoelde akte slechts obligatoir heeft verbonden tot levering van het toekomstige pluimvee vanaf het ogenblik waarop het pluimvee deel gaat uitmaken van het bedrijf.
Het subonderdeel faalt. Het Hof heeft hetgeen de Bank en Hollander's Kuikenbroederij bij de meergenoemde akte zijn overeengekomen kennelijk aldus uitgelegd dat Hollander's Kuikenbroederij de hennen die - bij de geboorte daarvan - deel zouden gaan uitmaken van haar bedrijf, als toekomstige zaken bij voorbaat aan de Bank had geleverd. Dit oordeel is, in het licht van de inhoud van de akte, niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
3.3.3 Subonderdeel 1.2 bestrijdt als onjuist 's Hofs hiervoor onder 3.3.1 weergegeven oordeel dat wilswijziging van Hollander's Kuikenbroederij ten aanzien van de overdracht tot zekerheid niet relevant is.
Het subonderdeel faalt. Ook naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht, dat te dezen toepasselijk is, werkt de levering van een toekomstig goed bij voorbaat niet tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij voorbaat heeft verkregen. Zulks geldt met betrekking tot roerende zaken ook indien de vervreemder de bij voorbaat geleverde roerende zaken, op het tijdstip waarop hij deze onder zich krijgt, wil gaan houden voor een ander. Dat kan anders zijn indien degene die roerende zaken ingevolge een eerdere levering bij voorbaat in beginsel zou verkrijgen, met de vervreemder is overeengekomen dat deze de vrijheid heeft zich eenzijdig te onttrekken aan de verplichting om de zaken voor eerst genoemde te gaan houden. Het Hof heeft echter vastgesteld dat niet is gesteld of gebleken dat de Bank en Hollander's Kuikenbroederij zodanige overeenkomst hebben gesloten.
3.4.1 Onderdeel 2 van het middel heeft betrekking op grondslag H, het eigendomsvoorbehoud van Euribrid .
De subonderdelen 2.1 en 2.2, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, keren zich tegen 's Hofs oordeel in rov. 22 dat aldus kan worden weergegeven dat eieren en kuikens/hennen verschillende zaken zijn omdat een kuiken door het ei te verlaten een zodanige gedaantewisseling ondergaat dat een zaak ontstaat die naar verkeersopvattingen een eigen, van die van de oorspronkelijke zaak te onderscheiden, identiteit heeft. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarop stuiten de subonderdelen af.
3.4.2 Subonderdeel 2.3 klaagt in de eerste plaats dat 's Hofs hiervoor onder 3.4.1 weergegeven oordeel niet in overeenstemming is met de verkeersopvattingen. Deze klacht stuit eveneens af op hetgeen onder 3.4.1 is overwogen.
3.4.3 Onderdeel 2.3 klaagt voorts, samengevat weergegeven, dat uit 's Hofs oordeel niet blijkt waarom en hoe Euribrid , aan wie de eieren ingevolge het eigendomsvoorbehoud toebehoorden, de eigendom van de kuikens heeft verloren.
Ook deze klacht faalt. Het gaat in het onderhavige geval om broedeieren die door Euribrid aan Hollander's Kuikenbroederij zijn afgeleverd. Voor de ontwikkeling van de zich daarin bevindende embryo's tot kuikens was een broedproces nodig. Door de aflevering van de eieren heeft Euribrid Hollander's Kuikenbroederij in staat gesteld de eieren bedrijfsmatig, in een gemechaniseerd proces, te doen uitbroeden. Het Hof heeft kennelijk aangenomen dat de behandeling van de eieren door Hollander's Kuikenbroederij als een vorming voor zichzelf van nieuwe zaken, te weten de kuikens, moet worden aangemerkt en dat Hollander's Kuikenbroederij daardoor eigenaar van de kuikens is geworden. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken waaruit naar voren komt dat voor het kunstmatig uitbroeden van eieren gedurende een periode van omstreeks drie weken een reeks van handelingen is vereist, te weten - onder meer - door de eieren in een of meer broedinstallaties te plaatsen, en daarin het natuurlijke broedproces na te bootsen door de eieren regelmatig van positie te veranderen en voorts door zorgvuldig de juiste temperatuur en vochtigheidsgraad in de broedinstallatie te bewaren.
3.4.4 De eerste in subonderdeel 2.4 vervatte klacht kan aldus worden weergegeven dat het Hof niet heeft beslist op de stelling van de Stichting dat Euribrid eigenaar was van de kippen die de door haar aan Hollander’s Kuikenbroederij afgeleverde broedeieren hadden gelegd, zodat Euribrid ook eigenaar werd van de uit die eieren geboren kuikens, die immers de natuurlijke vruchten zijn van die kippen.
Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Ook naar het voor 1 januari 1992 geldende recht dient, in zoverre in overeenstemming met art. 3:9 BW, aan de hand van de verkeersopvattingen te worden beoordeeld welke zaken als natuurlijke vruchten van andere zaken worden aangemerkt. In ‘s Hofs hiervoor onder 3.4.1 weergegeven oordeel ligt besloten dat de kuikens die zijn geboren uit eieren die zijn afgeleverd aan Hollander’s Kuikenbroederij en daar in het kader van haar bedrijfsvoering kunstmatig zijn uitgebroed, naar verkeersopvatting niet als vruchten kunnen worden aangemerkt van de kippen die de eieren hebben gelegd. Uit dat oordeel - dat niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft - volgt dat het Hof de hier bedoelde stelling niet in het midden heeft gelaten, maar heeft verworpen.
3.4.5 Onderdeel 2.4 klaagt in de tweede plaats dat het Hof niet heeft beslist op de stelling van de Stichting , kort weergegeven, dat een kuiken voordat het het ei heeft verlaten bestanddeel is van het ei en mitsdien toebehoort aan de eigenaar van het ei, ook nadat het het ei heeft verlaten.
Ook deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. In ‘s Hofs hiervoor onder 3.4.1 weergegeven oordeel ligt besloten dat het Hof de hier bedoelde stelling eveneens heeft verworpen.
3.4.6 De onderdelen 2.5 en 2.6 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij zijn gericht tegen oordelen van het Hof die zijn beslissing niet dragen, en kunnen daarom niet tot cassatie leiden.
3.5.1 Onderdeel 3, dat uit drie subonderdelen bestaat, heeft betrekking op grondslag K, het beroep op het voorrecht van art. 1185, aanhef en onder 4 (oud) BW, voor wat betreft de vorderingen van de voederleveranciers. Het Hof heeft deze grondslag besproken in zijn rov. 25. Daarin oordeelt het Hof in de eerste plaats, kort samengevat, dat de vorderingen van de leveranciers ter zake van aan Hollander’s Kuikenbroederij geleverd voer voor de kuikens geen vorderingen zijn tot betaling van kosten tot behoud als bedoeld in art. 1185, aanhef en onder 4 (oud).
Subonderdeel 3.1 strekt ten betoge dat het hier bedoelde voer heeft gestrekt tot het behoud van de kuikens en de hennen omdat zij zonder het voedsel zouden zijn gestorven. Het subonderdeel faalt. Het voorrecht verbonden aan een vordering tot voldoening van kosten tot behoud zoals bedoeld in art. 1185, aanhef en onder 4 (oud), stemt in zoverre overeen met het in art. 3:284 lid 1 BW bedoelde voorrecht dat het begrip ‘kosten tot behoud’ beperkt moet worden opgevat. Zoals ook naar voren komt uit de Beantwoording van de vragen opgenomen in de lijst die de Vaste Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer met het oog op de tweede termijn van de afhandeling van de uitgebreide commissievergadering over het wetsvoorstel Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 NBW heeft opgesteld, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1388, vallen onder het begrip kosten tot behoud van een zaak, slechts de kosten die zijn gemaakt om de zaak in fysieke zin voor teniet gaan te behoeden. Daaronder zijn niet begrepen kosten voor onderhoud. Mede omdat, ook al gezien de rang van dit voorrecht, bezwaarlijk valt te aanvaarden dat het van toepassing zou zijn op alle vorderingen tot betaling van de koopprijs uit zulke veel voorkomende overeenkomsten als die tot levering van hetgeen nodig is voor het houden dan wel kweken of fokken van planten en dieren moet, voor wat betreft veevoeder uit voormelde passage worden afgeleid dat - onverschillig of het gaat om voer dat slechts tot voedsel, dan wel om voer dat mede tot opkweken dient - de kosten daarvan in de regel niet kunnen worden aangemerkt als “kosten, tot behoud van een goed gemaakt”. Dat zal slechts anders zijn onder bijzondere omstandigheden welke ertoe hebben geleid dat het voer is moeten worden aangeschaft ter onmiddellijke afwending van levensgevaar voor de betrokken dieren. Dergelijke omstandigheden zijn in dit geding evenwel gesteld noch gebleken. De vordering ter zake van de levering van het voer is daarom niet als vordering tot voldoening van kosten tot behoud bevoorrecht. ’s Hofs door het subonderdeel bestreden oordeel is derhalve juist, wat er zij van de ervoor gegeven motivering.
3.5.2 Nu, zoals onder 3.5.1 is overwogen, de vordering ter zake van de levering van voer voor de kuikens en de hennen niet als vordering tot voldoening van kosten tot behoud bevoorrecht is, kunnen de overige subonderdelen van onderdeel 3 bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op f 7.057,20 aan verschotten en f 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 24 maart 1995.
Conclusie 27‑01‑1995
Inhoudsindicatie
Goederenrecht. Kuikenbroederij levert bij voorbaat toekomstig goed (kuikens/hennen) aan achtereenvolgens bank en voeder-en broedeierenleveranciers, welke laatste zich de eigendom van de eieren heeft voorbehouden. Na faillissement verkoopt bank hennen. Welke levering bij voorbaat prevaleert? Omvang eigendomsvoorbehoud. Zaaksvorming. Vruchttrekking. Voorrecht vordering tot behoud van een goed voederleveranciers. Latere levering heeft geen werking tegen eerdere verkrijger in geval van wilswijziging vervreemder m.b.t. houderschap. Dat kan anders zijn indien degene die roerende zaken ingevolge een eerdere levering bij voorbaat in beginsel zou verkrijgen, met de vervreemder is overeengekomen dat deze de vrijheid heeft zich eenzijdig te onttrekken aan de verplichting om de zaken voor eerstgenoemde te gaan houden. Niet blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting is het oordeel dat eieren en kuikens/hennen verschillende zaken zijn omdat een kuiken door het ei te verlaten een zodanige gedaantewisseling ondergaat dat een zaak ontstaat die naar verkeersopvattingen een eigen, van die van de oorspronkelijke zaak te onderscheiden, identiteit heeft. Dit geldt evenzeer voor het oordeel dat de behandeling van de eieren door de kuikenbroederij als een vorming voor zichzelf van nieuwe zaken, te weten de kuikens, moet worden aangemerkt en dat de kuikenbroederij daardoor eigenaar van de kuikens is geworden. Het oordeel van het hof, dat de kuikens die zijn geboren uit eieren die zijn afgeleverd aan de kuikenbroederij en daar in het kader van de bedrijfsvoering kunstmatig zijn uitgebroed, naar verkeersopvatting niet als vruchten kunnen worden aangemerkt van de kippen die de eieren hebben gelegd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
nr. 15622zitting 27 januari 1995
Mr. Hartkamp
Conclusie inzake
Stichting Crediteurenbelangen Hollander's
tegen
Coöperatieve Raiffeissenbank "Domburg" B.A.
Edelhoogachtbaar College,
De inzet van het geding
1) Voor de in dit geding vaststaande feiten verwijs ik naar het vonnis van de rechtbank te Middelburg van 7 dec. 1988, r.o. 2, waarvan ook het hof is uitgegaan. Het gaat kort gezegd om het volgende.
Ten tijde van het faillissement in 1985 van Hollander's Kuikenbroederij en Opfokbedrijven BV en Hollander's Pluimvee BV, welke bedrijven broedeieren uitbroedden en de daaruit voortgekomen kuikens opfokten (of door andere bedrijven deden opfokken), bleven een aantal leveranciers van veevoer en een leverancier van broedeieren met onbetaalde vorderingen van ruim 6 miljoen gulden achter, die zij cedeerden aan de eiseres tot cassatie ( de stichting ).
De leveranciers pretendeerden rechten op de in het bedrijf aanwezige hennen en kwamen aldus in botsing met de Rabobank Domburg , verweerster in cassatie, aan wie Hollander's tot zekerheid van een krediet in rekening-courant bij voorbaat al het pluimvee dat deel uitmaakte of zou gaan uitmaken van haar bedrijf tot zekerheid had overgedragen.
2) Van de dertien grondslagen van de oorspronkelijke vordering van de stichting tegen de bank zijn er in cassatie nog slechts enkele van belang:
- de bank zou geen eigendom van de bij voorbaat geleverde hennen hebben verkregen omdat Hollander 's deze nadien eveneens bij voorbaat aan de leveranciers had overgedragen en aldus haar wil om de hennen voor de bank te gaan houden had gewijzigd;
- het eigendomsvoorbehoud van de leverancier van de broedeieren zou zich uitstrekken over de uit de eieren voortgekomen kuikens, zodat deze niet geldig aan de bank konden zijn overgedragen; of de leverancier van de eieren zou als eigenaar van de kippen tevens eigenaar zijn geworden van de kuikens; en
- de leveranciers van het veevoer zouden een behoudsprivilege hebben met een hogere voorrang dan de zekerheidseigendom van de bank .
3) De vordering van de stichting is zowel door de rechtbank als door het hof afgewezen. Op de beslissingen van het hof zal hierna voor zoveel nodig worden ingegaan.
Tegen 's hofs arrest is de stichting tijdig in cassatie gekomen met een cassatiemiddel dat bestaat uit drie onderdelen, die de sub 2 vermelde punten aan de orde stellen. Partijen hebben de zaak schriftelijk doen toelichten en hebben gere- en dupliceerd.
Bespreking van het cassatiemiddel
4) Subonderdeel 1.1, gericht tegen r.o. 16 en 17, voert aan dat Hollander's en de bank bij de akte van 9 augustus 1978 geen levering bij voorbaat van het toekomstige pluimvee tot stand hebben gebracht, doch dat Hollander's zich bij die akte slechts verbonden heeft om pas aan een levering mee te werken wanneer de hennen in haar bedrijf geboren zouden worden. Deze klacht stuit af op de uitleg door het hof van de akte, die van feitelijke aard en geenszins onbegrijpelijk is. Die beslissing behoefde, gelet op de wijze waarop de stelling in de memorie van grieven (grief VI, onder 6b) is geformuleerd ook geen nadere motivering.
5) Subonderdeel 1.2 keert zich tegen de beslissing in r.o. 17 dat een eventuele wilswijziging ten aanzien van de overdracht aan de bank niet relevant is nu door het enkele feit van de geboorte van de hennen Hollander's geacht wordt deze voor de bank te willen gaan houden: Hollander's heeft zich, aldus het hof, daartoe immers bij voormelde akte jegens de bank verbonden en niet gesteld of gebleken is dat Hollander's en de bank nadien anders zijn overeengekomen. Het middel betoogt dat deze leer, die in overeenstemming is met art. 3:97 lid 2 BW, niet het oude recht weergeeft.
Het is juist dat de door het middel verdedigde opvatting, die wel wordt aangeduid als de leer van de contraire wil, onder het oude recht, met een beroep op het bekende Sio-arrest (HR 22 mei 1953, NJ 1954, 189), belangrijke verdedigers heeft gekend. Men zie o.m. Ph.A.N. Houwing, preadvies Broederschap van Candidaat-Notarissen 1950, p. 51-53, J. Drion in zijn noot bij HR 22 mei 1953, NJ 1954, 189 (Sio), Bindend advies (P.H. Smits) 10 mei 1966, NJ 1968, 275 met instemmende noot H. Drion, P.A. Stein, Zekerheidsrechten (1970), p. 25, J.H. Nieuwenhuis, Anders en eender, oratie Tilburg (1980), p. 58 en Vriesendorp, Het eigendomsvoorbehoud (1985), p. 105. Hetzelfde geldt echter voor de - door het hof gevolgde - leer van de zakelijk gebonden wil; zie o.m. Asser-Beekhuis-Mijnssen-De Haan I (1985), nr. 326 en 346, Pitlo/Brahn, Het zakenrecht (1987), p. 259, Brahn, Fiduciaire overdracht, stille verpanding en eigendomsvoorbehoud (1988), p. 73 en Van Mierlo, Fiduciaire zekerheid, vuistloos en stil pand, diss. Nijmegen 1988, p. 101.
Ik zou mij bij de aanhangers van de laatstgenoemde opvatting willen aansluiten, en vind daarvoor een argument in HR 28 april 1989, NJ 1990, 252 m.nt. WMK, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat wie krachtens de aard van zijn rechtsverhouding met een ander (in casu een fiduciaire overdracht) verplicht is om na het verwerven van een zaak deze voor de ander te gaan houden, zich in beginsel niet aan die verplichting kan onttrekken. Een uitzondering geldt indien een beroep wordt gedaan op feiten die hem die vrijheid wèl geven, maar die waren in de toen berechte zaak niet gesteld. Hetzelfde geldt m.i. voor de onderhavige zaak. Met de annotator meen ik dat de Hoge Raad hiermee heeft geanticipeerd op art. 3:110; zie ook mijn conclusie voor het arrest, onder 5 sub c. Vgl. Vermogensrecht (Den Tonkelaar), art. 110, aant. 4. Het aan dat artikel ten grondslag liggende beginsel van de zakelijk gebonden wil geldt m.i. evenzeer voor de bezitsverkrijging in geval van levering bij voorbaat; vgl. Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1251, Hartkamp, Compendium nr. 104, Asser-Mijnssen-De Haan nr. 225 (alwaar verdere literatuur). Anders Vermogensrecht, a.w. aant. 13, waar echter op een andere problematiek (die van de beschikkingsbevoegdheid) wordt gedoeld, 's Hofs beslissing acht ik dus juist, zodat het subonderdeel faalt.
6) In r.o. 22 heeft het hof - met de rechtbank - beslist dat eieren en kuikens/hennen verschillende zaken zijn op de grond dat kuikens die het ei verlaten als gevolg daarvan een zodanige gedaanteverwisseling ondergaan dat een zaak met een geheel eigen identiteit ontstaat en ook de geldende verkeersopvattingen te dier zake niet tot een ander oordeel nopen. Hieruit leidt het hof af dat het eigendomsvoorbehoud van Euribrid (een van de leveranciers wier vorderingen worden geldend gemaakt door de stichting ) op de door haar geleverde eieren zich niet uitstrekt op de kuikens en de daaruit opgegroeide hennen.
Onderdeel 2 komt in de subonderdelen 1-3 tegen dit oordeel op, echter m.i. tevergeefs. Het hof heeft kennelijk aansluiting gezocht bij de beslissing van Uw Raad van 5 dec. 1986, NJ 1987, 745 m.nt. WMK inzake zaaksvorming. In dat arrest (betreffende het kweken van orchideeën door middel van "scheuren") sprak Uw Raad van het ontstaan van zaken (in dat geval twee zaken) die naar verkeersopvattingen elk een eigen, van die van de oorspronkelijke zaak te onderscheiden identiteit hebben. Het hof had gesproken van zaken die elk van beide afzonderlijk een eigen leven waren gaan leiden. Kleijn, die 's hofs overweging intrigerend noemt, acht dit criterium, opgevat in natuurkundig/- biologische zin slechts zeer beperkt bruikbaar. Dat lijkt mij juist voor zover het om zaaksvorming in eigenlijke zin gaat, al lijkt het mij de vraag of het criterium, zoals hij aanneemt, alleen bruikbaar is wanneer het gaat om planten. De moderne biotechnologie strekt zich immers in toenemende mate uit tot voortplantingstechnieken met betrekking tot dieren. Het lijkt mij niet uitgesloten dat bij bepaalde vormen van genetische manipulatie het technische element naar verkeersopvattingen als zo belangrijk moet worden beschouwd in verhouding tot de - uiteraard steeds ook aanwezige - biologische component, dat van zaaksvorming in de zin van art. 5:16 BW kan worden gesproken.
In het onderhavige geval is daarvan overigens m.i. geen sprake; niet gezegd kan worden dat een kuiken uit een ei ontstaat als gevolg van vorming door mensenhand. Anderzijds is ook in dit proces menselijk ingrijpen waarneembaar, met name door het inrichten, onderhouden en bedienen van de broedinstallaties waarin de voorwaarden worden geschapen voor het zich voltrekken van het biologische proces dat tot het ontstaan van de kuikens leidt.
Het wil mij voorkomen dat het voorgaande voldoende grond oplevert om zich bij de beslissing van dit geval - en dan doel ik op het zaaksbegrip, niet op de regels inzake eigendomsverkrijging - mede door de jurisprudentie inzake zaaksvorming te laten inspireren. In dit licht, maar mede in het licht van de rechtspraak omtrent het zaaksbegrip in het algemeen, kan niet gezegd worden dat 's hofs beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Dit geldt zowel waar het college beslist dat een kuiken ten opzichte van het ei waaruit het voortkomt een zaak met een geheel eigen identiteit is, als voor de betekenis die het hof toekent aan de verkeersopvattingen. Men zie omtrent de rol van de verkeersopvattingen bij zaaksvorming o.m. Asser-Beekhuis II (1990), nr. 78, het genoemde arrest van 5 dec. 1986, HR 5 okt. 1990, NJ 1992, 226 m.nt. WMK en 14 febr. 1992, NJ 1993, 623 m.nt. WMK. Voor meer gegevens over de verkeersopvattingen in het zakenrecht, met name in verband met het zaaksbegrip, zie men de conclusie voor HR 15 nov. 1991, NJ 1993, 316 m.nt. WMK. Vgl. voor het Duitse recht Soergel/Mühl, § 950, Anm. 21.
Op de in de laatste zin van subonderdeel 3 aan de orde gestelde vraag hoe dan te verklaren is dat Hollander's eigenares van de kuikens is geworden (met als gevolg dat zij deze geldig aan de bank kon leveren), zal ik in nr. 8 ingaan.
7) Ook de overige onderdelen van onderdeel 2 kunnen m.i. niet tot cassatie leiden.
In de eerste plaats impliceert 's Hofs beslissing dat het college de in subonderdeel 2.4 onder 2° gememoreerde stelling van de stichting , dat een kuiken als een bestanddeel van het ei waaruit het voortkomt moet worden aangemerkt, heeft verworpen. Dat is dunkt mij niet onbegrijpelijk.
8) De stelling in hetzelfde subonderdeel onder 1° inhoudende dat de kippen die de door Euribrid geleverde eieren hebben gelegd, eigendom waren van Euribrid1.zodat deze eigenares zou zijn geworden van de kuikens als vruchten van die kippen (art. 558 lid 1 onder 2° jo art. 556 (oud) resp. art. 3:9 jo art. 5:1 lid 3), kan de stichting m.i. evenmin baten. Weliswaar is juist dat de eigenaar van een zaak in beginsel eigendom verkrijgt van de afgescheiden vruchten, maar dat geldt niet indien op die vruchten rechten van anderen bestaan (art. 5:1 lid 3). Zo'n recht bestond in casu, aangezien ik zou willen aannemen dat de koper aan wie een zaak onder eigendomsvoorbehoud wordt afgeleverd, eigenaar van de vruchten wordt. Men zie art. 7A:1576n en Parl. Gesch. Boek 7, p. 111 e.v., welk voor art. 7:14 geschreven betoog m.i. ook het oude recht weergeeft.
Nu zijn dat wetsartikel en dat betoog strikt genomen gericht op de situatie dat de zaak die de vruchten oplevert zélf onder eigendomsvoorbehoud wordt geleverd, terwijl in casu niet de kippen, doch de bevruchte eieren onder eigendomsvoorbehoud aan Hollander's zijn geleverd, en de kuikens - denkelijk - niet als vruchten ten opzichte van de eieren kunnen worden aangemerkt. Maar onzinnig is deze laatste zienswijze nu ook weer niet, en in elk geval dient het volgens mij geen verschil te maken: het past m.i. beter in het voormelde wettelijke stelsel om de eigenaar (onder opschortende voorwaarde) van de eieren aan te merken als eigenaar door vruchttrekking van de kuikens dan de eigenaar van de kippen. Deze laatste heeft immers door de eieren te verkopen en te leveren de opbrengst daarvan op soortgelijke wijze uit handen gegeven als wanneer hij de kippen zelf aan de koper zou hebben verkocht en geleverd.
Het gevolg hiervan is, zoals gezegd, dat Hollander's de kuikens geldig bij voorbaat aan de bank heeft kunnen leveren.
9) Tenslotte falen de subonderdelen 2.5 en 2.6 naar mijn mening omdat zij zich richten tegen overwegingen die niet dragend zijn voor 's hofs beslissing.
10) Onderdeel 3 richt zich tegen r.o. 25, waarin het hof het beroep van de stichting op art. 1185 onder 4° heeft verworpen. Dit beroep hield in dat aan de voederleveranciers een voorrecht op de hennen toekwam terzake van kosten tot behoud van de hennen gemaakt. Het hof heeft dit beroep verworpen op grond van de overweging dat de voederleveranciers met hun leveranties enkel kunnen hebben beoogd betaling van de daarvoor verschuldigde koopsom van Hollander's te verkrijgen en aldus hun eigen omzet te verhogen, zodat niet kan worden gezegd dat hun schade als gevolg van het uitblijven van betaling is aan te merken als kosten tot behoud van de zaak als bedoeld in voormelde bepaling. Daar komt volgens het hof nog bij dat het voorrecht, indien het zou moeten worden erkend, is tenietgegaan voor zover het voedsel door het pluimvee is geconsumeerd. Tegen deze beide oordelen, die ieder 's hofs oordeel zelfstandig dragen, richten zich onderscheidenlijk de subonderdelen 3.1 en 3.2.
Subonderdeel 3.2 lijkt mij gegrond: het gaat in casu niet om een (eventueel) voorrecht op het voedsel maar op de hennen.
11) Wat subonderdeel 3.1 betreft moeten twee dingen worden vooropgesteld. Indien de stelling van de stichting juist zou zijn, zou het voorrecht haar een hogere voorrang geven dan die welke de bank aan haar fiduciaire eigendom kan ontlenen. Men zie Asser-Mijnssen-Van Velten (1986), nrs. 63 en 180.
Dat neemt echter niet weg dat zulks de stichting in de onderhavige procedure niet zou baten, daar, zoals de rechtbank (die het voorrecht anders dan het hof wel heeft erkend) met juistheid heeft geoordeeld, de stichting haar voorrang niet buiten het faillissement van Hollander's , indien dit nog niet is geëindigd, kan geldend maken. Zie HR 5 nov. 1993, NJ 1994, 258 m.nt. WMK. De stichting heeft niet gesteld dat het faillissement is geëindigd. Of het voorrecht alsnog in het faillissement - of wellicht na beëindiging van het faillissement tegen de bank - kan worden geldend gemaakt hangt af van omstandigheden als uiteengezet in HR 18 dec. 1987, NJ 1988, 340 (r.o. 3.6) en in de noot van Van der Grinten sub 6.
12) Over het vraagpunt zelf merk ik niettemin kort het volgende op. Het begrip kosten van behoud dient naar communis opinio restrictief te worden opgevat: er vallen slechts onder kosten gemaakt om de zaak in fysieke zin voor teniet gaan te behoeden. Daaronder vallen niet kosten van onderhoud en kosten waardoor de zaak in waarde vooruit is gegaan. Zie Asser-Mijnssen-van Velten (1986), nr. 63 en (1994), nr. 386, Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1388, Mon. Nieuw BW B-13 (Fesevur), nr. 7 onder a. Dat het verstrekken van gewoon veevoer tot het ontstaan van het voorrecht leidt wordt ontkend door Rb. Den Haag 14 april 1932, NJ 1933, p. 1023 en Rb. Leeuwarden 4 jan. 1934, NJ 1934, NJ 1935, p. 874, maar aangenomen door Pitlo/Brahn p. 434, terwijl Asser-Mijnssen-van Velten, a.w., dit beperken tot veevoer dat wordt verstrekt om verhongering te voorkomen.
Ik zou mij, evenals het hof kennelijk heeft gedaan, willen aansluiten bij de beide voormelde uitspraken. Er is hier geen sprake van min of meer bijzondere kosten ter afwending van een onmiddellijk gevaar voor het leven van de hennen, maar van het verschaffen van het normale voor de instandhouding en de groei van de dieren benodigde voedsel. Gelet op de restrictieve uitleg die moet worden gegeven aan het begrip kosten van behoud zou ik deze leveranties niet onder de werking van art. 1185 onder 4 willen brengen.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑01‑1995