HR, 04-02-1983, nr. 6086
ECLI:NL:PHR:1983:AG4542
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-02-1983
- Zaaknummer
6086
- LJN
AG4542
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1983:AG4542, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑02‑1983; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1983:AG4542
ECLI:NL:PHR:1983:AG4542, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑02‑1983
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1983:AG4542
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑02‑1983
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Motivering beslissing tot wijziging alimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden; art. 1:401 BW. Motiveringsklacht tegen het in aanmerking nemen van verschuldigde lijfrentepremie bij draagkrachtbepaling.
4 februari 1983
Eerste Kamer
Req.nr. 6086
J.O. - L.
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [plaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: Mr. E. Grabandt,
tegen
[de man],
wonende te [plaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: Jhr.Mr. J.L.R.A. Huydecoper.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 19 december 1980 heeft verweerder in cassatie - hierna de man - zich gewend tot de Rechtbank te Alkmaar met het verzoek, met wijziging van een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 oktober 1977, het bedrag hetwelk de man als uitkering voor het levensonderhoud van zijn voormalige echtgenote, verzoekster tot cassatie - hierna de vrouw - zal hebben te betalen, nader vast te stellen op f 2.500, -- per maand met ingang van 1 juni 1981, f 1.500, -- per maand met ingang van 1 juni 1982 en nihil met ingang van 1 juni 1983.
Nadat de vrouw tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 18 september 1981, met wijziging van voormelde beschikking van het Gerechtshof, die uitkering met ingang van 18 september 1981 nader bepaald op f 3.000, -- per maand.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, waarna de vrouw incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
Bij beschikking van 31 maart 1982 heeft het Hof in het principaal appel de beschikking van de Rechtbank vernietigd en de bijdrage die de man zal betalen voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 31 maart 1982 bepaald op f 2.000, -- per maand, en het incidenteel appel afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-request is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Franx strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan - behoudens het in het tweede lid van art. 1:401 BW bedoelde geval - nadien slechts door de rechter worden gewijzigd indien aannemelijk is dat een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat in de draagkracht van de alimentatieplichtige en/of in de behoeften van de alimentatiegerechtigde zich ten opzichte van de toestand ten tijde van de eerdere uitspraak, een wijziging heeft voorgedaan die noopt tot wijziging van de uitkering in de zin als verzocht.
Indien de vraag of zich een zodanige wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op zichzelf een onderwerp van debat tussen partijen heeft uitgemaakt, moet aan de motivering van een beslissing tot wijziging van de alimentatie de eis worden gesteld dat daarin inzicht wordt gegeven in de gedachtengang die de rechter heeft geleid tot zijn oordeel dat voor toepassing van art. 1:401 grond bestaat.
3.2 Het hiervoor overwogene brengt mee dat gegrond is de in het tweede onderdeel van het middel vervatte klacht, inhoudende dat het Hof in zijn motiveringsplicht is tekort geschoten door zonder enige beschouwing voorbij te gaan aan de stelling, door de vrouw aan haar grief in het incidenteel appel ten grondslag gelegd dat, behalve de door de man gestelde, draagkracht verminderende, wijzigingen van omstandigheden - waarvan de vrouw de relevantie voor de bepaling van 's mans draagkracht in het principaal appel had betwist - zich andere, in het request gespecificeerde, wijzigingen hebben voorgedaan, welke de draagkracht van de man juist hebben vergroot, zodat per saldo niet kan worden gesproken van een wijziging in de omstandigheden welke grond kan geven aan een wijziging van de uitkering in de door de man voorgestane zin.
3.3 De in het vierde onderdeel vervatte motiveringsklacht is eveneens gegrond. Kennelijk heeft het Hof als omstandigheid welke de draagkracht van de man bepaalt mede in aanmerking genomen de door deze voor een door hem afgesloten lijfrente-overeenkomst verschuldigde premie welke telkens gelijk is aan het premiebedrag dat voor het desbetreffende jaar maximaal fiscaal aftrekbaar is. De. Rechtbank had die premies buiten beschouwing gelaten op grond van haar oordeel dat "het betalen van lijfrentepremies - afgezien van de daarin verdisconteerde risicopremie - een wijze van vermogensvorming is". Op de tegen die beslissing gerichte grief van de man heeft de vrouw in haar verweerschrift in hoger beroep het oordeel van de Rechtbank verdedigd. Aan het uitvoerige betoog van de vrouw op dit voor de draagkracht van de man belangrijke punt is het Hof zonder enige motivering voorbijgegaan. De bestreden uitspraak is ook in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Het derde onderdeel richt zich tevergeefs tegen een feitelijke vaststelling in de bestreden beschikking welke in het licht van de gedingstukken - in het bijzonder in het licht van hetgeen als verklaring van de vrouw is opgenomen in het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting van 24 februari 1982 - niet onbegrijpelijk is.
De gegrondbevinding van het tweede en vierde onderdeel moet leiden tot vernietiging van 's Hofs beschikking en verwijzing, in verband waarmee het eerste onderdeel geen bespreking behoeft.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Hof te Amsterdam van 31 maart 1982;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het Hof te 's-Gravenhage;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat elk der partijen de eigen kosten draagt;
verleent de vrouw vergunning om in cassatie kosteloos te procederen.
Deze beschikking is gewezen door de vice-president Drion als voorzitter, en de raadsheren Haardt, Martens, Van den Blink en Verburgh, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 4 februari 1983.
Conclusie 04‑02‑1983
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Motivering beslissing tot wijziging alimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden; art. 1:401 BW. Motiveringsklacht tegen het in aanmerking nemen van verschuldigde lijfrentepremie bij draagkrachtbepaling.
eb
Nr. 6086
Rekest
Parket, 29 december 1982
Mr. Franx
Conclusie inzake:
[de vrouw]
tegen
[de man]
Edelhoogachtbaar college,
1. Bij de thans bestreden beschikking van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 11 maart 1982, waarin de voorgeschiedenis en het verloop van de procedure zijn weergegeven en een aantal ook in cassatie als uitgangspunten te nemen feitelijke vaststellingen omtrent de omstandigheden van partijen zijn gedaan, is - met vernietiging in zoverre van de beroepen beschikking van de rechtbank, waarbij na te noemen bijdrage met ingang van 1 september 1981 werd bepaald op f 3000,- per maand, en met wijziging van de beschikking van het hof d.d. 5 oktober 1977 waarbij die bijdrage was gesteld op f 2500,- per maand - de door thans gerekestreerde in cassatie (de man) met ingang van 31 maart 1982 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van zijn voormalige echtgenote (verzoekster tot cassatie; de vrouw), bepaald op f 2000,- per maand, met afwijzing van het meer of anders door de man verzochte.
De vrouw heeft zich in cassatie voorzien en bestrijdt 's hofs beschikking met een middel, samengesteld uit de onderdelen 1 tot en met 4 en motiveringsklachten bevattende.
2. In de bestreden beschikking heeft het hof de voor de beoordeling van de grieven van de man en van die van de vrouw (die incidenteel had geappelleerd) relevante omstandigheden van beide partijen vastgesteld op basis van een zelfstandig onderzoek. De man had in eerste instantie gesteld dat zich wijziging van omstandigheden had voorgedaan. In zijn inleidend verzoekschrift heeft hij als zijn bruto-salaris genoemd een bedrag van f 8575,87 per maand, terwijl het hof in zijn beschikking van 5 oktober 1977 kennelijk is uitgegaan van een bruto jaarsalaris (per 1 september 1977) van f 90.000, -. zijnde f 7500,- per maand. M.a.w .: het inkomen van de man is gestegen. In de bestreden beschikking werkt het hof met andere grootheden, t.w. een netto-salaris van f 6982,- per maand inclusief kostenvergoedingen en exclusief vakantiegeld ad ca f 166,- netto per maand. Blijkens de "Aantekeningen" van de raadsman van de man d.d. 24 februari 1982, gehecht aan het proces-verbaal van behandeling van de zaak door het hof van die datum, is genoemd netto maandsalaris van f 6982,- de resultante van een bruto maandsalaris van f 8583,87 (derhalve nog iets meer dan het in zijn inleidende rekest genoemde bedrag van f 8575,87) en aftrekposten als loonbelasting, premies enz. Wat hier van zij, uit deze gegevens blijkt eerder van een inkomensvermeerdering van de man dan van een -vermindering sedert de vorige beschikking van het hof d.d. 5 oktober 1977.
Behalve op deze, zijn inkomen betreffende factor (a) heeft de man in zijn inleidend rekest gewezen op de volgende wijzigingen van omstandigheden:
(b) de twee uit zijn nieuwe huwelijk in 1979 resp. 1980 geboren kinderen,
(c) zijn lijfrentepremieverplichtingen van f 12000,- per jaar, en
(d) zijn verplichtingen ter zake van rente en aflossing van de op het door hem bewoonde huis rustende hypothecaire schuld, zijnde per half jaar f 5948,57 aan rente en f 681, 71 aan aflossing.
De Alkmaarse rechtbank heeft de onder (c) bedoelde kwestie van de verplichtingen uit lijfrente ter zijde gesteld, en, "gelet op het vorenstaande" - waarmee klaarblijkelijk tot uiting wordt gebracht dat de onder (b) en (d) bedoelde factoren een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 401 lid 1:1 BW opleveren - de inmiddels door de wettelijke indexeringsverhogingen tot f 3155,07 opgelopen alimentatie gewijzigd in f 3000, - per maand.
In zijn appèlrekest voert de man als klachten aan, dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de factoren (b) en (c). In de bestreden beschikking noemt het hof alle voormelde factoren (a) tot en met (d).
Wat de vrouw betreft is het volgende te noteren. In zijn inleidend rekest heeft de man aangevoerd dat de vrouw, kort gezegd, beter dan voorheen in staat is zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof had in de beschikking van 5 oktober 1977 nog overwogen dat de vrouw er niet in geslaagd was een betrekking te vinden. De rechtbank overweegt in haar beschikking van 18 september 1981 dat de vrouw ongeveer f 500,- netto per maand verdient. Het hof neemt dit over en noemt enkele andere feiten en omstandigheden die, vergeleken met de in de eerdere beschikking van 5 oktober 1977 vermelde, wel duiden op wijziging van omstandigheden maar niet duidelijk maken of hier sprake is van behoeftevermeerdering dan wel -vermindering aan de kant van de vrouw noch of door die wijziging van omstandigheden de beschikking van 5 oktober 1977 ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
3. Het hof geeft niet met zoveel woorden aan welke wijziging van omstandigheden heeft geleid tot de door het hof uitgesproken vermindering van de alimentatie tot f 2000,- per maand. Door de beide beschikkingen van 5 oktober 1977 en 31 maart 1982 en met name de feitelijke vaststellingen die in die beschikkingen als basis van de beslissingen dienen, naast elkaar te leggen, kan men nagaan welke de verschillen tussen die vaststellingen zijn. De gevolgtrekking dat het hof derhalve in de bestreden beschikking op weliswaar indirecte maar toch op voldoende duidelijke wijze heeft doen uitkomen welke wijziging van omstandigheden de beschikking van 1977 heeft doen ophouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, zou echter naar mijn mening voorbarig zijn. Het hof heeft m.i. onvoldoende recht gedaan aan de stellingen van de vrouw. Met name had het hof moeten ingaan op de kwestie van de premies voor de lijfrente-overeenkomst, in het vorenstaande vermeld onder (c). De vrouw heeft, zoals zij in onderdeel 4 van het middel aangeeft, in haar verweerschrift in hoger beroep, tevens incidenteel appelschrift (p. 3-5) betoogd dat met deze factor (c) niet althans niet ten volle rekening mag worden gehouden gelet op enerzijds haar eigen behoeftigheid en anderzijds die van de tweede echtgenote van de man ten behoeve van wie de man die overeenkomst heeft gesloten. Het hof gaat niet op deze stelling van de vrouw in. In de onmiddellijk op de feitelijke vaststellingen volgende rechtsoverweging doet het hof wel uitkomen dat het de onderhavige lijfrenteverplichtingen van de man, alsmede het daardoor "te behalen fiscale voordeel", mede in aanmerking neemt, maar daar laat het hof het, wat dit punt betreft, verder bij. Naar mijn mening schiet het hof aldus, waar het zo'n (relatief) belangrijke kwestie betreft waarover de rechtbank in andere zin had beslist, in motivering te kort, zodat onderdeel 4 gegrond voorkomt.
Maar ook in andere opzichten is 's hofs beschikking onvoldoende duidelijk. Welke betekenis heeft het hof toegekend aan de inkomensvermeerdering van de man: factor (a)? En heeft de wijziging van omstandigheden aan de zijde van de vrouw, bedoeld in het slot van nr. 2 van deze conclusie, een rol gespeeld en zo ja, welke rol? Heeft bijvoorbeeld het feit dat de jongste [dochter] in 1977 kennelijk nog wel bij de vrouw woonde maar in 1982 niet meer, volgens het hof ten opzichte van de vrouw behoefteverminderende invloed?
Op grond van een en ander ben ik van mening dat ook de onderdelen 1 en 2 doel treffen. Verwezen zij naar de beschikkingen van uw Raad d.d. 8 juni 1979, NJ 1980, 297 (E.A.A.L.); 5 december 1980, NJ 1981, 311 (E.A.A.L.); 24 april 1981, NJ 1981, 482; 22 mei 1981, NJ 1981, 497; 4 december 1981, NJ 1982, 60. Dat het hof een zelfstandig onderzoek mocht instellen naar de relevante feiten en omstandigheden en dan niet gehouden was iedere appelgrief afzonderlijk te bespreken (HR 24 december 1971, NJ 1972, 377 m.nt. D.J.V. ; HR 8 juni 1979 voornoemd) doet niet af aan 's hofs verplichting om bij een gemotiveerde betwisting van een beroep op wijziging van omstandigheden zijn beslissing daaromtrent te voorzien van een motivering die recht doet aan de wezenlijke stellingen van partijen. Is er eenmaal een wijziging van omstandigheden met het door art. 401, lid 1:1 BW bedoelde effect vastgesteld, dan ligt de zaak open en mag de de rechter bij zijn beslissing op het verzoek rekening houden met alle ten tijde van zijn beschikking relevante omstandigheden: HR 14 november 1975, NJ 1976, 503; BR 18 juni 1982, NJ 1982, 473 (alleen kop gepubliceerd). Maar ook de rechter die aldus te werk gaat is tot genoegzame motivering gehouden.
Onderdeel 3 daarentegen acht ik niet gegrond. Het daarin naar voren komende verschil van f 200,- per jaar in de studiebeurs van der partijen [dochter] heeft, als ik het goed zie, evenmin als die beurs zelf een rol gespeeld in 's hofs gedachtengang. In de bestreden beschikking heeft het hof, wat de invloed van genoemde dochter op de behoeftigheid van de vrouw betreft, uitsluitend in aanmerking genomen de "extra kosten" die voor de vrouw voortvloeien uit het feit dat de niet meer bij haar moeder wonende dochter geregeld bij de vrouw thuis komt.
4. Ik concludeer: tot vernietiging van de bestreden beschikking van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 11 maart 1982 en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere afdoening met inachtneming van de door de Hoge Raad te geven beschikking.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,