HR, 31-01-1992, nr. 14445
ECLI:NL:HR:1992:ZC0487
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-01-1992
- Zaaknummer
14445
- LJN
ZC0487
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1992:ZC0487, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑1992; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1991:51
- Wetingang
art. 17 Invorderingswet 1990
- Vindplaatsen
NJ 1992, 788 met annotatie van H.J. Snijders, M. Scheltema
V-N 1992/913, 31 met annotatie van Redactie
Uitspraak 31‑01‑1992
Inhoudsindicatie
Invordering belasting (art. 9 en 14bis Invorderingswet 1845 (oud)). Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel (art. 15 Invorderingswet 1845 (oud)). Kan belastingplichtige in hetzelfde geding schadevergoeding of verklaring voor recht vorderen op grond van onrechtmatigheid genomen invorderingsmaatregel? Toetsingsmaatstaf rechtmatigheid genomen invorderingsmaatregel; algemene beginselen van behoorlijk bestuur; wetsuitleg.
31 januari 1992Eerste Kamer
Nr. 14.445
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
De Ontvanger der Directe Belastingen,
kantoorhoudende te Helmond,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. J.L. Franx,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Mr. P.S. Kamminga.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — heeft bij exploot van 24 februari 1986 eiser tot cassatie — verder te noemen de Ontvanger — gedagvaard voor de Rechtbank 's-Hertogenbosch, waarbij hij in verzet is gekomen tegen een aantal tegen hem uitgevaardigde en in het exploot omschreven dwangbevelen betreffende in 1983 en 1984 aan hem opgelegde ambtshalve aanslagen en waarbij hij heeft gevorderd hem tot goed opposant te verklaren tegen de hiervoor bedoelde dwangbevelen en deze buiten effect te stellen.
De Ontvanger is niet ter terechtzitting verschenen. De Rechtbank heeft bij verstekvonnis van 23 mei 1986 [verweerder] tot goed opposant verklaard.
Tegen dit vonnis heeft de Ontvanger bij exploot van 25 juni 1986 verzet gedaan.
Nadat [verweerder] verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 4 december 1987 de Ontvanger tot goed opposant verklaard, het vonnis waartegen verzet vernietigd, de Ontvanger ontheven van de daarbij tegen hem uitgesproken veroordelingen en [verweerder] zijn vorderingen ontzegd.
Tegen laatstgenoemd vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch, waarbij hij, naast toewijzing van zijn oorspronkelijke vorderingen, een verklaring voor recht heeft gevraagd, inhoudend dat de Ontvanger door de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd.
Bij arrest van 5 februari 1990 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd, [verweerder] tot goed opposant verklaard voor wat betreft de dwangbevelen met betrekking tot de aanslagen over 1984 en deze buiten effect gesteld; voorts heeft het Hof voor recht verklaard dat de Ontvanger jegens [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld bij zijn invorderingsmaatregelen betreffende de zeven in het arrest genoemde aanslagen en [verweerder] zijn vorderingen voor het overige ontzegd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.
Op 14 februari 1986 heeft de Ontvanger tegen [verweerder] met toepassing van art. 9 in verbinding met art. 14 bis van de toen geldende Invorderingswet een aantal dwangbevelen uitgevaardigd en uit hoofde daarvan executoriaal beslag doen leggen op de roerende zaken in de woning van [verweerder] en op zijn bankrekeningen. Het Hof heeft geoordeeld dat de Ontvanger bij deze maatregelen onvoldoende zorgvuldigheid jegens [verweerder] heeft betracht en derhalve jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Het Hof heeft dit oordeel gegrond op de volgende, door het Hof als vaststaand beschouwde feiten:
a. De Ontvanger is tot de vervroegde invordering en beslaglegging overgegaan in verband met ambtshalve aanslagen welke, wat het jaar 1983 betreft, met dagtekening van 31 januari 1986 zijn vastgesteld op grond van een reeds van 28 augustus 1985 daterende mededeling van de F.I.O.D. aan de Inspecteur:
‘’Tijdens een door de F.I.O.D. ingesteld onderzoek tegen het bedrijf A[A] B.V., gevestigd te [plaats] is gebleken dat door [A] aan de hieronder genoemde personen provisiebetalingen zijn gedaan.
1. [verweerder], geboren [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats], [a-straat 1]. Inzake ‘’diverse projecten’’.
d.d. 6 mei 1983 fl 30.000,-- (zie bijlage 1),
d.d. 8 juni 1983 fl 160.000,-- (zie bijlage 2).'
Ook over 1984 werden toen ambtshalve aanslagen opgelegd hoewel [verweerder] een uitstel tot 31 maart 1986 had verkregen voor het doen van aangifte van zijn inkomen over 1984, welk uitstel dus nog niet was verstreken.
b. De beslaglegging vond plaats ter zake van 5 belastingaanslagen/premieheffingen over 1983 tot een totaalbedrag van fl 343.734,-- en ter zake van 2 belastingaanslagen/premieheffingen over 1984 tot een bedrag van fl 107.018,--.
c. Het inkomen over 1983 is thans door de inspecteur op nihil bepaald, hetgeen betekent, dat het totale bedrag van fl 343.734,-- niet verschuldigd is gebleken.
d. De Inspecteur, die uiteindelijk geen andere aanleiding had tot de vaststelling van de ambtshalve aanslagen over te gaan dan de reeds maanden oude summiere informatie van de F.I.O.D., won geen inlichtingen in bij [verweerder] (van nadere inlichtingen elders is niets gebleken) over de juistheid van die informatie en de reden waarom [verweerder] de bedoelde provisies niet had opgegeven als inkomen. [verweerder] had de Inspecteur dan kunnen mededelen dat hij reeds sinds 1984 procedeerde over de vraag of hij wel recht had op die provisies.
e. De beleidslijn is, zoals de Ontvanger zelf stelt, dat hij vóór hij tot ingrijpende invorderingsmaatregelen voor nog niet onherroepelijke aanslagen overgaat, de juistheid van die aanslagen marginaal toetst. De Ontvanger stelt dit in casu te hebben gedaan door bij de Inspecteur naar de juistheid te informeren. [verweerder] betwist dit. De Ontvanger biedt geen bewijs aan zodat niet mag worden aangenomen dat de Ontvanger deze informatie heeft ingewonnen. De vraag of de Ontvanger op inlichtingen van de Inspecteur — aangenomen dat deze ondanks het onder d vermelde positief zouden zijn geweest — mocht vertrouwen komt dus niet aan de orde.
f. De Ontvanger is zonder voorafgaande aanmaning tot deze drastische invorderingsmaatregelen overgegaan op een tijdstip, waarop [verweerder] met vakantie in het buitenland was, terwijl op dat tijdstip, naar van algemene bekendheid is, vele Nederlanders zeker met maatschappelijke achtergronden als [verweerder] en van zijn leeftijd met vakantie buitenslands plegen te vertoeven, namelijk gedurende de crocus- ofwel carnavalsvakantie.
3.2 De onderdelen A–D van het middel richten zich met een reeks klachten tegen 's Hofs hiervoor in 3.1 weergegeven oordeel. Dit oordeel moet aldus worden verstaan dat het Hof alle hiervoor onder a - f opgesomde omstandigheden, te zamen en in onderling verband beschouwd, aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, zodat 's Hofs arrest niet in stand zal kunnen blijven wanneer slechts één van de klachten die tegen de vaststelling of meeweging van deze omstandigheden is gericht, doel treft.
Verder verdient opmerking dat het Hof kennelijk en terecht — en in cassatie dan ook niet bestreden — ervan is uitgegaan dat in dit geding, waarin het in de eerste plaats ging om een verzet tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen, ook kon worden geoordeeld over de in hoger beroep gevorderde verklaring voor recht. Noch de Invorderingswet 1845, noch de Invorderingswet 1990, noch enige andere rechtsregel staat eraan in de weg dat een belastingplichtige in een geding in verzet komt tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel en schadevergoeding of een verklaring voor recht vordert op grond van de onrechtmatigheid van de genomen invorderingsmaatregel.
3.3 Bij de behandeling van de onderdelen A, B en C moet voorts het volgende worden vooropgesteld. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregelen van de Ontvanger die tot vervroegde invordering van door de Inspecteur ambtshalve opgelegde aanslagen overgaat, dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, die van belang zijn voor het antwoord op de vraag of hetgeen aan de zijde van de Staat met het oog op deze invordering is geschied, in strijd komt met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, en derhalve een onrechtmatige daad oplevert. Daarbij gaat het, ook als slechts de Ontvanger — en niet de Staat — als partij in rechte optreedt, niet alleen om omstandigheden die van belang zijn voor het oordeel of de Ontvanger zelf met voldoende zorgvuldigheid is opgetreden, maar ook om die welke meebrengen dat door de inspecteur onvoldoende zorgvuldig is gehandeld, bijv. bij het ambtshalve opleggen van aanslagen of het verstrekken van gegevens die nodig zijn voor de beoordeling of en op welke wijze de vervroegde invordering dient plaats te vinden. Een en ander strookt met een redelijke, op de rechtsbescherming van de burger afgestemde wetsuitleg en vindt steun in hetgeen omtrent die rechtsbescherming wordt uiteengezet in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat tot de Invorderingswet 1990 heeft geleid (Bijl. Hand. II, 1987–1988, 20 588, nr. 3, p. 15–17).
3.4 Onderdeel A treft doel. Niet begrijpelijk is dat het Hof tot de slotsom is gekomen dat de Ontvanger geen bewijs heeft aangeboden van zijn stelling dat hij bij de Inspecteur de nodige informatie heeft ingewonnen, eer hij de voormelde maatregelen nam. De Ontvanger heeft immers zowel bij memorie van antwoord als bij pleidooi in hoger beroep bewijs van al zijn stellingen aangeboden, waaronder bij pleidooi met name ook de voormelde stelling die blijkens de pleitnota's in hoger beroep bij pleidooi onderwerp van het debat van partijen is geweest.
3.5 Het hiervoor onder 3.3 overwogene brengt mee dat onderdeel B faalt. Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat fouten van de Inspecteur mede van belang kunnen zijn voor de vraag of de vervroegde invordering door de ontvanger onrechtmatig is.
3.6 Onderdeel C treft doel. Zonder nadere redengeving is niet begrijpelijk 's Hofs vaststelling dat de Inspecteur ‘’geen andere aanleiding had tot de vaststelling van de ambtshalve aanslagen over te gaan dan de reeds maanden oude summiere informatie van de F.I.O.D.’’, zulks met name niet in het licht van hetgeen de Ontvanger in zijn memorie van antwoord ad grief I onder 4 daaromtrent had aangevoerd, dit mede in verband met hetgeen in eerste aanleg door de Ontvanger ter zake van deze aanleiding reeds aangevoerd was.
3.7 Onderdeel D faalt. Het mist feitelijke grondslag, voor zover het ervan uitgaat dat de hiervoor onder 3.1 sub f weergegeven omstandigheid door het Hof als een zelfstandige onrechtmatigheidsgrond is gebezigd. Het berust op een onjuiste rechtsopvatting voor zover het ervan uitgaat dat het Hof de onder f omschreven omstandigheid niet mocht laten meewegen bij het oordeel of de omstandigheden die de vrees voor verduistering rechtvaardigden, tevens voldoende waren om ook de onderhavige maatregelen zonder voorafgaande aanmaning juist tijdens afwezigheid van [verweerder] in een vacantieperiode te rechtvaardigen.
3.8 Onderdeel E mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft blijkens zijn rechtsoverweging 4.2 de eerste appelgrief kennelijk aldus opgevat dat deze erover klaagde dat de Rechtbank ten onrechte niet tot uitgangspunt heeft genomen dat [verweerder] over 1983 en 1984 geen inkomstenbelasting en premie verschuldigd was. Eerst in zijn rechtsoverweging 4.3 is het Hof ingegaan op de vraag of de gedragingen van de Inspecteur hebben bijgedragen tot de door het Hof aangenomen onrechtmatigheid van de invordering.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 februari 1990;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op ƒ 532,65 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Hermans, Bloembergen, Haak en Davids, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 31 januari 1992.