Rb. Amsterdam, 22-01-2013, nr. C/13/533571 / KG ZA 13-8 SR/TF
ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ5333
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
22-01-2013
- Magistraten
Mr. Sj.A. Rullmann
- Zaaknummer
C/13/533571 / KG ZA 13-8 SR/TF
- LJN
BZ5333
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ5333, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam (Voorzieningenrechter), 22‑01‑2013
Uitspraak 22‑01‑2013
Mr. Sj.A. Rullmann
Partij(en)
Vonnis in kort geding van 22 januari 2013
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres bij dagvaarding,
advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,
tegen
- 1.
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE GEMEENTE AMSTELVEEN,
zetelende te Amstelveen,
gedaagde,
advocaat mr. J.A. Bal te Amsterdam,
en
- 2.
[gedaagde 2],
- 3.
[gedaagde 3],
beiden wonende te [woonplaats],
gevoegde partij,
advocaat mr. B. Külbs te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres], de gemeente en verhuurders worden genoemd.
1. De procedure
Ter terechtzitting van 7 januari 2013 heeft [eiseres] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De gemeente heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening.
Ter zitting hebben verhuurders verzocht zich te mogen voegen aan de zijde van de gemeente. [eiseres] en verhuurders hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt en de voeging is toegestaan. Een kopie van de conclusie tot voeging is aan dit vonnis gehecht.
Alle partijen hebben producties en pleitnota's in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
Ter zitting waren voor zover van belang aanwezig:
Aan de zijde van [eiseres]: [eiseres] met mr. Loonstein.
Aan de zijde van de gemeente: [juridisch medewerker], juridisch medewerker, met mr. Bal.
Aan de zijde van verhuurders: [gedaagde 2] met mr. Külbs.
2. De feiten
2.1.
[eiseres] en haar echtgenoot [echtgenoot] huren vanaf 3 maart 2004 een woning aan de [a-straat] [1] te [a-plaats] (hierna de woning) van verhuurders.
Zij hebben daartoe een huurovereenkomst gesloten.
2.2.
Bij vonnis van 29 maart 2012 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de huurovereenkomst ontbonden en [eiseres] en [echtgenoot] onder meer veroordeeld om de woning binnen twee maanden na betekening van het vonnis te ontruimen.
2.3.
Verhuurders hebben op 3 april 2012 het voornoemde vonnis aan [eiseres] en [echtgenoot] doen betekenen zodat zij uiterlijk 2 juni 2012 de woning dienden te verlaten.
2.4.
Op 7 mei 2012 hebben [eiseres] en [echtgenoot] de verhuurders in kort geding gedagvaard en een verbod tot tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis van 29 maart 2012 gevorderd. Zij hebben — kort samengevat — onder meer aangevoerd dat voornoemd vonnis juridische misslagen bevat omdat geen aandacht is besteed aan het gegeven dat twee jonge kinderen in de woning verblijven. Verder is nog aangevoerd dat er nieuwe omstandigheden zijn die ertoe leiden dat door de ontruiming een noodtoestand zal doen ontstaan. De vader van [eiseres] is ernstig ziek en [eiseres] is daardoor in psychische problemen geraakt. Ook is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat [eiseres] en [echtgenoot] de woning gebruiken voor commerciële activiteiten die de basis voor het gezinsinkomen vormen, aldus [eiseres] en [echtgenoot].
In het op 1 juni 2012 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewezen vonnis staat voor zover van belang het volgende:
‘(…)
4.6.
Dit betekent dat bij na het vonnis van 29 maart 2012 aan het licht gekomen feiten slechts acht kan worden geslagen op feiten die zich reeds voor het vonnis hebben voorgedaan voor zover deze feiten eerst na het vonnis zijn gebleken. Het gebruik van de woning voor commerciële doeleinden was echter ook voordien reeds bekend. Wat betreft het gebruik van de woning als kinderdagverblijf komt daar bovendien nog bij dat de kantonrechter onder rechtsoverweging 1.1. van zijn tussenvonnis van 19 januari 2012 heeft vastgesteld dat de woning hiervoor werd gebruikt, zodat deze vorm van commercieel gebruik in ieder geval niet als nieuw feit kan worden beschouwd.
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat [echtgenoot] c.s. in onderhavige procedure geen beroep meer kan doen op de omstandigheid dat hij de woning ook voor commerciële doeleinden gebruikt. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat [echtgenoot] c.s. ook geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat het wegvallen van de inkomsten uit het commercieel gebruik van de woning daadwerkelijk zou leiden tot een situatie die kan worden gekwalificeerd als een noodtoestand, nog afgezien van de vraag of dit ongeoorloofd gebruik van de woning in een dergelijke overweging kan worden betrokken.
(…)
4.10
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de huidige psychische toestand van [eiseres] eraan in de weg staat dat de woning zal kunnen worden ontruimd. De omstandigheid dat haar vader ernstig ziek is en diens verzorging haar veel tijd en energie kost rechtvaardigen evenwel een verlenging van de ontruimingstermijn. Wat betreft de duur van deze verlenging neemt de voorzieningenrechter ook het volgende in overweging.
4.11
[echtgenoot] c.s. heeft gesteld dat het vonnis van 29 maart 2012 een misslag bevat omdat daaruit niet blijkt dat de kantonrechter het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) in zijn beoordeling heeft betrokken. De kantonrechter had dit ambtshalve behoren te doen en door dit na te laten heeft de kantonrechter een juridische misslag begaan, aldus [echtgenoot] c.s. (…)
4.14
Veronderstellenderwijs uitgaand van de juistheid van de stelling van [echtgenoot] c.s. dat de kantonrechter ter zake het IVRK een ambtshalve onderzoeksplicht had, betekent het voorgaande dat onderzocht dient te worden of, ingeval de kantonrechter het IVRK wel in zijn beoordeling had betrokken, dit tot een afwijzing van de in de bodemprocedure gevorderde ontbinding zou hebben geleid. Hierover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.15
Hoewel zeker niet ondenkbaar is dat de ontruiming nadelige gevolgen zal hebben voor de in de woning verblijvende kinderen, ligt het allereerst op de weg van [echtgenoot] c.s. om de nodige voorzieningen te treffen om die eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken.
Door [echtgenoot] c.s. is niet gesteld dat de mogelijkheden van hemzelf of door hem eventueel in te schakelen hulpverlenende instanties ontoereikend zijn om voor adequate hulpverlening op dit punt zorg te dragen. De voorzieningenrechter zal daarom het gevorderde verbod tot ontruiming ook niet op deze grond toewijzen. Evenwel ziet de voorzieningenrechter ook in de omstandigheid dat in de woning twee nog jonge kinderen verblijven aanleiding om de termijn waarbinnen de ontruiming dient plaats te vinden te verruimen.
4.16
Mede in aanmerking genomen de hiervoor onder 4.10 genoemde omstandigheid zal de voorzieningenrechter de termijn waarbinnen de ontruiming dient plaats te vinden verlengen tot 21 juli 2012, onder voorwaarde dat [echtgenoot] c.s. de verschuldigde huur en servicekosten steeds stipt op tijd betaalt. (…)’
2.5.
Bij dagvaarding van 18 juni 2012 zijn [eiseres] en [echtgenoot] in hoger beroep gekomen van het onder 2.4 vermelde vonnis. Bij arrest van 4 december 2012 heeft het hof Amsterdam het beroep van [eiseres] en [echtgenoot] op het ontstaan van een noodtoestand bij ontruiming door de gezondheidstoestand van [eiseres] en het verlies van hun inkomen doordat zij het commerciële gebruik van de woning dreigen te verliezen, verworpen. Het hof heeft voornoemd vonnis bekrachtigd en voor zover van belang nog het volgende overwogen:
‘(…) 3.6.
Het hof verwerpt ten slotte het betoog van [echtgenoot] c.s. dat het niet uitdrukkelijk in de beoordeling betrekken door de kantonrechter van de belangen van de minderjarige kinderen van [echtgenoot] c.s. een klaarblijkelijke feitelijke of juridische misslag vormt. Niet in geschil is dat [echtgenoot] c.s. zelf in de procedure die tot het vonnis van de kantonrechter heeft geleid de belangen van hun minderjarige kinderen niet aan de orde hebben gesteld. Dat deze belangen niettemin toen in relevante mate op het spel stonden en dat de kantonrechter er rekening mee had moeten houden dat [echtgenoot] c.s. in geval van beëindiging van de huur niet in staat zouden zijn om voor een voldoende deugdelijk/adequaat onderkomen van hun kinderen te zorgen, is door [echtgenoot] c.s. onvoldoende feitelijk toegelicht. De stelling van [echtgenoot] c.s. dat hun oudste kind als gevolg van de beëindiging van de huur (mogelijk) wat verder van zijn huidige school zal komen te wonen acht het hof in dit verband ontoereikend. Dit brengt mee dat bezwaarlijk valt aan te nemen dat een (expliciete) toetsing aan de bepalingen van het hierboven onder 3.4 bedoelde verdrag (vzr het IVRK) tot een andere, voor [echtgenoot] c.s. gunstigere, beslissing zou hebben geleid, zodat in het midden kan blijven of de kantonrechter in een huurgeschil als het onderhavige gehouden is om ambtshalve te onderzoeken of er belangen van minderjarigen in het geding zijn (en de eventuele schending van zodanige belangen aan de bepalingen van genoemd verdrag te toetsen).’
2.6.
Bij exploot van 18 december 2012 heeft de deurwaarder op verzoek van verhuurders op grond van het vonnis van de kantonrechter van 29 maart 2012 per 8 januari 2013 tussen 7.00 uur en 20.00 uur aan [eiseres] en [echtgenoot] de ontruiming van de woning aangezegd.
2.7.
Bij e-mail van 3 januari 2012 heeft [naam 1] van het loket Wmo de deurwaarder verzocht de ontruiming van de woning enkele maanden uit te stellen. In de e-mail staat voor zover van belang nog het volgende:
(…) Mevrouw [eiseres], geboren [geboortedatum] 1971 heeft zich afgelopen maandag bij mij aan het loket Wmo gemeld met een exploot voor ontruiming van bovenstaand adres op 8 januari a.s..
Volgens de door haar verstrekte gegevens is er momenteel geen sprake van een huurachterstand. Dit is telefonisch bevestigd door haar advocaat. Zij zegt bereid te zijn de woning te verlaten, maar daarvoor enige tijd nodig te hebben. Dit in verband met het feit dat haar vader enige tijd geleden is overleden en haar echtgenoot haar onlangs verlaten heeft. Er is dus sprake van een gewijzigde situatie. Tevens zijn er twee minderjarige kinderen, geboren [geboortedatum]-2010 en [geboortedatum]-2006. Betrokkene geeft aan momenteel voldoende inkomsten te hebben om een woning in de vrije sector te zoeken. Ik betwijfel dat. Haar werkzaamheden vinden in haar woning plaats. Als zij deze moet verlaten, vallen waarschijnlijk (een deel van) de inkomsten weg. (…)
De advocaat van betrokkene heeft de burgemeester van Amstelveen gevraagd de ontruiming uit te stellen. Bij monde van de heer [naam 2], belast met deze werkzaamheden, is dat niet mogelijk omdat het patriculiere verhuur betreft. (…)
2.8.
Tegen het onder 2.2 vermelde vonnis is door [eiseres] en [echtgenoot] hoger beroep ingesteld. De procedure staat op de rol van 15 januari 2013 voor tussenarrest in een incident, strekkende tot schorsing van de executie van het vonnis van de kantonrechter.
3. Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert — samengevat — de gemeente tot en met 30 april 2013 te verbieden om de medewerking als bedoeld in artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij de ontruiming van de woning te verlenen.
3.2.
[eiseres] stelt hiertoe het volgende.
In de onderhavige zaak heeft zich een drastische wijziging van de omstandigheden voorgedaan. [echtgenoot] is uit de woning vertrokken en thans verblijft [eiseres] alleen met de kinderen in de woning. Een echtscheidingsprocedure zal binnenkort worden aangevangen. Voor [eiseres] en de kinderen zal een noodtoestand ontstaan als zij de woning dienen te verlaten. Zij hebben geen ander plek om te wonen, het gezin zal zonder inkomsten komen te zitten omdat [eiseres] haar gastouderverblijf in de woning dient te staken en het gaat niet goed met de oudste zoon van [eiseres]. De ontruiming is onrechtmatig.
De vordering richt zich tegen de burgemeester van Amstelveen. Deze burgemeester heeft een zelfstandige bevoegdheid om te beslissen of hij op grond van artikel 444 Rv mee zal werken aan de ontruiming. Hij heeft daarin een zekere beleidsvrijheid.
Er moet beoordeeld worden of de burgemeester in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De burgemeester dient artikel 3 van het IVRK waarin is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen in samenhang met artikel 27 van het IVRK mee te wegen. Medewerking aan de ontruiming is onrechtmatig jegens [eiseres] en haar kinderen. De belangen van de kinderen zijn ten onrechte niet eerder meegewogen.
Uit jurisprudentie volgt dat artikel 3 van het IVRK zich rechtstreeks richt tot de daarin genoemde instellingen en autoriteiten en dat het kind zich jegens die instellingen en autoriteiten rechtstreeks daarop kan beroepen. Het gaat om beslissingen die het welzijn van het kind wezenlijk treffen. Het kunnen beschikken over een adequate woonvoorziening vormt een primaire levensbehoefte van een kind. Bij een onruiming dienen derhalve de belangen van de kinderen mee worden gewogen. Bij een acute noodtoestand kan de onruiming worden geweigerd. Op 8 januari 2013 is er geen vervangende woonruimte beschikbaar voor de kinderen van [eiseres]. Er is dus sprake van een noodtoestand. De kinderen mogen niet door toedoen van de staat de dupe worden van het gedrag van hun ouders.
3.3.
De gemeente en verhuurders voeren verweer. Hierop wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv — waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden — buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
4.2.
De voorgeschiedenis in onderhavige zaak is als volgt. Bij vonnis van 29 maart 2012 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen verhuurders en [eiseres] en [echtgenoot] ontbonden en bepaald dat de woning binnen twee maanden na betekening van dat vonnis moet worden ontruimd. Op grond van het vonnis dienden [eiseres] en [echtgenoot] uiterlijk 2 juni 2012 de woning te verlaten. Op 7 mei 2012 zijn zij echter een executiegeschil gestart. De voorzieningenrechter heeft daarin de ontruiming geschorst tot 21 juli 2012. [eiseres] en [echtgenoot] zijn op 18 juni 2012 in hoger beroep gegaan van dit vonnis. Bij arrest van 4 december 2012 heeft het hof Amsterdam het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Verhuurders hebben in afwachting van dit arrest kennelijk de ontruiming uitgesteld en pas bij exploot van 18 december 2012 heeft de deurwaarder op verzoek van verhuurders de ontruiming aangezegd per 8 januari 2013, ruim een half jaar nadat de ontruiming op grond van het vonnis van de kantonrechter had moeten plaatsvinden. Ook de aanstaande ontruiming wil [eiseres], die inmiddels alleen met haar kinderen in de woning verblijft, voorkomen door het aanhangig maken van dit geschil. Zij stelt zich op het standpunt dat het de gemeente, de burgemeester (of namens deze een ambtenaar van politie tevens hulpofficier van justitie), moet worden verboden om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep in de bodemprocedure de medewerking als bedoeld in artikel 444 Rv bij de ontruiming te verlenen.
4.3.
[eiseres] heeft daartoe gesteld dat [echtgenoot] het gezin heeft verlaten, zij haar inkomsten als gastouder dreigt te verliezen bij het verlaten van de woning en dat haar oudste zoon problemen heeft, zie de doktersverklaring van 17 december 2012 waarin staat dat deze zoon van [eiseres] kort gezegd stressklachten heeft, en het beter voor hem zal zijn als hij in de woning kan blijven. Er zal volgens [eiseres] een noodtoestand ontstaan als zij de woning dient te verlaten. Er is immers geen vervangende woonruimte en als [eiseres] de woning met de kinderen dient te verlaten is er geen geld meer voor de primaire levensbehoeften. Het is dan ook in strijd met de belangen van de kinderen als zij de woning dienen te verlaten zeker nu de kans bestaat dat het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd, aldus [eiseres].
De burgemeester dient bij de beslissing om assistentie te verlenen op grond van artikelen 3 en 27 van het IVRK deze belangen van de kinderen mee te wegen. De burgemeester zou dan tot het besluit moeten komen dat geen medewerking kan worden verleend. Hierop vooruitlopend dient aan de burgemeester een verbod tot medewerking te worden opgelegd.
4.4.
De eerste vraag die aan de orde is, is of de gemeente, in de persoon van de burgemeester, wel bevoegd is voornoemde belangen van de kinderen nog te laten meewegen. Met de gemeente en de verhuurders is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bevoegdheden van de burgemeester op grond van artikel 444 Rv in dat kader beperkt zijn. Het gaat in dat artikel meer om een ‘vergezellingsplicht’ van de burgemeester en de burgemeester dient alleen te beoordelen of de deurwaarder geen lichtvaardig of willekeurig gebruik maakt van de bevoegdheden om de woning zonder toestemming van de bewoners te betreden. Alleen in hele bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij een sterfgeval of bevalling, kan van zo'n situatie sprake zijn. De door [eiseres] geschetste omstandigheden zijn geen omstandigheden die tot een dergelijke situatie kunnen leiden.
4.5.
Indien wordt aangenomen dat de bevoegdheden van burgemeester ruimer zijn dan hierboven weergegeven, kan bovendien nog de vraag worden gesteld of op grond van het IVRK op de burgemeester wel de verplichting rust de belangen van het kind als eerste in overweging te nemen. Deze verplichting legt het IVRK immers niet op aan (rechts)personen, die niet vanuit een door de Staat gegeven of toegelaten bevoegdheidsuitoefening in een bijzondere rechtsbetrekking tot een kind staan en over het lot van het kind kunnen of moeten beslissen. De weging van de belangen van de kinderen heeft op het moment dat de burgemeester wordt ingeschakeld al door een of meer rechterlijke instanties kunnen plaatsvinden en vooralsnog lijkt het er niet op dat de burgemeester dan nog een rol heeft in het toepassen van het IVRK.
Dit neemt overigens niet weg dat onder omstandigheden, vergelijkbaar aan een sterfgeval of een bevalling, eisen van zorgvuldigheid meebrengen dat de belangen van een minderjarige wel moeten worden meegewogen.
4.6.
Tot slot is ook onvoldoende aannemelijk geworden dat de door [eiseres] geschetste omstandigheden ten aanzien van de kinderen tot een noodtoestand zullen leiden indien de ontruiming doorgang zal vinden. De omstandigheden zijn immers al grotendeels bij de vorige procedures aan de orde geweest en meegewogen.
De omstandigheid dat [eiseres] haar gastouderverblijf moet stoppen bij ontruiming van de woning en dit er volgens [eiseres] toe zal leiden dat zij niet voldoende inkomsten heeft om in de eerste levensbehoeften van de kinderen te voorzien, is voor zowel de voorzieningenrechter als het hof geen beletsel geweest de ontruiming toe te wijzen. [eiseres] heeft als nieuw argument gesteld dat er veiligheidsvoorzieningen in de woning zijn getroffen om als Joods gastouderverblijf te kunnen fungeren. Nu niet iedere woning zich daarvoor leent, benadrukt dit het belang van [eiseres] om in de woning te mogen blijven werken, aldus [eiseres].
Verhuurders betwisten echter dat er veiligheidsvoorzieningen zijn aangebracht en los daarvan kan niet worden gezegd dat [eiseres] niet elders een goed beveiligd gastouderverblijf kan opstarten of op andere wijze inkomsten kan genereren. De gemeente heeft ter zitting toegezegd dat zij voor een vervangende woonruimte zal zorgen die geschikt is voor kinderen als de ontruiming doorgang zal vinden.
Hiermee verliezen de andere door [eiseres] genoemde omstandigheden die tot een noodtoestand voor de kinderen kunnen leiden bij ontruiming hun betekenis. De kinderen zullen niet op straat komen te staan en hoewel de situatie voor de familie niet makkelijk zal zijn vanwege het vertrek van de vader, is er een plek om tot rust te komen. Het is aan [eiseres] zelf om het voor kinderen verder zo min mogelijk belastend te laten zijn. Het is [eiseres] zelf geweest die niet tijdig voor andere woonruimte heeft gezorgd. Dit terwijl al vanaf 29 maart 2012 de kantonrechter heeft beslist dat de familie de woning diende te verlaten. De voorzieningenrechter heeft de ontruiming twee maanden opgeschort en de verhuurders zijn zo schappelijk geweest het arrest van het hof Amsterdam af te wachten. De extra tijd die [eiseres] daardoor kreeg om ander woonruimte te zoeken, heeft zij kennelijk niet daarvoor benut. Het is de vraag of dit wel van goed ouderschap getuigt.
4.7.
Tot slot heeft [eiseres] nog gesteld dat de ontruiming niet geldig aan [echtgenoot] is betekend hetgeen volgens haar betekent dat de aangezegde ontruiming niet aan de kinderen kan worden tegengeworpen. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Ten tijde van de betekening was [echtgenoot] volgens [eiseres] al uit de woning vertrokken. De ontruiming is vervolgens rechtsgeldig aan [eiseres] aangezegd die thans gehouden is de woning met al de haren, de kinderen, te ontruimen.
Op grond van al het voorgaande zal de vordering worden afgewezen. De ontruiming zal doorgang vinden.
4.8.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op een bedrag van € 589,00 aan griffierecht en een bedrag van € 816,00 aan salaris advocaat. Aan de zijde van verhuurders worden de kosten begroot op € 274,00 aan griffierecht en een bedrag van € 816,00 aan salaris advocaat.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorziening,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.405,00 en aan de zijde van de verhuurders tot op heden begroot op € 1.090,00,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.H. Felix, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2013.