HR, 15-07-1987, nr. 7211
ECLI:NL:HR:1987:AC4269
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-07-1987
- Zaaknummer
7211
- LJN
AC4269
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1987:AC4269, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑07‑1987; (Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1987:4
ECLI:NL:PHR:1987:4, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑05‑1987
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1987:AC4269
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑07‑1987
Inhoudsindicatie
Wijziging Alimentatie; levensonderhoud.
15 juli 1987
Eerste Kamer
Rek.nr. 7211
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: Mr. T.G. Scheer,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 10 april 1986 heeft verzoeker tot cassatie – verder te noemen de man – zich gewend tot de Rechtbank te Zutphen met het verzoek de door hem ingevolge vonnis van de Rechtbank van 14 februari 1985 verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van verweerster in cassatie – verder te noemen de vrouw – met ingang van 1 april 1986 te stellen op nihil.
Nadat de vrouw tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 21 oktober 1986 haar vonnis van 14 februari 1985 gewijzigd in dier voege, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 april 1986 wordt bepaald op f. 550,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen met bepaling dat deze alimentatie voor het eerst van rechtswege zal worden verhoogd met ingang van 1 januari 1988 met het ingaande dat jaar geldende wettelijke indexeringspercentage en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij beschikking van 3 februari 1987 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Ten Kate strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Middel I faalt. Bij de bepaling van de draagkracht van een tot uitkering verplichte persoon in de zin van art. 1:397 BW heeft de rechter in beginsel rekening te houden met alle inkomsten die de onderhoudsplichtige feitelijk ter beschikking staan. De in hoger beroep verdedigde, in het middel herhaalde, opvatting van de man dat bij de bepaling van zijn draagkracht zijn inkomsten uit een pensioen dat hij geheel voor het huwelijk en buiten Nederland heeft opgebouwd buiten beschouwing moeten worden gelaten, vindt – zoals het Hof met juistheid heeft overwogen – geen steun in het recht.
3.2 Middel II richt zich tevergeefs tegen ’s Hofs oordeel dat de vrouw naast de door haar genoten AOW-uitkering en naast hetgeen haar nog resteert van het aan haar toegescheiden aandeel in de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning, nog behoefte heeft aan de door de Rechtbank bepaalde bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Dit niet onbegrijpelijke oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, overigens in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Snijders als voorzitter en de raadsheren Van den Blink, De Groot, Hermans en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 15 juli 1987.
Conclusie 01‑05‑1987
Inhoudsindicatie
Wijziging alimentatie.
AC
Rek.nr. 7211
(Wijziging alimentatie)
Parket, 1 mei 1987
Mr. ten Kate
Conclusie inzake:
[de man]
tegen
[de vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. Voor de draagkracht van de man (verzoeker tot cassatie) zijn beslissend de financiën die de man feitelijk ter beschikking staan. Voor gegevens mag ik verwijzen naar Van Zeben in Kluwers losbladige ‘’Personen- en familierecht’’ I, aant. 2 onder a bij art. 157.
2. Daarbij speelt in beginsel geen rol, uit welke bron deze inkomsten stammen.
3. Evenmin geldt als grens ‘’dat de vrouw in redelijkheid geen grotere aanspraak op het pensioen van de man kan maken dan haar bij wege van pensioenverrekening ten deel zou vallen’’. Zie r.o. 3.2 (slot) HR 21 november 1986, NJ 1987, 227.
4. Eenmaal aangenomen dat een vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud wegens gewijzigde omstandigheden gewijzigd moet worden, zoals in casu kennelijk door Rechtbank en Hof is aangenomen, dient de rechter de vraag of een nieuwe bijdrage moet worden vastgesteld en in welke omvang, te beantwoorden aan de hand van alle omstandigheden van het geval, zij het uiteraard binnen de grenzen van het hem voorgelegde verzoek. Zie voor gegevens Minkenhof in Kluwers losbladige ‘’Personen- en familierecht’’ II, aant. 8 bij art. 401.
5. Het eerder aangetekende geldt dus evenzeer in het onderhavige geval, waarin wijziging op verzoek van de man aan de orde is.
6. De omstandigheid dat het door het Hof voor de huidige draagkracht van de man meegetelde pensioen door de man als K.N.I.L. militair is verworven zeven jaar vóór het sluiten van het huwelijk met de vrouw en dat dit pensioen in Indonesië en niet in Nederland is verworven, doet deze beslissing dan ook niet in strijd met het recht en de hier geldende normen komen noch ook is deze beslissing in voormeld licht onbegrijpelijk gemotiveerd.
7. Middel I mist derhalve doel.
8. Middel II mist reeds doel, omdat de beslissing van het Hof omtrent de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, die de man verschuldigd is, in hoofdzaak afhankelijk is van feitelijke vaststellingen, waarderingen en afwegingen. Zodanige beslissing kan wegens deze verwevenheid in cassatie niet ten toets worden gebracht, zoals dit middel niet in feite doet.
9. Voor zover in het middel de gedachte verscholen ligt dat de vrouw, die een uitkering ingevolge de AOW geniet, reeds daarom geen aanspraak op alimentatie kan maken, gaat dit middel uit van een onjuiste rechtsopvatting.
10. Voor de bepaling van een alimentatiebijdrage dienen, zoals hier reeds eerder gezegd, alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen, waaronder de welstand waarin partijen leefden, de behoefte van de vrouw.
11. Het enkele feit dat een uitkering ingevolge de AOW wellicht een basisuitkering kan worden genoemd, zoals in het middel wordt aangevoerd, doet daaraan niet af. Vgl. r.o. 3.1 HR 21 november 1986, NJ 1987, 227.
12. Zo behoeft in het omgekeerde geval dat de man een uitkering ingevolge de ABW geniet, dit de rechter onder omstandigheden niet ervan te weerhouden niettemin een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te bepalen. Vgl. bijv. HR 3 november 1978, NJ 1979, 107.
13. Ook in het kader van het verweer uit art. 1:153 B.W. is het van de omstandigheden van het geval afhankelijk, of een uitkering op grond van de algemene verzekeringswetten een voldoende voorziening mag heten. Vgl. HR 20 mei 1977, NJ 1978, 253; HR 9 februari 1979, NJ 1979, 413 (EAAL).
14. De omstandigheid dat de vrouw f 42.000,-- bij de boedelscheiding heeft gekregen, waarop in het middel voorts beroep wordt gedaan, heeft het Hof gewogen (p. 3, eerste volle alinea).
15. De desbetreffende motivering van feitelijke aard is in cassatie ook niet bestreden, zo daartoe reeds gronden zouden zijn.
16. Gezien het aangetekende onder 8 hierboven, kan ook deze stelling derhalve niet tot cassatie leiden.
De conclusie strekt tot verwerping van het verzoek tot cassatie met een beslissing over de kosten met in achtneming van art. 828 i lid 2, slotvolzin Rv. en art. 57 b Rv.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,