Zie blz.3 van het vonnis.
HR, 20-05-1988, nr. 13248
ECLI:NL:PHR:1988:AD0322
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-05-1988
- Zaaknummer
13248
- LJN
AD0322
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1988:AD0322, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑05‑1988; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1988:AD0322
ECLI:NL:PHR:1988:AD0322, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑1988
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1988:AD0322
- Vindplaatsen
Uitspraak 20‑05‑1988
Inhoudsindicatie
Passeren van bewijsopdracht als te vaag. Geen verplichting tot ambtshalve geven van bewijsaanbod. Motivering.
20 mei 1988
Eerste Kamer
Nr. 13.248
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
VE-VA FABRIKATIONS GmbH,
gevestigd te Essen, BRD,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. J.L. de Wijkerslooth,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - hierna te noemen Ve-Va - heeft bij exploot van 13 juni 1983 verweerder in cassatie - hierna te noemen [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en gevorderd dat de Rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] zal veroordelen tot betaling aan Ve-Va tegen behoorlijk bewijs van kwijting de somma van D.M. 22.757,50, althans de tegenwaarde daarvan in wettig Nederlands betaalmiddel, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 3 december 1982, althans en subsidiair met ingang van de datum van dagvaarding.
Nadat [verweerder] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank - na bij vonnis van 29 september 1983 een comparitie van partijen bevolen te hebben, welke comparitie op 24 oktober 1983 is gehouden - bij vonnis van 13 september 1984 [verweerder] bewijs opgedragen en bij vonnis van 4 juli 1985 de vordering van Ve-Va toegewezen.
Tegen deze vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 2 juni 1986 heeft het Hof [verweerder] niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het vonnis van de Rechtbank van 29 september 1983, de vonnissen van 13 september 1984 en 4 juli 1985 vernietigd en de vordering alsnog afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Ve-Va beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De zaak is voor Ve-Va toegelicht door Mr. E.C.M. Schippers, advocaat te 's-Gravenhage. De conclusie van de waarnemend-Advocaat- Generaal Asser strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De door de onderdelen 1 en 2 bestreden overweging dat "Veva in appèl geen bewijs heeft aangeboden" moet aldus worden verstaan, dat naar 's Hofs oordeel Ve-Va in hoger beroep niet een genoegzaam gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, in welk oordeel besloten ligt dat het Hof de volharding door Ve-Va in hoger beroep bij de inhoud van de van haar zijde geproduceerde processtukken niet als zodanig bewijsaanbod opvat, omdat het in die processtukken vervatte bewijsaanbod te vaag is. Aldus oordelend heeft het Hof niet blijk ervan gegeven te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. 's Hofs oordeel kan voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst, omdat daaraan 's Hofs uitleg van de processtukken ten grondslag ligt, welke uitleg van feitelijke aard is. Het Hof is niet tekort geschoten in zijn motiveringsplicht. De onderdelen 1 en 2 falen dus.
3.2 Ook onderdeel 3 is tevergeefs voorgesteld.
Geen rechtsregel verplichtte het Hof ambtshalve een bewijsopdracht te geven, terwijl het Hof ook niet gehouden was zijn beslissing om niet ambtshalve een bewijsopdracht te geven te motiveren.
4. Beslissing
De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt Ve-Va in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren De Groot en Roelvink, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 20 mei 1988.
Conclusie 20‑05‑1988
Inhoudsindicatie
Passeren van bewijsopdracht als te vaag. Geen verplichting tot ambtshalve geven van bewijsaanbod. Motivering.
DA
Nr.13.248
Zitting 8 april 1988
Mr.Asser
Conclusie inzake:
VE-VA FABRIKATIONS GMBH
tegen:
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Inleiding
1.1.
Aan r.o.4.3 van het bestreden arrest ontleen ik de volgende feiten die ook in cassatie tot uitgangspunt dienen.
1.2.
Verweerder in cassatie - [verweerder] - is van 1 juni 1981 tot 16 juni 1982 als commercieel directeur werkzaam geweest bij I.C.U., moedermaatschappij van eiseres tot cassatie - Veva - en als zodanig bevoegd Veva bij het afsluiten van transacties met derden te vertegenwoordigen. Vefa Holland BV behoorde als dochter- danwel kleindochtermaatschappij eveneens tot het I.C.U. concern en de bevoegdheden van [verweerder] strekten zich ook tot deze BV uit. In november 1981 heeft [verweerder] namens Veva een partij overjarige campingmeubelen aan Obelink's Vrijetijdsmarkt BV te Winterswijk verkocht, welke overeenkomst nadien is ontbonden. [verweerder] heeft vervolgens namens Veva de genoemde goederen doen opslaan bij Efkade te Doetinchem. In maart 1982 is [verweerder] over bedoelde goederen in onderhandeling geweest met [A] BV te [plaats] . Veva beschikt over twee daarop betrekking hebbende telexberichten. De betreffende campingmeubelen zijn niet meer bij Efkade aanwezig.
1.3.
Veva heeft in eerste aanleg [verweerder] gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en betaling gevorderd van DM 22.757,50 als vergoeding voor de schade die zij stelde geleden te hebben als gevolg van het door haar gestelde handelen van [verweerder] , dat daarin zou hebben bestaan dat [verweerder] de campingmeubelen op een gegeven moment zonder medeweten, laat staan in opdracht of met toestemming van Veva , bij Efkade zou hebben weggehaald of doen weghalen en vervoerd of doen vervoeren naar een plaats die aan Veva niet bekend was en dat [verweerder] ondanks herhaalde verzoeken en sommaties zou hebben geweigerd de goederen aan Veva terug te geven of aan Veva mee te delen waar deze goederen zich bevonden.
1.4.
[verweerder] stelde echter dat hij wel opheldering heeft willen geven waar de partij goederen was gebleven en dit ook te hebben gedaan na de sommatie van Veva en voorts dat na overleg met de directeur van I.C.U. de partij in consignatie was gegeven aan [B] BV te [plaats] , maar dat hij met de afrekening met [B] niets van doen heeft gehad omdat dit na zijn ontslag plaatsvond.
1.5.
De rechtbank heeft - na eerst een comparitie te hebben gehouden - bij haar vonnis van 13 september 1984 [verweerder] toegelaten te bewijzen "dat de bewuste partij camping meubelen in consignatie gegeven is aan [B] b.v. en onder welke condities en dat van deze transaktie blijkt uit bescheiden bij Ve-Va, zodat deze transaktie voor Ve-Va controleerbaar is". De rechtbank overwoog daartoe onder meer (kort gezegd) dat de primaire verantwoordelijkheid met betrekking tot een eventuele transaktie met [B] bij [verweerder] lag en dat deze als gevolg daarvan ook ervoor had te zorgen dat de verkoopadministratie van Veva zodanig voldoende duidelijkheid vertoonde dat nagegaan kon worden in welke vorm de transaktie was gegoten en op welke wijze deze zou worden afgewikkeld1.. Nadat door [verweerder] naar voren gebrachte getuigen waren gehoord en de gebruikelijke conclusies na enquête waren gewisseld heeft de rechtbank bij vonnis van 4 juli 1985 onder meer geoordeeld dat [verweerder] niet was geslaagd in het bewijs. Dit had hij overigens bij conclusie na enquête ook erkend, stellende (kort gezegd) dat hij de consignatieovereenkomst niet kon bewijzen omdat uit de verhoren naar voren zou zijn gekomen dat met [B] een koopovereenkomst zou zijn gesloten - en heeft zij [verweerder] veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag.
1.6.
[verweerder] is vervolgens tegen de vonnissen van de rechtbank bij het Hof te 's-Hertogenbosch in hoger beroep gegaan. De eerste twee appèl-grieven waren gericht tegen het vonnis met de bewijsopdracht. In grief I kwam hij op tegen de bewijsopdracht die de rechtbank hem had gegeven en in grief II tegen het aan die opdracht ten grondslag liggende oordeel van de rechtbank dat [verweerder] "de" verantwoordelijke was voor de transactie met [B].
1.7.
Het hof oordeelde de beide genoemde grieven gegrond. Daartoe overwoog het allereerst2., kort samengevat, dat onder de gegeven omstandigheden niet gezegd kon worden dat [verweerder] als enige de verantwoordelijkheid droeg voor een eventuele transactie met [B] noch dat het tot zijn taak behoorde toe te zien op voldoende duidelijkheid daaromtrent in de verkoopadministratie van Veva . Daarop overwoog het hof3.:
"Het was dan ook aan Veva geweest de grondslag van haar vordering te bewijzen en niet aan [verweerder] om de juistheid van zijn - door Veva onvoldoende ontzenuwd - verweer aan te tonen".
1.8.
In r.o.4.5 besliste het hof dan dat [verweerder] ten onrechte met bewijs was belast en dat daarom het vonnis van 13 september 1984 en het daarop voortbouwend vonnis van 4 juli 1985 dienden te worden vernietigd.
1.9.
Vervolgens moest het hof nog verder beslissen over de vordering. Dat deed het in r.o.4.6. Het overwoog daarin eerst:
"Nu Veva in appèl geen bewijs heeft aangeboden is er geen plaats voor een aan haar in overeenstemming met het hierboven onder 4.4 overwogene alsnog in hoger beroep te geven bewijsopdracht. Haar oorspronkelijke vordering zal derhalve, na vernietiging der vonnissen van 13 september 1984 en van 18 april 1985, moeten worden afgewezen wegens onvoldoende bestrijding van het daartegen door [verweerder] gevoerde verweer, waardoor de beide door [verweerder] tegen het vonnis van 18 april 1985 aangevoerde grieven haar belang hebben verloren".
1.10.
Van 's hofs arrest is Veva tijdig bij Uw Raad met één middel in cassatie gekomen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
2.1.
De klachten van het middel richten zich tegen r.o.4.6 en daarvan met name de eerste zin. Onderdeel 1 bevat, als ik het goed zie eerst een algemene rechts- en motiveringsklacht. Vervolgens wordt de rechtsklacht uitgewerkt met het betoog dat Veva in eerste aanleg een bewijsaanbod had gedaan en zij dit in hoger beroep niet behoefde te herhalen. In Onderdeel 2 wordt betoogd dat, als de overweging van het hof aldus moet worden opgevat dat Veva in hoger beroep haar in eerste aanleg gedaan bewijsaanbod - indien al nodig - met zoveel woorden - uitdrukkelijk - had moeten herhalen, 's hofs opvatting geen steun vindt in het recht omdat dit niet behoeft te gebeuren en voldoende is dat, zoals Veva bij memorie van antwoord heeft gedaan en waaraan het hof is voorbijgegaan, wordt volhard bij hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd. In onderdeel 3 wordt betoogd dat het hof in elk geval ambtshalve een bewijsopdracht had dienen te geven aan Veva en in ieder geval had moeten motiveren waarom het dat niet heeft gedaan.
2.2.
Het komt mij voor dat de bestreden overweging aldus moet worden gelezen dat het hof de opmerking van Veva bij memorie van antwoord4., dat zij volledig volhardt bij de inhoud van alle van haar zijde geproduceerde en in het geding gehouden processtukken van de eerste aanleg, heeft beschouwd als onvoldoende om te dienen als een bewijsaanbod in hoger beroep dat voldeed aan de daaraan te stellen eisen.
2.3.
Wat zijn die eisen?5.Een daarvan is dat het bewijsaanbod voldoende gespecificeerd, voldoende concreet moet zijn, dat duidelijk is op welke feitelijke stellingen het betrekking heeft. Het bewijsaanbod dat Veva bij conclusie van repliek6.in eerste aanleg heeft gedaan luidde:
"Zonder onverplicht enige bewijslast op zich te willen nemen, biedt eiser het bewijs aan van haar stellingen, in het bijzonder d.m.v. getuigen".
Dat is op zichzelf al weinig gespecificeerd. Wanneer nu de appèlrechter zo'n aanbod als te weinig concreet passeert of zelfs van oordeel is dat dit niet als een deugdelijk aanbod in appèl kan gelden, behoeft die rechter geen rechtsregel te schenden, ook niet zijn motiveringsplicht, die immers moet worden afgemeten naar wat partijen hebben gesteld: hoe vager de stellingen van partijen, des te minder eisen aan de motiveringsplicht gesteld worden.
2.4.
Met het oog hierop loop ik na wat er eventueel nog te bewijzen viel. Het belangrijkste feitelijke punt van geschil was wat er gebeurd is met de goederen nadat - naar 's hofs vaststelling - [verweerder] ze namens Veva heeft doen opslaan bij Efkade.
2.5.
Hieromtrent heeft het hof in r.o.4.4 overwogen dat Veva wel het verweer van [verweerder] heeft aangevochten, zeggende dat noch haar noch Vefa Holland B.V. noch I.C.U. tot december 1982 iets naders omtrent de bij Efkade opgeslagen goederen of zelfs maar de naam [B] bekend is geweest, maar dat dit, zeker wat Veva betreft, moeilijk te rijmen valt met het feit dat Veva over de beide eerder genoemde telex-berichten blijkt te beschikken. Het hof geeft hiermee dus te kennen dat het aan de weergegeven betoog geen geloof hecht. Onder deze omstandigheden en mede gezien de positie van [verweerder] als commercieel directeur van I.C.U. kan, aldus het hof voorts in die rechtsoverweging, niet gezegd worden dat [verweerder] als enige de verantwoordelijkheid droeg voor een eventuele transactie met [B] noch dat het tot zijn taak behoorde toe te zien op voldoende duidelijkheid daaromtrent in de verkoopadministratie van Veva .
2.6.
Op grond hiervan oordeelt het hof dan in de laatste zin van deze rechtsoverweging, als ik het goed zie, dat op Veva de bewijslast was blijven rusten ten aanzien van de grondslag van haar vordering en dat er voor een "omkering" van de bewijslast door [verweerder] met het bewijs van zijn verweer te belasten geen plaats was. Het hof heeft hier dus nog geen uitspraak gedaan over de vraag of Veva nog wel de gelegenheid diende te krijgen bewijs te leveren.
2.7.
Maar duidelijk is wel dat Veva geen gemakkelijke taak zou hebben om aan te tonen dat niettegenstaande wat het hof had overwogen omtrent [verweerder] positie en verantwoordelijkheid [verweerder] aansprakelijk was voor de door Veva gestelde schade. Ik acht dan ook - mede in het licht van de omstandigheid dat in eerste aanleg uit de verklaringen van twee getuigen zou kunnen worden opgemaakt (kort gezegd) dat de campingmeubelen door [B] van Veva waren gekocht, ontvangen en betaald - niet onbegrijpelijk en niet in strijd met enige rechtsregel dat het hof geen genoegen neemt met het slechts in algemene termen gesteld bewijsaanbod van Veva in eerste aanleg dat zij bovendien niet dan impliciet en in nog algemenere bewoordingen in hoger beroep had herhaald.
2.8.
Op grond van het voorgaande meen ik dat de eerste twee onderdelen van het middel niet tot cassatie kunnen leiden.
2.9.
Dat lot treft ook het derde onderdeel. Het hof was, zeker onder de gegeven omstandigheden, niet verplicht ambtshalve bewijs op te dragen en dat het hof dat niet heeft gedaan staat als behorend tot de vrijheid van de rechter in de feitelijke instanties in cassatie niet ter beoordeling7..
2.10.Nu het middel in geen van zijn onderdelen doel treft bereik ik de volgende conclusie.
3. Conclusie
Deze strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑1988
In r.o.4.4, blz.9-10.
r.o.4.4, laatste alinea.
Onder 18, blz.6.
Zie over dit onderwerp met name J.J.Vriesendorp, De instructie in burgerlijke zaken voor de gerechtshoven, in: Een goede procesorde (Haardt- bundel), 1983, blz.208-214. Zie ook Burg.Rechtsvordering, art.199, aant.6- 7 en art.353, aant.4, met verdere literatuur en met rechtspraak.
Onder 9, blz.4.
Zie bijvoorbeeld HR 15 oktober 1982, NJ 1983,341; HR 13 juni 1986, NJ 1986,764 (PAS). Zie verder Burg.Rechtsvordering, art.199, aant.8.