HR, 04-10-1991, nr. 14344
ECLI:NL:HR:1991:ZC0355
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-10-1991
- Zaaknummer
14344
- LJN
ZC0355
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1991:ZC0355, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑10‑1991; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1991:49
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑10‑1991
Inhoudsindicatie
Aanvulling art. 48 Rv.; Erfdienstbaarheid; Grenzen rechtsstrijd; Misbruik van bevoegdheid; Redelijkheid en billijkheid.
4 oktober 1991
Eerste Kamer
Nr. 14.344
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. E. Grabandt,
tegen
1. de vennootschap onder firma [verweerster 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [verweerder 2] ,
3. [verweerder 3] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: Mr. J.G. de Vries Robbé.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - heeft bij exploot van 3 oktober 1983 verweerders in cassatie - verder te zamen te noemen [verweerders] - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd [verweerders] - hoofdelijk - te veroordelen tot prompte verwijdering van het ijzeren hek, gelegen op het open terrein tussen de werkplaats en de hal [eiser] en [verweerders] te verbieden enige inbreuk op het recht van erfdienstbaarheid van [eiser] te maken, een en ander op verbeurte van een dwangsom van f 500, -- per dag voor iedere dag dat [verweerders] met de inhoud van het in deze te wijzen vonnis in gebreke is.
Nadat [verweerders] tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 23 januari 1985 een datum voor een gerechtelijke plaatsopneming en comparitie van partijen bepaald en bij eindvonnis van 1 juli 1987 de vorderingen van [eiser] afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij tussenarrest van 2 juni 1988 heeft het Hof [eiser] in de gelegenheid gesteld de in het arrest omschreven inlichtingen te verschaffen en bij eindarrest van 26 oktober 1989 het bestreden eindvonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
Het eindvonnis van de Rechtbank en de arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerders] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In dit geding gaat het om de vraag of [verweerders] gehouden is [eiser] doorgang te verlenen over het aan [verweerders] toebehorende gedeelte van het perceel thans kadastraal bekend als gemeente [vestigingsplaats] sectie […] nummer [001] , dat door de rechtsvoorganger van [verweerders] - [A] - door overschrijving van de notariële akte van 30 november 1967 werd verkregen van de rechtsvoorganger [eiser] - [B] -, welk gedeelte op de aan genoemde akte gehechte tekening is aangegeven door enkelvoudige ononderbroken arcering. In navolging van het Hof wordt dit perceelsgedeelte in dit arrest aangeduid als het parkeerterrein.
3.2 De Rechtbank heeft overwogen en beslist dat op [verweerders] niet uit hoofde van een erfdienstbaarheid zodanige gehoudenheid rust.
Hiertegen heeft [eiser] in hoger beroep zijn eerste grief gericht waarbij hij niet anders heeft betoogd dan dat uit de notariële akte van 30 november 1967, waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort, blijkt dat daarbij een dergelijke erfdienstbaarheid gevestigd is. Het Hof heeft deze grief verworpen. Daarbij heeft het overwogen dat uit de notariële akte, waarbij het parkeerterrein - toen gedeelte van het heersend erf - werd overgedragen aan de toenmalige eigenaar van het dienende erf ( [A] ), geenszins blijkt dat ten behoeve van het resterende gedeelte van het heersende erf [002] een erfdienstbaarheid werd gevestigd ten laste van het parkeerterrein. Een en ander is in cassatie niet bestreden.
3.3 De onderdelen 1, 2 en 3 van het middel berusten op de stelling dat het Hof bij zijn verwerping van de eerste grief heeft miskend dat in geval een gedeelte van het heersend erf in eigendom wordt verkregen door de eigenaar van het dienend erf, de beide eigenaars tot elkaar staan in een rechtsbetrekking die beheerst wordt door de eisen van redelijkheid en billijkheid die kunnen meebrengen dat de eigenaar van het dienend erf en van een gedeelte van het heersend erf gehouden is het gedeelte van het heersend erf (mede) te doen strekken tot goede uitoefening van de bestaande erfdienstbaarheid.
Het Hof heeft kennelijk en begrijpelijkerwijs geoordeeld dat [eiser] aan zijn vordering niet ten grondslag heeft gelegd dat [verweerders] op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid gehouden is aan [eiser] doorgang te verlenen over het bedoelde perceelsgedeelte. Daarvan uitgaande, zou het Hof de grenzen van de rechtsstrijd hebben overschreden door bij zijn beoordeling van de eerste grief die niet aangevoerde grond in zijn onderzoek te betrekken.
De onderdelen treffen derhalve geen doel.
3.4 Het Hof heeft bij de beoordeling van het beroep van [eiser] op toepassing van art. 747 BW onderzocht of de rechtsvoorganger van [eiser] vòòr de vervreemding van het parkeerterrein dit terrein en de toen op hetzelfde perceel staande loods en schuur in een zodanige toestand zou hebben gesteld dat tussen beide perceelsgedeelten sprake zou zijn geweest van een zichtbare en voortdurende erfdienstbaarheid om van het parkeerterrein gebruik te maken (rov. 2.6).
Hiertegen richt zich onderdeel 4 met het betoog dat het Hof had moeten onderzoeken of èèn der rechtsvoorgangers de bedoelde toestand in het leven heeft geroepen. Het onderdeel faalt omdat het eraan voorbij ziet dat [eiser] zich te dezer zake slechts heeft beroepen op de handelwijze van de rechtsvoorganger van [eiser] ( [B] ). Het Hof was dus niet tot een verder onderzoek gehouden.
3.5 Onderdeel 5 komt op tegen 's Hofs oordeel dat in dit geval art. 747 niet van toepassing is omdat de zichtbare tekens van de deuren in de loods en schuur "uitmonden op een open gedeelte van perceel [002] , waardoor deze ook zonder gebruikmaking van het parkeerterrein met benutting van de erfdienstbaarheid van 1939 op het resterende gedeelte van perceel [001] bereikbaar zijn". Het Hof heeft aldus kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de zichtbare tekens waarop [eiser] doelt - de deuren van de loods en de schuur - betrekking kunnen hebben op de tussen de erven van [eiser] en [verweerders] bestaande erfdienstbaarheid van weg die is gevestigd in 1939 en derhalve niet het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bestemming ondubbelzinnig aantonen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, het is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel moet derhalve falen.
3.6 Onderdeel 6 betoogt in de eerste plaats dat het Hof bij zijn verwerping van het beroep van [eiser] op misbruik van recht en onrechtmatig handelen aan de zijde van [verweerders] , niet de belangen van [eiser] in aanmerking heeft genomen. Dit betoog mist feitelijke grondslag, omdat in 's Hofs arrest besloten ligt dat het Hof ook de belangen van [eiser] in aanmerking heeft genomen. 's Hofs verwerping van het beroep op misbruik van recht dan wel onrechtmatig handelen geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan verder wegens haar verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op haar juistheid worden getoetst. Zij is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.7 Ook onderdeel 7 treft geen doel. In hoger beroep heeft [eiser] met betrekking tot toepassing van art. 719 in zijn toelichting op de derde grief, die slechts betrekking heeft op het oordeel van de Rechtbank omtrent misbruik van recht dan wel onrechtmatig handelen, gesteld: "Opvallend is, dat de Rechtbank in haar overwegingen geen aandacht heeft besteed aan appellant's uitvoerige relaas in zijn conclusie na comparitie, waar tevens verwezen wordt naar het bepaalde in art. 719 B.W. ".
Het Hof heeft in deze terloopse opmerking kennelijk niet de grief gelezen dat de Rechtbank geen beslissing heeft gegeven op [eiser] 's beroep op het bestaan van een buurweg. Zulks is niet onbegrijpelijk en gebaseerd op een uitleg van de stukken van het geding die aan de feitenrechter is voorbehouden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op f 456,30 aan verschotten f 2.500, -- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren Bloembergen, als voorzitter, Roelvink en Davids, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 4 oktober 1991.