HR, 14-03-1980, nr. 11537
ECLI:NL:HR:1980:AC3466
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-03-1980
- Zaaknummer
11537
- LJN
AC3466
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1980:AC3466, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑03‑1980; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1980:AC3466
ECLI:NL:PHR:1980:AC3466, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑02‑1980
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1980:AC3466
- Vindplaatsen
NJ 1980, 536 met annotatie van W.M. Kleijn, W.H. Heemskerk
NJ 1980, 536 met annotatie van W.M. Kleijn, W.H. Heemskerk
Uitspraak 14‑03‑1980
Inhoudsindicatie
In kort geding van koper door verkoper gevorderde medewerking aan transportakte van onroerend goed, waarin voor koper onaanvaardbare bedingen zijn opgenomen.
14 maart 1980
J.O.
De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak nr. 11.537 van
de naamloze vennootschap Schut Superieur N.V., gevestigd te Eerbeek (gemeente Brummen), eiseres tot cassatie van een door het Gerechtshof te Arnhem tussen partijen gewezen en op 25 juni 1979 uitgesproken arrest, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, advocaat bij de Hoge Raad,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wesneba B.V., gevestigd te Delft, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. H.P. Utermark, eveneens advocaat bij de Hoge Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord de Advocaat-Generaal ten Kate in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het beroep;
Gezien het bestreden arrest en de stukken van het geding, waaruit blijkt, voor zover in cassatie van belang: Bij exploit van 17 augustus 1978 heeft de eiseres tot cassatie (Schut) de verweerster in cassatie (Wesneba) in kort geding doen dagvaarden voor de President van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem en gevorderd de veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van Wesneba om, op straffe van een dwangsom, mee te werken aan overdracht van het nader te omschrijven onroerend goed, een en ander zoals nader in de koopovereenkomst tussen partijen voorzien, onder gelijktijdige betaling van de koopsom aan Schut, met veroordeling van Wesneba in de proceskosten.
Nadat Wesneba zich tegen de eis had verweerd, heeft de President bij vonnis van 31 augustus 1979 die eis toegewezen en Wesneba veroordeeld in de proceskosten.
Tegen dit vonnis heeft Wesneba zich in hoger beroep voorzien bij voormeld Gerechtshof en een aantal grieven tegen dat vonnis voorgesteld. Schut heeft aangevoerd dat Wesneba bij haar hoger beroep geen belang heeft, en voorts de grieven bestreden. Vervolgens heeft het Hof bij zijn bestreden arrest het vonnis van de President vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorziening geweigerd, zulks na te hebben overwogen:
"1. dat in de door Wesneba aangevoerde grieven, welke het Hof gezamenlijk zal behandelen, der partijen onderwerpelijke geschil in volle omvang aan het oordeel van het Hof wordt onderworpen;
2. dat die grieven de navolgende vragen aan de orde stellen:
1. Kan Wesneba zich te goeder trouw met vrucht op dwaling beroepen?
2. Welke betekenis dient te worden toegekend aan de door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen bij brief van 21 juni 1978 verleende toestemming?;
3. dat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, ten dele gestaafd door overgelegde bescheiden, tussen partijen vaststaat:
a. op 18 mei 1978 zijn Schut en Wesneba overeengekomen dat Schut het bedrijfsgebouw cum annexis, groot 68.70 aren, te Nijmegen, plaatselijk bekend als Nieuwe Markt nr. 31, kadastraal bekend als gemeente Nijmegen sectie B nr. 5212, waarvan zij eigenaresse was, aan Wesneba verkoopt voor f 1.225.000, -- kosten koper, onder de voorwaarden en bedingen als in de door Schut overgelegde - ongedateerde - koopakte vermeld, waaronder: "Verkoper legt aan koper de volgende persoonlijke verplichtingen op: die welke uit de titels voortvloeien";
b. krachtens titel(s) van aankomst behoefde Schut de goedkeuring van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen voor vervreemding;
c. bij brief 27 mei 1964 en 7 oktober 1970 vereiste toestemming voor de verkoop van het onderhavige fabriekscomplex te verlenen onder de voorwaarden als in deze brief omschreven;
c. bij brief van 21 juni 1978 heeft dat College van Burgemeester en Wethouders meegedeeld bereid te zijn de ingevolge akten van eigendomsoverdracht van 7 februari 1949, 27 mei 1964 en 7 oktober 1970 vereiste toestemming voor de verkoop van het onderhavige fabriekscomplex te verlenen onder de voorwaarden als in deze brief omschreven;
d. nadat de President Wesneba, op vordering van. Schut, bij het vonnis waarvan beroep had veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis mede te werken aan de overdracht van het fabriekscomplex onder gelijktijdige betaling van de koopsom, op straffe van verbeurte van een dwangsom, heeft de overdracht op 6 september 1978 plaatsgevonden ten overstaan van [notaris 1] , notaris ter standplaats Amsterdam. Blijkens de akte van overdracht heeft Schut verklaard de bedingen vermeld in het sub c vermelde schrijven van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen aan Wesneba op te leggen, die op haar beurt uitdrukkelijk heeft verklaard deze bedingen niet te aanvaarden. Voorts heeft Wesneba verklaard dat de medewerking aan de akte van overdracht uitsluitend plaatsvindt op grond van voormeld vonnis;
4. a. dat Schut heeft aangevoerd. dat Wesneba geen belang heeft bij het hoger beroep daar vernietiging van het vonnis van geen enkele invloed kan zijn op de eigendomsoverdracht zoals deze inmiddels heeft plaatsgevonden;
b. dat het Hof dit verweer verwerpt daar Wesneba, ingeval het vonnis bij onherroepelijk geworden uitspraak zou worden vernietigd, mede gelet op de inhoud van de akte van overdracht hierboven onder 3 sub d weergegeven, van Schut zal kunnen verlangen de koopprijs terug te betalen tegen teruglevering van het onderhavige fabriekscomplex;
5. a. dat wat de hierboven vermelde vragen betreft het Hof voorshands, evenals de President, van oordeel is dat de eerste vraag ontkennend dient te worden beantwoord;
b. dat met name niet is gebleken dat de Gemeente bij haar onderhoud met de directeur van Schut zou hebben doen blijken dat zij, privaatrechtelijk, geen andere bestemming dan die van een papierfabriek of woningen zou dulden; dat integendeel Drs. Blansjaar ter zitting heeft verklaard dat alleen de werkgelegenheid onderwerp van bespreking heeft gevormd en met name de vraag op welke wijze deze zou kunnen worden behouden;
c. dat evenmin is gebleken dat Schut verklaringen in strijd met de waarheid jegens Wesneba zou hebben afgelegd, terwijl Schut, zo deze zich ten tijde van het aangaan der transactie al bewust is geweest van de vereiste toestemming van de Gemeente, zeker niet heeft kunnen bevroeden - evenmin trouwens als Wesneba - dat de Gemeente voorwaarden zou gaan opleggen als zij heeft gedaan;
6. a. aangaande de tweede vraag, die ook naar het oordeel van Wesneba de kernvraag van deze procedure vormt;
b. dat uit de door Wesneba overgelegde titels van aankomst op grond waarvan de Gemeente toestemming heeft verleend voor de overdracht van het onderhavige fabriekscomplex onder de voorwaarden als in de brief van de Gemeente vermeld, voor zover te dezen van belang, blijkt:
I. De akte van 7 februari 1949 verleden voor notaris [notaris 2] te Nijmegen. Hierbij werd een perceel van 182 m2 door de gemeente Nijmegen in eigendom overgedragen aan de rechtsvoorgangster van Schut, waarbij de Gemeente het recht verkreeg om aan de gevels van het ter plaatse te bouwen fabrieksdeel "straatnaamborden, verkenmerken voor de dienstleidingen, verkeersborden, rozetten van leidingen voor de straatverlichting enz.", te bevestigen. Voorts werd bepaald dat de gevels niet voor reclamedoeleinden mochten worden gebezigd en dat vervreemding van het verkochte slechts kon geschieden onder goedkeuring van Burgemeester en Wethouders van Nijmegen terwijl de koopster (te weten de rechtsvoorgangster van Schut) of opvolgend verkrijger verplicht was de bij de verkoop gemaakte bedingen in de akte van vervreemding op te nemen; dat mitsdien - naar 's Hofs voorlopig oordeel - de Gemeente aan deze akte niet de bevoegdheid kon ontlenen om de door haar in voormelde brief opgenomen voorwaarden, die niets van doen hebben met het maken van reclame, straatnaamborden enz., aan Schut op te leggen.
II. De akte van 27 mei 1964 verleden voor notaris [notaris 3] te Nijmegen. Hierbij werd 208 m2 grond door de gemeente Nijmegen aan de rechtsvoorgangster van Schut overgedragen, waarbij werd bepaald: "Gehele of gedeeltelijke vervreemding van het gekochte door koopster is slechts toegestaan met toestemming van Burgemeester en Wethouders van Nijmegen en met inachtneming van de door dit College te stellen voorwaarden". Een kettingbeding werd niet opgenomen.
Van bijzondere door Burgemeester en Wethouders gestelde voorwaarden bij de overdracht aan Schut is niet gebleken;
dat ook aan deze - voor wat betreft het kunnen opleggen van voorwaarden geëxpireerde - akte de Gemeente - naar 's Hofs voorlopig oordeel - evenmin bevoegdheid kon ontlenen voor het stellen van de voorwaarden als zij heeft gedaan.
III. De akte van 7 oktober 1970 verleden voor notaris [notaris 4] , te Beek. Hierbij werd 405 m2, door de gemeente Nijmegen in eigendom overgedragen aan de rechtsvoorgangster van Schut, waarbij werd bepaald dat "Gehele of gedeeltelijke vervreemding anders dan in samenhang met het gehele gebouwencomplex (bestaande fabriek van koopster) is door koopster of opvolgende verkrijgster slechts toegestaan met toestemming van Burgemeester en Wethouders van Nijmegen";
dat niet is gebleken dat de onderhavige overdracht anders dan in samenhang met het gehele gebouwencomplex is geschied, te weten de voormalige fabriek van de rechtsvoorgangster van Schut, zodat de Gemeente ook aan deze akte geen bevoegdheid kon ontlenen voor het stellen van voorwaarden;
7. dat het Hof voorshands dan ook op basis van de overgelegde stukken slechts tot de slotsom kon komen dat de Gemeente, die in haar brief van 21 juni 1978 uitsluitend naar voormelde akten van overdracht heeft verwezen, op basis van die akten de bevoegdheid miste om de - stringente en beperkende - voorwaarden op te leggen, gelijk zij heeft gedaan; dat ook Schut bij pleidooi in hoger beroep het standpunt heeft ingenomen dat de Gemeente voorwaarden heeft gesteld die zij niet had mogen stellen;
8. a. dat Schut als hierboven sub 4 overwogen bij de akte van transport aan Wesneba heeft verklaard de door de Gemeente gestelde voorwaarden aan Wesneba op te leggen, hetgeen kennelijk in de door Schut in eerste aanleg ingestelde vordering lag besloten;
b. dat Schut, die zeer wel heeft moeten begrijpen dat de inhoud der voorwaarden, die onder hoger vermelde omstandigheden niet geacht kan worden deel uit te maken van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst, voor Wesneba volstrekt onaanvaardbaar was, niet van Wesneba kon verlangen, medewerking te verlenen aan de akte van overdracht, indien zij deze voorwaarden van de Gemeente aan Wesneba wilde opleggen;
c. dat het op de weg van Schut had gelegen om zich eerst - ondanks haar moeilijke liquiditeitspositie - met de Gemeente over de voorwaarden te verstaan en zo nodig daaromtrent het oordeel van de rechter (in kort geding) in te roepen;
d. dat hieruit volgt dat Wesneba niet kon worden genoopt op deze wijze haar medewerking aan de akte van overdracht te verlenen en het vonnis waarvan beroep dan ook niet in stand kan blijven; ".
Schut bestrijdt 's Hofs arrest met het navolgende middel van cassatie:
"Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof op de in het bestreden arrest vervatte gronden, welke geacht moeten worden hier woordelijk te zijn herhaald, het door de President van de Rechtbank in deze zaak gewezen vonnis heeft vernietigd en de door Schut gevorderde voorziening heeft geweigerd, met verwerping van het door Schut gevoerde verweer dat Wesneba geen belang had bij haar hoger beroep, zulks ten onrechte om de volgende redenen:
1. Het Hof heeft vastgesteld, dat Schut blijkens de akte van eigendomsoverdracht heeft verklaard de bedingen, vermeld in het ten processe overgelegde schrijven van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen, aan Wesneba op te leggen en dat Wesneba op haar beurt blijkens die akte heeft verklaard die bedingen niet te aanvaarden.
Doordat Wesneba bedoelde bedingen niet heeft aanvaard, heeft de eenzijdige verklaring van Schut dat zij die bedingen aan Wesneba "oplegde" geen rechtsgevolg gehad en is Wesneba aan de inhoud dier bedingen niet gebonden.
Irrelevant is daarom wat het Hof in de achtste rechtsoverweging van het bestreden arrest heeft overwogen. In deze overweging is het Hof er ten onrechte van uitgegaan, dat Wesneba, niettegenstaande zij de door de Gemeente gestelde voorwaarden (de in voormeld schrijven van Burgemeester en Wethouders vermelde bedingen) niet heeft aanvaard, daaraan toch zou zijn gebonden. Aldus berusten die rechtsoverwegingen op een onjuiste rechtsopvatting. Voorts gaat het Hof er in de geciteerde overwegingen eveneens ten onrechte van uit, dat Wesneba (door Schut) zou zijn genoopt "op deze wijze" haar medewerking aan de akte van overdracht te verlenen, zulks hoewel Schut de eigendomsoverdracht van het verkochte onroerend goed juist niet afhankelijk heeft gesteld van aanvaarding door Wesneba van de door de Gemeente gestelde voorwaarden. Ook hier gaat het Hof uit van de onjuiste rechtsopvatting, dat Wesneba aan die voorwaarden gebonden zou zijn.
2. Mocht het Hof in de geciteerde overwegingen niet zijn uitgegaan van de in het vorige onderdeel bestreden onjuiste rechtsopvatting, dan zijn die overwegingen onbegrijpelijk en is voorts onbegrijpelijk dat het Hof mede op grond daarvan het vonnis van de President heeft vernietigd met verwerping van het verweer van Schut dat Wesneba geen belang had bij het hoger beroep daar vernietiging van het vonnis van geen enkele invloed kon zijn op de eigendomsoverdracht zoals deze inmiddels had plaatsgevonden.
3. Het Hof heeft het zoëven genoemde verweer van Schut verworpen op grond dat Wesneba, ingeval het vonnis van de President bij onherroepelijk geworden uitspraak zou worden vernietigd, van Schut zou kunnen verlangen de betaalde koopprijs terug te betalen tegen teruglevering van het litigieuze fabriekscomplex.
Daarbij heeft het Hof miskend, dat Wesneba juist datgene heeft verkregen wat zij van Schut had gekocht zonder aanvaarding van enige verplichting, welke zij volgens het Hof niet ingevolge de koopovereenkomst op zich behoefde te nemen. Het oordeel van de President, dat Wesneba gehouden was de door de Gemeente gestelde voorwaarden (verlangde bedingen) te aanvaarden, heeft dan ook geen gevolg voor Wesneba gehad. Zij zal daarom niet op grond van onjuistheid van het Presidiale vonnis kunnen verlangen, dat de eigendomsoverdracht ongedaan wordt gemaakt en dat de koopprijs door Schut wordt terugbetaald. Wesneba heeft immers niet onverplicht aan de overdracht medegewerkt en heeft de koopprijs niet onverschuldigd betaald. Door mede te werken aan de overdracht en door betaling van de overeengekomen koopprijs heeft Wesneba niets meer of anders gedaan dan datgene waartoe zij zich bij de tevoren tot stand gekomen koop en verkoop had verbonden.
Daaraan doet niet af, dat Wesneba volgens de akte van overdracht heeft verklaard dat haar medewerking aan (de totstandkoming van) die akte uitsluitend op grond van het vonnis van de President geschiedde.
4. Uit het vorenstaande volgt, dat in het bestreden arrest ten onrechte, althans op onjuiste gronden, is geoordeeld dat Wesneba belang heeft bij het door haar ingestelde hoger beroep. Het Hof had Wesneba in haar hoger beroep niet-ontvankelijk behoren te verklaren, althans behoren te beslissen dat het beroep niet tot vernietiging van het Presidiale vonnis kon leiden, omdat Wesneba daarbij geen - gerechtvaardigd - belang had.
5. Door de stelling van Schut, dat Wesneba bij het hoger beroep geen belang had, op de daarvoor aangevoerde grond te verwerpen heeft het Hof voorts voorbijgezien, dat partijen in de ten processe overgelegde akte van eigendomsoverdracht hebben verklaard (op bladzijde 9 onder 6 van die akte):
"6. Partijen doen afstand van hun rechten om, uit welken hoofde ook, ontbinding of vernietiging van deze koop te eisen."
Ook op grond van deze bepaling heeft het Hof ten onrechte aangenomen, dat Wesneba bij het hoger beroep belang had omdat zij, ingeval het vonnis van de President bij onherroepelijk geworden uitspraak zou worden vernietigd, van Schut zou kunnen verlangen de koopprijs terug te betalen tegen teruglevering van het onderhavige fabriekscomplex.
In elk geval had het Hof dit in het licht van de geciteerde bepaling niet mogen aannemen zonder te motiveren, waarom de door partijen gedane afstand van recht, als omschreven in de bepaling van de akte van overdracht, niet zou uitsluiten dat Wesneba, in geval van vernietiging van het vonnis van de President bij onherroepelijk geworden uitspraak, van Schut zou kunnen verlangen de koopprijs terug te betalen tegen teruglevering van het onderhavige fabriekscomplex.";
Overwegende daaromtrent:
Onderdeel 1 mist feitelijke grondslag, aangezien het Hof er in rechtsoverweging 8 van het bestreden arrest niet van is uitgegaan dat Wesneba, ofschoon zij de door de Gemeente gestelde voorwaarden niet had aanvaard, nochtans daaraan zou zijn gebonden, en evenmin dat Wesneba door Schut zou zijn genoopt "op deze wijze" (dat wil zeggen onder aanvaarding van die voorwaarden) haar medewerking aan de overdracht van het onroerend goed te verlenen.
In genoemde rechtsoverweging heeft het Hof vooropgesteld dat de door Schut ingestelde vordering strekte tot veroordeling van Wesneba om aan de overdracht mee te werken onder aanvaarding van bedoelde voorwaarden. Vervolgens heeft het Hof, op de gronden vervat in de alinea's b en c van die overweging, in het slot daarvan geoordeeld dat bedoelde vordering niet voor toewijzing vatbaar is. Dat oordeel, en de gronden waarop het berust, zijn niet onbegrijpelijk, zodat onderdeel 2 in zoverre tevergeefs is voorgesteld.
Dit onderdeel kan evenmin tot cassatie leiden voor zover het klaagt over 's Hofs verwerping, in rechtsoverweging 4 onder b, van het door Schut gevoerde verweer volgens hetwelk Wesneba geen belang zou hebben bij haar hoger beroep. Dat verweer moest reeds falen op grond van de omstandigheid dat Wesneba bij het in appel bestreden vonnis in de proceskosten was veroordeeld. Schut heeft derhalve geen belang bij een klacht in cassatie omtrent de wijze waarop het Hof bedoeld verweer heeft verworpen.
Aangezien ook de onderdelen 3, 4 en 5 zich tegen de verwerping door het Hof van voormeld verweer keren, treffen zij evenmin doel;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt Schut in de kosten op de voorziening gevallen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Wesneba begroot op f 230,45 aan verschotten en f 1.700, -- voor salaris.
Aldus gedaan door Mrs. Ras, Vice-President, Drion, Snijders, Haardt en Royer, Raden, en door Mr. Drion voornoemd bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van de veertiende maart 1900 tachtig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Franx.
Conclusie 01‑02‑1980
Inhoudsindicatie
In kort geding van koper door verkoper gevorderde medewerking aan transportakte van onroerend goed, waarin voor koper onaanvaardbare bedingen zijn opgenomen.
CW.-
Nr. 11.537
Zitting 1 februari 1980
Mr. ten Kate
Conclusie inzake:
SCHUT SUPERIEUR N. V.
tegen
WESNEBA B.V.
Edelhoogachtbare Heren,
Voor wat de feiten betreft, moge ik in de eerste plaats verwijzen naar de korte samenvatting in r.o. 3 onder 1 - 4 van het bestreden arrest.
Het geschil tussen partijen, die over koop-verkoop van het betrokken fabriekscomplex tot overeenstemming waren gekomen, vindt zijn wortel in de brief van de gemeente Nijmegen van 21 juni 1978 (prod. VI van eiseres in eerste aanleg), waarin de gemeente van de destijds -toen zij de grond verkocht- door haar contractueel bedongen toestemming ingeval van verkoop aan derden gebruik maakt om langs deze privaatrechtelijke weg ver gaande verplichtingen op te leggen van in hoofdzaak planologische aard. Deze voorwaarden waren voor Wesneba (verweerster in cassatie), zoals het Hof in r.o. 8b aanneemt, volstrekt onaanvaardbaar, terwijl Schut (eiseres tot cassatie) naar het oordeel van het Hof (r.o. 5g) niet heeft kunnen bevroeden dat de gemeente voorwaarden zou gaan opleggen, zoals zij gedaan heeft. Wesneba weigerde bij deze stand van zaken haar medewerking aan het transport.
Schut, in liquidatiemoeilijkheden, vorderde in dit kort geding, dat Wesneba op straffe van een dwangsom aan het transport zou meewerken. De President wees deze vordering toe. Daarop volgde het transport (zie r.o. 3 onder 4 van het bestreden arrest), waarbij Schut onder meer de door de gemeente gevorderde voorwaarden oplegde doch Wesneba deze uitdrukkelijk weigerde te aanvaarden en waarbij Wesneba voorts heeft verklaard dat de medewerking aan het transport uitsluitend plaats vond op grond van het vonnis van de President, dat -uitvoerbaar bij voorraad- door Schut ten uitvoer werd gelegd.
Het Hof stelt in r.o. 8a vast dat in de vordering van Schut besloten ligt dat Wesneba dient af te nemen met aanvaarding van eerder bedoelde voorwaarden.
Aangezien het Hof (r.o. 6 onder a - c) de gemeente niet bevoegd achtte jegens Schut deze voorwaarden te stellen, kon de inhoud van deze voorwaarden echter niet geacht worden deel uit te maken van de koopovereenkomst, met name art. 5: "Verkoper legt aan koper de volgende persoonlijke verplichtingen op: die welke uit de titels voortvloeien".
Nu aldus een moeilijkheid ontstond aan zijde van Sohut, die gebonden was aan de gemeente, had Schut deze uit haar privaatrechtelijke verhouding tot de gemeente voortvloeiende moeilijkheid moeten oplossen (r.o. 8g).
Dit alles tezamen genomen leidt het Hof tot het oordeel (r.o. 8d) dat Wesneba door Schut niet kon worden genoopt in voege als gevorderd haar medewerking aan de akte tot overdracht van het onroerend goed te verlenen. Het vonnis van de President werd derhalve vernietigd met weigering alsnog van de gevraagde voorziening.
Aan onderdeel 1 van het cassatiemiddel ligt nu ten grondslag de opvatting dat het Hof ervan zou zijn uitgegaan dat Wesneba, ofschoon zij de door Schut in de transportakte opgelegde bedingen uitdrukkelijk niet heeft aanvaard, daaraan toch zou zijn gebonden.
Dit komt mij echter onjuist voor. Het Hof nam -zoals uit bovenstaande samenvatting moge blijken- de ingestelde vordering tot uitgangspunt. Deze vordering was de inzet van het appel en niet de transportakte. Deze vordering ging naar het oordeel van het Hof te ver. Het Hof overwoog dan ook "dat Wesneba niet kon worden genoopt op deze wijze " hetgeen op de vordering ziet, en niet -zoals in het onderdeel tenslotte gezegd- "zou zijn genoopt", hetgeen naar de feitelijke uitvoering in de transportakte zou kunnen verwijzen.
Vernietiging van de toewijzing van deze vordering was dan ook het gevolg.
In onderdeel 2 van het middel wordt er, voor wat betreft de primaire klacht, eveneens vanuit gegaan dat het Hof een voorlopig oordeel zou hebben gegeven over de betekenis van transportakte in der partijen verhouding, met name met betrekking tot de enerzijds opgelegde doch anderzijds niet aanvaarde bedingen. Aan dit materiële oordeel is het Hof echter -zoals reeds gezegd- niet toegekomen, voor zover zodanig oordeel in kort geding reeds passend genoemd zou mogen worden. Het Hof beoordeelde uitsluitend de vordering, zoals deze was ingesteld. In dat licht zijn de overwegingen niet onbegrijpelijk.
Nu het Hof niets heeft beslist over de al dan niet binding van de door Schut in de transportakte opgelegde bedingen, ligt zodanig oordeel ook niet ten grondslag aan het passeren van de door de eiseres in eerste aanleg Schut ingeroepen niet-ontvankelijkheid Wesneba in haar appel wegens ontbreken van belang.
Het Hof verwijst bij de verwerping van dit verweer in r.o. 4b -ik kom hiermede tevens aan onderdeel 3 toe- naar "de inhoud van de akte van overdracht hierboven sub 4 weergegeven".
Deze weergegeven inhoud is in de eerste plaats dat Schut bedingen oplegde en Wesneba deze niet aanvaardde, en in de tweede plaats dat de medewerking aan de akte door Wesneba uitsluitend gebaseerd was op haar veroordeling door de President op straffe van een dwangsom, uitvoerbaar bij voorraad.
Nu dit vonnis werd vernietigd, ontviel daarmee reeds deze laatste basis aan het transport.
Ook zonder dit beding zou zodanig oordeel mogelijk geweest zijn. Allereerst geldt dat, indien de rechter in het bodengeschil omtrent de verplichting tot levering van het onroerend goed tot een beslissing zou komen welke van het voorlopig oordeel van de rechter in kort geding afwijkt, de overschrijving van de transportakte aan de totstandkoming waarvan de veroordeelde ter voldoening aan de beslissing in kort geding medewerkte, geen eigendomsovergang zou blijken te hebben bewerkstelligd. Aldus H.R. 2 december 1966, N.J. 1967 no. 353 (J.H.B.). Vgl. Asser-Beekhuis 3, I (1975), p. 214; Mulder, W.P.N.R. (1968) )nr. 4989, p. 162, 163; van Rossem-Cleveringa I (1972), aant. 4 bij art. 289 noot 46, p. 760; Kluwers losbladige "Rechtsvordering" Boek I, aant. 2 onder f bij de derde titel, afd. 18, p. 685; Star Busmann-Rutten-Ariens (1972) no. 84, p. 62; Meijers- Vermeulen (1967), p. 71 noot 1; Stein op de hieronder aan te halen plaats; Pitlo-Brakn II (1979), p. 244.
Zodanige beslissing in het bodemgeschil doet echter de werking van het kort geding vonnis in de daaraan voorafgaande periode niet teniet. In zoverre behoudt zodanig vonnis zijn ordenende betekenis. Ingevolge het kort geding vonnis verbeurde dwangsommen blijven ook na zodanig oordeel in het bodemgeschil verbeurd. Vgl. voor gegevens: van Rossem-Cleveringa II (1972), aant. 4 bij art. 611b, p. 1279; Drion c.s., "Onrechtmatige Daad" II, no. 245 onder 4, p. 178d; Kluwers losbladige "Rechtsvordering" Boek II, aant. 2 bij art. 611a, p. 318 en aant. 1 bij art. 611d, met name noot 4 p. 326; Hugenholtz-Heemskerk (1979), nr. 314, p. 314 en noot van Heemskerk in N.J. 1977, p. 1608; Stein, "Compendium van het burgelijk procesrecht" (1977), p. 214, 215.
Wordt het vonnis van de President echter in appel vernietigd -zoals in casu-, dan ontvalt met terugwerkende kracht de rechtsgrond aan hetgeen ter uitvoering daarvan werd verricht. Vgl. H.R. 8 oktober 1976, N.J. 1977 no. 485 met uitvoerige noot van W.H.H. ; H.R. 5 oktober 1979, N.J. 1980 no. 43 (G.J.S. ). De voorlopig ordenende functie van het gevoerde kort geding staat -anders dan in het bodemgeschil- geheel ter beoordeling in appel. Dwangsommen die verbeurd en betaald zijn, zullen b.v. als onverschuldigd betaald teruggevorderd kunnen worden. Vgl. voor gegevens: Drion c.s., "Onrechtmatige Daad" II, no. 245 onder 3; Kluwers losbladige "Rechtsvordering" Boek II, aant. 2 bij art. 611a, p. 318; Hugenholtz-Heemskerk (1979), nr. 314, p. 314; Stein, "Compendium van het burgerlijk procesrecht (1977), p. 171.
Reeds in dit kader -dus ook zonder de uitdrukkelijke verwijzing naar het vonnis van de President in de transportakte- past het oordeel van het Hof dat na vernietiging van het vonnis van de President Wesneba terugbetaling van de koopprijs tegen teruglevering van het onderhavige fabriekscomplex kan verlangen. Dit is overigens een voorlopig oordeel, dat in het kader van dit geding ook geen gewijsde verkrijgt en op zichzelf tussen partijen geen bindende betekenis heeft, nu daarop geen veroordeling is gevraagd en verkregen.
Dat Wesneba door het transport, zoals het in feite heeft plaats gevonden, precies heeft verkregen -wat "zij van Schut kocht - zoals in onderdeel 3 wordt gesuggereerd-, heeft het Hof voorts niet vastgesteld en staat in cassatie -nu dit mede afhankelijk is van de feitelijke waardering van de gemaakte bedingen- ook niet zonder meer anderszins vast. Met name hangt dit mede af van de uitleg van het hierboven geciteerde artikel 5 van de koopovereenkomst en van de oplossing van de vraag, hoe de geclausuleerde toestemming van de gemeente dient te worden gewaardeerd in dat licht en in het licht van de bedingen op grond waarvan Schut de toestemming van de gemeente nodig heeft, en wat, nu de gemeente aan haar toestemming voorwaarden heeft verbonden waartoe zij onbevoegd was, voor de waardering van meergenoemd artikel 5 van de koopovereenkomst en van de bedingen waarop deze toestemming berustte, het gevolg daarvan is.
Het Hof liet dit een en ander in het midden en kon dit in kort geding, dat niet strekt tot een zodanig materieel onderzoek, in het midden laten. Het Hof achtte kennelijk voldoende dat de transportakte, gezien de gestelde voorwaarden waarheen het Hof in r.o. 4b verwijst, een onzekere toestand met betrekking tot het onroerend goed in het leven riep, die voor rekening van Schut komt (r.o. 8) en voor Wesneba op zichzelf reeds bezwarend was. Tegenover dit transport heeft Wesneba de koopprijs moeten betalen. Op zijn minst moet trouwens rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat in een nog te voeren bodemgeding zou worden geoordeeld, dat de zichtbare tegenspraak in de transportakte van zodanig essentiële aard is dat van geen wilsovereenstemming blijkt. Aan de overdracht zou dan zelfs elke titel ontbreken.
Wat daarvan zij, de inzet in appel was -als gezegd- de oorspronkelijke vordering, waarin ook de nakoming van de door Schut opgelegde doch door Wesneba niet aanvaarde bedingen besloten lag, naar 's Hofs feitelijk en in cassatie niet bestreden oordeel (r.o. 8a). Deze vordering is in appel niet beperkt tot nakoming van de koop zonder aanvaarding van die bedingen. Vgl. onder meer mem. v. antw. p. 2 en p. 3 en ad grief 5.1, 5.3, 5.4, 5.6, 5.7; pleitnotities Jhr. Mr. Sandberg Hof p. 2 onder 1, p. 2/3, onder 2; pleitnotities Mr. Nagel onder II en IV. De pleitnotities behoren overigens niet tot de stukken van het geding, waarvan Uw Raad kennis kan nemen.
De vordering tot transport was onder deze omstandigheden niet toewijsbaar (r.o. 8b en d). Dit moest leiden tot vernietiging van de door de President uitgesproken veroordeling, aan welke als de vordering geheel toewijzend deze verder reikende betekenis evenzeer moest worden toegekend (r.o. 8a).
Dat het transport, zoals dit had plaats gevonden, deze bedingen wegens de weigering van Wesneba deze te aanvaarden wellicht niet op Wesneba deed overgaan -ofschoon Schut in de akte bij de handhaving van deze bedingen uitdrukkelijk persisteerde-, staat daaraan niet in de weg, omdat daarmee de veroordeling indien door het Hof gehandhaafd en voor zover daaruit ook nakoming van deze bedingen zou volgen -zoals door het Hof aangenomen (r.o. 8a, b en d); haar kracht niet reeds had verloren.
Het betreft hier overigens obligatoire bedingen die als niet- zakelijk voor haar werking niet in de transportakte behoeven voor te komen. Vgl. Asser-Rutten 4, II (1979), p. 272; Asser-Beekhuis 3,1 (1975), p. 38 en 3,II (1977), p. 167; Maeijer, Preadvies Candidaat-Notarissen 1966, p.41. Dit laatste komt in het komende recht, dat het kettingbeding weliswaar ongeregeld laat doch de kwalitatieve verbintenis meer reliëf geeft, wellicht iets anders te liggen. Men zie: Hartkamp, "Compendium van het vermogenrecht volgens het nieuw burgelijk wetboek" (1977), no. 372 en 383; art. 6.5.3.4 N.B.W. met M.v.A. p. 217/218, waartegen Stein, W.P.N.R. (1976) 5365, p. 644-650, waarvoor Belinfante, W.P.N.R. (1977) 5374, . p. 37 en waarover Schoordijk, "Het algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht naar het nieuw burgelijk wetboek" (1979), p. 510.
Dit een en ander houdt in dat, ook al zou het oordeel van het Hof in r.o. 4b onjuist of onbegrijpelijk zijn, de hiertegen gerichte klacht in dit kort geding toch niet tot cassatie van de gegeven uitspraak zal kunnen leiden.
Onderdeel 3 van het middel is mitsdien ongegrond te achten.
Onderdeel 4, waarin op onderdeel 3 wordt voortgeborduurd, zal mitsdien eveneens falen.
Ook onderdeel 5 mist doel. Nog daargelaten dat niet eerder op het thans ingeroepen beding een beroep is gedaan -op welke omstandigheid de motiveringsklacht in ieder geval zal stranden- en zodanig beroep wegens de feitelijke kanten daarvan niet voor het eerst in cassatie kan geschieden, kan de ontbinding van de overeenkomst reeds volgen uit het feit dat de toestemming tot de gehele overdracht met de daaraan verbonden bedingen uitdrukkelijk afhankelijk is gesteld van de bestaande veroordeling daartoe in kort geding, welke veroordeling door het Hof is vernietigd.
In ieder geval is deze kwestie niet van belang, indien men aanneemt, zoals het Hof heeft gedaan, dat de toegewezen vordering ook de nakoming van de omstreden bedingen tot object had. Dat ging bij de door het Hof ontwikkelde visie in ieder geval te ver, zodat een zodanige veroordeling tot medewerking aan transport geen stand kon houden, ook al zou de in feite verleden transportakte -zo daaruit reeds het bestaan van een titel zou blijken- in haar uitleg rechtens minder ver gaan.
Het cassatieberoep ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiseres tot cassatie (Schut) in de kosten op dit beroep aan zijde van verweerster (Wesneba) gevallen.
De Procureur Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,