HR, 19-03-1975
ECLI:NL:PHR:1975:AB5277
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-03-1975
- Zaaknummer
[1975-03-19/NJ_55737]
- LJN
AB5277
- Roepnaam
Westertoren
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1975:AB5277, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑03‑1975; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1975:AB5277
ECLI:NL:PHR:1975:AB5277, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑03‑1975
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1975:AB5277
- Vindplaatsen
NJ 1976, 267 met annotatie van B. Wachter
NJ 1976, 267 met annotatie van B. Wachter
Uitspraak 19‑03‑1975
Inhoudsindicatie
Enqueteverzoek. Emissiebesluit met passering voorkeursrecht aandeelhouders, gevolgd door statutenwijziging.
19 maart 1975.
Nr. 4496
WH.
De Hoge Raad der Nederlanden,
Gezien het verzoekschrift in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Administratiemaatschappij Westertoren - verder te noemen Westertoren - gevestigd te Amsterdam, tegen de beschikking van de ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 maart 1974, waarbij is afgewezen het door verzoekster bij inleidend request van 29 juni 1973 aan het Hof gedane verzoek een onderzoek te bevelen naar het beleid van de naamloze vennootschap Verenigde HVA-maatschappijen N.V., gevestigd te Amsterdam, voor zover betreffende een omstreeks mei 1973 gedane emissie van aandelen ten bedrage van nominaal f 20.000.000, -- aan de Société Financière des Caoutchoucs "Socfin" S.A. te Brussel en de daarop volgende wijziging harer statuten;
Gezien het verweerschrift in cassatie van de naamloze vennootschap Verenigde HVA-maatschappijen, gevestigd te Amsterdam, - verder te noemen HVA -, strekkende tot verwerping van het beroep;
Gehoord partijen;
Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekkende tot verwerping van het beroep met veroordeling van verzoekster in de kosten van het geding in cassatie;
Gezien de stukken;
Overwegende dat het Hof bij de bestreden beschikking als vaststaande heeft aangemerkt:
"1) dat requestrante (hierna te noemen: Westertoren) houdster is van meer dan f 500.000, -- nominaal aandelen in gerequestreerde (verder aan te duiden als: HVA) ;
2) dat de directie en commissarissen van HVA in 1972 een statutenwijziging hebben willen doen aannemen, waarbij, naast de in artikel 520 van het Wetboek van Koophandel voorgeschreven aanpassing aan de voor grote vennootschappen geldende wetgeving, onder meer de aandelen zouden worden gecertificeerd;
3) dat Westertoren, die toen omstreeks 10% van het geplaatste aandelenkapitaal van HVA bezat en ten gevolge van het absenteïsme van de overige aandeelhouders in de algemene vergadering van aandeelhouders een beslissende stem had, zich tegen deze statutenwijziging heeft verzet, ten gevolge waarvan deze niet is tot stand gekomen;
4) dat de directie van HVA vervolgens in juli 1972 nominaal f 20 miljoen aandelen, zijnde het gehele nog
niet geplaatste deel van haar maatschappelijk kapitaal, hetwelk in totaal f 80 miljoen bedroeg, heeft uitgegeven aan de Investeringsbank Amsterdam met het oogmerk met de op deze aandelen uit te brengen stemmen voormelde statutenwijziging, waarmede die Bank zich kon verenigen, te doen aannemen;
5) dat de Vierde Kamer van dit Hof bij arrest van 30 maart 1973, op vordering van Westertoren, deze uitgifte aan de Investeringsbank Amsterdam strijdig met de statuten van HVA heeft geoordeeld, waarna deze is tenietgedaan;
6) dat reeds vóór 15 mei 1973 uit de jaarverslagen van HVA bleek dat zij op samenwerking met derden en uitbreiding van kapitaal bedacht was;
7) dat er, onder meer op 6 april 1973, besprekingen zijn gevoerd tussen Westertoren en HVA, waarbij Westertoren heeft aangeboden aan HVA op bepaalde voorwaarden de nodige middelen te verschaffen voor uitbreiding van haar zaken, op welk aanbod HVA niet is ingegaan;
8) dat al ver voor 15 mei 1973 voormelde Société (hierna Socfin te noemen) zich evenals HVA bewoog en nog altijd beweegt op het gebied van de tropische landbouw en productenhandel;
9) dat Socfin grote ervaring had op dat gebied en onder meer producent was van palmolie, rubber- en palmkernolie in verscheidene landen;
10. dat besprekingen tussen HVA en Socfin de mogelijkheid schiepen van een overeenkomst met Socfin en deze besprekingen ertoe hebben geleid dat directie en commissarissen van HVA met Socfin overeenstemming hebben bereikt over een nauwe samenwerking in verband met mogelijkheden tot aanmerkelijke uitbreiding der activiteiten op voormeld terrein en daarop bij akte van 15 mei 1973 tussen HVA en Socfin een samenwerkingsovereenkomst is gesloten, waarin HVA wordt aangeduid met VHVAM en welke het volgende inhoudt:
in aanmerking nemende:
dat beide partijen grote ervaring hebben in de tropische landbouw en van oordeel zijn dat een samenwerking in de cultures en productenzaken en het in onderling overleg exploiteren van nieuwe projecten en bedrijven in het belang zal zijn van beide partijen, waarvoor zij zich wederzijds verplichten hun huidige en toekomstige kennis en ervaring uit te wisselen, verklaren dientengevolge te zijn overeengekomen als volgt:
1. De VHVAM is bereid een bedrag van nominaal f 20.000.000, -- aandelen à pari uit te geven aan Socfin, die deze aandelen in contanten zal volstorten en als aandeelhoudster in het register van aandelen zal worden ingeschreven om zodoende de VHVAM de nodige middelen te verschaffen tot verdere expansie door deze nieuwe samenwerking geboden. De nieuw uit te geven aandelen zullen voor het eerst dividendgerechtigd zijn over 1973, echter wat dat jaar betreft naar evenredigheid van de periode liggende tussen de dag der storting en 31 december en het gehele jaar.
2. Ten einde te bereiken, dat de raad van commissarissen van de VHVAM naar behoren is samengesteld, verbindt het college van commissarissen van de VHVAM zich zijn college aan te vullen met twee leden, die zullen worden benoemd overeenkomstig het advies van Socfin. Socfin heeft te allen tijde recht op benoeming van een vierde van het totaal te benoemen aantal commissarissen met een minimum van twee overeenkomstig haar advies.
Bij benoeming van nieuwe commissarissen, zullen deze in kennis gesteld worden met de door het college van commissarissen aanvaarde verplichting als hierboven omschreven en deze zullen zich bereid moeten verklaren aan het nakomen hiervan mede te werken.
Bij de benoeming van commissarissen zal ter bevordering van de goede samenwerking binnen het college over de voordracht van commissarissen voorafgaand overleg gepleegd worden over de te benoemen personen en zullen geen personen worden benoemd ten aanzien van wie een der contractspartijen gemotiveerd aantoont, dat tegen de voorgestelde persoon voor haar gegronde bezwaren bestaan.
3. De VHVAM en haar directie en commissarissen verplichten zich niet mede te werken aan verhoging van het geplaatste en volgestorte kapitaal indien daartegen bij Socfin bezwaar mocht bestaan.
4. Indien in de op 1 juni 1973 te houden vergadering van aandeelhouders van de VHVAM en evenmin in de tweede vergadering indien in de eerste vergadering het vereiste quorum niet aanwezig mocht zijn, de statutenwijziging overeenkomstig het aan deze overeenkomst gehechte concept niet mocht worden aanvaard behoudens eventuele amendementen waartegen geen van beide partijen bezwaar heeft, zal deze overeenkomst worden ontbonden.
De VHVAM verbindt zich in dat geval de bij Socfin geplaatste aandelen onmiddellijk in te kopen en het bedrag van f 20 miljoen aan Socfin te restitueren.
Deze ontbindende voorwaarde is door beide partijen opgenomen aangezien voor hun vruchtdragende samenwerking het nodig is dat de continuïteit van de VHVAM zo goed mogelijk wordt gewaarborgd.
5. Beide partijen verklaren, dat het hun bedoeling is tot een blijvende samenwerking te komen.
Indien in de toekomst Socfin haar aandelenbezit in de VHVAM geheel of gedeeltelijk mocht wensen over te dragen, verplicht deze zich deze aandelen aan de VHVAM aan te bieden. DE VHVAM zal binnen een maand na dit aanbod moeten verklaren of zij al of niet van dit aanbod wenst gebruik te maken.
Indien de VHVAM niet wenst te kopen is Socfin gedurende zes maanden vrij deze aandelen aan derden te verkopen. Daarna herleeft het voorkooprecht van de VHVAM.
Indien Socfin de aandelen aan derden verkoopt zal deze koper dezelfde rechten hebben als Socfin ten aanzien van de benoeming van commissarissen, tenzij de VHVAM gemotiveerd aantoont dat er voor haar gegronde redenen zijn om deze koper dit recht te onthouden.
Indien de VHVAM zich tot aankoop bereid verklaart, zullen partijen in onderling overleg trachten tot overeenstemming te komen omtrent de prijs.
Wordt geen overeenstemming bereikt, dan zullen partijen gezamenlijk drie deskundigen benoemen die de prijs vaststellen. Bij gebreke van overeenstemming omtrent de benoeming uiterlijk binnen vier weken nadat gebleken is dat partijen geen accoord kunnen bereiken omrent de prijs, zal de meest gerede partij de benoeming van drie deskundigen kunnen vragen aan de President van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam.
Beide partijen verplichten zich aan de deskundigen alle door hen gewenste inlichtingen te verstrekken. Partijen verplichten zich voor de door deskundigen bepaalde prijs de aandelen te verkopen en te kopen.
De door deskundigen gemaakte kosten zullen indien de koop tot stand komt gedragen worden op de wijze als door deskundigen te bepalen, die daarbij rekening kunnen houden met de door partijen gevraagde en geboden prijs. Indien Socfin de aandelen hetzij aan VHVAM hetzij aan derden verkoopt, zullen de op voorstel van Socfin benoemde commissarissen hun zetel ter beschikking stellen.
6. Socfin heeft het recht het aandelenpakket onder te brengen in een holdingmaatschappij die alleen dit pakket aandelen in eigendom zal hebben.
Indien Socfin van dit recht gebruik maakt geldt het voorkooprecht van de VHVAM, geregeld in artikel 5, eveneens voor de aandelen in deze holdingmaatschappij, met dien verstande dat dit voorkooprecht niet bestaat, indien de aandelen in deze holdingmaatschappij binnen de groep waartoe Socfin behoort worden overgedragen of overgaan aan een vennootschap, waarin Socfin meerderheidszeggenschap heeft.
Verkoop van aandelen in de holdingmaatschappij zal overigens geschieden met inachtneming van dezelfde
regels en dezelfde consequenties als bij verkoop van de aandelen VHVAM door Socfin zouden hebben gegolden.
7. Deze overeenkomst wordt aangegaan onder voorbehoud van goedkeuring, voor zoveel nodig, van De Nederlandsche Bank te Amsterdam en de Nationale Bank van België te Brussel.
Beide partijen verplichten zich aan de verlening van deze goedkeuring hun volle medewerking te verlenen; 11) dat HVA voorts met betrekking tot de samenwerkingsvorm op 1 juni 1973 ter algemene vergadering van haar aandeelhouders bij monde van [betrokkene 1] , haar oudste directeur, heeft medegedeeld, zakelijk weergegeven, dat plaatsing van aandelen bij Socfin de beste ontplooiingsmogelijkheden voor de HVA bood, en verder - op de door de raadsman van Westertoren gestelde vraag of voor de combinatie met Socfin de aandelenemissie een absolute voorwaarde was, met andere woorden: of Socfin medewerking afhankelijk stelde van die emissie - letterlijk: ""Dat hebben we beiden als essentiëel gezien"";
12) dat ingevolge voormelde overeenkomst HVA aan Socfin een bedrag van nominaal f 20 miljoen aandelen à pari heeft uitgegeven en Socfin deze bij haar geplaatste aandelen in contanten heeft volgestort;
13) dat HVA en Socfin twee van elkander onafhankelijke vennootschappen waren;
14) dat Westertoren overtuigd is van het belang van HVA bij samenwerking met Socfin;
15) dat Westertoren reeds sedert jaren vertrouwen heeft in het door het bestuur van HVA gevoerde en te voeren bedrijfseconomisch beleid;
16) dat Socfin in een door Westertoren tegen haar en HVA aangespannen civiele procedure heeft gesteld dat de litigieuze aandelenverkrijging voor haar een absolute voorwaarde was voor de totstandkoming van de samenwerkingsovereenkomst;
17) dat de beurskoers van de aandelen van HVA in mei 1973 reeds lang ruim beneden pari lag;
18) dat blijkens een door HVA overgelegd schriftelijk rapport van de research-afdeling van Bank Mees & Hope N.V. van 27 juni 1973 deze afdeling na bestudering van de onderhavige transactie te kennen heeft gegeven dat voor HVA over 1973 een netto winstniveau van f 9 miljoen zeker haalbaar lijkt, voorts dat alsdan op een aandelenkapitaal ad f 72} miljoen de winst per aandeel over dit jaar zou uitkomen op een niveau van circa 12,4%, vervolgens dat de winst per aandeel over 1972 met een geplaatst aandelenkapitaal van f 60 miljoen uitkwam op 10,95%, verder dat bij de berekening van de winst per aandeel over 1973 daarom van een geplaatst aandelenkapitaal van f 72 1/2 miljoen - zijnde f 60 miljoen vermeerderd met 5/8 van f 20 miljoen - werd uitgegaan, omdat de nieuw geplaatste aandelen winstgevend zijn vanaf 15 mei 1973, derhalve voor 7% maand, en ten slotte dat verwatering van de winst per aandeel niet of nauwelijks zal optreden in 1973 en zeker niet in de daarop volgende jaren;
19) dat artikel 4 der statuten van HVA vóór na te noemen wijziging luidde, voor zover thans van belang:
1. Het maatschappelijk kapitaal der vennootschap bedraagt tachtig miljoen gulden (f 80.000.000, -- ), verdeeld in honderd zestig duizend (160.000) aandelen elk groot vijf honderd gulden (f500, -- ), luidende, ter keuze van de eigenaar, op naam of aan toonder. De aandelen aan toonder kunnen, indien de directie na overleg met de raad van commissarissen daartoe heeft besloten, worden gesplitst in onderaandelen aan toonder, elk groot één honderd gulden (f 100, -- ) .
2. Van het maatschappelijk kapitaal zijn geplaatst twee en dertig duizend (32.000) aandelen, vol te storten in contanten à pari. De uitgifte van de overige honderd acht en twintig duizend (128.000) aandelen zal plaats hebben op zodanige tijd en zodanige wijze, mits volgestort en niet beneden pari, als de directie, met goedkeuring van de raad van commissarissen, nader zal bepalen.
3. Aandeelhouders hebben bij elke nieuwe uitgifte van aandelen een recht van voorkeur tot inschrijving in zodanige verhouding en op zodanige wijze, als de directie, met goedkeuring van de raad van commissarissen, zal vaststellen.
4. De directie is evenwel bevoegd op grond van bijzondere omstandigheden, met goedkeuring van de raad van commissarissen, te bepalen dat aandeelhouders bij uitgifte van nieuwe aandelen niet of slechts voor een gedeelte der nieuwe uitgifte van hun recht van voorkeur, bedoeld in de vorige alinea, gebruik zullen kunnen maken;
20) dat na de uitgifte aan Socfin f 80 miljoen aandelen geplaatst waren, verdeeld in 160.000 aandelen, elk groot f 500, -- en elk recht gevende op 1 stem;
21) dat de directie van HVA in de algemene vergadering van aandeelhouders, gehouden op 18 juni 1973, de statutenwijziging aan de orde stelde, welke werd aangenomen met de vereiste stemmeerderheid en waarbij Westertoren met 14.036 stemmen tegenstemde, terwijl daarnaast 15 andere aandeelhouders met 652 stemmen eveneens tegenstemden en vóór de statutenwijziging stemden 119 aandeelhouders met 47.180 stemmen, waaronder Socfin met 40.000 stemmen; dat 1 aandeelhouder, uitbrengende 250 stemmen, blanco stemde; dat dientengevolge hier van belang is het nieuwe artikel 6 der statuten, luidende als volgt:
1. Een aandeelhouder kan niet meer dan 1% van het totaal aantal geplaatste aandelen op zijn naam hebben, casu quo te zijnen name gesteld krijgen. Indien de vennootschap overgaat tot inkoop en intrekking van eigen aandelen zal dit geen invloed hebben op de berekening van vorenbedoeld percentage van 1%.
2. Indien een aandeelhouder aandelen verkrijgt, die het in het vorige lid vermelde maximum van 1% zouden doen overschrijden, is die aandeelhouder verplicht binnen twee maanden nadat zijn aandelenbezit boven bedoeld maximum is gestegen over te gaan tot vervreemding van zoveel aandelen, dat aan de in lid 1 gestelde grens wordt voldaan, en wel hetzij door verwisseling in certificaten af te geven door het Administratiekantoor, hetzij door verkoop, hetzij op enig andere wijze.
3. Indien een aandeelhouder verzuimt te voldoen aan het bepaalde in lid 2 en, na door de directie bij aangetekende brief of deurwaardersexploit op zijn verzuim te zijn gewezen, gedurende 14 dagen na de ter post bezorging van de aangetekende brief respectievelijk de betekening van het deurwaardersexploit in gebreke blijft alsnog aan het in lid 2 bepaalde te voldoen, is de directie onherroepelijk gemachtigd namens hem een zodanig aantal aandelen, tegen uitgifte van certificaten, aan het Administratiekantoor over te dragen, dat aan lid 2 is voldaan en daartoe al het nodige te verrichten, mits de betreffende aandeelhouder daarmede accoord gaat. Als de betreffende aandeelhouder daarmede niet accoord gaat, dan is de directie onherroepelijk gemachtigd namens hem een zodanig aantal aandelen te vervreemden, dat aan lid 2 is voldaan en daartoe al het nodige te verrichten. De prijs waarvoor die aandelen worden vervreemd zal in overleg met de betreffende aandeelhouder worden vastgesteld. Mocht binnen vier weken daaromtrent geen overeenstemming worden bereikt, dan zal die prijs worden vastgesteld door een deskundige op verzoek van de meest gerede partij te benoemen door de heer Kantonrechter te Amsterdam.
4. Het in de voorgaande 3 leden van dit artikel bepaalde is niet van toepassing op:
a. de aandeelhouders (inbegrepen hun rechtsopvolgers onder algemene titel), die reeds bij het tot stand komen van de onderhavige statutenwijziging meer dan 1% van het geplaatste kapitaal in eigendom hebben, met dien verstande, dat het percentage, dat zij reeds bezaten, niet verhoogd mag worden;
Indien aandeelhouders bij uitgifte van aandelen, nieuwe aandelen kunnen verkrijgen, zullen de aandeelhouders, bedoeld in de vorige zin, gerechtigd zijn hun percentage te handhaven op het percentage vóór bedoelde uitgifte, alsdan te berekenen over het aldus vergrote geplaatste kapitaal. Zij mogen het op deze wijze verkregen aantal aandelen op naam blijven behouden ook in de gevallen dat door inkoop en intrekking van eigen aandelen der vennootschap het geplaatste kapitaal later weer vermindert. Als een aandeelhouder, bedoeld in dit lid 4 sub a, overgaat tot vervreemding van aandelen, wordt zijn percentage verminderd tot het percentage dat na de vervreemding overblijft en kan laatstbedoeld percentage, voor zover het de toegelaten grens van 1% overschrijdt, later niet meer worden verhoogd.
b . de personen, voor wie door besluiten van directeuren, met goedkeuring van de raad van commissarissen, een hoger percentage aan aandelenbezit is toegestaan, zulks echter uitsluitend voor het geval dat de vennootschap aan de zo even bedoelde personen aandelen uitgeeft voor het verkrijgen van aandelen in andere vennootschappen of voor het verwerven van andere ondernemingen;
Zulk een besluit kan later niet worden teniet gedaan, doch het bepaalde sub a is wel van toepassing.
c. het Administratiekantoor bedoeld in artikel 5 lid 3;
d. de vennootschap zelf, zulks tot een onbeperkt nominaal bedrag, mits met inachtneming van artikel 4 lid 6. 5. De levering van aandelen geschiedt, hetzij door de betekening ener acte van overdracht aan de vennootschap, hetzij door de schriftelijke erkenning der overdracht door de vennootschap op schriftelijk verzoek van de aan- deelhouder en de verkrijger, door of vanwege beiden getekend. De erkenning kan geschieden door een desbetreffende boeking in het aandelenregister.
6. Bij scheiding en deling van enige gemeenschap vindt het bepaalde in lid 5 overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat bij eigendomsovergang door het overlijden van de eigenaar de boeking in het aandelenregister geschiedt na overlegging van de nodige bewijsstukken, waaruit ten genoegen van de directie van die overgang blijkt.
7. Geen levering kan plaatsvinden welke leidt tot overtreding van het in dit artikel bepaalde;
22) dat de nieuwe statuten geen bepalingen bevatten, welke niet veelvuldig voorkomen in de statuten van andere vennootschappen, waarvan de aandelen ter beurze zijn genoteerd;
23) dat Westertoren geruime tijd voor het indienen van haar verzoek schriftelijk haar bezwaren tegen de onderwerpelijke aandelenuitgifte aan de directie en commissarissen van HVA heeft doen voorleggen, doch dat die nimmer zijn aanvaard;";
Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven:
"van Westertoren:
dat HVA de statutenwijziging slechts heeft weten te doen aannemen met behulp van de door Socfin uitgebrachte stemmen; dat de emissie aan Socfin en de daarmede geforceerde statutenwijziging zijn daden van onjuist beleid, immers betekenen, althans ten gevolge hebben, een ernstige aantasting van rechten en belangen der (andere) aandeelhouders, waarvoor geen voldoende rechtvaardiging bestaat; dat althans gegronde redenen bestaan om aan de juistheid van het besluit in dit opzicht te twijfelen; dat immers de beslissing over kapitaalsuitbreiding een wezenlijk recht is van aandeelhouders en, als deze statutair is opgedragen aan de directie, dit een van de aandeelhoudersvergadering afgeleide bevoegdheid is, waarvan de directie reeds daarom geen gebruik behoort te maken in strijd met de belangen der aandeelhouders; dat de emissie kennelijk ten doel, althans mede ten doel, had het doordrukken van voornoemde statutenwijziging en de wens hiertoe klaarblijkelijk is uitgegaan van de directie van HVA, makende het verloop van zaken dit duidelijk, bij welke gang van zaken Socfin, houdster gemaakt van het veruit grootste pakket aandelen, geen belang had; dat in artikel 4 der HVA statuten aan aandeelhouders een voorkeursrecht is verleend bij uitgifte van aandelen en de directie slechts bevoegd is hun dit wezenlijk recht te onthouden op grond van "bijzondere omstandigheden", waarvan in casu niet is gebleken, met name niet dat de uitgifte aan Socfin een absolute voorwaarde van Socfin tot samenwerking was, welke zodanige voordelen biedt, dat aantasting van het voorkeursrecht er door zou worden gerechtvaardigd; dat voorts de emissie à pari is geschied, terwijl de intrinsieke waarde der aandelen veel hoger is, waardoor een aanmerkelijke verwatering van het kapitaal heeft plaatsgevonden en Socfin ten detrimente van de andere aandeelhouders om niet gerechtigd is geworden tot 25% van de overwaarde der bezittingen van HVA boven het nominale kapitaal; dat een dergelijke benadeling van aandeelhouders slechts gerechtvaardigd is, als gegronde verwachting bestaat, dat zij binnen redelijke tijd door de voordelige gevolgen der emissie zal worden overtroffen, m.a.w. dat met het nieuw uitgegeven kapitaal een aanmerkelijke verbetering van de rentabiliteit der onderneming wordt bereikt; dat deze vooruitzichten niet zijn gesteld door de directie; dat grond tot twijfel bestaat aan de door de directie voorgespiegelde rentabiliteit van de uit de emissie te verkrijgen geldmiddelen; dat als gevolg van de emissie aan Socfin een zeer vergaande zeggenschap in HVA is gegeven, namelijk naast de beschikking over veruit het grootste aandelenpakket de verplichting van HVA niet mede te werken aan verhoging van het geplaatste kapitaal, indien daartegen bij Socfin bezwaar mocht bestaan en de toezegging van twee commissarisplaatsen; dat, ook al zou, na certificering der aandelen, het Administratiekantoor een groter pakket verkrijgen, de in feite beslissende zeggenschap van Socfin niet wezenlijk daardoor wordt aangetast; dat ernstig moet worden betwijfeld of dit uitleveren van de macht in HVA aan een buitenlandse vennootschap verantwoord was, respectievelijk met voldoende waarborgen is omkleed; dat voorts niet duidelijk is, dat HVA, die blijkens haar balans per 31 december 1972 alleen al aan deposito's over f 3,5 miljoen beschikt, een zo groot bedrag als hetwelk zij door de emissie verkreeg, voor investeringen nodig had; dat bezwaarlijk gezegd kan worden dat de voordelen van de onderhavige transactie duidelijk prevaleren boven de nadelen van die transactie;
van HVA:
dat het in casu gaat om een emissie, welke verband houdt met een definitief aangegane samenwerking, die door de besturen van beide vennootschappen als wenselijk wordt gezien in verband met de expansie van haar op velerlei gebied parallel lopende belangen; dat de stelling van Westertoren, dat het hier zou gaan om een statutenwijziging, ""een ernstige aantasting van rechten en belangen der (andere) aandeelhouders"" ten gevolge hebbende, door de meerderheid der aandeelhouders, onder wie ook anderen dan Socfin, zowel in aantal als in stemmen niet werd gedeeld; dat, voor zover de statutenwijziging een aanpassing aan de Structuurwet, toepasselijk op grote vennootschappen, bevat, een dergelijke aanpassing wettelijk is voorgeschreven en Westertoren derhalve er niet over kan klagen dat uit dien hoofde de rechten van aandeelhouders zijn verminderd; dat wat betreft de wijziging van het systeem van aandelen aan toonder in aandelen op naam en de bepaling, dat een aandeelhouder niet meer dan 1% van het totaal aantal geplaatste aandelen op zijn naam kan hebben, een dergelijk systeem in tal van nederlandse vennootschappen bestaat, zulks ter bescherming tegen niet gewenste en niet in het belang van de vennootschap en van degenen, die bij haar zijn betrokken, zijnde overvallen; dat er dan ook geen sprake is van strijd met de belangen der aandeelhouders; dat Socfin slechts bereid was tot samenwerking met HVA op voorwaarde dat zij een minderheidsbelang van 25% in het aandelenkapitaal van HVA verkreeg; dat HVA de plicht had tot certificering over te gaan om te voorkomen dat Socfin in de aandeelhoudersvergaderingen steeds de meerderheid zou hebben; dat Socfin wel een veto-recht moest bedingen als bescherming tegen statutenwijzigingen; dat ook laatstgenoemde belang had bij de certificering; dat van "bijzondere omstandigheden" in de zin van artikel 4 der oude statuten van HVA in casu zeker sprake was en het bestuur van HVA volkomen te goeder trouw en in overeenstemming met de vennootschappelijke practijk handelde door in dit geval van samenwerking aandeelhouders geen voorkeursrecht te geven, hetgeen trouwens bij een beurskoers van circa 91% een onmogelijkheid was, daar de claim negatieve waarde zou hebben, zijnde de door Westertoren gestelde hogere intrinsieke waarde in dit verband irrelevant; dat wordt overgelegd een brief van drie grote banken, waarbij deze op grond van een analyse concluderen dat een plaatsing bij aandeelhouders onmogelijk was en de uitgifte à pari reëel; dat Socfin over voldoende middelen
beschikt om als partner aantrekkelijk te zijn; dat zowel de emissie en het contract met Socfin als de statutenwijziging aan Westertoren volkomen bekend zijn, zodat niets te onderzoeken valt en reeds op die grond het verzoek zinloos is en behoort te worden afgewezen; terwijl voorts een onderzoek slechts betrekking zou kunnen hebben op één incidentele beslissing, zodat geen voldoende aanleiding zou bestaan tot het treffen van de in artikel 54 van het Wetboek van Koophandel bedoelde voorzieningen; dat bovendien het emissiebesluit niet ongedaan gemaakt kan worden, ook al zou het daaraan voorafgaande besluit van directie en commissarissen nietig zijn; dat, als de emissie niet ongedaan gemaakt kan worden, dit tot consequentie heeft dat de statutenwijziging volkomen rechtsgeldig tot stand is gekomen;";
Overwegende dat het Hof als volgt omtrent het verzoek heeft overwogen:
"4. Overwegende dat geenszins aannemelijk is geworden dat de leiding van HVA te dezen een gedragslijn heeft gevolgd, welke in strijd komt met elementaire beginselen van verantwoord beleid;
5 . Overwegende dat uit de hierboven omschreven vaststaande feiten - bezien in onderling verband en samenhang - veeleer het tegendeel is af te leiden;
6. Overwegende met name:
a. a) dat uit de achter 6, 7, 8, 9 en 14 omschreven feiten valt op te maken dat HVA reeds voor de onderhavige aandelenuitgifte kapitaalsuitbreiding noodzakelijk, althans wenselijk, achtte, voorts dat Westertoren deze zienswijze deelde, en ten slotte dat voor plaatsing van haar aandelen ter vergroting van haar activiteiten Socfin in het bijzonder in aanmerking kwam;
b) dat uit de achter 17 omschreven omstandigheid volgt dat een emissie à pari, waarbij aandeelhouders van hun statutair voorkeursrecht gebruik zouden hebben kunnen maken, in de gegeven omstandigheden geen kans van slagen zou hebben gehad, welke omstandigheid redelijkerwijs door het bestuur van HVA kon worden opgevat als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het voorschreven lid 4 van artikel 4 van de statuten van HVA, zoals deze bepaling luidde vóór de onderhavige wijziging der statuten, zulks zonder dat aannemelijk is geworden dat HVA daardoor handelde in strijd met de goede trouw, naar dewelke zij ook de belangen van Westertoren als aandeelhoudster met een minderheidspakket in aanmerking moest nemen;
c) dat, gelet op hetgeen achter 18 is overwogen, het onaannemelijk voorkomt dat verwatering van de winst per aandeel ten gevolge van de litigieuze emissie te duchten was;
d) dat op grond van de achter 6, 8, 9, 12 en 13 omschreven omstandigheden alsmede van de in de voorschreven overeenkomst nadrukkelijk beleden wenselijkheid van samenwerking moet worden aangenomen dat HVA en Socfin een reële samenwerking hebben beoogd en deze vennootschappen bij het sluiten van die overeenkomst ieder voor zich hebben gemeend dat de voorschreven vorm van samenwerking in haar eigen belang was;
e) dat de stelling van HVA, dat Socfin slechts bereid was tegen uitgifte van aandelen de voormelde geldmiddelen aan HVA ter beschikking te stellen, is te putten uit de achter 11 en 16 omschreven feiten, terwijl daarenboven voor de hand ligt dat Socfin van het tussen het bestuur van HVA en Westertoren bestaande verschil van mening omtrent de wenselijkheid van meergenoemde statutenwijziging op de hoogte was en zich tegen de mogelijkheid, dat dit meningsverschil de beoogde samenwerking met HVA nadelig zou beïnvloeden, heeft willen wapenen onder meer door de uitgifte van aandelen aan haar, die haar verzekerden van zeggenschap in de algemene vergadering van aandeelhouders van HVA;
7. Overwegende dat de door HVA en haar directie en commissarissen op zich genomen verplichting niet mede te werken aan verhoging van het geplaatste en volgestorte kapitaal indien daartegen bij Socfin bezwaar mocht bestaan geen grond vormt om aan een juist beleid te twijfelen, te minder nu voor hen statutair noch anderszins enige verplichting tot zodanige medewerking bestond;
8. Overwegende dat, waar nu niet is gebleken dat de onderhavige emissie geldigheid of rechtmatigheid ontbeert, de voormelde statutenwijziging, welke met de statutair vereiste stemmenmeerderheid tot stand kwam en dus een rechtsgeldig besluit van de aandeelhouders vormde, geen voorwerp van onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de vennootschap kan uitmaken;
9. Overwegende bovendien dat, gelijk als vorenoverwogen vaststaat, de nieuwe statuten geen bepalingen bevatten, welke niet veelvuldig voorkomen in de statuten van andere vennootschappen, waarvan de aandelen ter beurze zijn genoteerd;
10. Overwegende dat de litigieuze emissie en de daarop gevolgde statutenwijziging weliswaar tot gevolg hebben gehad dat Westertoren de hierboven achter 3 omschreven overheersende positie heeft verloren, doch gelet op het vorenoverwogene, niet aannemelijk is geworden dat de directie en de commissarissen van HVA bij het afwegen van de bij hun besluiten betrokken belangen niet op redelijke gronden het belang van de vennootschap bij samenwerking met Socfin - waarvoor de uitgifte van f 20 miljoen nieuwe aandelen aan Socfin een voorwaarde was - heeft laten prevaleren boven dat van Westertoren bij behoud van haar vorenbedoelde positie;
11. Overwegende dat, aangezien in casu van gegronde redenen om aan een juist beleid van HVA te twijfelen niet is gebleken, het verzoek van Westertoren dient te worden afgewezen;
12. Overwegende dat zulks echter niet betekent, dat dit verzoek door Westertoren ook op onredelijke gronden is gedaan;
13. Overwegende immers dat Westertoren met succes de voormelde uitgifte aan de Investeringsbank Amsterdam in rechte heeft bestreden en daarin aanleiding heeft kunnen vinden ook aan een juist beleid van het bestuur van HVA met betrekking tot de kort daarop gevolgde uitgifte aan Socfin te twijfelen;
14. Overwegende dat mitsdien voor toepassing van het bepaalde in artikel 53a, derde lid, van het Wetboek van Koophandel geen plaats is;";
Overwegende dat het Hof op die gronden het verzoek heeft afgewezen en verzoeker heeft veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van verweerster gevallen en tot de datum van 's Hofs beschikking begroot op f 2.500, -- aan salaris van de procureur;
Overwegende dat Westertoren een verzoekschrift tot de Hoge Raad heeft gericht bevattende het navolgende tegen 's Hofs beschikking gerichte middel van cassatie:
"Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, in het bijzonder van de artikelen 1349, 1355, 1356, 1371, 1372, 1373, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1902 en 1903 van het Burgelijk Wetboek, 1, 6, 7, 36, 38, 38a, 38b, 39d, 40a, 40b, 40c, 43, 44b, 44d, 45, 47, 47c, 48a, 50, 50b, 50c, 51, 52d, 52h, 521, 52m, 52n, 520, 53, 53a, 53b, 53c, 53d, 54, 54a, 54b, 54c en 54d van het Wetboek van Koophandel, 48, 59, 429a, 429i en 429k van het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering, 20 en 72 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, door te overwegen en op grond daarvan te beschikken gelijk in voormelde beschikking is omschreven;
ten onrechte
1. omdat het Hof overwegende als in zijn beschikking is omschreven en in het bijzonder in rechtsoverweging (RO)4, dat geenszins aannemelijk is geworden dat de leiding van HVA te dezen een gedragslijn heeft gevolgd, welke in strijd komt met elementaire beginselen van verantwoord beleid, waarop het Hof in R05 en volgende voortbouwt, en in R08 dat, waar nu niet is gebleken dat de onderhavige emissie geldigheid of rechtmatigheid ontbeert, de voormelde statutenwijziging, welke met de statutair vereiste stemmenmeerderheid tot stand kwam en dus een rechtsgeldig besluit van de aandeelhouders vormde, geen voorwerp van onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de vennootschap kan uitmaken, en in RO10, dat . . . gelet op het vorenoverwogene, niet aannemelijk is geworden dat de directie en de commissarissen van HVA bij het afwegen van de bij hun besluiten betrokken belangen niet op redelijke gronden het belang van de vennootschap bij samenwerking met Socfin - waarvoor de uitgifte van f 20 miljoen nieuwe aandelen aan Socfin een voorwaarde was - hebben laten prevaleren boven dat van Westertoren bij behoud van haar vorenbedoelde positie, zijn beschikking en in het bijzonder zijn beslissing in R011 - berustend op voormelde overwegingen - dat, aangezien in casu van gegronde redenen om aan een juist beleid van HVA te twijfelen niet is gebleken, het verzoek van Westertoren dient te worden afgewezen, door een met het recht strijdige opvatting van de artikelen 53-54d van het Wetboek van Koophandel, in het bijzonder artikel 53a, lid 2 heeft doen bepalen, aangezien voor het Hof rechtens niet aan de orde was de vraag of van wanbeleid was gebleken, vergelijk artikel 54 lid 1 van het Wetboek van Koophandel, of van strijd met elementaire beginselen van verantwoord beleid, en evenmin de vraag naar de geldigheid of rechtmatigheid van de onderhavige emissie, noch de vraag of directie en commissarissen op redelijke gronden het belang van de vennootschap hebben laten prevaleren, doch de vraag of gebleken was van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, en voorts aangezien het Hof in strijd met het recht niet of niet volledig heeft onderzocht hetgeen verzoeker heeft aangevoerd als grondslag voor zijn verzoek tot het instellen van een onderzoek en voor zijn stelling dat te dezen blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, doch het verzoek heeft afgewezen op grond van of mede op grond van door HVA aangevoerde omstandigheden en bewijsmiddelen, welke het Hof ertoe gebracht hebben een oordeel ten gronde te geven als hiervóór vermeld, zie R04, 8 en 10;
2. omdat het Hof overwegende als voormeld in R06 onder b) heeft miskend, dat voor het Hof niet aan de orde was de vraag of de bedoelde omstandigheid redelijkerwijs door het bestuur van HVA kon worden opgevat als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4 lid 4 van de statuten van HVA en de vraag of aannemelijk is geworden, dat HVA daardoor handelde in strijd met de goede trouw naar dewelke zij ook de belangen van Westertoren als aandeelhouder met een minderheidspakket in aanmerking moest nemen, doch de vraag of gebleken was van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, en voorts omdat het, gelet op de tekst van artikel 4 lid 4, te dezen niet gaat om de vraag of een omstandigheid redelijkerwijs door het bestuur van HVA kon worden opgevat als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4 lid 4, maar of een omstandigheid een zodanige bijzondere omstandigheid opleverde, en bovendien omdat het volgens artikel 4 lid 4 niet of niet alleen gaat om een bevoegdheid van het bestuur, maar mede van de raad van commissarissen, wiens goedkeuring vereist is, en daarnaast omdat niet valt in te zien, althans niet zonder nadere redengeving, waarom de omstandigheid, dat een emissie à pari in de gegeven omstandigheden geen kans van slagen zou hebben gehad, ertoe zou kunnen leiden, dat artikel 53a lid 2 van het Wetboek van Koophandel te dezen toepasselijk is althans dat te dezen sprake is althans redelijkerwijs kan zijn van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4 lid 4 van de statuten van HVA, en/of van een handelen te goeder trouw jegens verzoeker, als door het Hof bedoeld, daar niet valt in te zien, waarom - voordat tot een emissie aan Socfin zou worden overgegaan - de aandeelhouders, die wel zouden wensen deel te nemen in een emissie à pari, gelijk Westertoren als aandeelhouder van een minderheidspakket, van deze gelegenheid - hun in den regel volgens de statuten rechtens toegekend - beroofd zouden mogen worden, omdat andere aandeelhouders zulks misschien niet zouden wensen, alsmede omdat ter beoordeling van de vraag of artikel 53a lid 2 van het Wetboek van Koophandel toepasselijk is, althans de vraag of te dezen aanwezig zijn althans redelijkerwijs aanwezig geacht kunnen zijn bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4 lid 4 van de statuten van HVA en/of van de vraag of te dezen sprake is van een handelen te goeder trouw jegens verzoekster, niet alleen van belang is de achter 17 omschreven omstandigheid en de daaruit in R06 onder b) getrokken conclusie, doch mede de overeenkomst van HVA met Socfin volgens de acte van 15 mei 1973, waarin grote bevoegdheden aan Socfin zijn toegekend, omtrent welk een en ander het Hof in verband met artikel 4 lid 4 van de statuten van HVA ten onrechte niet beslist, terwijl het Hof althans ten onrechte artikel 53a lid 2 van het Wetboek van Koophandel toepasselijk heeft geacht, althans bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4 lid 4 van de statuten van HVA heeft aangenomen, of zijn beschikking niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed door zulks zonder nadere redengeving te doen, waar het gevolg van de door het Hof aanvaarde gedragingen van HVA is, niet alleen dat aandeelhouders, waaronder verzoeker, ten aanzien van de betreffende emissie beroofd zijn van hun voorkeursrecht, maar bovendien dat degene aan wie de betreffende aandelen zijn geëmitteerd namelijk Socfin, een voor HVA en haar organen en haar aandeelhouders bindend recht van bezwaar voor verdere emissies heeft verkregen;
3. omdat het Hof overwegende in R06 onder c), dat, gelet op hetgeen achter 18 is overwogen, het onaannemelijk voorkomt dat verwatering van de winst per aandeel ten gevolge van de litigieuze emissie te duchten was, wordende door het Hof in R01 en achter 18 overwogen, ""dat, gelet op de als te dezer plaatse ingevoegd beschouwde inhoud van de stukken en het ter zitting behandelde, als erkend althans als niet of onvoldoende weersproken tussen partijen is komen vast te staan, dat . . . "" (zijnde door het Hof achter 18 een parafrase gegeven van een door HVA overgelegd schriftelijk rapport van de research afdeling van Bank Mees en Hope N.V. d.d. 17 juni 1973), zijn beschikking niet naar de eis der Wet met redenen heeft omkleed, aangezien het Hof nalaat een beslissing te geven omtrent de naar aanleiding van voormeld rapport door verzoeker gevoerde verweren of bezwaren en/of de door verzoeker aan het Hof overgelegde brief van het accountantskantoor [A] d.d. 20 augustus 1973, waarin wordt aangevoerd, dat voor een oordeel over de behoefte aan een vergroting van risicodragend kapitaal noodzakelijk is een inzicht in de uitbreiding van activiteiten naar aard, omvang en risico, en dat, zo een uitbreiding van het aandelenkapitaal noodzakelijk zou zijn, in de gegeven situatie, waarbij een 25% minderheidspakket ontstaat, bij de beoordeling van de emissiekoers ook andere aspecten dan bij een emissie aan een gedifferentieerde groep van aandeelhouders in de oordeelsvorming betrokken dienen te worden, en ten slotte dat de onderhavige situatie voor de oordeelsvorming op deze twee punten niet de noodzakelijke gegevens geeft, zijnde 's Hofs beschikking voorts niet naar de eis der Wet met redenen omkleed, daar verzoeker niet althans niet alleen een beroep heeft gedaan op verwatering van de winst per aandeel maar juist althans ook op verwatering van het kapitaal als omschreven onder (4) van het verzoekschrift aan het Hof, waaromtrent het Hof niet heeft beslist;
4. omdat 's Hofs overwegingen in R06 onder b) en c)
zonder nadere redengeving niet begrijpelijk en met elkaar te verenigen zijn, aangezien, indien juist is, gelijk door verzoeker is aangevoerd en door het Hof is daargelaten, dat de intrinsieke waarde der aandelen veel hoger was dan de pari-waarde en indien het onaannemelijk voorkomt dat verwatering van de winst per aandeel ten gevolge van de litigieuze emissie te duchten was, zonder nadere redengeving niet duidelijk is, waarom aandeelhouders - na behoorlijke voorlichting omtrent de intrinsieke waarde en/of de toekomstplannen van de directie en de raad van commissarissen van HVA - niet bereid geweest zouden zijn, al dan niet voor kleine aantallen aandelen, deel te nemen in een emissie à pari, waartoe Socfin bereid was voor f 20.000.000, -- aandelen;
5. omdat het Hof overwegende als vermeld in R06 onder d) heeft miskend, dat, waar door verzoeker was aangevoerd, dat de emissie en de voorwaarden, waarop deze volgens de overeenkomst met Socfin geschiedde, zodanige inhoud en gevolgen hadden, dat bleek van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, en dat de emissie kennelijk ten doel, althans mede ten doel had het doordrukken van de betreffende statutenwijziging, het aan het Hof niet vrijstond het verzoek af te wijzen - zonder te beslissen over de vraag of de emissie kennelijk ten doel, althans mede ten doel had het doordrukken van de betreffende statutenwijziging, en de daarvoor aangevoerde gronden - met een beroep op de omstandigheid (door het Hof mede aangenomen op grond van de tekst van de door verzoeker gewraakte overeenkomst tussen HVA en Socfin), dat HVA en Socfin een reële samenwerking hebben beoogd en deze vennootschappen bij het sluiten van die overeenkomst ieder voor zich hebben gemeend dat de voorschreven vorm van samenwerking in haar eigen belang was;
6. omdat het Hof overwegende als vermeld in RO6 onder e) heeft miskend, dat, waar door verzoeker was aangevoerd, dat de emissie en de voorwaarden, waarop deze volgens de overeenkomst met Socfin geschiedde, zodanige inhoud en gevolgen hadden, dat bleek van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, en dat de emissie kennelijk ten doel, althans mede ten doel had het doordrukken van de betreffende statutenwijziging, het aan het Hof niet vrijstond het verzoek af te wijzen - zonder te beslissen over de vraag of de emissie kennelijk ten doel, althans mede ten doel had het doordrukken van de betreffende statutenwijziging, en de daarvoor aangevoerde gronden - met een beroep op de omstandigheid (door het Hof geheel of mede aangenomen op grond van een uitlating van de oudste directeur van HVA en een stelling van Socfin in een procedure van verzoeker tegen HVA en Socfin), dat Socfin slechts bereid was tegen uitgifte van aandelen de bedoelde geldmiddelen aan HVA ter beschikking te stellen;
7. omdat, waar verzoeker onder meer als grond voor zijn verzoek heeft aangevoerd: ""Als gevolg van de emissie is aan Socfin een zeer vergaande zeggenschap in de HVA gegeven: zij verkreeg het veruit grootste aandelenpakket (25%; de daarna grootste aandeelhouder, zijnde verzoeker, bezit slechts ruim 10%) en zal twee commissarissenplaatsen krijgen. Ook al zou, na certificering der aandelen, het administratiekantoor een groter pakket verkrijgen, dan wordt die in feite beslissende zeggenschap daardoor niet wezenlijk aangetast. Ernstig moet worden betwijfeld of dit uitleveren van de macht in de HVA aan een buitenlandse vennootschap verantwoord was respectievelijk met voldoende waarborgen is omkleed. Dit klemt te meer omdat, blijkens een hierbij (sc. bij het verzoekschrift) overgelegde - overigens zeer ondoorzichtige - balans van Socfin, deze ten tijde der emissie een banksaldo had van niet meer dan + B. frcs. 55.000.000; dus slechts een kwart van het te storten kapitaal. Van wezenlijk belang is mitsdien of, en zo ja door wie, op welke wijze en onder welke condities, de ontbrekende f 16.000.000, -- zijn gefinancierd"", en waar uit de in 's Hofs beschikking overgenomen overeenkomst van HVA en Socfin blijkt van de zeggenschap van Socfin, artikel 1 (f 20.000.000 aandelen), artikel 2 (een/vierde van de commissarissen althans twee commissarissen overeenkomstig het advies van Socfin en recht van vooroverleg over de benoeming en recht van bezwaar tegen door HVA voorgestel- de commissarissen) en artikel 3 (recht van bezwaar tegen verhoging van het geplaatste en volgestorte kapitaal), het Hof in strijd met het recht het verzoek op de daarvoor aangevoerde gronden heeft afgewezen althans zijn beschikking niet naar de eis der Wet met redenen heeft omkleed door dienaangaande niet te beslissen, hetgeen althans het geval is, waar de bevoegdheid te besluiten omtrent de uitgifte van nieuwe aandelen in beginsel een bevoegdheid van de algemene vergadering van aandeelhouders is, terwijl de directie en de raad van commissarissen in een geval als dat van artikel 4 lid 4 van de statuten van HVA slechts een overgehevelde bevoegdheid hebben, en voorts waar hetzelfde geldt voor overeenkomsten als bedoeld in artikel 40a van het Wetboek van Koophandel na de oprichting der vennootschap aangegaan, zie artikel 40b van dit wetboek en artikel 4 lid 5 van de statuten van HVA, zijnde de onderhavige overeenkomst tussen HVA en Socfin een zodanige overeenkomst, en bovendien waar een emissie in het algemeen althans in het onderhavige geval, mede gelet op de zojuist bedoelde overeenkomst, niet alleen de vermogens- en inkomstenrechten van de aandeelhouders maar ook hun zeggenschapsrechten raakt en aantast, en ten slotte waar aandeelhouders, zeker een aandeelhouder met een minderheidspakket als verzoeker in de omstandigheden als door het Hof in R01 onder 3) vastgesteld, er, mede gelet op de tegenover hen te betrachten goede trouw, aanspraak op hebben, dat met hun rechten en belangen wordt rekening gehouden, en waar de directie en de raad van de commissarissen de bewijslast hebben om aan te tonen, dat een emissie tot het betreffende bedrag voor de betreffende koers en op de voorwaarden volgens de betreffende overeenkomst in het belang is van de vennootschap en niet strijdt met de rechten en belangen van aandeelhouders, waaronder verzoeker, waaraan rechtsoverweging 7 en rechtsoverweging 10 niet kunnen afdoen, nu daar niet beslist is over de rechten en bevoegdheden van Socfin tezamen en evenmin over de rechten van Socfin met betrekking tot de benoeming van commissarissen;
8. omdat 's Hofs beslissing in RO7, dat de door HVA en haar directie en commissarissen op zich genomen verplichting niet mede te werken aan verhoging van het geplaatste en volgestorte kapitaal indien daartegen bij Socfin bezwaar mocht bestaan geen grond vormt om aan een juist beleid te twijfelen, te minder nu voor hen statutair noch anderszins enige verplichting tot zodanige medewerking bestond, is in strijd met het recht en/of ondoorzichtig en onbegrijpelijk, zodat de beschikking niet naar de eis der Wet met redenen is omkleed, aangezien een verplichting, als door het Hof bedoeld, krachtens een overeenkomst met een onderneming als Socfin, aandeelhouder van HVA en zich als onderneming bewegende mede op het werkterrein van HVA, in het algemeen, althans onder omstandigheden rechtsgeldigheid ontbeert en/of grond vormt om aan een juist beleid te twijfelen en/of, al dan niet tezamen met andere omstandigheden, doet blijken van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, daar directie en commissarissen, als leden van de raad van commissarissen, zich bij de uitvoering van een vennootschappelijke taak en de uitoefening van een vennootschappelijke bevoegdheid als de onderhavige behoren te richten naar het belang van de vennootschap en/of de met haar verbonden onderneming en/of aandeelhouders der vennootschap en aldus behoren te handelen naar eigen inzicht en onafhankelijk van het oordeel en/ of de goedkeuring en/of het bezwaar van derden, gelijk Socfin, behoudens de beperkingen en bepalingen van het recht en de statuten, terwijl er voor directie en commissarissen, als leden van de raad van commissarissen, van HVA, blijkens het vorenstaande, onder omstandigheden wel degelijk een verplichting bestaat of kan bestaan mede te werken aan verhoging van het geplaatste en volgestorte kapitaal, aan welk een en ander niet afdoet, dat deze verplichting niet - uitdrukkelijk - in de statuten of de wet is neergelegd, zijnde 's Hofs beslissing bovendien in strijd met het recht of ondoorzichtig en onbegrijpelijk en dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed, daar aldus in strijd met artikel 39d van het Wetboek van Koophandel of de strekking daarvan door toedoen of met medewerking van HVA ongelijke en grotere rechten aan de aandelen van Socfin in HVA zouden zijn verbonden;
9. omdat het Hof in strijd met het recht en/of zijn motiveringsplicht heeft nagelaten te beslissen omtrent de toezegging van HVA aan Socfin van twee commissarissenplaatsen en het in deze toezegging volgens artikel 2 van de overeenkomst tussen HVA en Socfin neergelegde recht op benoeming van een vierde althans twee van de commissarissen, het recht op vooroverleg omtrent de benoeming van commissarissen en het recht van bezwaar tegen door HVA voorgestelde commissarissen en/of heeft nagelaten te beslissen dat daaruit, al dan niet tezamen met andere omstandigheden, blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, aangezien commissarissen, als leden van de raad van commissarissen, van HVA, als zogenaamde grote vennootschap, zich bij hun taak of bevoegdheid tot benoeming van commissarissen behoren te richten naar het belang van de vennootschap en/of de met haar verbonden onderneming en/of aandeelhouders der vennootschap, met inachtneming van de in artikel 52h lid 6 neergelegde normen, en aldus behoren te handelen naar eigen inzicht en onafhankelijk van het oordeel en/of de goedkeuring en/of het - bindende - advies of bezwaar van derden, gelijk Socfin, behoudens de beperkingen en bepalingen van het recht en de statuten, zulks in het bijzonder ook gelet op de bepalingen van de artikelen 50c laatste zin, 52h lid 2 laatste zin en 52h lid 6 van het Wetboek van Koophandel, zijnde voorts de klacht aan het slot van onderdeel 8 te dezen van overeenkomstige toepassing;
10. omdat 's Hofs beslissing is in strijd met het recht althans niet naar de eis der Wet met redenen omkleed, aangezien deze niet meebrengt of tot gevolg heeft en/of begrijpelijk maakt, dat en waarom een emissie van nominaal f 20 miljoen aandelen noodzakelijk of gewenst was, hetgeen althans het geval is, waar verzoeker onder (7) en (8) van het verzoekschrift heeft aangevoerd: "" Dat de directie 40.000 nieuw gecreëerde stemmen nodig had tot het aannemen van het voorstel tot statutenwijziging, kan natuurlijk niet ter rechtvaardiging van het enorme bedrag dienen. Enige andere grond daartoe is nooit gegeven, en laat zich ook bezwaarlijk denken. Dit laatste klemt te meer omdat de HVA blijkens haar balans per 31 december 1972, alleen al aan deposito's over f 3,5 miljoen beschikt. Noch in het bericht aan Aandeelhouders, noch in de op 1 en 18 juni 1973 gehouden aandeelhoudersvergaderingen, is zelfs maar aangeduid tot welke investeringen een nog groter bedrag nodig zou zijn. Nog in mei 1973 verklaarde de directie, dat er geen enkele behoefte aan kapitaalsverhoging bestond"". waaromtrent het Hof niet heeft beslist;";
Overwegende dat Westertoren, met verzoek een mondelinge toelichting door de advocaten te bevelen, op grond van bovenstaand middel heeft verzocht de beschikking waartegen het is gericht te vernietigen, met zodanige verdere beschikking als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens;
Overwegende dat HVA, zich aansluitend bij het verzoek van Westertoren om te dezen een mondelinge toelichting door de wederzijdse advocaten te bevelen, het verzoek van Westertoren voor het overige heeft bestreden onder aanvoering van het navolgende:
"In haar inleidend verzoekschrift in deze zaak heeft Westertoren, overeenkomstig artikel 53 Wetboek van Koophandel, aan de ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam verzocht ""een onderzoek te bevelen naar het beleid van de HVA, voor zover betreffende de emissie (te weten van mei 1973 aan Socfin S.A. te Brussel van f 20 miljoen nominaal aandelen) en de daardoor bewerkstelligde statutenwijziging"".
Naar luid van artikel 53a, lid 2, Wetboek van Koophandel zou dit verzoek slechts toewijsbaar zijn geweest, indien ten processe ware gebleken ""van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen"".
Het Hof heeft, aan de hand van de desbetreffende beweringen van Westertoren, daar een onderzoek naar ingesteld, doch met negatief resultaat; zie 's Hofs eindbeschikking rechtsoverweging (RO) 11:
""dat, aangezien in casu van gegronde redenen om aan een juist beleid van HVA te twijfelen niet is gebleken, het verzoek van Westertoren dient te worden afgewezen"" .
Dit oordeel is, in principe, van feitelijke aard en derhalve niet (althans niet met materiële klachten) in cassatie aan te tasten. Het feitelijke karakter van 's Hofs oordeel is voorts uiteraard mede van invloed op de eisen welke men te dezen, in redelijkheid, aan de motivering van dit oordeel kan stellen.
Bij de beoordeling van 's Hofs motivering dient men bovendien te bedenken dat het de taak van Westertoren was (te pogen) het Hof ervan te overtuigen dat er in casu "gegronde redenen" waren om, met betrekking tot de twee door Westertoren genoemde punten, " "aan een juist beleid (van HVA) te twijfelen""; de motivering van 's Hofs negatieve oordeel mag men derhalve niet naar abstracte maatstaf toetsen, maar integendeel uitsluitend in het kader van hetgeen Westertoren - naar 's Hofs feitelijke interpretatie van dier processtukken - in concreto aan (wezenlijke) redenen ter staving van haar (geponeerde) twijfel aan de juistheid van HVA's beleid ten processe heeft aangevoerd.
Het heeft er alle schijn van dat Westertoren, bij het formuleren van de tien onderdelen van haar cassatiemiddel, voor dit een en ander de ogen gesloten heeft gehouden.
Noch de in onderdeel 1 specifiek vermelde overwegingen noch enige andere passage van 's Hofs beschikking wettigt de klacht van dit onderdeel als zou het Hof zijn beschikking (en in het bijzonder zijn beslissing in RO 11) ""door een met het recht strijdige opvatting van de artikelen 53-54d Wetboek van Koophandel, in het bijzonder artikel 53a, lid 2, (hebben) doen bepalen"".
Bij haar desbetreffende klacht lijkt Westertoren met name over het hoofd te hebben gezien:
a. dat zij zelf, in haar inleidend request ex artikel 53 Wetboek van Koophandel, ter adstructie van haar verzoek primair heeft geponeerd:
""dat die uitgifte en de daarmee geforceerde statutenwijziging zijn daden van onjuist beleid welke primaire stelling zij ten processe steeds heeft gehandhaafd en zelfs nog heeft aangedikt (zie bij voorbeeld de pleitnotities van haar advocaat mr. Beelaerts van Blokland van 26 september 1973, pagina 3, alwaar het, onder de kop "Grondslag", heet:
""Westertoren stelt dat de emissie, en de daarmee geforceerde statutenwijziging, zijn daden van ernstig onjuist beleid . . . "") ;
en b. dat het, voor de beoordeling van een verzoek ex artikel 53 Wetboek van Koophandel natuurlijk - in verband met artikel 53a lid 2 - wel degelijk relevant en zelfs afdoende is indien reeds uit de ten processe tussen partijen vaststaande feiten en omstandigheden is af te leiden dat het (door de requirant aangevochten) beleid der N.V. wel degelijk juist is geweest; dit impliceert dan immers, a fortiori, dat ter zake níet " "blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen"".
In dit verband ligt het zwaartepunt dan ook niet zozeer in 's Hofs negatieve RO 4: ""dat geenszins aannemelijk is geworden dat de leiding van HVA te dezen een gedragslijn heeft gevolgd, welke in strijd komt met elementaire beginselen van verantwoord beleid"", als wel in de daarop volgende positieve R05 ""dat uit de hierboven omschreven vaststaande feiten - bezien in onderling verband en samenhang - veeleer het tegendeel is af te leiden"".
De slotklacht van dit onderdeel, waarin Westertoren poneert dat het Hof "niet of niet volledig" zou hebben ""onderzocht hetgeen Westertoren heeft aangevoerd als grondslag voor zijn verzoek tot het instellen van een onderzoek enzovoort"" zal reeds daarom niet kunnen slagen omdat Westertoren daarbij niet aangeeft welke harer posita het Hof te dezen "niet of niet volledig" zou hebben onderzocht.
Onderdeel 2 berust op dezelfde onjuiste gedachtengang als onderdeel 1; het begeeft zich voorts op feitelijk terrein en stelt motiveringseisen die verder gaan dan, in de omstandigheden van dit geval, uit de wet voortvloeien.
Ten aanzien van de in onderdelen 3 en 4 vervatte motiveringsklachten geldt hetzelfde als hierboven ad onderdeel 2 in fine is opgemerkt.
Ook de (nauw aan elkaar verwante) onderdelen 5 en 6 komen slechts met te ver gaande en derhalve ongegronde motiveringsklachten.
In hetgeen het Hof te dezen heeft overwogen en geoordeeld, met name in zijn (ook in onderdeel 7 genoemde) RO 7, ligt een - voor zover te dezen al nodig: - voldoende (èn àfdoende) bespreking en weerlegging besloten van de in dit onderdeel geciteerde posita van Westertoren.
Voor zover onderdeel 8 zich al niet op zuiver feitelijk terrein begeeft, respectievelijk met ongeoorloofde nova aankomt, poneert het in elk geval weer motiveringseisen welke verder gaan dan met de wet in overeenstemming is.
Voor onderdeel 9 geldt hetzelfde als hierboven over onderdeel 8 is opgemerkt.
Zowel de materiële als de motiveringsklacht van onderdeel 10 zijn duidelijk ongegrond;";
Overwegende dat HVA op deze gronden heeft verzocht het cassatieberoep van Westertoren te verwerpen met zodanige uitspraak omtrent de kosten als de Hoge Raad zal vermenen te behoren;
Overwegende omtrent onderdeel 1 van het middel:
dat Westertoren ter ondersteuning van haar verzoek een onderzoek te bevelen naar het beleid van HVA, voor zover betreffende de vermelde emissie van aandelen aan Socfin en de daarop volgende wijziging van de statuten van HVA, heeft aangevoerd, dat de beslissing van HVA over kapitaalsuitbreiding door emissie aan Socfin en de daarmede geforceerde statutenwijziging zijn daden van onjuist beleid en dat althans gegronde redenen bestaan om aan de juistheid van het beleid te twijfelen;
dat voor zover het onderhavige onderdeel van het middel klaagt over schending van de artikelen 53-54 d van het Wetboek van Koophandel, in het bijzonder van artikel 53 a, lid 2, die klacht blijkbaar zo moet worden verstaan dat Westertoren aan het Hof verwijt dat het zijn beslissing, dat in casu van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen niet is gebleken, ten onrechte heeft doen steunen op dezelfde gronden, die hebben geleid tot 's Hofs beslissing dat geenszins aannemelijk is geworden dat de leiding van HVA te dezen een gedragslijn heeft gevolgd, welke in strijd komt met elementaire beginselen van verantwoord beleid en dat veeleer het tegendeel valt af te leiden uit de - door het Hof in onderling verband en samenhang beziene - feiten, welke het Hof als vaststaand heeft aangenomen;
dat deze klacht echter niet tot cassatie kan leiden; dat het aan het Hof immers vrijstond de bevindingen welke ten grondslag liggen aan 's Hofs beslissing omtrent hetgeen Westertoren in haar inleidend verzoekschrift als primaire grond had aangevoerd, eveneens in aanmerking te nemen bij zijn onderzoek omtrent de subsidiaire grond van het verzoek, ten aanzien waarvan het Hof voorts heeft geoordeeld, dat niet aannemelijk is geworden dat de directie en de commissarissen van HVA bij het afwegen van de bij hun besluiten betrokken belangen niet op redelijke gronden het belang van de vennootschap bij samenwerking met Socfin - waarvoor de uitgifte van f 20 miljoen aan- delen aan Socfin een voorwaarde was - hebben laten prevaleren boven dat van Westertoren bij behoud van haar overheersende positie;
dat het onderdeel ook voor het overige niet kan slagen, daar in zaken van rechtspleging als de onderhavige de eis van motivering niet meebrengt, dat de rechter uitdrukkelijk van zijn oordeel over elk aangevoerd argument rekenschap moet geven en het de rechter in die zaken, voor zover de wet niet anders bepaalt, vrijstaat zich op de meest dienstige wijze de gegevens te verschaffen, welke hij meent voor zijn beslissing nodig te hebben;
Overwegende omtrent onderdeel 10 van het middel: dat dit onderdeel afstuit op 's Hofs rechtsoverweging 6, onder a, die nadere motivering niet behoefde; Overwegende omtrent de onderdelen 2 en 7 van het middel:
dat Westertoren de aantasting van het voorkeursrecht van de bestaande aandeelhouders zonder dat is gebleken van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4, lid 4, van de statuten van HVA, bij het Hof mede heeft aangevoerd als grond om aan de juistheid van het gevoerde beleid te twijfelen;
dat het Hof daarin reden heeft kunnen vinden om te onderzoeken, of het een zodanige omstandigheid aanwezig achtte;
dat het in rechtsoverweging 6, onder b, overwogene moet worden gelezen in verband met het overwogene in rechtsoverweging 6, onder d en e, en in rechtsoverweging 7 en dat het samenstel van deze overwegingen geen nadere motivering behoefde;
dat de door het Hof aan zijn rechtsoverweging 6, onder b, kennelijk ten grondslag gelegde uitlegging van de statuten van HVA als oordeel van feitelijke aard in cassatie niet op haar juistheid kan worden getoetst; dat, wat meer in het bijzonder onderdeel 7 betreft, voor het Hof niet de vraag aan de orde was van welke aard de bevoegdheid is, welke directie en raad van commissarissen aan artikel 4, lid 4, aan de statuten van HVA ontlenen, maar slechts de vraag of de wijze, waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt, een gegronde reden oplevert om aan een juist beleid te twijfelen;
dat 's Hofs ontkennende beantwoording van deze laatste vraag geen nadere motivering behoefde;
Overwegende omtrent de onderdelen 3 en 4 van het middel:
dat het Hof, bij zijn in rechtsoverweging 6, onder c, gegeven oordeel lettende op hetgeen het Hof eerder achter 18 had overwogen, niet gehouden was een oordeel te geven omtrent hetgeen naar aanleiding van het onder 18 genoemde rapport door Westertoren was te berde gebracht omtrent de door haar aan het Hof overgelegde brief van een accountantskantoor of omtrent haar stelling inzake verwatering van het kapitaal van HVA;
dat 's Hofs in deze onderdelen bestreden oordelen, voorkomende in rechtsoverweging 6, onder b en c, niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden;
dat de in onderdeel 4 gestelde tegenstrijdigheid zich niet voordoet en dat dit onderdeel voorts tevergeefs opkomt tegen 's Hofs, op de beurskoers gebaseerde feitelijke oordeel, dat een emissie à pari, waarbij aandeelhouders van hun statutair voorkeursrecht gebruik zouden hebben kunnen maken, geen kans van slagen zou hebben gehad;
dat het Hof, aldus oordelende, geen nader oordeel meer behoefde te geven omtrent de intrinsieke waarde van de aandelen HVA, ook al zou deze - zoals Westertoren stelde - boven pari liggen;
Overwegende omtrent de onderdelen 5 en 6:
dat het Hof, nu het enkel had te beslissen of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen, te dezen kon volstaan met de vaststelling, dat HVA en Socfin een reële samenwerking hebben beoogd en deze vennootschappen bij het sluiten van de overeenkomst ieder voor zich hebben gemeend dat de voorschreven vorm van samenwerking in haar eigen belang was, in welke vaststelling het Hof kennelijk mede heeft willen begrijpen dat de wijze van totstandkoming van de uit deze samenwerking voortvloeiende statutenwijziging geen gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid kon opleveren;
Overwegende omtrent onderdeel 8 van het middel:
dat dit onderdeel, voor zover opkomend tegen 's Hofs oordeel dat voor HVA, haar directie en haar commissarissen geen verplichting tot medewerking aan verhoging van het geplaatste en volgestorte kapitaal bestond, is gericht tegen een overweging ten overvloede;
dat zomin de tekst als de strekking van artikel 39d van het Wetboek van Koophandel zich verzet tegen de door HVA, haar directie en haar commissarissen op zich genomen verplichting om niet mede te werken aan verhoging van het geplaatste en volgestorte kapitaal indien daartegen bij Socfin bezwaar mocht bestaan;
dat immers het hieruit voor Socfin voortvloeiende recht niet aan de aandelen van Socfin is verbonden;
dat het Hof overigens zonder schending van enige rechtsregel heeft kunnen oordelen, dat de laatstbedoelde verplichting geen grond vormt om aan een juist beleid te twijfelen, welk oordeel gelet op het eerder door het Hof overwogene geen nadere motivering behoefde;
Overwegende omtrent onderdeel 9 van het middel: dat in dit onderdeel ten onrechte wordt voorbijgegaan aan 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 6, onder d, dat, zoals ten aanzien van de onderdelen 5 en 6 is overwogen, geen nadere motivering behoefde;
dat voorts hetgeen de samenwerkingsovereenkomst inhoudt onder 2, op zich zelf niet strijdt met een van de in het onderdeel genoemde artikelen van het Wetboek van Koophandel;
Overwegende dat het middel derhalve in geen van zijn onderdelen tot cassatie kan leiden;
Verwerpt het beroep;
Veroordeelt Westertoren in de kosten op de behandeling in cassatie gevallen, welke kosten tot op heden worden begroot aan de zijde van HVA op éénhonderdtwaalf gulden en vijftig cent aan verschotten en f 1.300, -- voor salaris.
Aldus gedaan in raadkamer van 19 maart 1900 vijf en zeventig door mrs. Eijssen, Vice-President, Peters,
Telders, Van Dijk en Wiersma, Raden, in tegenwoordig- heid van de Griffier Reyers.
Conclusie 19‑03‑1975
Inhoudsindicatie
Enqueteverzoek. Emissiebesluit met passering voorkeursrecht aandeelhouders, gevolgd door statutenwijziging.
V.
Nr. 4496/922 request.
(mondelinge toelichting 25 september 1974)
Mr. van Soest.
Conclusie inzake:
WESTERTOREN / H.V.A.
Edelhoogachtbare Heren,
De verzoekster tot cassatie (Westertoren) is houdster van een pakket aandelen in de verweerster in cassatie (H.V.A. ) en heeft als zodanig aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna te noemen "het Hof" dan wel "de Ondernemingskamer") verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid van H. V.A., voor zover betreffende een emissie van aandelen aan de Societe Financière des Caoutchoucs "Socfin" S.A. te Brussel (Socfin) en de daarop volgende wijziging van de statuten van H. V.A. Het Hof heeft het verzoek afgewezen.
Hoewel de partijen en het Hof daarop niet uitdrukkelijk zijn ingegaan, moge ik allereerst een beschouwing wijden aan "de positie ... van de aandeelhouder, die ontevreden is over de gang van zaken in zijn vennootschap en die over verschillende mogelijkheden beschikt om corrigerend op te treden. Ik noem: ..... aantasting van een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (art. 46 a K. ), of van een besluit van enig ander orgaan (vgl. Handboek no. 228), meer in 't algemeen een actie tegen de vennootschap, al dan niet in kort geding, een verzoek tot enquête .... Heeft hij de vrije keuze, of kan de goede trouw, welke hij tegenover de vennootschap en zijn mede-aandeelhouders in acht moet nemen, medebrengen, dat hij van bepaalde mogelijkheden moet afzien? Dit zou bijv. het geval kunnen zijn als hij een enquête verzoekt, terwijl hij kon volstaan met inroeping, langs de gewone rechtsweg, der nietigheid van een bepaald besluit van enig orgaan der vennootschap. Men zou kunnen stellen dat hij door een enquête, met al haar ongunstige neveneffecten, te vragen, misbruik maakt van de bevoegdheid, hetwelk zou kunnen leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring door het Hof." (W.C. Treurniet, De naamlooze vennootschap, mei 1974, jaargang 52, blz. 91). Een soortgelijke problematiek speelt mede bij het voorbeeld dat ter sprake geweest is bij de voorbereiding van de herziening van het enquêterecht (Wet van 10 september 1970, Staatsblad 411): "- een ontslag aan een enkele werknemer om een voorgewende reden -, is geen geval van wanbeleid, doch van kennelijk onredelijk ontslag (art. 1639 s, lid 2, 1º B.W. )" (memorie van antwoord, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1968-1969 - 9595, nr. 6, blz. 14, linkerkolom, 5e al. ); zie daarover verder de heer Wiebenga, Handelingen, 1969-1970, blz. 2895, rechterkolom, laatste al., - blz. 2896, linkerkolom, 1e al., en blz. 2920, rechterkolom, 10e - 12e al. ; minister Polak, blz. 2910, rechterkolom, 6e al. - "Die moet dan maar naar de kantonrechter gaan" -, en blz. 2923, rechterkolom, 4e al. - "Als men er een hele achtergrond bij kan halen, als er nog andere feiten zijn en als dit een symptoom is van een hele ziektetoestand, dan ben ik het met de geachte afgevaardigde eens dat men in de sfeer van het wanbeleid komt." -.
Nu is er een aantal min of meer bekende procedures geweest waarin door aandeelhouders de geldigheid van een emissie werd aangetast via de gewone rechtsgang: Rb. Amsterdam 9 januari 1953, N.J. 1954, no. 393, inzake […] / […] ; H.R. 4 januari 1963, N.J. 1964, no. 434 met noot G.J. Scholten, inzake dr. E.A.H. Scholten/W.A. […] 's Aardappelmeelfabrieken; 29 maart 1968, N.J. 1968, no. 324, inzake Fininduco/Pander. Vaker nog werd in kort geding geprocedeerd: Pres. Rb. Rotterdam 30 juli 1936, N.J. 1937, no. 729, inzake […]/[…]; H.R. 1 april 1949, N.J. 1949, no. 465 met noot Ph.A.N. Houwing, inzake Doetinchemse IJzergieterij/Misset; Pres. Rb. Arnhem 22 september 1967, De naamlooze vennootschap, oktober 1967, jaargang 45, blz. 125 met noot W.C.L. van der Grinten, inzake Bottenheim/Koninklijke Veenendaalsche Stoomspinnerij en Weverij; Almelo 1 november 1968, inzake […] / […] , vermeld door J.M.M. Maeijer in Ars Aequi, november 1969, jaargang 18, blz. 377 v. ; Hof Amsterdam 1 april 1971, N.J. 1972, no. 428, inzake Immofarm/Reiss; 's-Gravenhage 15 april 1971, N.J. 1971, no. 301, inzake […] / […] ; Amsterdam 30 maart 1973, De naamlooze vennootschap, juli/augustus 1973, jaargang 51, blz. 58 met noot Van der Grinten, inzake Westertoren/H.V.A. I (emissie aan Investeringsbank Amsterdam).
Men kan evenwel naar mijn gevoelen niet in het algemeen oordelen, dat de ene actie de andere uitsluit: indien zekere handelingen aan iemands rechten onherstelbare schade zouden toebrengen, ligt een kort geding voor de hand; indien er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, is een verzoek tot het doen instellen van een enquête op zijn plaats; en voor het volgen van de gewone rechtsgang is zowel tijd nodig als voldoende zekerheid over de bestreden handelingen. De Ondernemingskamer kan dus niet in het algemeen een verzoek tot het bevelen van een enquête afwijzen of niet-ontvankelijk verklaren, op grond dat (ook) een andere rechtsgang mogelijk was, en a fortiori kan Uw Raad in cassatie zulks niet doen indien geen der partijen daarop een, voldoend gestaafd, beroep doet. Nu heeft weliswaar H.V.A. in haar antidotaal request aangevoerd (blz. 6): "Zowel de emissie en het contract met Socfin als de statuten zijn aan requestrante volledig bekend. Hier valt derhalve niets te onderzoeken en reeds op die grond is het verzoek een onderzoek te bevelen zinloos en behoort dit te worden afgewezen." Maar door het Hof is niet vastgesteld, dat Westertoren inderdaad zo zeer geïnformeerd was, dat op die grond het enquêteverzoek zin ontbeerde.
In het onderhavige geval doet zich nu nog deze bijzonderheid voor, dat Westertoren niet slechts een andere rechtsgang had kunnen volgen, maar zulks daadwerkelijk gedaan heeft zowel in de hiervóór reeds genoemde procedure over de emissie aan Investeringsbank Amsterdam als ter zake van de emissie aan Socfin. Het Hof vermeldt laatstbedoelde procedure in de eerste rechtsoverweging, onder 16 (blz. 9). Uit het voorgaande volgt, dat en waarom dit naar mijn mening niet verhindert, dat Westertoren in haar verzoek tot het bevelen van een enquête ontvankelijk is.
Art. 53, lid 1, Wetboek van Koophandel (K.), tekst 1928, luidde: "Op ..... verzoek .... kan de arrondissementsrechtbank .... een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en den gang van zaken van de vennootschap, hetzij in haren geheelen omvang, hetzij met betrekking tot een gedeelte daarvan of tot een bepaald tijdvak." Art. 53 a, lid 1, K., tekst 1928, vervolgde: "De rechtbank wijst het verzoek af wanneer niet blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid en een goeden gang van zaken te twijfelen ..... "; en art. 53 b, lid 2, K., tekst 1928: "Tegen de beschikking van het hof is geene verdere voorziening toegelaten, behoudens cassatie in het belang der wet."
Hoewel deze materie in 1970 geheel opnieuw geregeld is, is de formulering van de taak des rechters in hoofdzaak niet gewijzigd: Art. 53, lid 1, K .: "Op ....verzoek .... kan de ondernemingskamer een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of tot een bepaald tijdvak."; art. 53 a, lid 2, K .: "De ondernemingskamer wijst het verzoek ..... slechts toe, wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen."; art. 54 d K .: "Tot het instellen van beroep in cassatie tegen de beschikkingen van de ondernemingskamer uit hoofde van de artikelen 53 a - 54 c zijn ... bevoegd de verzoekers ...."
In de oude tekst is de rechterlijke bevoegdheid een enquête te bevelen geformuleerd als een discretionaire. Verg. D. J. Veegens, Cassatie in burgerlijke zaken, 2e druk, 1971, no. 107: "Soms schijnt de wet haar toepasser nauwelijks te binden...... Dergelijke bepalingen zijn te herkennen aan het gebruik van het werkwoord "kunnen". Hun strekking is de beslissing niet afhankelijk te stellen van het subjektieve inzicht van de rechter, maar van de objektieve redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden die zich niet in een algemene regel laten vatten." De rechter was echter verplicht het verzoek af te wijzen, wanneer niet blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid enz. te twijfelen, Naar deze zijde was de bevoegdheid dus niet discretionair.
In de nieuwe tekst is deze tegenstelling, zij het iets minder duidelijk geformuleerd, blijven bestaan. (Verg. over art. 53 a, lid 3, K .: memorie van antwoord, blz. 16 linkerkolom, 4e al .: "De toewijzing wordt door regels van billijkheid beheerst; vandaar het woord "kan"".)
"Voor toetsing in cassatie" van de discretionaire beslissing, aldus vervolgt Veegens t.a.p., "bestaat slechts aanleiding, indien uit de wet een aanwijzing valt te putten voor het gebruik dat van de bevoegdheid moet worden gemaakt en de lagere rechter deze wenk heeft genegeerd. De verspreide rechtspraak kan worden samengevat in de regel dat de Hoge Raad alleen ingrijpt, indien de rechter die over de feiten oordeelt is uitgegaan van een onjuiste voorstelling omtrent het bestaan of de omvang van zijn diskretionaire macht of die macht heeft uitgeoefend zonder de aanwezigheid te hebben vastgesteld van de feitelijke omstandig- heden onder welke zij hem is toegekend. (Hier noemt Veegens enige arresten, van welke ik releveer H.R. 1 juli 1953, N.J. 1953, no. 596 met noot D.J.V., en 22 september 1961, N.J. 1961, no. 565. ) ...
Het goedvinden van de rechter is altijd gebonden, maar pleegt zozeer betrokken te zijn op de omstandigheden dat het aan toetsing in cassatie ontsnapt." Zie voorts H.R. 22 maart 1957, N.J. 1957, no. 269, en 23 november 1962, N.J. 1963, no. 49.
Dat thans "Gezien het belang van deze zaken" (memorie van toelichting, 1967-1968 - 9596, nr. 3, blz. 5, rechterkolom, 6e al., citerend uit het rapport van de Commissie Ondernemingsrecht, "Herziening van het ondernemingsrecht", uitgave 1967, blz. 67) "de mogelijkheid tot cassatie volledig open" gesteld is, betekent dan ook niet meer dan dat bij toewijzing van het verzoek volledige toetsing plaats vindt, maar bij afwijzing een meer beperkte toetsing zoals door Veegens omschreven.
Maar bovendien is de beslissing, dat niet gebleken is "van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen" in hoofdzaak van feitelijke aard.
Over de verhouding tussen de begrippen "twijfel aan een juist beleid" en "wanbeleid" zei de Sociaal-Economische Raad (S .- E. R .: Advies inzake het enquêterecht, 19 mei 1967, uitgaven van de S. - E.R., 1967, no. 5, blz. 7): "Het systeem brengt met zich mede dat de feitelijke grondslag van de procedure van den beginne af aan dezelfde is: hij is reeds in de bezwaren die de verzoekers schriftelijk aan directie en commissarissen kenbaar maken, te vinden. De waardering van die feiten verandert in de loop der procedure. De bezwaren van artikel 53, derde lid (thans: art. 53 a, lid 1, K., v.S.), zijn een eenzijdige waardering van de feiten door de betrokken partij. De uitspraak van de Ondernemingskamer ex artikel 53 a, eerste lid (thans: lid 2, v.S. ), dat er gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid en een goede gang van zaken te twijfelen, is een voorlopige waardering van de Ondernemingskamer over dezelfde feiten, echter slechts gebaseerd op summiere gegevens. Komt het zover dat er voorzieningen getroffen moeten worden op grond van artikel 54, eerste lid, dan is de Ondernemingskamer aan de hand van het ingestelde onderzoek in staat te verklaren dat de feiten die eerst tot subjectieve bezwaren, later tot objectieve twijfel aan een juist beleid of een goede gang van zaken aanleiding gaven, al dan niet door wanbeleid veroorzaakt zijn." Verg. de korte weergave van deze opvatting in de memorie van toelichting, blz. 6, linkerkolom, onder 4, a. De minister van Justitie, deze opvatting onderschrijvende, verduidelijkt haar: "Men moet zich z.i. het verloop der procedure als volgt voorstellen. Enkele personen, die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken, krijgen - wellicht nog slechts vage - aanwijzingen dat er sprake is van een verkeerd beleid. In dit stadium mag men van hen verwachten dat zij zich tot de leiding der onderneming richten Ontvangen zij hierop onvoldoende antwoord of worden hun bezwaren anderszins niet weggenomen, dan zullen zij, mits daartoe bevoegd, de instelling van een onderzoek aan de ondernemingskamer kunnen verzoeken. De ondernemingskamer onderzoekt of uit de gegevens die haar ter beschikking staan gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen zijn af te leiden en wijst, bij beantwoording in bevestigende zin, het verzoek tot de instelling van een enquête toe. Uit het resultaat van het onderzoek kan blijken dat achteraf gezien de twijfel toch ongegrond was, of dat inderdaad van een onjuist beleid moet worden gesproken. Blijkt het beleid in zeer ernstige mate te zijn te kort geschoten, zodat van wanbeleid moet worden gesproken, dan is er voldoende aanleiding tot toe- passing van een of meer voorzieningen door de ondernemingskamer,
voor zover niet reeds vrijwillig maatregelen zijn getroffen." (blz. 6, onder 5, Ad a, 2e al. ) ; "In verband met dit voortschrijdend proces wordt ook de terminologie toegespitst. In eerste instantie moet met een term van algemene aard worden volstaan, nl. dat "bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken" zijn kenbaar gemaakt. In het volgende stadium wordt bepaald dat de ondernemingskamer het verzoek slechts toewijst, wanneer blijkt van "gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen". In dit stadium kan b.v. reeds zijn gebleken dat de gang van zaken weliswaar onbevredigend is, doch dat geen beleidsfouten zijn gemaakt, m.a.w. dat er externe oorzaken zijn aan te wijzen, maar dat het beleid, dat de interne organisatie omvat, niet onvoldoende is." (3e al. ); "Is het verslag over het onderzoek uitgebracht, dan kan een gefundeerd oordeel worden gevormd over het gevoerd beleid en de gang van zaken, en kan de verantwoordelijkheid daarvoor, indien nodig, worden vastgesteld; In het laatste stadium gaat het ten slotte om de vraag, of er uit het verslag van wanbeleid is gebleken, op grond waarvan speciale maatregelen van de zijde der ondernemingskamer geboden zijn. Op deze wijze is tot uitdrukking gebracht dat voor elk volgend stadium eisen worden gesteld, die scherper worden naarmate meer gegevens in de loop der procedure bekend worden." (blz. 7, linkerkolom, 1e al.) ; "De mening van vele andere leden dat volgens het ontwerp "een soort crisis in de onderneming" moet zijn ontstaan, alvoren men van het enquêterecht gebruik kan maken, onderschrijft de ondergetekende niet. Dit ligt ook zeker niet besloten in de formulering dat er gegronde redenen moeten zijn om aan een juist beleid te twijfelen; rechterlijk ingrijpen wordt in het ontwerp slechts gerechtvaardigd geacht, indien wanbeleid is gebleken doch voor het instellen van een enquête geldt een ruimer criterium." (memorie van antwoord, blz. 13, rechterkolom, 4e al. v.o. ) ; "Zelfs behoeft voor het aanvragen van een enquête niet te zijn aangetoond, dat er een fout beleid is, alleen moet de twijfel aan de juistheid van het beleid voorshands niet ongegrond blijken." (minister Polak, blz. 2908, rechterkolom, 2e al. ) Verg. nog de heer Nederhorst, blz. 2869, linkerkolom, Zie voorts P. van Schilfgaarde, Van de naamloze en de besloten vennootschap, 2e druk, 1973, blz. 201: "Men lette op de eskalatie in de terminologie."
De wettelijke eis voor het bevelen van een enquête is derhalve in twee opzichten lichter dan voor het treffen van voorzieningen:
a. het verkeerde beleid behoeft niet gebleken te zijn; vereist is slechts gegronde twijfel daaromtrent;
b. het gaat om niet meer dan verkeerd beleid; voor het treffen van voorzieningen moet het beleid in zeer ernstige mate verkeerd zijn.
Ad a. Het is mogelijk de eis, dat "blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen" zeer licht op te vatten. Ieder die ten opzichte van een ondernemingsbeleid min of meer een buitenstaander is, zal omtrent één of meer, of zelfs alle, aspecten van dat beleid wel zo veel onzekerheden kennen, dat hij daarvoor (vooropgesteld dat hij voldoende belangstelling heeft om zich er rekenschap van te geven) zijn twijfels heeft; en dan zal hij de rechter ook wel aannemelijk kunnen maken, dat deze twijfels bestaan uit hoofde van die onzekerheden, welke slechts weg te nemen zijn door hem in alle aspecten van het beleid even diepgaand in te wijden als de meest ingewijde insider, dus dat deze twijfels gegrond zijn. Het aldus nagenoeg weggeredeneerde vereiste kan in art. 53 a, lid 2, K. niet bedoeld zijn, aangezien het enquêtes onder alle omstandig- heden in alle vennootschappen mogelijk zou maken. Veeleer moet men aannemen, dat "gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen" zijn: feiten die tezamen een behoorlijke kans inhouden, dat het beleid bij nader onderzoek onjuist blijkt.
Deze feiten moeten "blijken" (verg. de memorie van antwoord, blz. 13, linkerkolom, 4e al .: "'de verzoekers behoeven niet te bewijzen dat het ondernemersbeleid faalt, doch dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan de juistheid van het beleid"), dat wil zeggen "de rechter (moeten) zodanige gronden voor zekerheid (verschaft worden), als hij behoeft, om de aan die feiten door het recht verbonden rechtsgevolgen toe te wijzen" (Asser-Anema-Verdam, 5e druk, 1953, blz. 35 v .; Veegens-Wiersma, Het nieuwe bewijsrecht in burgerlijke zaken I, 1973, blz. 47). De rechter moet dus de overtuiging krijgen, dat er een behoorlijke kans bestaat, dat een enquête een onjuist beleid uitwijst. De vraag, of hij in een concrete situatie deze overtuiging al dan niet gekregen heeft, is een feitelijke vraag waarop het antwoord zich bezwaarlijk leent voor toetsing in cassatie. Zie ook "Vennootschappen, verenigingen en stichtingen" (losbladig), band A, onderdeel II, B, blz. 331 (aant, 3 op art. 53 a K. ) : "Aan de vraag of de ter beschikking staande gegevens grond geven om aan een juist beleid te twijfelen, komt de Hoge Raad dus niet toe."
Ad b. Het is enigszins verwarrend, dat minister Polak in zijn, overigens diepgaande, beantwoording de vragen van mejuffrouw Goudsmit over "onjuist beleid" (blz. 2882, rechterkolom, 3e al. ) en van de heer Wiebenga over "wanbeleid" (blz. 2895) tegelijkertijd heeft beantwoord, maar daarbij slechts over "wanbeleid" heeft gesproken (blz. 2910, rechterkolom) .
Intussen maakt de ministeriële analyse, gevoegd bij het gegeven dat nu eenmaal niet meer dan een herziening van het enquêterecht aan de orde was, duidelijk, dat het tweede stadium doorlopen moet worden ook al staat bij voorbaat vast, dat aan de vereisten voor het laatste stadium is voldaan. "Enige leden achten het wenselijk om sancties mogelijk te maken indien ook zonder het instellen van een enquête wanbeleid duidelijk is gebleken. In een zodanige situatie zijn er verschillende mogelijkheden .... Wordt van deze bevoegdheden geen gebruik gemaakt, dan zal een korte enquêteprocedure op haar plaats zijn en tot een voldoende oplossing leiden. Tot een speciale voorziening, indien "wanbeleid" duidelijk is, bestaat niet voldoende aanleiding." (memorie van antwoord, blz. 15, rechterkolom, 5e al. v.o .; zie ook B. Wachter, noot in N.J. 1974, no. 293, onder 3; de in de memorie van antwoord nog volgende volzin, "Integendeel, zij zou juist tot verwikkelingen kunnen leiden: wat de een duidelijk wanbeleid acht, behoeft dat voor de ander allerminst te zijn; de enquête dient in zulk een geval voor het leveren van het overtuigend bewijs.", is naar mijn gevoelen buiten de orde: verondersteld was immers juist, dat het wanbeleid vast stond, dat is dus voor alle betrokkenen, inclusief de rechter).
Indien ik nu tracht, ter inleiding van mijn bespreking van het middel, de ontwikkeling van het geschil globaal te schetsen, dan kan ik als uitgangspunt overnemen hetgeen Van der Grinten t.a.p. schreef naar aanleiding van het eerste korte geding Westertoren/ H.V.A .: "In de op 31 mei 1972 gehouden algemene vergadering van aandeelhouders van H.V.A. heeft Westertoren als aandeelhouder zich tegenover het bestuur van H.V.A. opgesteld. De stellingname van Westertoren heeft ten gevolge gehad dat H.V.A. een voorstel tot statutenwijziging heeft moeten terugnemen. Directie en commissarissen van H.V.A. hebben hieruit de conclusie getrokken dat het belang van H.V.A. eiste dat aan de feitelijke machtspositie van Westertoren een einde kwam en dat vorming van een dergelijke machtspositie in de toekomst onmogelijk moest worden gemaakt. Omtrent de plaatsing van aandelen heeft H.V.A. op 18 juli 1972 een overeenkomst gesloten met Investeringsbank Amsterdam N.V. Westertoren heeft vervolgens een procedure tegen H.V.A. aanhangig gemaakt en heeft in kort geding gevorderd dat aan H.V.A. zou worden verboden de Investeringsbank toe te laten tot de vergadering van aandeelhouders .... In hoger beroep heeft het Hof de vordering toegewezen." (blz. 58); "'In dit arrest is door H.V.A. berust, waarbij wel aantekening verdient dat H.V.A. thans langs andere weg - een fusie - de macht van Westertoren denkt te breken." (blz. 60) Het laatstgenoemde voornemen zou dan volgens de huidige posita van Westertoren zijn gerealiseerd door de samenwerkingsovereenkomst (geen fusie) met Socfin en zij beklaagt zich, zowel in een nieuw kort geding als in een enquêteverzoek, erover, dat deze overeenkomst ertoe strekt, althans mede ertoe strekt, de statutenwijziging in de aandeelhoudersvergadering van H.V.A. door te drukken en derhalve strijdig is met het vennootschapsrecht resp. een gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen. De Ondernemingskamer heeft in de bestreden beschikking beslist, zeer globaal gezegd, dat met de overeenkomst tussen H.V.A. en Socfin een reële samenwerking wordt beoogd en dat H.V.A. redelijke gronden had voor het gevoerde beleid, weshalve er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen.
Het middel is in zijn tien onderdelen gericht tegen deze beslissing. Naar uit het vorenstaande volgt, moet het oordeel van het Hof in mijn ogen aldus worden opgevat, dat het niet de overtuiging heeft gekregen, dat er een behoorlijke kans bestaat dat na onderzoek het beleid van H.V.A. onjuist zal blijken. Dit oordeel leent zich in beginsel niet voor toetsing door Uw Raad. Bij elk der onderdelen zal ik nader adstrueren, of er in het onderhavige geval ruimte bestaat voor inbreuk op het beginsel.
In algemene termen moge ik vooraf nog kort ingaan op de omstandigheid, dat wij kennelijk te maken hebben met een machtsstrijd tussen het bestuur van een naamloze vennootschap en een aandeelhouder die met zijn minderheidspakket tot dusver een feitelijke machtspositie in de algemene vergadering van aandeelhouders bekleedde. Een machtsstrijd als deze is in de rechtsgeleerde litteratuur niet onbekend. "Besturen van vennootschappen plegen zich ter vergadering van aandeelhouders aldus op te stellen, dat hun voorstellen de enig aanvaardbare zijn en dat het de taak van de algemene vergadering behoort te zijn om de bestuursvoorstellen aan te nemen. Deze mentaliteit is niet onbegrijpelijk. Het is de taak van het bestuur om het beleid in de vennootschap te bepalen; het is voor het bestuur moeilijk te verdragen dat het beleid wordt doorkruist door acties van aandeelhouders. Dit laatste klemt temeer, indien de "rebellerende" aandeelhouder slechts een betrekkelijk gering percentage van het aandelenkapitaal vertegenwoordigt." (Van der Grinten t.a.p., blz. 59)
Indien de statuten daaromtrent niets bepalen, komt de bevoegdheid tot uitgifte van aandelen toe aan de algemene vergadering van aandeelhouders, niet aan het bestuur (zie E.J.J. van der Heijden, Handboek voor de naamloze vennootschap naar Nederlands recht, 8e druk door Van der Grinten, 1968, blz. 380; W.J. Slagter, Compendium van het ondernemingsrecht, 2e druk, 1973, blz. 210; anders P. Sanders, De naamlooze vennootschap, juli 1963, jaargang 41, blz. 59). Toekenning van deze bevoegdheid aan het bestuur kan de strekking hebben de emissie eventueel te hanteren als strijdmiddel (zie Van der Grinten t.a.p., blz. 61, alsmede november 1968, jaargang 46, blz. 123 v .; Slagter, a.w., blzz. 183 e.v.). Zie daartegen P.L. Wery, De naamlooze vennootschap, augustus 1965, jaargang 43, blz. 74; W.J.M. Noldus, Ongeldigheid van besluiten in de naamloze vennootschap, 1969, blzz. 49 e.v. en 216 v. Verg. ook F.J.W. Lowensteyn, Wezen en bevoegdheid van het bestuur van de vereniging en de naamloze vennootschap, 1959, blzz. 244 e.v .; J.H.F.J. Cremers, Prioriteitsaandelen, 1971, blz. 23; T.J. Dorhout Mees, Nederlands handels- en faillissementsrecht I, 6e druk, 1974, no. 4.135; A. van Oven, Weekblad voor Privaatrecht, Notarisambt en Registratie 5264 d.d. 25 mei 1974, jaargang 105, blz. 333. De schrijvers nemen meestal aan, dat bij de hantering van deze bevoegdheid toch een afweging van belangen (in het bijzonder van het belang van de oude aandeelhouders tegen het belang van de vennootschap) moet plaats vinden (Lowensteyn, a.w., blzz. 233 en 242; Wery t.a.p., juli 1965, blz. 67; Noldus, a.w., blz. 230 v. ), maar zij melden daarbij zelf verder te gaan dan de jurisprudentie. Hoe dit zij, in ieder geval blijft het probleem er een van uitlegging van de statuten (Wery t.a.p., blz. 67 v) en daardoor is het niet toetsbaar in cassatie. Dit laatste geldt ook ten aanzien van de opvatting van H.P.J.M. Coebergh, De naamlooze vennootschap, september 1969, jaargang 47, blzz. 86 en 89, die zelfs in het geval van een statutaire clausule als de onderhavige de bevoegdheid tot uitgifte van aandelen in de regel toch slechts in zeer bijzondere gevallen aan het bestuur toekent.
Het oordeel van de schrijvers over in zulke situaties te nemen of na te laten maatregelen wordt overigens mede bepaald door hun opvatting over het jus constituendum (waarin het Voorstel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor een Tweede Richtlijn, afgedrukt in De Naamlooze vennootschap, april 1970, jaargang 48, blzz. 11 e.v., een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders eist - art. 22, lid 1 - en een voorkeursrecht van de oude aandeelhouders - art. 25 -), over de onoirbaarheid van verkrijging van economische zeggensmacht door middel van beurstransacties (Van der Grinten in "Verzekeringen van vriendschap", Dorhout Mees-bundel, 1974, blz. 204, noot 4), over de onoirbaarheid van bestuursbeslissingen die de vennootschap in een situatie van afhankelijkheid zouden brengen (Van der Grinten, De naamlooze vennootschap, juli/augustus 1973, jaargang 51, blz. 61; "Verzekeringen van vriendschap", blz. 207; verg. ook Van der Heijden- Van der Grinten, a.w., blz. 381), over de onwenselijkheid het aantal stemmen per aandeelhouder te beperken (Slagter, a.w., blz. 169). Hoe veel gewicht ook aan de opvattingen van zulke gezaghebbende schrijvers toekomt, men kan niet volhouden, dat de Ondernemingskamer reeds uit dien hoofde gegronde redenen heeft om te twijfelen aan een juist beleid van een naamloze vennootschap waarin anders wordt gehandeld. En a fortiori geven zij Uw Raad geen grond voor cassatie van een beschikking van de Ondernemingskamer waarin in een zodanige situatie een enquêteverzoek wordt afgewezen.
Voor zover in het verzoek tot cassatie gronden (voor het oorspronkelijke verzoek c.q. voor cassatie) worden aangevoerd die niet blijken uit de stukken van het geding, zal Uw Raad daarop niet kunnen ingaan: met name van het voorgevallene ter zitting van het Hof kan Uw Raad slechts kennis nemen, voor zover het zijn neerslag gevonden heeft in de beschikking van het Hof (verg. echter H.R. (Strafkamer) 18 juni 1974, N.J. 1974, no. 452 met noot Th.W. van Veen). Ik meen intussen, dat het middel in al zijn onderdelen beoordeeld kan worden aan de hand van de inhoud van 's Hofs beschikking.
Onderdeel 1 van het middel klaagt erover, dat het Hof blijkens hetgeen het heeft overwogen, en blijkens hetgeen het van de posita van Westertoren (niet) heeft onderzocht, een onjuiste rechtskundige opvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn afwijzing van het verzoek.
Juist, en in overeenstemming met de opvatting van beide partijen, is de rechtskundige opvatting die blijkt uit de elfde rechtsoverweging: "dat, aangezien in casu van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen niet is gebleken, het verzoek van Westertoren dient te worden afgewezen". Deze opvatting is in overeenstemming met de bewoordingen van art. 53 a, lid 2, K. en met de historische, systematische en teleologische gedachtengang die ik hiervoor weergaf.
Het is voorts, in het bijzonder met het oog op het Ad b opgemerkte, begrijpelijk, dat Westertoren in haar inleidende verzoek primair stelde, dat ruimschoots aan de eisen voldaan was, dat wil zeggen dat er onjuist beleid was (volgens de weergave door het Hof in zijn tweede rechtsoverweging, blz. 17). Eerst op blz. 18 volgt dan, aanvangende met "althans", de subsidiaire stelling, dat er gegronde redenen bestaan om aan de juistheid van het beleid te twijfelen. Maar dan moet 's Hofs beschikking ook gelezen worden als een reactie op deze stellingen en kan Westertoren zich er niet over beklagen, dat in de motivering gediscussieerd wordt niet slechts over een gegronde twijfel, maar mede over de juistheid van het beleid zelf. Aldus moeten, dunkt mij, de rechtsoverwegingen 4 en 5 worden opgevat, die tegenover elkaar stellen "een gedragslijn..., welke in strijd komt met elementaire beginselen van verantwoord beleid" (waarin men een soort definitie van "wanbeleid" kan lezen) en "het tegendeel". Nu kan men, evenzeer als "er is wanbeleid, dus a fortiori gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen", stellen "er is het tegendeel van wanbeleid, dus een juist beleid, dus a fortiori geen gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen". En hoewel nu de term "veeleer", geïsoleerd beschouwd, "liever of waarschijnlijker" betekent, gelijk de geëerde pleiter voor Westertoren terecht opmerkt, in de context betekent de passage, "dat geenszins aannemelijk is geworden dat de leiding van HVA te dezen een gedragslijn heeft gevolgd, welke in strijd komt met elementaire beginselen van verantwoord beleid; Overwegende dat uit de hierboven omschreven vaststaande feiten - bezien in onderling verband en samenhang - veeleer het tegedeel is af te leiden": dat aannemelijk is geworden, dat de leiding van H.V.A. een gedragslijn heeft gevolgd welke in overeenstemming is met een verantwoord beleid.
De rechtsoverwegingen 6 - 10 dienen in deze opvatting ter adstructie van de juistheid van het beleid, althans van het ontbreken van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen. Deze dubbele strekking leidt tot een zekere dubbelzinnigheid in de formulering, die vermeden zou zijn indien het Hof een strakkere onderscheiding tussen het primaire en het subsidiaire betoog had gemaakt. Ik meen echter niet, dat uit deze dubbelzinnigheid de gevolgtrekking kan worden gemaakt, dat 's Hofs rechtsopvatting onjuist is geweest.
Niet dubbelzinnig, maar onjuist acht ik intussen rechtsoverweging 8, indien men deze op zichzelf beschouwt: "dat, waar nu niet is gebleken dat de onderhavige emissie geldigheid of rechtmatigheid ontbeert, de voormelde statutenwijziging, welke met de statutair vereiste stemmenmeerderheid tot stand kwam en dus een rechtsgeldig besluit van de aandeelhouders vormde, geen voorwerp van onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de vennootschap kan uitmaken". Handelingen van een naamloze vennootschap zijn altijd handelingen van haar organen (verg. Treurniet t.a.p., blz. 90), bij voorbeeld van de algemene vergadering van aandeelhouders. Maar dat handelingen niet onrechtmatig zijn, wil nog niet zeggen, dat zij daden zijn van juist beleid. "Inachtneming van wet en statuten is niet voldoende om twijfel aan juist beleid en goede gang van zaken terzijde te stellen. De rechter zal hier niet alleen de rechtmatigheid, doch ook de behoorlijkheid en doelmatigheid beoordelen." (Van der Heijden-Van der Grinten, blz. 488) De statutenwijziging moet dan ook in verband met de voorafgegane emissie beschouwd worden, eventueel tegen de nog ruimere achtergrond van het beleid waarvan deze handelingen een onderdeel uitmaken. Dit nu heeft het Hof gedaan, in het bijzonder door in de rechtsoverwegingen 9 en 10 mede beleidsaspecten van de statutenwijziging in beschouwing te nemen.
Rechtsoverweging 10, "dat ....niet aannemelijk is geworden dat de directie en de commissarissen van HVA bij het afwegen van de bij hun besluiten betrokken belangen niet op redelijke gronden het belang van de vennootschap bij samenwerking met Socfin .... heeft laten prevaleren boven dat van Westertoren bij behoud van haar .. . positie", heeft wel betrekking op het beleid. Deze overweging mag naar mijn oordeel aldus worden opgevat, dat het Hof zich zo zeer redelijke gronden voor het gevoerde beleid van H.V.A. kan voorstellen, dat het gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen niet acht aangetoond. Daarmede is dan de rechtens juiste onderbouw gegeven voor de rechtens juiste gevolgtrekking in rechtsoverweging 11.
Hiermede is het Hof voorts wel degelijk ingegaan op de primaire gronden voor het verzoek van Westertoren, "dat de emissie aan Socfin en de daarmede geforceerde statutenwijziging zijn daden van onjuist beleid, immers betekenen, althans ten gevolge hebben, een ernstige aantasting van rechten en belangen der (andere) aandeelhouders, waarvoor geen voldoende rechtvaardiging bestaat" (geciteerd naar rechtsoverweging 2 van het Hof, cursivering van mij, v.s. ).
Indien men als voornaamste grond van de bezwaren van Westertoren moet zien, dat de emissie er toe strekte de statutenwijziging door te drukken en de macht van Westertoren te breken, dan moeten 's Hofs overwegingen, in onderling verband gelezen, worden opgevat als de uiteenzetting, welke redelijke gronden er, ongeacht de juistheid van de veronderstellingen van Westertoren, bestonden om dat beleid toch te voeren, zodat, zo er al redenen waren om aan de juistheid van dat beleid te twijfelen, deze niet "gegrond" bleken.
Dat het Hof in deze verzoekschriftprocedure op tegenspraak gegevens overneemt van H.V.A., voor zover het die gegevens juist bevindt, kan geen bezwaar, althans geen grond voor cassatie zijn. (Verg. H.R. 19 december 1952, N.J. 1953, no. 131.)
En al evenzeer is het aan de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten vast te stellen, welke standpunten door de partijen ingenomen zijn en welke argumenten zij hebben aangevoerd, en is hij niet verplicht van zijn oordeel over elk aangevoerd argument rekenschap te geven (H.R. 26 november 1954, N.J. 1955, no. 15, inzake Kars/Staat; 18 oktober 1961, N.J. 1963, no. 78, inzake gemeente Tilburg/Van Riel; 13 december 1968, N.J. 1969, no. 114, inzake Det Østasiatiske Kompagni/Seam).
Onderdeel 2 van het middel richt zich tegen rechtsoverweging 6, onder b (blz. 24): "dat een emissie à (lees: a, v.S.) pari, waarbij aandeelhouders van hun statutair voorkeursrecht gebruik zouden hebben kunnen maken, in de gegeven omstandigheden geen kans van slagen zou hebben gehad, welke omstandigheid redelijkerwijs door het bestuur van HVA kon worden opgevat als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in lid 4 van artikel 4 van de statuten van HVA, zoals deze bepaling luidde vóór de onderhavige wijziging der statuten, zulks zonder dat aannemelijk is geworden dat HVA daardoor handelde in strijd met de goede trouw, naar dewelke zij ook de belangen van Westertoren als aandeelhoudster met een minderheidspakket in aanmerking moest nemen".
De bij onderdeel 1 reeds besproken dubbelzinnigheid in de formulering van de rechtsoverwegingen 6 - 10 doet zich ook in dit gedeelte gevoelen. De vraag, of een emissie, althans haar modaliteiten, in strijd komt met de goede trouw welke tussen (de organen van) de naamloze vennootschap en haar aandeelhouders (zowel alle tezamen als ook ieder afzonderlijk) in acht genomen moet worden, leidt tot een marginale beoordeling van de handelingen van de vennootschap (zie Wery t.a.p., blz. 64; Maeijer, Vennootschapsrecht in beweging, 2e druk, 1973, blz. 161). Maar, gelijk mede bij onderdeel 1 reeds uiteengezet, een handeling kan wel rechtmatig zijn en nochtans een indicatie van onjuist beleid. Dit gedeelte van 's Hofs beschikking moet dan ook, op zijn beurt, gelezen worden in verband met hetgeen vooraf gaat en volgt, waarin ook de beleidsaspecten van de emissie beoordeeld worden (in het bijzonder rechtsoverweging 6, onder a en c - e, en rechtsoverweging 10).
Enigszins anders ligt de problematiek met betrekking tot de vraag, of de emissie in overeenstemming was met art, 4, lid 4, van de statuten in hun oude redactie. Is immers niet van onjuist beleid sprake, indien de statuten geschonden zouden zijn? Weliswaar zal men in het algemeen moeten aannemen, dat onrechtmatig beleid onjuist beleid is (verg. nader Treurniet t.a.p., blz. 90 v. ), maar de uitlegging van de statuten en de vaststelling van wat er feitelijk gebeurd is, is in cassatie niet toetsbaar en dus kan de relevantie van 's Hofs overweging, dat een omstandigheid redelijkerwijs door het bestuur van HVA kon worden opgevat als een bijzondere omstandigheid, als bedoeld in art. 4, lid 4, van de statuten in hun oude redactie, in cassatie niet beoordeeld worden.
De omstandigheid, dat de emissie nog op andere manieren dan de door H. V.A. toegepaste had kunnen slagen, behoefde het Hof niet tot de overtuiging te brengen, dat de wel toegepaste manier een indicatie was voor onjuist beleid. In ieder geval maakt de mogelijkheid van deze alternatieven 's Hofs motivering niet onbegrijpelijk. Verg. nog Slagter, a.w., blz. 182: "Is de beurskoers voor de oude aandelen aanzienlijk lager dan overeenkomt met de intrinsieke waarde van het aandeel, dan worden de oude aandeelhouders in feite toch benadeeld door een emissie tegen die beurskoers, Tegen deze onvermijdelijke schade kunnen aandeelhouders echter geen bezwaar maken"; Wery t.a.p, blz. 68.
Onderdeel 3 klaagt erover, dat het Hof niet, althans onvoldoende, is ingegaan op het bezwaar van Westertoren tegen een door haar gestelde "verwatering" van het kapitaal en op de tot staving daarvan overgelegde deskundige uiteenzetting. Naar mijn oordeel kan deze klacht niet tot cassatie leiden reeds op grond dat het Hof niet elk aangevoerd argument afzonderlijk behoeft te bespreken en te weerleggen (verg. hetgeen ik dienaangaande opmerkte bij onderdeel 1).
Onderdeel 4 acht in rechtsoverweging 6 de onderdelen b en c tegenstrijdig. Deze tegenstrijdigheid bestaat echter slechts bij een zeer bepaalde opvatting van de feiten, die kennelijk niet die van het Hof is geweest. Ik meen dan ook, dat dit onderdeel van het middel feitelijke grondslag ontbeert.
Onderdeel 5 van het middel is gericht tegen 's Hofs overweging (rechtsoverweging 6, onder d, blz. 25), "dat HVA en Socfin een reële samenwerking hebben beoogd en deze vennootschappen bij het sluiten van (de) overeenkomst ieder voor zich hebben gemeend dat de voorschreven vorm van samenwerking in haar eigen belang was", nu het Hof niet beslist heeft over de stelling van Westertoren, dat de emissie ten doel, althans mede ten doel had de statutenwijziging door te drukken.
's Hofs vaststelling, dat H.V. A. en Socfin een reële samenwerking hebben beoogd, is van feitelijke aard en voldoend gemotiveerd. Daarmede heeft het Hof weerlegd hetgeen ten dezen primair was aangevoerd, Dat de emissie mede ten doel had de statutenwijziging door te drukken, heeft het Hof niet met zoveel woorden uitgesloten, maar, gelijk ik bij de bespreking van onderdeel 1 van het middel uiteenzette, geeft 's Hofs gedachtengang, in zijn geheel bezien, aan, welke redelijke gronden er bestonden om dat beleid te voeren, zodat er geen gegronde redenen waren om aan een juist beleid te twijfelen.
Dat een statutenwijziging een redelijk middel kan zijn ter bereiking van doeleinden als die welke H.V.A. en Socfin hadden, heeft het Hof daarmede eveneens beslist en men kan naar mijn mening niet in het algemeen stellen, dat dit middel onrechtmatig dan wel strijdig met een juist beleid is.
Onderdeel 6 van het middel dringt nogmaals aan, dat de emissie mede ten doel had de statutenwijziging door te drukken, en acht daartegen onvoldoend gemotiveerd (rechtsoverweging 6, onder e, blz. 25), "dat Socfin slechts bereid was tegen uitgifte van aandelen de ..... geldmiddelen ter beschikking te stellen ....
terwijl daarenboven voor de hand ligt dat Socfin .... zich tegen de mogelijkheid, dat (het) meningsverschil de beoogde samenwerking nadelig zou beïnvloeden, heeft willen wapenen". Naar mijn mening ligt juist in deze twee constateringen omtrent de oogmerken van Socfin - die op zichzelf puur feitelijk zijn - besloten, dat het Hof het redelijk beleid van H.V.A. geacht heeft daaraan tegemoet te komen, weshalve de bezwaren van Westertoren daartegen geen gegronde redenen vormden om aan een juist beleid te twijfelen. Onderdeel 6 stuit dan ook naar mijn gevoelen af op hetgeen ik reeds bij de onderdelen 1 en 5 besprak.
Onderdeel 7 van het middel klaagt over de wijze waarop het bestuur van H.V.A. de statutaire bevoegdheden tot het uitgeven van aandelen en tot het sluiten van overeenkomsten, als bedoeld in art. 40 b K. jo. art. 40 a K., heeft gehanteerd in de transacties met Socfin, nu deze bevoegdheden "overgehevelde" bevoegdheden zijn, welke "in beginsel" aan de algemene vergadering van aandeelhouders toekomen.
In het algemene gedeelte van deze conclusie gaf ik reeds aan, dat ook voor zover in de litteratuur uit het "overgehevelde" karakter van de bevoegdheid tot uitgifte van aandelen gevolgtrekkingen worden gemaakt met betrekking tot de hantering ervan, het toch een kwestie van uitlegging van de statuten blijft, in hoeverre de hantering al dan niet geoorloofd is. Zij kan dus in cassatie niet getoetst worden. Geheel hetzelfde geldt voor de bevoegdheid tot het sluiten van nader aangeduide overeenkomsten.
Ik teken hier nog bij aan, dat de opvatting, dat deze bevoegdheden "in beginsel" aan de algemene vergadering van aandeelhouders toekomen, weliswaar de heersende is, maar dat niettemin ook daarover wel anders wordt gedacht (ik vermeldde litteratuur in het algemene gedeelte van deze conclusie).
Voor zover het onderdeel aanvoert, dat 's Hofs motivering te kort schiet, nu zij, met name in rechtsoverweging 7 (blz. 25 v. ), de tussen H.V.A. en Socfin gesloten overeenkomst onvolledig weergeeft, stuit het erop af, dat blijkens rechtsoverweging 10 (blz. 26 v. ) het Hof zich wel degelijk rekenschap gegeven heeft van de ver gaande gevolgen van een en ander en dat de rechter die over de feiten oordeelt, nu eenmaal niet verplicht is zijn oordeel over alle aangevoerde argumenten, in al hun bijzonderheden, kenbaar te maken. Ik verwijs ten dezen naar hetgeen ik reeds bij de onderdelen 1 en 3 uiteenzette.
Onderdeel 8 van het middel is gericht tegen rechtsoverweging 7 (blz. 25 v.): "dat de door HVA en haar directie en commissarissen op zich genomen verplichting niet mede te werken aan verhoging van het geplaatste en volgestorte kapitaal indien daartegen bij Socfin bezwaar mocht bestaan geen grond vormt om aan een juist beleid te twijfelen, te minder nu voor hen statutair noch anderszins enige verplichting tot zodanige medewerking bestond".
Het onderdeel houdt het voor mogelijk, dat onder omstandigheden voor de directie en de commissarissen van H.V.A. wel degelijk de verplichting zou kunnen ontstaan aan kapitaalsuitbreiding mede te werken. Het Hof heeft echter kennelijk geoordeeld, dat het bestuur van H.V.A. redelijk gehandeld heeft door bij het tot stand brengen van de samenwerking met Socfin tot op zekere hoogte bevoegdheden uit handen te geven die het (c.q. andere organen van H.V.A. ) anders zou hebben. Dat het bestuur zijn bevoegdheden in het vennootschappelijk belang (Van der Heijden-Van der Grinten, a.w., blz. 379; Maeijer, a.w., blz. 91; verg. voor commissarissen Van der Heijden-Van der Grinten, a.w., blz. 452) naar eigen inzicht (Van der Heijden-Van der Grinten, de beide zojuist genoemde plaatsen), dat wil zeggen onafhankelijk van de instructies van andere organen van de vennootschap, dient uit te oefenen, wil nog niet zeggen dat er geen constellaties (zoals het concern, zie Van der Heijden-Van der Grinten, a.w., blz. 394, maar uit hoofde van de contractsvrijheid kunnen zich ook andere vormen van samenwerking ontwikkelen) kunnen zijn, waarin dit eigen inzicht van het bestuur gebonden wordt door betrekkingen met derden. Daar het hier gaat om een vorm van samenwerking waarmede beide partijen beogen in hun eigen belang te handelen, en niet om aan de aandeelhouder als zodanig toegekende voordelen, is er ook geen strijd met art. 39 d K. (verg. Löwensteyn, a.w., blz. 179, die dan ook zijn bezwaar tegen bij voorbeeld bevoordeling van de moeder- maatschappij terugneemt, blz. 181, voor geval het eigen doel van de vennootschap daarmede is gediend) .
Onderdeel 9 van het middel betreft het bij de overeenkomst aan Socfin toegekende recht met betrekking tot de benoeming van commissarissen. Het Hof gaat op dit punt niet in, maar zulks behoeft niet tot cassatie te leiden, omdat het Hof, gelijk ik bij de onderdelen 1, 3 en 7 opmerkte, niet verplicht is alle onderdelen van de argumentatie te behandelen.
Voor zover de voorschriften van het nieuwe vennootschapsrecht (met name art. 52 h K.) zich tegen het overeengekomene verzetten, zal het overeengekomene in zoverre (maar ook alleen in zoverre) H.V.A. niet binden. Maar daardoor wordt nog niet de gehele contractuele clausule een gegronde reden om aan een juist beleid te twijfelen.
Voor wat betreft de verplichting van de commissarissen naar eigen inzicht te handelen en voor wat betreft de eventuele verstoring van de gelijkheid tussen de aandeelhouders, moge ik volstaan met verwijzing naar hetgeen met betrekking tot onderdeel 8 is opgemerkt.
Onderdeel 10 van het middel, ten slotte, klaagt erover, dat het Hof niet ingegaan is op de stelling van Westertoren, dat de behoefte van H.V.A. aan het nieuw verkregen kapitaal betwijfeld moest worden.
Naar ik meen, heeft het Hof in rechtsoverweging 6, onder a, (blz. 23), feitelijk, voldoend gemotiveerd en dus in cassatie onomstotelijk beslist, dat de behoefte aan kapitaalsuitbreiding bij H.V.A. bestond. Het behoefde dan niet meer in te gaan op de bestemming van het nieuwe kapitaal.
Het middel in al zijn onderdelen ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep met veroordeling van Westertoren in de kosten, op de voorziening gevallen,
Parket, 7 januari 1975.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,