De tekst van de overeenkomst is overgelegd als produktie bij c.v.a. in prima.
HR, 01-06-1990, nr. 13903
ECLI:NL:PHR:1990:AB7625
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-06-1990
- Zaaknummer
13903
- LJN
AB7625
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Mededingingsrecht (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1990:AB7625, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑06‑1990; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1990:AB7625
ECLI:NL:PHR:1990:AB7625, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑06‑1990
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1990:AB7625
- Vindplaatsen
Uitspraak 01‑06‑1990
Inhoudsindicatie
Afname-overeenkomst en concurrentieverbod artikel 85 EEG-Verdrag.
1 juni 1990
Eerste Kamer
Nr. 13.903
S.v.G.
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DONKELAAR SUPERMARKT B.V.,
gevestigd te Bennekom,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Jhr.Mr. J.L.R.A. Huydecoper,
tegen
UNIGRO N.V.,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. A.G. Maris.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen Donkelaar - heeft bij exploot van 18 juni 1984 verweerster in cassatie - verder te noemen Unigro - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd dat de Rechtbank bij vonnis zal verklaren voor recht:
primair: dat de tussen partijen op of omstreeks 30 november 1976 gesloten afname-overeenkomst van rechtswege nietig is; subsidiair: dat de genoemde afname-overeenkomst van rechtswege nietig is voor zover zij is aangegaan voor de duur van meer dan 10 jaar, gerekend vanaf de datum van ondertekening;
meer subsidiair: dat Unigro jegens Donkelaar niet te goeder trouw nakoming van de afname-overeenkomst kan vorderen na een verloop van 10 jaar na de ondertekening van die overeenkomst.
Nadat Unigro tegen de vorderingen verweer had gevoerd en Donkelaar haar eis had vermeerderd door tevens subsidiair te vorderen dat de afname-overeenkomst tussen partijen zal worden ontbonden op grond van wanprestatie, heeft de Rechtbank bij vonnis van 24 december 1986 de vorderingen van Donkelaar afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft Donkelaar hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 16 juni 1988 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Donkelaar beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Unigro heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen van het Hof op het stuk van misbruik van omstandigheden en de eisen van redelijkheid en billijkheid, tot het richten van een verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over vragen van uitleg van artikel 85 van het EEG-verdrag, als omschreven in zijn conclusie, en tot het aanhouden van iedere verdere beslissing. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.
(i) Donkelaar drijft een onderneming gericht op de detailhandel in kruidenierswaren, vlees en vleeswaren, groenten en fruit, melk en zuivelprodukten, alsmede aanverwante artikelen. Zij is hiermee - aanvankelijk met een kleiner assortiment - in april 1974 begonnen in een perceel te Bennekom; het aldaar gevestigde bedrijf was door de vorige eigenaar via de grossier Unigro te koop aangeboden.
(ii) Nadien heeft Donkelaar haar bedrijf met hulp van de acquisitieafdeling van Unigro verplaatst naar het perceel Kerkhoflaan 11-13 te Bennekom. Unigro had daartoe eerst een haalbaarheidsonderzoek laten houden. Donkelaar heeft het perceel van Unigro gekocht.
(iii) In verband met die verplaatsing zijn de volgende overeenkomsten gesloten:
a. op 30 november 1976 tussen Unigro en Donkelaar een afname-overeenkomst voor de duur van 25 jaar;
b. op 3 juli 1977 tussen de Coöperatieve Raiffeisen-Boerenleenbank te Ede, Unigro en Donkelaar een terugkoop-overeenkomst met betrekking tot de bedrijfsvoorraden voor de duur van zes jaar;
c. op 3 juli 1977 tussen laatstgenoemde partijen een koopverklaring met betrekking tot de bedrijfsinventaris voor de duur van zes jaar;
d. een borgtocht en een overeenkomst van achterstelling vorderingen, beide tussen evenbedoelde partijen, alsmede een overeenkomst van geldlening tussen Donkelaar en Unigro, welke overeenkomsten betrekking hadden op een bedrag van f 75.000, --; dit geleende bedrag is op 5 februari 1980 door Donkelaar afgelost.
(iv) De onder (iii) sub a. genoemde overeenkomst (verder te noemen: de afname-overeenkomst) bevat onder meer de volgende in het vonnis van de Rechtbank geciteerde artikelen:
"1.a. Tijdens de duur van deze afname-overeenkomst zal afnemer 85% van zijn assortiment produkten in de ruimste zin des woords, bestemd voor de verkoop en detail in zijn winkel aan de Kerkhoflaan te Bennekom betrekken van Unigro, voor zover Unigro
b. deze produkten in haar assortiment voert. Afnemer zal het hiervoren sub a omschreven winkelpand uitsluitend gebruiken voor de verkoop en detail van levensmiddelen en daaraan volgens algemene opvattingen aanverwante artikelen.
2. Afnemer zal zijn bedrijf mede voeren onder de naam Vivo, lid worden van de Vereniging Vivo, gevestigd te Utrecht en het Vivo reklamesysteem in de meest ruime zin van het woord, toepassen.
3. Unigro is verplicht afnemer voortdurend in alle opzichten op de hoogte te stellen en te houden van het door haar gevoerde assortiment, afnemer in de meest ruime zin op de gebruikelijke wijze te steunen, zoals door middel van adviezen, etc. en voorts afnemer te leveren op dezelfde condities als die welke gelden voor andere afnemers met een vergelijkbare afname.
8. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van 25 jaar, ingaande op de datum van ondertekening. De overeenkomst wordt geacht daarna onder dezelfde voorwaarden en bedingen voor perioden van 5 jaar door te lopen, tenzij de overeenkomst ten minste drie maanden voor het einde van een lopende periode aangetekend schrijven door een der partijen is opgezegd."
( v) Voorts houdt de afname-overeenkomst, naar 's Hofs korte samenvatting van de desbetreffende clausules, onder meer in:
- dat Donkelaar verplicht is het bedrijf te voeren volgens de richtlijnen en eventuele aanwijzingen van Unigro;
- dat Donkelaar beperkingen heeft aanvaard met betrekking tot de verkoop van haar bedrijf aan derden;
- dat Donkelaar gebonden is aan een concurrentiebeding voor de duur van de overeenkomst en vijf jaren daarna met een geografische begrenzing van vijf kilometer rond het vestigingspunt in Bennekom.
(vi ) Unigro heeft naast de afname-overeenkomst met Donkelaar een groot aantal door het Hof als soortgelijk aangeduide overeenkomsten gesloten met ondernemers die evenals Donkelaar het zogenoemde vrijwillig filiaalbedrijf uitoefenen. Unigro heeft onbetwist gesteld dat de looptijd van die overeenkomsten varieert tussen 10 en 25 jaar en dat een looptijd van 25 jaar pleegt te worden overeengekomen indien de afnemer het betrokken winkelpand van Unigro heeft gekocht. Niet staat ten processe vast in welke mate die overeenkomsten soortgelijk zijn aan de overeenkomst tussen Unigro en Donkelaar, maar veronderstellenderwijs kan in dit stadium van het geding worden aangenomen dat die overeenkomsten de afnemer verplichten een hoog percentage van zijn totale behoefte te betrekken van Unigro, richtlijnen van Unigro te volgen en zich te onthouden van concurrerende activiteiten binnen een bepaald gebied rond zijn bedrijfspand, en dat zij de afnemer onderwerpen aan beperkingen wat de overdracht van zijn bedrijf betreft.
(vii) Unigro voert omstreeks 9000 artikelen in haar assortiment, dat onder meer naast de gebruikelijke "A"-merkartikelen ongeveer 300 zogenaamde "Super"-merkartikelen omvat. De "Super"-merkartikelen worden alleen verkocht in winkels die zich bij de door Unigro ontwikkelde verkoopformule "Club 199" hebben aangesloten. Ook Donkelaar heeft dit laatste gedaan, nadat in 1984 de verouderde Vivo-formule was verlaten.
(viii) Toetreding tot de "Club 199" - waarvoor niet de rechtsvorm van een vereniging is gekozen - geschiedt op vrijwillige basis en het verlaten van deze verkoopformule is in beginsel te allen tijde mogelijk. Donkelaar heeft gesteld dat in Unigro-verband het niet toetreden resp. het verlaten van die formule voor een bedrijf met een omvang als die van Donkelaars bedrijf economisch niet als een reële mogelijkheid kan worden beschouwd. Unigro heeft dit betwist.
(ix) Unigro biedt sedert 1984 in het kader van de "Club 199"-formule, die onder meer voorziet in een min of meer uniforme inrichting van de aangesloten, met de benaming "Super" aangeduide supermarkten, naast de mogelijkheid tot distributie van de "Super"-artikelen ook commerciële en promotionele ondersteuning. Partijen zijn het niet eens over omvang en kwaliteit van die ondersteuning.
(x) De ondernemers die toe de "Club 1999)" zijn toegetreden hebben zich verplicht - volgens Unigro: jegens elkaar - voor alle "Super"-merkartikelen vastgestelde consumentenprijzen te hanteren; niet staat vast op welke wijze die prijzen worden vastgesteld en welke rol Unigro daarbij precies vervult. Een belangrijk deel van de door Donkelaar verkochte artikelen behoort tot het assortiment "Super"-merkartikelen.
(xi ) Met betrekking tot andere van Unigro betrokken artikelen dan "Super"-merkartikelen stelt Donkelaar dat zij niet vrij is in het bepalen van de consumentenprijzen doordat Unigro de marges aangeeft waarbinnen die prijzen dienen te liggen. Unigro stelt daarentegen dat zij slechts adviezen geeft over de consumentenprijzen van dergelijke artikelen.
(xii) Unigro heeft een marktpositie welke door het Hof als volgt is omschreven: Unigro heeft in Nederland in 1987 binnen de totale kruideniersbranche een marktaandeel van 8% en binnen de categorie van het vrijwillig filiaalbedrijf een marktaandeel van 24% opgebouwd; het vrijwillig filiaalbedrijf realiseerde in 1987 34% van de landelijke omzet in de levensmiddelenbranche en het grootwinkelbedrijf 66% daarvan.
(xiii) Tussen Donkelaar en Unigro zijn op initiatief van Donkelaar onderhandelingen over verkoop van het bedrijf aan Unigro gevoerd, welke onderhandelingen eind 1983 zonder resultaat zijn geëindigd.
(xiv) Donkelaar heeft bij brief van 16 januari 1984 verzocht de afname-overeenkomst met ingang van 30 november 1986 te beëindigen, hetgeen Unigro heeft geweigerd.
3.2 Inzet van dit geding is de vraag of Donkelaar (nog) gebonden is aan de afname-overeenkomst. Donkelaar stelt zich primair op het standpunt dat de overeenkomst van rechtswege nietig is, subsidiair dat zij nietig is voor zover zij is aangegaan voor een duur van meer dan tien jaar gerekend vanaf de datum van ondertekening, en meer subsidiair dat Unigro jegens Donkelaar niet te goeder trouw nakoming van de overeenkomst kan vorderen na verloop van tien jaar na de datum van ondertekening. De in de feitelijke instanties tevens door Donkelaar verdedigde stelling dat de overeenkomst door wanprestatie van Unigro ontbonden is, is in cassatie niet meer aan de orde.
Het primaire standpunt van Donkelaar is evenals haar subsidiaire standpunt gebaseerd op de stellingen (a) dat nietigheid voortvloeit uit het bepaalde in art. 85 van het EEG-verdrag, en (b) dat de overeenkomst tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden gepleegd door Unigro.
Donkelaar is op al deze punten door het Hof in het ongelijk gesteld. Hiertegen richt zich het middel, waarvan de onderdelen 2 tot en met 8 opkomen tegen 's Hofs oordeel dat de afname-overeenkomst niet in strijd is met art. 85 lid 1 van het EEG-verdrag en de onderdelen 9 tot en met 13 klagen over de verwerping van Donkelaars stelling dat de overeenkomst nietig is wegens misbruik van omstandigheden, en over de afwijzing van het beroep op de goede trouw.
De Hoge Raad zal eerst de onderdelen 9 tot en met 13 behandelen.
3.3.1 Onderdeel 9 faalt op grond van het volgende.
Het Hof is niet voorbijgegaan aan Donkelaars in het onderdeel met a) aangeduide stelling dat de contractsduur van 25 jaar uitzonderlijk lang is, maar heeft, zoals besloten ligt in 's Hofs rov. 4.18 - 4.23, geoordeeld dat al het door Donkelaar gestelde ter ondersteuning van haar beroep op misbruik van omstandigheden, met inbegrip van evenbedoelde - reeds in 's Hofs rov. 4.16 besproken - stelling, onvoldoende is om, indien bewezen, de slotsom te rechtvaardigen dat van misbruik van omstandigheden moet worden gesproken.
Ook de met b) aangeduide stelling is door Hof niet in het midden gelaten. Het Hof heeft in zijn rov. 4.20 gemotiveerd waarom naar zijn oordeel ook de beweerde onervarenheid van Donkelaar en haar directeur, te zamen met de overige omstandigheden, niet meebracht dat Unigro misbruik van omstandigheden maakte tegenover Donkelaar.
Het Hof is evenmin voorbijgegaan aan de onder c) bedoelde omstandigheid dat Donkelaar in een postitie van afhankelijkheid ten opzichte van Unigro was geraakt voor wat de levering van het onroerend goed aan de Kerkhoflaan betreft, maar heeft geoordeeld dat Donkelaar, door vrijwillig en zonder noodzaak toe te stemmen in aankoop van dat goed op naam van Unigro, zich van haar afhankelijke positie bewust kon en moest zijn.
Met betrekking tot stelling d), inhoudende dat Donkelaar vóór de comparitie bij de notaris niet door Unigro was voorgelicht over de bepalingen van de te tekenen afname-overeenkomst en dat bij die comparitie geen bijzondere aandacht is gevestigd op het beding omtrent de duur van de overeenkomst, heeft het Hof niet alleen in rov. 4.20 tot uitdrukking gebracht dat Unigro naar 's Hofs oordeel niet behoefde te begrijpen dat Donkelaar nog zo ondeskundig en onervaren was dat zij de reikwijdte en de betekenis van de afnameverplichting niet kon onderkennen toen deze haar bij de notaris werd voorgelegd, maar bovendien in rov. 4.22 overwogen dat aan de bezwaren Van Donkelaar veeleer latere ontwikkelingen, in het kader van de "Club 199"/"Super"-formule, ten grondslag liggen, dan enige bij de aanvang bestaande onevenredigheid van de wederzijdse prestaties en verplichtingen.
Voorts heeft het Hof ook de in het onderdeel met verwijzing naar onderdeel 5 aan de orde gestelde verhouding tussen de wederzijdse prestaties en verplichtingen in zijn overwegingen betrokken. Zoals uit 's Hofs rov. 4.22 en 4.23 blijkt, heeft het Hof geoordeeld dat het door Donkelaar gestelde niet de conclusie wettigt dat de overeenkomst "naar de redelijke verwachting die partijen bij het aangaan ervan mochten koesteren voor haar in die mate financieel of anderszins nadelig was, dat Unigro van het sluiten van die overeenkomst had moeten afzien." De voormelde oordelen van het Hof geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en geven in verbinding met de overige oordelen van het Hof, verband houdende met Donkelaars beroep op misbruik van omstandigheden, een toereikende motivering van de verwerping van dat beroep.
3.3.2 De in onderdeel 10 sub a. opgeworpen rechtsklacht is ongegrond. Het Hof heeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat van de grossier Unigro niet mocht worden verwacht dat zij zich uitsluitend naar de belangen van Donkelaar zou richten, welke overweging in het licht van de onmiddellijk daaraan voorafgaande overweging aldus moet worden verstaan dat Donkelaar en haar directeur in ieder geval moeten hebben beseft dat zij deskundige bijstand van anderen dan Unigro nodig hadden indien zij werkelijk zo onervaren waren als door Donkelaar beweerd.
3.3.3 De in onderdeel 10 sub b. aangevoerde klacht komt erop neer dat het aan het slot van rov. 4.20 overwogene strijdig is met hetgeen het Hof in rov. 4.5 heeft overwogen. De klacht mist doel. De in rov. 4.5 in het kader van 's Hofs beoordeling van het beroep op art. 85 EEG- verdrag vermelde betrekkelijke onervarenheid van zelfstandige detailhandelaren heeft niet betrekking op een gebrek aan ervaring in het beoordelen van een belangrijk contract en de bij het aangaan daarvan te volgen gedragslijn, doch op een gebrek aan ervaring op het specifieke gebied van verkoopmethoden zoals door de grossier ontwikkeld.
3.3.4 De in onderdeel 11 geuite veronderstelling mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft zich in rov. 4.4 in het geheel niet uitgelaten over de (gebruikelijke) looptijd van de aldaar bedoelde overeenkomsten tussen Unigro en vrijwillig filiaalhouders. De op die veronderstelling berustende motiveringsklacht kan dus niet slagen.
3.3.5 Onderdeel 12 bouwt voort op de onderdelen 9 - 11 en moet dan ook het lot daarvan delen.
3.4.1 Onderdeel 13 richt zich tegen 's Hofs rov. 4.28, waarin wordt verworpen het beroep van Donkelaar op de goede trouw, in subonderdeel 13 a. nader omschreven als het beroep "op redelijkheid en billijkheid in verband met gewijzigde omstandigheden".
Subonderdeel 13 a. faalt. Anders dan daarin wordt betoogd, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn beoordeling van het optreden van Unigro bij de totstandkoming van de afname-overeenkomst, zoals met name in de vierde en vijfde zin van rov. 4.28 - ten dele met verwijzing naar het eerder naar aanleiding van Donkelaars beroep op misbruik van omstandigheden overwogene - kort weergegeven. Tot nadere motivering op dit punt was het Hof niet gehouden.
3.4.2 Subonderdeel 13 b. berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en kan dus evenmin slagen.
Het Hof heeft zijn onderzoek niet beperkt tot een onderzoek naar de vraag of, in verband met de door Donkelaar aangevoerde gewijzigde omstandigheden, de wederzijdse prestaties van partijen "inmiddels een onaanvaardbare onevenwichtigheid vertonen". In het door het Hof in rov. 4.28 overwogene ligt besloten het oordeel dat ook vóór de gestelde wijzigingen in de omstandigheden niet kon worden gesproken van een als onaanvaardbaar te kwalificeren onevenwichtigheid in de wederzijdse prestaties.
3.4.3 De in subonderdeel 13 c. onder (i) en (ii) vermelde omstandigheden kunnen niet als "onvoorzien" worden aangemerkt, terwijl de onder (iii) vermelde wijzigingen in de omstandigheden zijn voortgekomen uit beslissingen van Donkelaar zelf. Het Hof had dan ook geen aanleiding om deze omstandigheden en wijzigingen in aanmerking te nemen bij de beantwoording van de vraag of redelijkheid en billijkheid zich op grond van onvoorziene omstandigheden tegen instandhouding van de overeenkomst verzetten. Ook dit subonderdeel wordt dus tevergeefs voorgedragen.
3.5.1 De onderdelen 2 tot en met 8 bestrijden 's Hofs oordeel (rov. 4.17) dat de afname-overeenkomst noch op zichzelf noch in verband met hetgeen overigens omtrent de verhouding tussen Unigro en Donkelaar is komen vast te staan in strijd is met art. 85 lid 1 van het EEG- verdrag. Het Hof heeft dat oordeel gemotiveerd in zijn rov. 4.3 - 4.16.
Met juistheid heeft het Hof in rov. 4.3 vooropgesteld dat niet alleen de door het Hof in rov. 4.4 aangestipte clausules van de afname-overeenkomst maar ook de economische context waarin de overeenkomst moet worden geplaatst, van belang zijn voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de overeenkomst met art. 85 lid 1 van het EEG-verdrag. Het Hof heeft daaraan in de eerste alinea van rov. 4.5 toegevoegd dat de overeenkomst moet worden bezien in de gehele context van het tussen Unigro als grossier en haar vrijwillig filiaalhouders, waaronder Donkelaar, opgezette distributiestelsel. Deze uitgangspunten van het Hof liggen kennelijk ook ten grondslag aan de onderdelen 2-8 van het middel.
Unigro heeft in cassatie, in haar schriftelijke toelichting onder 2 en 3, tegengeworpen dat de onderdelen 2-8 van het middel de grenzen van het geschil van partijen te buiten gaan door zich niet te beperken tot de vraag of de duur van de afname-overeenkomst verenigbaar is met art. 85 lid 1, maar ook andere bepalingen van de overeenkomst alsmede de "Club 199" en een aantal andere omstandigheden te betrekken in de bestrijding van 's Hofs arrest voor wat de vraag van de verenigbaarheid van de overeenkomst met art. 85 lid 1 betreft. Deze tegenwerping miskent dat het Hof de grenzen van de rechtsstrijd op dit punt ruimer heeft getrokken, zoals uit 's Hofs rov. 4.3 - 4.16 blijkt, en dat Unigro daartegen geen incidenteel beroep in cassatie heeft ingesteld.
3.5.2 Onderdeel 3 sub b. klaagt in de laatste alinea dat het Hof heeft miskend dat de vrijheid van Donkelaar om zich aan de samenwerking in "Club 199" te onttrekken werd beperkt door haar verplichting om haar bedrijf volgens richtlijnen en aanwijzingen van Unigro te voeren. De klacht faalt omdat het Hof kennelijk en begrijpelijkerwijs in het door Donkelaar aangevoerde niet heeft aangetroffen de stelling dat Unigro bevoegd is aan Donkelaar richtlijnen of aanwijzingen te geven op grond waarvan zij niet vrij zou zijn zich uit "Club 199" terug te trekken.
3.5.3 Onderdeel 3 sub c. en onderdeel 4 stuiten af op het volgende. Het Hof heeft geoordeeld (rov. 4.10, slot tweede zin) dat Donkelaar in beginsel "ieder artikel hetzij via Unigro hetzij via anderen geleverd (kan) krijgen", dat dit laatste" - waarmee het Hof doelt op levering "via anderen" - door Donkelaar "slechts ten aanzien van enkele artikelen gemotiveerd (wordt) bestreden", en dat het daarbij om "incidentele gevallen" gaat die, indien bewezen, aan het gegeven oordeel "wezenlijk geen afbreuk zouden doen". Het Hof heeft
hier klaarblijkelijk de vijf door Donkelaar bij pleidooi in hoger beroep aangeduide gevallen op het oog en heeft kennelijk geoordeeld dat, nu Donkelaar in haar memorie van grieven sub 14 had aangekondigd een lijst met voorbeelden "van leveranciers aan wie het niet is toegestaan rechtstreeks aan Donkelaar te leveren" in het geding te zullen brengen doch vervolgens volstond met het bij pleidooi noemen van vijf voorbeelden (waarvan drie zonder enige nadere omschrijving van de feiten) met de toevoeging dat de lijst "nog gemakkelijk (zou) kunnen worden uitgebreid", Donkelaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat een aanzienlijk aantal leveranciers van "A"-merkartikelen krachtens afspraken met Unigro niet rechtstreeks aan Donkelaar mag leveren. Dit oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk en kan wegens zijn feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.
3.5.4 Onderdeel 6 sub b. mist feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat Unigro van al haar afnemers heeft bedongen dat zij ten minste 85% van hun totale behoefte dienen te betrekken van Unigro.
3.5.5 Onderdeel 6 sub c. mist feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat "het merendeel van de aan Unigro gebonden grotere supermarktbedrijven, van vergelijkbare orde als het bedrijf van Donkelaar, ( ... ) ook de concurrentiebeperkingen heeft aanvaard, die verbonden zijn met deelname aan de Club 199".
3.5.6 Voor het overige kan op de onderdelen 2, 3 en 5 tot en met 8 niet worden beslist zonder uitlegging van het bepaalde in art. 85 lid 1 van het EEG-verdrag. Zoals in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 6.7 en 6.8 is uiteengezet, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen nog geen uitspraken gedaan waaruit met voldoende zekerheid kan worden afgeleid hoe een overeenkomst als de onderhavige moet worden beoordeeld in het licht van art. 85 lid 1. De Hoge Raad acht het dan ook noodzakelijk ingevolge het bepaalde in art. 177 van het EEG-verdrag aan het Hof van Justitie te verzoeken een prejudiciële uitspraak te doen omtrent de hierna onder 4 omschreven vragen van uitlegging van art. 85 lid 1.
4. Vragen van uitlegging
De vragen van uitlegging van art. 85 lid 1 van het EEG-verdrag waarvan de beslissing op de onderdelen 2, 3 en 5 tot en met 8 van het cassatiemiddel mede afhankelijk is, zijn de volgende:
I Heeft een tussen een in een lidstaat, in een bepaalde branche (zoals de levensmiddelenbranche) werkzame groothandelsonderneming (verder te noemen: grossier) en een in dezelfde lidstaat en branche werkzame, het zogenoemde vrijwillig filiaalbedrijf uitoefenende detail-handelsonderneming (verder te noemen: detaillist) voor een looptijd van 25 jaar gesloten overeenkomst de strekking of het gevolg dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt (merkbaar) wordt verhinderd, beperkt of vervalst, indien deze overeenkomst de detaillist verplicht tijdens de duur van de overeenkomst 85% van zijn totale behoefte aan produkten, bestemd voor de wederverkoop in een door hem geëxploiteerde bedrijfsruimte, te betrekken van de grossier voor zover deze die produkten in zijn assortiment voert, maar de detaillist vrijlaat in de keuze van de aard en het merk van de door hem te verkopen produkten?
II Zo neen, heeft een zodanige overeenkomst wèl die strekking of dat gevolg wanneer de grossier met een groot aantal andere, in dezelfde lidstaat en branche het vrijwillig filiaalbedrijf uitoefenende detaillisten overeenkomsten met een langdurige looptijd heeft gesloten welke voor de detaillist een soortgelijke, in een aanzienlijk percentage van zijn totale behoefte uitgedrukte afname-verplichting inhouden?
III Is het voor het antwoord op vraag I of vraag II van belang dat de overeenkomst resp. overeenkomsten de vrijheid van de detaillist aldus beperkt resp. beperken, dat deze (a) binnen een bepaald gebied rond de betrokken bedrijfsruimte tijdens de duur van de overeenkomst en enige jaren daarna geen concurrerende activiteiten mag ondernemen, en/of (b) verplicht is het bedrijf te voeren volgens de richtlijnen en eventuele aanwijzingen van de grossier, mede ten aanzien van de marges waarbinnen de wederverkoopprijzen dienen te worden bepaald, en/of (c) gebonden is aan beperkingen wat de eventuele overdracht van zijn bedrijf aan anderen dan de grossier betreft?
IV Is het voor het antwoord op vraag I of vraag II van belang dat de detaillist, wanneer hij bepaalde door de grossier onder een speciaal eigen merk aangeboden produkten in zijn assortiment wil opnemen, zich moet aansluiten bij een door de grossier georganiseerde "verkoop-formule" en, zo hij zich aansluit, verplicht is voor die produkten de wederverkoopprijzen te hanteren die in het kader van die formule worden vastgesteld door de grossier, door de gezamenlijke deelnemers aan de formule of door de grossier en de deelnemers gezamenlijk?
V Maakt het daarbij verschil of de detaillist economisch gezien geen reëel alternatief heeft voor die verkoopformule zolang hij aan de afname-overeenkomst met de grossier gebonden is?
VI Is het voor het antwoord op vraag I of vraag II van belang dat de detaillist het percentage van zijn totale behoefte dat hij vrij is van derden te betrekken, om economische redenen gedeeltelijk toch van de grossier zal moeten betrekken?
VII Is het voor het antwoord op vraag I of vraag II van belang dat de prestaties van de grossier ten behoeve van de detaillist van betrekkelijk geringe betekenis zijn in verhouding tot de verplichtingen van de detaillist jegens de grossier en de duur van die verplichtingen?
VIII Wordt het antwoord op vraag I of vraag II mede bepaald door de grootte van het marktaandeel van de grossier binnen de desbetreffende branche en/of binnen de categorie vrijwillig filiaalbedrijf in die branche, een en ander berekend naar de jaaromzet in het gehele gebied van de betrokken lidstaat?
IX Indien het antwoord op vraag I of vraag II bevestigend luidt, moet dan tevens worden aangenomen dat de overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden?
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over de onder 4 omschreven vragen van uitlegging van art. 85 lid 1 van het EEG- verdrag;
houdt iedere verdere uitspraak aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van dit verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Roelvink, Davids en Heemskerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Hermans op 1 juni 1990.
Conclusie 01‑06‑1990
Inhoudsindicatie
Afname-overeenkomst en concurrentieverbod artikel 85 EEG-Verdrag.
RN
Nr. 13 903
Zitting 20 april 1990
Mr. Mok
Conclusie inzake
DONKELAAR SUPERMARKT B. V.
tegen
UNIGRO N.V.
Edelhoogachtbaar college,
1. Feiten
1.1. Donkelaar, eiseres van cassatie, drijft een supermarktonderneming in Bennekom. In 1974 heeft zij een door de toenmalige eigenaar via Unigro, verweerster in cassatie, te koop aangeboden onderneming overgenomen. Nadien heeft Donkelaar, met behulp van Unigro, haar bedrijf naar een ander, van Unigro gekocht, pand te Bennekom verplaatst.
Ter gelegenheid van die verplaatsing is tussen partijen een aantal overeenkomsten gesloten. Om één daarvan, een afnameovereenkomst d.d. 30 november 1976, gaat het thans. Een gedeelte daarvan is opgenomen in het vonnis dat in de onderhavige zaak in eerste aanleg is gewezen1..
1.2. De afnameovereenkomst was voor 25 jaar gesloten (art. 9). De Algemene Verkoopvoorwaarden van Unigro werden geacht daarvan deel uit te maken (art. 7).
Door de overeenkomst verplichtte Donkelaar zich (in beginsel2.) 85% van het door haar voor de verkoop en detail gevoerde assortiment produkten van Unigro te betrekken (art. 1, sub a).
Voorts diende Donkelaar haar bedrijf te voeren volgens de door Unigro gegeven richtlijnen (art. 9, sub a). Ten slotte vermeld ik een concurrentiebeding dat Donkelaar verbood, zowel tijdens de duur van de overeenkomst als vijf jaar daarna, zonder toestemming van Unigro, een levensmiddelenbedrijf (en gros of en detail) te exploiteren (art. 5).
1.3. De gesloten overeenkomsten hadden voorts o.m. betrekking op een geldlening van Unigro aan Donkelaar, welke Donkelaar in 1980 heeft afgelost.
1.4. Op initiatief van Donkelaar zijn onderhandelingen over de verkoop van diens bedrijf aan Unigro gevoerd. Volgens het vonnis in eerste aanleg zou Donkelaar eind 1983 die onderhandelingen hebben afgebroken; het hof heeft in het midden gelaten of Donkelaar dan wel Unigro de onderhandelingen had afgebroken.
Bij brief van 16 januari 1984 heeft Donkelaar vervolgens gevraagd de afnameovereenkomst met ingang van 30 november 1986 te beëindigen. Unigro heeft dit geweigerd.
1.5. Unigro heeft op een gegeven moment een nieuwe winkelformule ontwikkeld, aangeduid als "Club 199". Daarbij heeft, nadat de eerder gehanteerde, maar als verouderd beschouwde, "Vivo"-formule in 1984 was verlaten, ook Donkelaar zich aangesloten.
Toetreding tot de 199-formule geschiedt op vrijwillige basis en uittreding is - afgezien van economische nadelen - te allen tijde mogelijk.
Unigro voert in haar assortiment omstreeks 9000 artikelen. Dit assortiment bestaat (o.m.) uit merkartikelen en artikelen die onder een eigen merk van Unigro ("Super") worden aangeboden. Deze laatste artikelen worden echter alleen verkocht in winkels die zich bij de "Club 199"-formule hebben aangesloten.
In het kader van de "Club 199"-formule wordt voor een aantal produkten (het hof heeft aangenomen dat het hier om de "Super"-merken gaat) verticale prijsbinding toegepast3..
2. Verloop procedure
2.1. Bij dagvaarding, uitgebracht op 18 juni 1984, heeft Donkelaar voor de rechtbank te Utrecht een verklaring voor recht gevorderd, inhoudende dat de afnameovereenkomst van rechtswege nietig zou worden verklaard, althans (subsidiair) voor zover deze was aangegaan voor een langere duur dan tien jaar.
Meer subsidiair vorderde Donkelaar dat de rechtbank zou verklaren dat Unigro niet te goeder trouw nakoming van de afnameovereenkomst kon vorderen na verloop van 10 jaar na de datum van ondertekening (dus na 30 november 1986).
De vorderingen tot nietigheid baseerde Donkelaar op ongeoorloofde oorzaak (die zou bestaan in misbruik van omstandigheden) en op art. 85 van het EEG-verdrag.
Bij conclusie van repliek heeft Donkelaar, onder handhaving van haar oorspronkelijke vorderingen, een subsidiaire vordering tot ontbinding wegens wanprestatie toegevoegd.
2.2. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.
2.3. Op door Donkelaar ingesteld hoger beroep heeft het gerechtshof te Amsterdam beslist dat de grieven het geschil in volle omvang aan de orde stelden.
2.4. Het hof heeft, op hierna voor zover nodig te behandelen gronden, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.5. Tegen het arrest van het hof heeft Donkelaar tijdig beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van een middel dat uit een aantal onderdelen en subonderdelen bestaat.
Het middel vecht de uitspraak van het hof aan, voor zover deze betrekking heeft op de aspecten strijd met art. 85 van het EEG-verdrag, misbruik van omstandigheden en goede trouw. De door Donkelaar ingeroepen wanprestatie is in cassatie niet meer aan de orde.
3. Plan van behandeling
De vraag of de afnameovereenkomst nietig is wegens strijd met art. 85 van het EEG-verdrag kan afhangen van kwesties van uitleg van Europees gemeenschapsrecht. Die kwesties zouden in deze thans in hoogste instantie gevoerde bodemprocedure mogelijk moeten leiden tot het vragen van een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG).
Daartoe kan de Hoge Raad echter alleen overgaan indien hij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van zijn arrest (art. 177, lid 2, EEG-verdrag).
Een dergelijke noodzaak hangt mede af van de beslissing over de andere onderdelen van het middel dan die welke betrekking hebben op het EEG-verdrag.
Om deze reden zal ik eerst op de aspecten misbruik van omstandigheden en strijd met de goede trouw ingaan en daarna de kartelrechtelijke kant van de zaak behandelen.
4. Misbruik van omstandigheden
4.1. Volgens het hof had de rechtbank met juistheid overwogen dat Donkelaar onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld die, indien bewezen, een beroep op nietigheid van de afnameovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden bij het aangaan van die overeenkomst zouden rechtvaardigen. Ook in hoger beroep achtte het hof de stellingen van Donkelaar in dit opzicht onvoldoende.
4.2. Hiertegen keren zich de onderdelen 9-12 van het middel. Deze bevatten ten dele rechtsklachten (onderdelen 9 en 10), ten dele motiveringsklachten (onderdelen 11 en 12 en - aanvullend - ook onderdeel 9).
4.3. Misbruik van omstandigheden is volgens art. 3:44, lid 4, (art. 3.2.10, lid 4) NBW aanwezig
"wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van een rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden."
Misbruik van omstandigheden is volgens het NBW een wilsgebrek dat de desbetreffende rechtshandeling vernietigbaar maakt.
4.4. Naar geldend recht kan een overeenkomst, die door misbruik van omstandigheden tot stand gekomen is, beschouwd worden wegens strijd met de goede zeden een ongeoorloofde oorzaak te hebben en daarom nietig te zijn4..
Aan het leerstuk zijn verscheidene proefschriften gewijd5.en er bestaat ook bestaat veel verdere literatuur over6..
4.5.1. Onderdeel 9 bevat een mixtum van een rechtsklacht en motiveringsklachten. De feitelijke uitgangspunten van het onderdeel zijn in het eerste gedeelte daarvan, sub a-d, uiteengezet.
Al deze onderdelen berusten op onnauwkeurige lezing of onnauwkeurige weergave van het bestreden arrest.
4.5.1.1. Sub a wijst het onderdeel er op dat het hof (in r.o. 4.16, die overigens niet op misbruik van omstandigheden, maar op het kartelrechtelijke aspect slaat) een 25-jarige afnameperiode "wel zeer lang" genoemd had.
Dat heeft het hof inderdaad gezegd, maar het heeft daar iets aan toegevoegd, dat men kan samenvatten als "maar niet te lang". Daarbij heeft het hof de voor Donkelaar resterende vrijheden en de voor derden resterende concurrentiemogelijkheden in zijn overwegingen betrokken.
4.5.1.2. Sub b wordt gewag gemaakt van de onervarenheid van Donkelaar tegenover de in economisch opzicht veel sterkere positie van Unigro.
Evenwel overweegt het hof in r.o. 4.20 dat Unigro onder de gebleken omstandigheden niet had moeten weten of begrijpen dat Donkelaar nog zo ondeskundig en onervaren was dat deze de reikwijdte en betekenis van de afnameverplichting niet heeft kunnen onderkennen. Daar voegt het hof aan toe dat als Donkelaar en haar directeur zo onervaren waren als thans wordt beweerd, zij zich daarvan bewust moeten zijn geweest en zich van deskundige bijstand (van anderen dan Unigro) hadden moeten voorzien.
Aldus is het hof m.i. geenszins van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Het heeft zich in tegendeel gebaseerd op de formulering van art. 3:44, lid 4, NBW, op het stuk van onervarenheid van de wederpartij. Die formulering is in overeenstemming met de rechtspraak onder het geldende recht7.. Het hof meende echter dat in feite niet aan de vereisten voor het aannemen van misbruik van omstandigheden was voldaan.
4.5.1.3. Sub c werpt het onderdeel op dat Donkelaar zich (samengevat) in een dwangpositie t.o.v. Unigro had gebracht.
Dat heeft het hof inderdaad overwogen, maar die overweging heeft het vervolgens geneutraliseerd door daar tegenover te stellen dat Donkelaar zich heeft kunnen en moeten realiseren dat zij dit deed.
4.5.1.4. Sub d refereert het onderdeel aan de stelling van Donkelaar in de feitelijke instanties dat Unigro haar niet vóór de comparitie bij de notaris over de condities van de afnameovereenkomst had geïnformeerd.
Die stelling heeft echter haar relevantie verloren doordat het hof (r.o. 4.22) heeft vastgesteld dat eerst latere wijzigingen in de bedrijfsvoering bij Donkelaar bezwaren tegen de afnameovereenkomst hadden opgeroepen.
4.5.1.5. Op het bovenstaande loopt onderdeel 9 vast.
4.5.2.1. Onderdeel 10 sub a klaagt over het - hierboven in nr. 4.5.1.2. al behandelde - slot van r.o. 4.20.
Het hof had overwogen dat van Unigro niet mocht worden verwacht dat deze zich (bij het verlenen van bijstand aan Donkelaar) uitsluitend zou laten leiden door de belangen van laatstgenoemde, ook wanneer die belangen niet parallel zouden lopen aan Unigro's eigen belangen.
Het middel verdedigt dat Unigro een dergelijke situatie tijdig aan Donkelaar kenbaar had moeten maken. Het hof is er echter van uitgegaan dat Donkelaar niet zó onervaren was dat zij zich van de mogelijkheid van zo'n situatie niet bewust kan zijn geweest en dat zij zich daarom beter van deskundige bijstand van anderen dan Unigro had moeten voorzien.
Tegen deze feitelijke en niet onbegrijpelijke vaststelling klaagt het onderdeel te vergeefs.
4.5.2.2. Subonderdeel 10.b sluit hierbij aan. Het acht het door het hof aan het slot van r.o. 4.20 overwogene te meer onjuist, omdat het hof eerder (r.o. 4.5.) een rechtvaardiging van relaties als de onderhavige mede daarin gezien heeft dat de gelegenheid aan betrekkelijk onervaren ondernemers wordt gegeven te profiteren van de door de grossier ontwikkelde verkoopmethode.
Het zal de steller van het middel niet ontgaan zijn dat het hof in r.o. 4.5 de toepasselijkheid van art. 85 van het EEG-verdrag behandelt. Klaarblijkelijk wil het middel wijzen op een tegenstrijdigheid in de feitelijke vaststellingen door het hof.
M.i. is van tegenstrijdigheid echter geen sprake. Ten eerste volgt uit de constatering dat een verkooporganisatie bepaalde voordelen biedt aan (betrekkelijk) onervaren ondernemers niet dat alle (als wederverkoper) deelnemende ondernemers (betrekkelijk) onervaren zijn. Ten tweede kan een ondernemer betrekkelijk onervaren zijn op het stuk van verkoopmethoden, zonder (in het algemeen) zó onervaren te zijn dat hij niet kan begrijpen dat hij zich bij het sluiten van een belangrijk contract beter van deskundige bijstand van anderen dan de wederpartij kan voorzien.
4.5.2.3. Onderdeel 10 is vruchteloos voorgesteld.
4.5.3. De motiveringsklacht van onderdeel 11 is niet geheel helder. Gezien de plaats van het onderdeel in het middel, neem ik aan dat het betrekking heeft op het gestelde misbruik van omstandigheden.
Volgens dit onderdeel is het bestreden arrest onvoldoende gemotiveerd, indien ervan moet worden uitgegaan dat de door het hof in r.o. 4.4. bedoelde soortgelijke overeenkomsten (d.w.z. met andere wederverkopers dan Donkelaar) voor belangrijk kortere termijnen zijn aangegaan.
R.o. 4.4. heeft betrekking op het kartelrechtelijke aspect. Voor de toepasselijkheid van art. 85 op exclusieve afnamecontracten kan, aldus blijkt uit de hierna te noemen rechtspraak van het HvJEG, het "bundeleffect" van belang zijn. In r.o. 4.4. stelt het hof vast dat dit effect zich bij de verkooporganisatie van Unigro voordoet, omdat met andere aangesloten vrijwillig filiaalhouders soortgelijke overeenkomsten als met Donkelaar zijn gesloten. De termijnen waarvoor die soort-gelijke overeenkomsten zijn aangegaan, komen in r.o. 4.4. niet aan de orde en zij zijn voor het aldaar betoogde ook niet relevant.
Overigens geven de gedingstukken geen aanleiding voor de veronderstelling dat de "soortgelijke overeenkomsten" kortere termijnen kennen. Het onderdeel gaat derhalve uit van een onjuiste veronderstelling en kan daarom niet slagen.
4.5.4. Onderdeel 12 bouwt voort op de onderdelen 9-11 en moet het lot daarvan delen.
5. Redelijkheid en billijkheid
5.1. Het hof heeft in r.o. 4.28 (stellend zich op dit stuk met het oordeel van de rechtbank te verenigen) overwogen dat het door Donkelaar aangevoerde onvoldoende is om aan te nemen dat zich hier een wijziging van omstandigheden voordoet van dien aard, dat Unigro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet zou mogen verlangen.
5.2. Hiertegen is onderdeel 13 in zijn verscheidene subonderdelen gericht.
5.3.1. Subonderdeel a stelt dat het hof in r.o. 4.28 blijk geeft van dezelfde rechtsopvatting t.a.v. Unigro's handelwijze bij de totstandkoming van de afnameovereenkomst als eerder i.v.m. Donkelaars beroep op misbruik van omstandigheden. De onjuistheid van die rechtsopvatting zou ook de door het hof gegeven beoordeling op dit punt onjuist doen zijn.
5.3.2. Nog afgezien daarvan dat het hof in r.o. 4.28 - ter versterking van de bevinding van de rechtbank inzake het beroep op redelijkheid en billijkheid - hoofdzakelijk feitelijke omstandigheden aanvoert, stuit dit onderdeel af op het hierboven (i.h.b. in nummer 4.5.1.2.) bij de behandeling van het beroep op misbruik van omstandigheden betoogde.
5.4.1. Subonderdeel b werpt op dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door i.v.m. het beroep op gewijzigde omstandigheden slechts te onderzoeken of de wederzijdse prestaties van partijen inmiddels een onaanvaardbare onevenwichtigheid vertonen.
De stelling van het middel is dat een bij het sluiten van de overeenkomst aangegane verplichting (zoals die om gedurende 25 jaar 85% van de omzet van Unigro te betrekken) door later intredende (onvoorziene) omstandigheden zo knellend kan worden dat redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten de wederpartij daar nog langer aan te houden.
5.4.2. Naar mijn inzicht gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Aanknopend bij zijn overwegingen over misbruik van omstandigheden concludeert het hof eerst dat bij het sluiten van de overeenkomst geen sprake was van een onaanvaardbare onevenwichtigheid. Vervolgens onderzoekt het of latere gebeurtenissen daarin verandering gebracht hebben. De in dit verband centrale passage in r.o. 4.28 lijkt mij:
"Dat een onaanvaardbare onevenwichtigheid in de wederzijdse verplichtingen is opgetreden door de invoering in 1984 van de "Club-199"-formule is onvoldoende gebleken ( ... )".
Hieruit komt naar voren dat het hof heeft nagegaan of het geheel van wederzijdse verplichtingen (met inbegrip van de oorspronkelijke) door onvoorziene omstandigheden een (onaanvaardbare) onevenwichtigheid was gaan vertonen. Daaraan ligt juist de opvatting ten grondslag die het middel bepleit, zodat het subonderdeel geen doel treft8..
5.4.3. Subonderdeel c stelt dat het in de beide eerdere subonderdelen van onderdeel 13 gestelde met name wegens enkele bijzondere omstandigheden het geval is.
5.4.3.1. Sub i en ii wordt gewezen op de zeer (en in de branche ongebruikelijk) lange duur van de overeenkomst en op het feit dat reeds elf van de 25 jaren waren verstreken.
Dat zijn echter geen onvoorziene omstandigheden.
5.4.3.2. Sub iii wordt een beroep gedaan op door Donkelaar zelf genomen beslissingen (m.n. toetreding tot de "Club 199" en uitbreiding van haar bedrijfsruimte).
Die omstandigheden heeft het hof, m.i. terecht, niet aangemerkt als onvoorziene omstandigheden die een beroep op beperkende werking van redelijkheid en billijkheid zouden kunnen rechtvaardigen.
5.4.3.3. Ook subonderdeel c van onderdeel 13 faalt.
6. Artikel 85 EEG-verdrag.
6.1. De r.oo. 4.2. t/m 4.17 van het bestreden arrest zijn gewijd aan de verenigbaarheid van de afnameovereenkomst met art. 85 van het EEG-verdrag.
In r.o. 4.17 concludeert het hof dat die overeenkomst noch op zichzelf noch in verband met wat overigens over de verhouding tussen partijen is komen vast te staan, in strijd is met art. 85, eerste lid.
6.2. Vooropgesteld moet worden dat, zoals ook uit de zojuist genoemde r.o. 4.17 blijkt, alleen het eerste lid van art. 85 aan de orde is.
Zou men, anders dan het hof, wel tot de bevinding komen dat de overeenkomst onder art. 85, lid 1, valt, dan moet in beginsel vervolgens onderzocht worden of het verbod van die bepaling op grond van het derde lid buiten toepassing verklaard is.
Buiten toepassing verklaring kan hetzij (op verzoek) individueel, bij wege van - door de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verlenen - ontheffing geschieden, hetzij generiek, door een vrijstellingsverordening.
Dat een ontheffing zou zijn verleend, is niet gesteld of anderszins gebleken9.. Voor exclusieve afnameovereenkomsten bestaat inderdaad een vrijstelling, neergelegd in verordening 1984/83 van de Commissie10.. In de procedure staat vast dat die verordening in casu niet van toepassing is11..
Zou blijken dat de overeenkomst wèl onder art. 85, lid 1, valt, dan geldt, nu het verbod niet op grond van het derde lid buiten toepassing is verklaard, ook de nietigheid van rechtswege, voorzien in art. 85, lid 212..
6.3. De overwegingen van het hof inzake de toepasselijkheid van art. 85, lid 1, worden door het middel (onderdelen 2 t/m 8) in de kern bestreden.
6.4. Volledigheidshalve merk ik op dat r.o. 4.5. enkele minder gelukkig geformuleerde (als zodanig overigens niet bestreden) uitgangspunten bevat.
In de eerste plaats overweegt het hof dat een distributiestelsel als door Unigro is opgezet "op zichzelf geen ongunstige invloed op de mededinging heeft". Die formulering is een combinatie - of liever: contaminatie - van twee afzonderlijke criteria voor de toepasselijkheid van art. 85, lid 1, en werkt daardoor vertroebelend.
In de tweede plaats noemt het hof in de laatste twee zinnen van de rechtsoverweging economische voordelen die dankzij een dergelijk stelsel bereikt kunnen worden. Dergelijke voordelen doen echter niet af aan de toepasselijkheid van art. 85, lid 1. Wel kunnen zij aanleiding geven tot verlening van een ontheffing of vrijstelling op grond van het derde lid wegens "bijdragen tot verbetering van de verdeling der produkten", maar dat is hier, zoals bleek, niet aan de orde.
6.5. Uit de totstandbrenging van de genoemde verordening 1984/83 is af te leiden dat de Commissie van de EG van oordeel is dat exclusieve afnameovereenkomsten onder art. 85, lid 1, kunnen vallen; anders zou de door die verordening gegeven vrijstelling immers geen zin hebben.
Hetzelfde geldt voor de Raad van de EG. Dat blijkt uit verordening 19/65 (waarin de basis is gelegd voor o.m. vo. 1984/83)13.. In art. 1, lid 1, aanhef en onder a, eerste streepje, wordt de Commissie daar gemachtigd art. 85, lid 3, bij wege van vrijstelling op exclusieve afnameovereenkomsten toe te passen.
Opvattingen van de Raad en de Commissie over de uitleg van het verdrag zijn rechtens echter niet bindend. Voor die uitleg komt het aan op de rechtspraak van het HvJ EG.
6.6. Bij deze uitleg is m.n. de vraag van belang of exclusieve afnamevereenkomsten, of bepaalde typen daarvan, ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt beperkt, verhinderd of vervalst.
Daarenboven zal ook sprake moeten zijn van het ongunstig kunnen beperken van de handel tussen lid-staten14.en moet de mededingsbeperking (c.q. de handelsbeïnvloeding) merkbaar15.zijn. Die vragen zullen, op de grondslag van de daarvoor door het HvJ EG gegeven richtlijnen, aan de hand van de feitelijke omstandigheden (door de nationale rechter) beoordeeld moeten worden.
6.7. Tegen de genoemde Raadsverordening 19/65 heeft destijds de regering van de Italiaanse Republiek16.beroep ingesteld. Het Hof heeft dat beroep verworpen17.. Uit dat arrest is wel af te leiden dat het Hof meent dat verticale overeenkomsten als die tot exclusieve afname in beginsel de mededinging kunnen beperken. Een algemeen geldende regel is uit dit arrest echter niet te destilleren.
Vervolgens heeft het Hof enkele arresten gewezen waarin overeenkomsten tot exclusieve afname van een bepaald type als concurrentiebeperkend zijn beschouwd18..
In al die zaken ging het echter om door de leverancier in het verkeer gebrachte (in casibus zelf geproduceerde) waren. De afnemer werd daar beperkt in de keus van de produkten die hij kon voeren c.q. gebruiken.
In de onderhavige zaak ligt het anders: Donkelaar is in feite niet beperkt in de keus van de waren die hij kan voeren, maar alleen in de keus van degene van wie hij die kan betrekken r.o. 4.9.). Dat moet (voor 85%) bij Unigro geschieden (r.o. 4.8.).
6.8. Het voorgaande betekent dat wij hier te maken hebben met een type exclusieve afnameovereenkomst waarvan het HvJEG nog niet beslist heeft of dit beschouwd moet worden als ertoe te strekken of ten gevolge te hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt en vervalst.
Wel is althans een door het HvJ geformuleerd vereiste om aan het geciteerde criterium te voldoen19., vervuld. Dat is het zgn bundel-vereiste. Zoals uit r.o. 4.5. in het bestreden arrest volgt, past de litigieuze afnameovereenkomst in het distributiestelsel dat Unigro met haar vrijwillige filiaalhouders heeft opgezet. Men mag er van uitgaan dat Unigro met de overige, met Donkelaar te vergelijken, wederverkopers soortgelijke overeenkomsten heeft gesloten.
Het falen van het cassatiemiddel, voorzover betrekking hebbend op het beroep op misbruik van omstandigheden en op de toepassing van maatstaven van redelijkheid en billijkheid, brengt mee dat de vraag naar de toepasselijkheid van art. 85, lid 1, EEG-verdrag beslissend is voor de uitkomst van het cassatieberoep.
Aangezien laatstgenoemde vraag weer afhangt van de uitleg van art. 85, lid 1, welke uitleg niet zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan20.en evenmin, voor het onderhavige type overeenkomsten uit de rechtspraak van het HvJ EG volgt, meen ik dat hierover aan dit Hof een prejudiciële beslissing dient te worden gevraagd.
6.9. Het bestreden arrest en de daartegen door het middel, inzake de verenigbaarheid met art. 85, lid 1, aangevoerde klachten, geven m.i. aanleiding over de hierna genoemde punten vragen van uitleg tot het HvJ EG te richten.
Omdat het Amsterdamse hof in r.o. 4.10 ook de merkbaarheid van de gevolgen van de overeenkomst in zijn overwegingen heeft opgenomen, zou ik dat begrip in de vraagstelling willen betrekken. In verband daarmede verdienen ook de marktverhoudingen aandacht. Deze blijken, tot op zekere hoogte, uit het bestreden arrest (r.o. 4.4.), waarbij het hof Nederland kennelijk als de relevante geografische markt heeft aangemerkt.
Ik zou de volgende vragen willen suggereren:
1. Heeft een overeenkomst tussen een groothandelsonderneming en een detailhandelsonderneming, welke laatste het zgn. vrijwillig filiaalbedrijf uitoefent, wanneer deze overeenkomst deel uitmaakt van een stelsel van soortgelijke overeenkomsten die de groothandelsonderneming met andere detailhandelsondernemingen heeft gesloten, die de detailhandelaar verplicht de door haar verhandelde artikelen bij de wederpartij in te kopen, maar de detailhandelaar wel vrijlaat in de keuze van de aard en het merk van die artikelen, de strekking of het gevolg dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt (merkbaar) wordt verhinderd, beperkt of vervalst?
2. Is voor het antwoord op vraag 1 van belang dat:
a. de groothandelaar op verlangen van de detaillist in beginsel ieder artikel in zijn assortiment zal opnemen en dat de groot-handelsonderneming op haar beurt niet aan enige exclusieve afnameverplichting is gebonden?
b. de afnameovereenkomst slechts op 85% van de totale omzet van de detailhandelaar betrekking heeft en deze laatste rechtens vrijlaat in het betrekken van het resterende gedeelte?
c. de overeenkomst een looptijd heeft van 25 jaar?
d. het de detaillist gedurende de looptijd van de overeenkomst en tot vijf jaar daarna verboden is een concurrerend bedrijf binnen een straal van 5 km. van zijn vestigingsplaats uit te oefenen?
e. tussen partijen beperkingen van de vrijheid van de detaillist om zijn bedrijf te verkopen of over te dragen overeen zijn gekomen?
f. de detaillist zijn bedrijf volgens richtlijnen en aanwijzingen van de groothandelaar moet voeren en dat deze aanwijzingen de verplichting kunnen inhouden wederverkoopprijzen op een bepaald bedrag of binnen een bepaalde marge vast te stellen?
g. het vrijwillig filiaalbedrijf op de relevante geografische markt in de desbetreffende branche een marktaandeel van 34% heeft (tegen het grootwinkelbedrijf 66%) en dat de in vraag 1 bedoelde groothandelsonderneming binnen de categorie vrijwillig filiaalbedrijf in deze branche een marktaandeel van 24% heeft?
7. Conclusie
Mijn conclusie luidt als volgt:
- tot verwerping van het beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen van het hof op het stuk van misbruik van omstandigheden en de eisen van redelijkheid en billijkheid;
- tot het richten van een verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over vragen van uitleg van art. 85 van het EEG-verdrag, als hierboven in nr. 6.9. aangegeven;
- tot het aanhouden van iedere verdere beslissing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑06‑1990
De overeenkomst bevat het voorbehoud 'voor zover Unigro deze produkten in haar assortiment voert'. Dat voorbehoud speelt in de procedure geen rol.
De meeste in § 1 vermelde feiten zijn te vinden in de r.co. 2 en 3 van het vonnis van de rechtbank, waarnaar het hof in r.o. 3.1. heeft verwezen. De in nr. 1.5. genoemde feiten zijn ontleend aan de r.co. 4.4. en 4.14 van het bestreden arrest.
HR 11 jan. 1957, NJ 1959, 37, m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh, AA VI, p. 181, m.nt. J.H. Beekhuis; HR 29 mei 1964, NJ 1965, 104, m.nt. G.J. Scholten, AA 1964/5, p. 235, m.nt. W.C.L. van der Grinten.Zie voorts het rechtspraakoverzicht in Contractenrecht, losbl. (J.B.M.M. Wuisman), nrs. II-147a t/m 157 en het overzicht van de rechtspraak van de HR (met inbegrip van 'voorlo- pers') tot in het jaar 1982 bij Ruitinga (zie volgende noot), p. 247/8.De raadsman van Donkelaar heeft hij in zijn schriftelijke toelichting in cassatie de aandacht gevestigd op HR 29 jan. 1989, NJ 1989, 766 (m.nt. E.A.A. Luyten). Aldaar is overwogen dat de taak van de notaris in het rechtsverkeer meebrengt 'dat hij beroepshalve gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht.' M.i. is dit arrest niet van betekenis om te kunnen beoordelen of in een bepaald geval zodanig misbruik is gemaakt, en die vraag doet zich hier voor.
P.A. Stein, Misbruik van omstandigheden als grond voor ongeldigheid van rechtshandelingen, diss. RUL, 1957; C.J. van Zeben, De leer van het iustum pretium en misbruik van omstandigheden, diss. RUU, 1960; M.H.S. Lebens-de Mug, Het wilsgebrek misbruik van omstandigheden, diss. KUN, 1981; D.P. Ruitinga, Misbruik van economisch overwicht als grond voor het aantasten van overeenkomsten, diss. UvA, 1982.
Zie o.m. J.L.P. Cahen, Misbruik van omstandigheden, 1983, Asser-Hartkamp, Algemene leer der overeenkomsten (Asser 4-II) , 1989, nr. 209 (p. 184) e.v., Contracten- recht, losbl., t.a.p., nrs 138-157.
Asser-Hartkamp, t.a.p., nr. 212 , p. 188.
Zie over onvoorziene omstandigheden: Asser-Hartkamp, Algemene leer der overeen- komsten (Asser, 4-II, 1989, nrs. 329-341 (p. 301 e.v.) en Contractenrecht, losbl., nrs. IV-435 e.v. (W.L. Valk) en de aldaar genoemde rechtspraak en verdere literatuur.
Ontheffingsbeschikkingen worden in het Publikatieblad van de Europese Gemeen- schappen opgenomen en zijn in beschikkingsverzamelingen, zoals bijv. te vinden is in het losbladige Handboek Europese Gemeenschappen, 3, Europees Kartelrecht (Kluwer) gemakkelijk toegankelijk.
Ed. S. & J., 12A-I, 1985 (supplement bijgewerkt tot 1 juli 1988), p. 242 e.v. Zie hierover voorts c.o.m. bij HR 24 nov. 1989, NJ 1990, 163 (gegevens in voetnoot 3).
Zie de r.oo. 7 en 10 van het vonnis van de rechtbank, die in appel niet bestreden zijn (zie ook de in r.o. 4.2. van het bestreden arrest weergegeven stelling van Donkelaar). De vrijstelling is niet toepasselijk omdat de overeenkomst voor een langere duur dan vijf jaar is aangegaan (vo. 1984/83, art. 3, aanhef en onder d) en omdat op grond van de overeenkomst voor sommige produkten verticale prijsbinding is voorgeschreven (art. 2, lid 2 io. lid 3).
Tenzij sprake zou zijn van 'voorlopige geldigheid' (vgl. Van Gerven c.s., Kartelrecht II, 1986, nrs. 343-345, p. 333), maar er blijkt niet dat feiten zijn gesteld waaruit voorlopige geldigheid zou kunnen volgen.
S. & J., t.a.p., p. 225 e.v.
W. van Gerven c.s., t.a.p., nrs. 95-102, (p. 33 e.v.)
Vgl. Van Gerven c.s., t.a.p., nrs. 138-144 (p. 85 e.v.).
Het Italiaanse lid van de Raad had bij de vaststelling van de verordening tegen gestemd.
HvJ EG 13 juli 1966, zaak 32/65, Jur. 1966, p. 389, SEW 1966, p. 376 (zie ook W.L. Snijders en L.J. Brinkhorst in SEW 1967, p. 162).
HvJ EG 12 dec. 1967, zaak 23/67 (Haecht/Wilkin I), Jur. 1967, p. 511, SEW 1969, p. 39, m.nt. B. Baardman; 18 maart 1970, zaak 43/69 (Bilger/Jehle) , Jur. 1970, p. 127, SEW 1970, p. 351 (tekst arrest op p. 373), m.nt. W. van Gerven; 1 feb. 1977, zaak 47/76 (De Norre/Concordia), Jur. 1977, p. 65, SEW 1978, p. 148, m.nt. L. de Gryse; 25 maart 1981, zaak 61/80 (Coöperatieve Stremselfabriek), Jur. 1981, p. 8511, SEW 1982, p. 634, m.nt. J. de Groot. Zie ook Van Gerven c.s., t.a.p., nr. 190-196, p. 148 e.v.
Vgl. het in de vorige noot genoemde arrest-Haecht/Wilkin I.
HvJ EG 6 okt. 1982, zaak 283/81, Jur. 1983, p. 3429, NJ 1983, 55, SEW 1983, p. 341, m.nt. R.H. Lauwaars.