HR, 14-10-1994, nr. 8435
ECLI:NL:HR:1994:ZC1489
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-1994
- Zaaknummer
8435
- LJN
ZC1489
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1994:ZC1489, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑1994
ECLI:NL:PHR:1952:1, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑03‑1952
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1952:324
Uitspraak 14‑10‑1994
Dit document is (nog) niet beschikbaar gesteld door de rechtsprekende instantie.
Conclusie 28‑03‑1952
Inhoudsindicatie
Wet rechtsherstel overheidspersoneel (G 401). Kosten in hoger beroep. De originele conclusie is niet meer voorhanden. De conclusie is overgenomen aan de hand van de in de NJ 1952/194 opgenomen tekst.
Uit de conclusie Adv .- Gen. Mr. Langemeijer halen wij aan:
Het standpunt van de Rechtbank is geweest, dat, aangenomen dat het ontslag van eiser en zijn broeder met ingang van 7 Sept. 1940 heeft plaats gehad, noch art. 2 lid 3 noch art. 6 lid 1, al. c hier van toepassing zou zijn, maar art. 6 lid 1, al. a en dat op deze grond: dat aan de arbeidsovereenkomst van de aanvang af de mogelijkheid van beëindiging der werkzaamheden op een moeilijk voorzienbaar tijdstip was eigen geweest, zulks uit hoofde van aard en doel dier werkzaamheden, zodat die beëindiging een buiten de bezetting gelegen grond voor ontslag vormde, ook al trad zij nu toevallig in verband met de bezetting in (de ontzegging van eisers vordering volgde voor de Rechtbank dan verder daaruit, dat eiser, naar zij aannam, herziening van het ontslag slechts vorderde om tot schadevergoeding te geraken, terwijl eiser en zijn broeder reeds loon hadden genoten tot op de datum waarop het Magazijn werd opgeheven).
De vragen, die deze beschouwingswijze van de Rechtbank doet rijzen, zijn nu naar mijn mening deze twee. Vooreerst: Laten de artt. 2 lid 3 en 6 lid 1, al. c in onderling verband nog ruimte voor beëindiging van werkzaamheden als grond voor uitsluiting der herziening of voor beperking van haar werking? En, zo ja, is dan de onderhavige beëindiging een buiten de bezetting gelegen grond?
De eerste vraag is moeilijk. Op grond van de wettekst alleen zou men geneigd zijn haar bevestigend te beantwoorden. Wat immers enerzijds het verband met art. 2 lid 3 betreft: dat men als zeer tijdelijk bedoelde functies a limine van herziening uitsluit, laat nog volkomen de mogelijkheid open dat men van functies van een niet zo uitgesproken tijdelijk karakter de herziening uitsluit of in haar werking beperkt, wanneer duidelijk is, dat de betrekking in ieder geval zou zijn beëindigd binnen een tijdsduur als die van de bezetting, ook indien die bezetting er niet ware geweest. En wat art. 6, lid 1, al. c aangaat: deze bepaling heeft, wanneer men beëindiging van werkzaamheden als grond voor ontslag in aanmerking zou nemen, nog zeer wel reden van bestaan voor die gevallen, waarin zich niet met enige zekerheid laat vaststellen, of en op welk tijdstip de beëindiging zou zijn geschied, indien de bezetting er niet ware geweest, maar waarbij in ieder geval vaststaat dat de betrekking niet weer is ingesteld.
Nu schrijft echter in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer (Bijlagen 1946-47, No. 215. 5, blz. 12) de Minister in verband met de aangelegenheid van de Artillerie-inrichtingen:
"Voor wat het ontslag ingevolge het sub c bepaalde betreft, deze bepaling is niets anders dan een bijzonder geval van het bepaalde sub a, met dien verstande, dat eenvoudigheidshalve de dag, waarop de buiten de bezetting gelegen grond voor ontslag is ontstaan, is gefixeerd op 1 Juni 1945, de eerste dag van de maand, volgende op die waarin geheel Nederland zich over de bevrijding heeft mogen verheugen. Het voornaamste geval, dat door de bepaling wordt bestreken, is dat van de opheffing van het Staatsbedrijf der Artillerie-Inrichtingen; wellicht is in een enkel geval in het eerder bevrijde gebied een dienst opgeheven en na de bevrijding niet weder ingesteld, doch het voordeel, dat de betrokkenen in dit verband ten deel zou vallen, lijkt van weinig betekenis".
Deze uitspraak is inderdaad belangrijk. Immers door al. c te bestempelen als een bijzonder geval van al. a brengt de Minister in ieder geval tot uitdrukking dat al. c ook toepasselijk kan zijn op die opheffing van betrekkingen, waarvan niet alleen vermoed kan worden, maar zelfs zou vast staan, dat zij ook buiten de bezetting zou zijn geschied. Men zou wellicht nog als bedoeling van de Minister kunnen opperen, dat al. c alleen voor die gevallen zou gelden, waarin het niet mogelijk is nauwkeurig het tijdstip vast te stellen, waarop los van de bezetting staande grond voor ontslag is ontstaan - welke vaststelling in het geval van al. a in verband met lid 2 van het artikel nodig is - maar deze opvatting van des Ministers bedoeling schijnt mij toch minder voor de hand te liggen. Vooreerst toch lijkt het geval van opheffing van betrekking, waarop al. a dan toepasselijk zou blijven, weinig reëel, daar men toch niet licht ooit met zekerheid zal kunnen zeggen dat het zich zonder de bezetting zelfs maar ten naaste bij op hetzelfde tijdstip zou hebben voorgedaan als onder de bezetting het geval is geweest. En bovendien is de uitspraak: "hier is een bijzonder geval waarin eenvoudigheidshalve de dag, waarop de grond voor ontslag is ontstaan, gefixeerd is", volkomen algemeen gehouden.
Is dus omtrent de bedoeling van de Minister nauwelijks twijfel mogelijk, terwijl uitspraken in tegengestelde zin van enig aan de wetgeving deelnemend orgaan niet zijn te vinden, daarmede is natuurlijk nog niet zonder meer uitgemaakt, dat die bedoeling nu ook in de wet voldoende is verwezenlijkt. Toch zou ik ook dit laatste willen aannemen, nu niets in de wet positief op het tegendeel wijst en al. c toch minst genomen als een mogelijke strekking diegene doet veronderstellen, welke inderdaad beoogd blijkt te zijn.
Ik merk nog op, dat de mening die ik hier meen te moeten aanvaarden, geenszins medebrengt, gelijk pleiter voor de Staat als de consequentie van verwerping van zijn zienswijze voorstelde, dat al. c ook ten goede zou komen aan iemand, die reeds wegens wangedrag ontslagen zou zijn en wiens betrekking vervolgens zou worden opgeheven en niet hersteld. In dat geval is eenvoudig art. 4 lid 1 onder A van de wet van toepassing en komt de eventuele toepassing van art. 6 niet aan de orde.
In de hier door mij aanvaarde opvatting kom ik dus niet toe aan de vraag, of de opheffing van het Magazijn wel of niet los van de bezetting staat. Zou Uw Raad het tegengestelde standpunt innemen, dan zou ik ook deze vraag nog niet eenvoudig achten. Immers, eensdeels kan men zeggen, dat aan de functie van de grote meerderheid van het tijdens de mobilisatie zo zeer uitgebreide personeel dier instelling de kans eigen was van binnen afzienbare tijd, maar langs niet nauwkeurig voorzienbare weg en op een evenmin nauwkeurig voorzienbaar tijdstip betrekkelijk plotseling overbodig te worden, maar anderzijds werd deze nog zeer ruim omgrensde mogelijkheid toch wel voor een belangrijk deel eerst bepaald door de bezettingsomstandigheden. Naar het mij voorkomt zal men in dit verband allereerst dienen te overwegen, dat voor de vraag, in hoever een abrupt einde ook los van de bezetting bij eisers functie paste, niet mede kan wegen dat op zichzelf een snelle bezetting van de aanvang van de wereldoorlog af waarschijnlijk was. Bedenkt men dit, dan zal men m.i. moeten zeggen, dat een gang van zaken, waarbij eisers werkzaamheden eerst overbodig zouden zijn geworden op een later tijdstip zelfs dan dat hetwelk uiteindelijk dat van de bevrijding is geweest, geenszins abnormaal zou zijn geweest. Is dat zo, dan zou ik geneigd zijn daaruit weder af te leiden, dat bezien in het licht van onderwerp en strekking van de Wet Overheidspersoneel de bezetting een zo overwegende invloed heeft gehad op het tijdstip van de opheffing van eisers betrekking dat men die opheffing niet, met name ook niet op grond van een redenering als die van de Rechtbank, als een buiten de bezetting gelegen grond beschouwen kan.
Uit het tot dusver betoogde volgt dat ik de eerste drie onderdelen van het eerste middel van Wertheim, van welke onderdelen 1 en 3 tezamen en 2 op zichzelf voldoende zouden zijn om tot vernietiging van het vonnis te komen, voor gegrond houd.